---
title: "Décision anticipée 2017.285 · Impôt des sociétés, Scission partielle fiscalement neutre"
description: "Impôt des sociétés, Scission partielle fiscalement neutre, Motifs économiques valables. Décision anticipée belge n° 2017.285 du 11 juillet 2017."
url: "https://juriel.be/fr/rulings/2017-285-impot-societes-scission-partielle-fiscalement-5fc3"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Impôt des sociétés, Scission partielle fiscalement neutre · Impôt des sociétés - Scission partielle fiscalement neutre - Motifs économiques valables - Fraude ou évasion fiscale - TVA - Cession non-imposable dans le cadre d'une restructuration - Règle de la non-livraison

**Numéro**

2017.285

**Date**

11 juillet 2017

## Sur le document

**Collection**

Décisions anticipées

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

59 paragraphes

Fiche du SPF Finances

*Impôt des sociétés*

*Scission partielle fiscalement neutre* · *Motifs économiques valables* · *Fraude ou évasion fiscale*

*TVA* · *Cession non-imposable dans le cadre d'une restructuration* · *Règle de la non-livraison*

## Résumé

Les scissions partielles envisagées de la SPRLU A, de la SPRLU B et de la SPRLU C, par laquelle leurs activités économiques sont scindées en une société encore à constituer, à savoir la SCRL D, répondent aux dispositions de l'article 183bis du CIR92 et peuvent avoir lieu sous le régime de la neutralité fiscale visée à l'article 211, § 1 er du CIR92.

La SPRLU A, la SPRLU B et la SPRLU C font partie d'une unité TVA 1 avec le GIE E.

La création de la SPRL F aura lieu le même jour que celle de la SCRL D, on demandera une nouvelle unité TVA (unité TVA 2) entre les deux sociétés. Après la création de l'unité TVA 2, le GIE E vendra à la SPRL F son activité immobilière qui est exclusivement au service des activités économiques susmentionnées de la SPRLU A, la SPRLU B et la SPRLU C.

Vu la finalité économique de toute la restructuration envisagée, c’est-à-dire tant la scission des activités économiques que la vente de l'activité immobilière en question avec tous les actifs et passifs, droit et obligations (comme détaillés et expliqués par le demandeur), dans les circonstances données, la règle de la non-livraison des articles [11](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-11) et [18, § 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-18) du CTVA s'applique sur toute cette restructuration. Dans le chef de l'unité TVA transférante, on ne devra donc pas procéder à la révision de la TVA relative aux biens d'investissement transférés.

***La décision est publiée uniquement dans la langue dans laquelle la demande a été introduite.***

## I. Voorwerp van de aanvraag

1\. De aanvraag strekt ertoe te vernemen of:

1.1 de voorgenomen partiële splitsingen van A EBVBA, B EBVBA en C EBVBA, waarbij hun economische activiteiten worden overdragen aan een nog op te richten vennootschap D CVBA, geen belastingfraude of -ontwijking als hoofddoel of één van de hoofddoelen hebben in de zin van artikel 183bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) en belastingneutraal kunnen plaatsvinden in toepassing van artikel 211, §1, WIB 92;

1.2 op de hele *ab initio* voorgenomen herstructurering, i.e. zowel de afsplitsing van de economische activiteiten, momenteel uitgeoefend in het kader van een maatschap die deel uitmaakt van btw-eenheid 1 naar de nieuw op te richten vennootschap D CVBA, als de verkoop van de vastgoedactiviteit met alle daaraan verbonden activa en passiva, rechten en verplichtingen, aan de nieuw op te richten vennootschap F BVBA, die op het ogenblik van die overdracht deel uitmaakt van btw-eenheid 2, gevormd met voornoemde nieuwe vennootschap D CVBA, het niet-leveringsbeginsel van de artikelen [11](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-11) en [18, § 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-18), van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (W.BTW) in de gegeven omstandigheden van toepassing is, onder voorbehoud van een gunstige beoordeling van de aanvraag tot identificatie van deze btw-eenheid 2 door de bevoegde btw-administratie en dat in hoofde van de overdragende btw-eenheid 1 niet moet worden overgegaan tot herziening van btw met betrekking tot de overgedragen bedrijfsmiddelen.

## II. Beslissing

2\. A EBVBA, B EBVBA en C EBVBA zijn de respectievelijke vennootschappen van de heer X, de heer Y en mevrouw Z. Zij maken deel uit van een maatschap.

3\. Hiernaast hebben de heren X en Y destijds het ESV E opgericht met als doel het verschaffen van de middelen en infrastructuur ter ondersteuning en ter bevordering van de activiteiten van de leden van het ESV. In concreto bestaat de enige activiteit van het ESV E uit de oprichting, de financiering en het beheer van een nieuw gebouw (momenteel in oprichting) dat exclusief dienstig zal zijn voor de uitoefening van de economische activiteiten van de aanvragers. De leden van het ESV E zijn thans A EBVBA en B EBVBA.

4\. De maatschap en het ESV E zijn opgenomen in een btw-eenheid (btw-eenheid 1).

5\. Momenteel worden de economische activiteiten van de aanvragers uitgeoefend in gehuurde gebouwen. Evenwel is het ESV E een nieuw gebouw aan het oprichten op terreinen die in onverdeelde eigendom zijn van de heren X en Y en waarvan het ESV E opstalhouder is. Het nieuwe gebouw zal exclusief ter beschikking worden gesteld van de maatschap om er de economische activiteiten in uit te oefenen. Conform de wetgeving van de betrokken beroepssector moeten de zakelijke rechten op het gebouw te allen tijde gescheiden blijven van de economische activiteiten uitgeoefend in vennootschapsverband.

6\. Ingevolge wijzigingen aan de regelgeving in de betrokken sector zal de maatschap niet kunnen voortgezet worden.

7\. Tevens is sinds enkele jaren een derde partner, mevrouw Z via haar vennootschap C EBVBA, toegetreden tot de maatschap die voorheen enkel bestond tussen de leden van het ESV, met name A EBVBA en B EBVBA. Dit creëert een bijkomend probleem in die zin dat het ESV, door ten dienste te staan van de maatschap, ook diensten verleent aan C EBVBA die geen lid is van het ESV, terwijl ESV’s er toe gehouden zijn middelen te verschaffen voor de goede werking van de activiteiten van hun leden.

8\. Bovendien komt het ESV tevens op andere manieren onder druk te staan.

9\. Om aan het voormelde tegemoet te komen zal enerzijds ingevolge partiële splitsingen van de EBVBA's een nieuwe vennootschap D CVBA worden opgericht en zal anderzijds een nieuwe vastgoedvennootschap, F BVBA, worden opgericht. De aandelen van beide vennootschappen zullen in handen zijn van de heren X en Y en mevrouw Z.

10\. In eerste instantie zullen de huidige vennoten van de maatschap, met name A EBVBA, B EBVBA en C EBVBA partieel gesplitst worden, waarbij zij hun economische activiteiten en de daaraan verbonden activa en passiva, alsmede rechten en verplichtingen, zullen afsplitsen naar de nieuwe vennootschap D CVBA. Op dezelfde dag zal door de heren X en Y en mevrouw Z een nieuwe patrimoniumvennootschap F BVBA worden opgericht.

11\. Na de oprichting van D CVBA en F BVBA zal een aanvraag worden ingediend tot vorming van een btw-eenheid tussen beide voormelde vennootschappen (btw-eenheid 2) en zal, na inwerkingtreding van btw-eenheid 2, het ESV E haar vastgoedactiviteit overdragen aan de nieuwe patrimoniumvennootschap F BVBA. Voorafgaand aan de verrichtingen zal mevrouw Z ten persoonlijke titel een deel van de eigendomsaandelen hebben aangekocht, welke de heren X en Y aanhielden in de terreinen belast met het opstalrecht gevestigd ten behoeve van het ESV E met het oog op de oprichting van het nieuwe gebouw voor de economische activiteiten.

12\. Na de geplande verrichtingen zullen het ESV E en de maatschap geen reden van bestaan meer hebben en worden ontbonden.

### *II.A. Inzake directe belastingen (toepassing van de artikelen 183bis en 211, §1, WIB 92 m.b.t. de partiële splitsingen)*

13\. Door de partiële splitsingen van A EBVBA, B EBVBA en C EBVBA, die deel uitmaken van de maatschap, zullen de economische activiteiten van de respectievelijke vennootschappen worden afgesplitst naar de nog op te richten vennootschap D CVBA waarin de heren X en Y en mevrouw Z samen hun economische activiteit zullen verder zetten. De partieel gesplitste vennootschappen zullen in de toekomst verder fungeren als bestuurdersvennootschappen.

14\. Door het onderbrengen van de economische activiteiten in een nieuwe vennootschap die de rechtsvorm zal aannemen van een CVBA, wordt tegemoet gekomen aan wijzigingen die zich in de betrokken beroepsreglementering hebben voorgedaan.

15\. Bij de verdeling van de eigen vermogensbestanddelen ingevolge de geplande partiële splitsingen zal rekening worden gehouden met de toepassing van artikel 213 WIB 92 en met de voorschriften van de fiscale administratie ter zake. Dienaangaande wordt nog opgemerkt dat A EBVBA en B EBVBA over een gespreid te belasten meerwaarde in de zin van artikel 47 WIB 92 beschikt waarbij de te herbeleggen verkoopprijs nog moet worden herbelegd. In dit verband hebben de aanvragers bevestigd dat D CVBA onherroepelijk de herinvesteringsverplichting voor het bedrag van de verkoopprijs op zich zal nemen en dat de werkwijze zoals vermeld in nr. 211/56 van de administratieve commentaar op het WIB 92 (Com.IB 92) zal worden gevolgd.

16\. A EBVBA, B EBVBA en C EBVBA zijn winstgevende vennootschappen en hebben een belastbare basis. Tevens werd bevestigd dat zij niet over overgedragen fiscale bestanddelen beschikken.

17\. De reorganisatie brengt geen voordeel met zich mee op het vlak van de aftrek voor risicokapitaal.

18\. De aanvragers hebben bevestigd dat er geen intentie bestaat om de aandelen van de bij de partiële splitsingen betrokken vennootschappen over te dragen.

19\. Op basis van de door de aanvragers verstrekte inlichtingen en het door de DVB gevoerde onderzoek kan worden aangenomen dat de partiële splitsingen van A EBVBA, B EBVBA en C EBVBA zullen plaatsvinden op basis van zakelijke overwegingen en niet als hoofddoel of één der hoofddoelen belastingfraude of -ontwijking hebben in de zin van artikel 183bis WIB 92.

20\. De verkrijgende vennootschap D CVBA is een binnenlandse vennootschap.

21\. De aanvragers hebben bevestigd dat de partiële splitsingen zullen plaatsvinden overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen.

22\. Derhalve kan worden besloten dat aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 211, §1, vierde lid, WIB 92 is voldaan, zodat de geplande partiële splitsingen van A EBVBA, B EBVBA en C EBVBA kunnen worden verricht onder het belastingneutraal regime zoals bedoeld in artikel 211, §1, WIB 92.

23\. De onderhavige beslissing is gebaseerd op elementen zoals deze door de aanvragers vermeld worden. De DVB spreekt zich in deze beslissing, ondanks de vermelding in randnr. 18, niet uit over de mogelijke toepassing van antimisbruikbepalingen (artikel 183bis WIB 92 of artikel 344, § 1, WIB 92) ten gevolge van verrichtingen die niet omschreven zijn in deze beslissing, zoals inzonderheid een latere overdracht van aandelen van A EBVBA, B EBVBA, C EBVBA of D CVBA.

### *II.B. Inzake btw (toepassing van de artikelen 11 en 18, § 3, W.BTW op de hele beoogde reorganisatie)*

24\. Het niet-leveringsbeginsel van de artikelen 11 en 18, §3, W.BTW is van toepassing onder de volgende voorwaarden:

i. de overdrager is een belastingplichtige;

ii. het gaat om een overdracht van een algemeenheid van goederen of een bedrijfsafdeling;

iii. het gaat om een overdracht bij wijze van inbreng in een vennootschap of anderszins, tegen vergoeding of om niet;

iv. de overnemer is een belastingplichtige;

v. de overnemer zou de btw, indien hij deze verschuldigd zou geweest zijn, volledig of gedeeltelijk hebben kunnen aftrekken.

25\. De inbreng van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling van de ene btw-eenheid in een andere btw-eenheid kan in aanmerking komen voor de toepassing van de artikelen 11 en 18, § 3 W.BTW. Dergelijke overdracht moet dan wel voldoen aan alle "normale" toepassingsvoorwaarden (Voorafg. Besl. nr. 2015.091, 17 maart 2015). Zo moet het duidelijk zijn dat de economische activiteit wordt overgedragen en voortgezet en dat de overnemende btw-eenheid de btw in aftrek zou kunnen brengen als die op de overdracht verschuldigd was geweest.

26\. In het arrest Zita Modes stelt het Hof van Justitie van de Europese Unie dat het niet-leveringsbeginsel van toepassing is op alle overdrachten van een handelszaak of van autonome bedrijfsafdelingen met inbegrip van lichamelijke en eventueel onlichamelijke elementen die gezamenlijk een bedrijf of bedrijfsafdeling vormen die geschikt is om een economische activiteit autonoom voort te zetten. De overnemer dient desalniettemin de bedoeling te hebben het handelsfonds of de bedrijfsafdeling verder te zetten, en niet enkel de bedoeling om de betreffende activiteit onmiddellijk te liquideren en desgevallend de voorraad te verkopen. Aldus is niet vereist dat alle elementen van het bedrijf of van de bedrijfsafdeling overgedragen worden. Het volstaat dat een geheel van elementen of een vereniging van elementen wordt overgedragen om het bijzonder stelsel van niet-levering te kunnen toepassen. Deze elementen dienen wel de voortzetting van een autonome economische activiteit toe te laten (H.v.J. 27 november 2003, Zita Modes, [C-497/01](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-497-01-arret), http://curia.europa.eu; [Circulaire AOIF nr. 46/2009 (E.T. 110.663)](https://juriel.be/fr/circulaires/46-2009-afer-champ-application-tva-activite-4e9e) van 30 september 2009). Het Hof legt bovendien het principe op volgens hetwelk de betreffende situatie dient beoordeeld te worden in hoofde van de overnemer en niet in hoofde van de overdrager.

27\. De door de aanvrager uitvoerig omschreven en toegelichte voorgenomen hele herstructurering is hoofdzakelijk ingegeven door wijzigingen in de wetgeving van de betrokken beroepssector.

28\. Wat wordt beoogd door de aanvrager is de verderzetting van dezelfde economische activiteit "going concern" (waardoor de voortzettingsvereiste zoals geformuleerd in het geciteerde Zita Modes arrest, vervuld is) met behulp van dezelfde middelen maar onder een aangepaste juridische structuur die voldoet aan de eisen van de gewijzigde reglementering.

29\. Het staat ontegensprekelijk vast dat de aanvrager initieel de bedoeling had om deze autonome economische activiteit, zowel de betreffende eigenlijke activiteiten als de gerelateerde vastgoedactiviteit met alle daaraan verbonden activa en passiva, rechten en verplichtingen, over te dragen van de ene btw-eenheid naar de andere btw-eenheid, meer bepaald van voornoemde overdragende btw-eenheid 1 naar voornoemde overnemende btw-eenheid 2.

30\. Uit de feitelijke omstandigheden blijkt dus duidelijk *ab initio* de bedoeling van de aanvrager dat de overnemende btw-eenheid, te weten btw-eenheid 2, ook de bedoelde vastgoedactiviteit zou overnemen. De over te dragen vastgoedactiviteit bestaat uit de oprichting, de financiering en het beheer van een nieuw gebouw dat momenteel wordt opgericht en dat uitsluitend dienstig zal zijn voor de uitoefening van voornoemde economische activiteiten. Het over te dragen vermogen bevat het opstalrecht en de al opgerichte opstallen van dit gebouw, alsook de daaraan verbonden financiële verplichtingen en de overeenkomsten (rechten en verplichtingen) met betrekking tot het ontwerp (architectuurcontract) en de oprichting (aannemingscontracten) van het gebouw en de coördinatie van de bouwwerken. Op basis van een marktconforme huurovereenkomst op lange termijn zal de patrimoniumvennootschap F BVBA het betreffende gebouw exclusief ter beschikking stellen van de D CVBA om door haar te worden gebruikt voor de uitoefening van haar activiteiten.

31\. Het is slechts omwille van dwingende juridische en procedurele redenen en wegens aan de DVB gesignaleerde onvoorziene administratieve redenen buiten de wil van de aanvrager dat deze initiële doelstelling uiteindelijk niet werd gerealiseerd. Alleen wegens deze redenen worden de economische activiteiten door btw-eenheid 1 afgesplitst naar de nieuwe vennootschap D CVBA vooraleer btw-eenheid 2 tussen laatstgenoemde vennootschap en de nieuwe patrimoniumvennootschap F BVBA, i.e. de overnemer van de hiervoor bedoelde vastgoedactiviteit, in werking is getreden.

32\. Gelet op voornoemde dwingende juridische en procedurele redenen en onvoorziene administratieve redenen buiten de wil van de aanvrager en gelet op de economische finaliteit van de hele *ab initio* voorgenomen herstructurering, i.e. zowel de afsplitsing van de economische activiteiten als de verkoop van de gerelateerde vastgoedactiviteit met alle daaraan verbonden activa en passiva, rechten en verplichtingen (zoals uitvoerig beschreven en toegelicht door de aanvrager), is volgens de DVB in de gegeven omstandigheden het niet-leveringsbeginsel van de artikelen 11 en 18, § 3, W.BTW op deze hele herstructurering van toepassing. In hoofde van de overdragende btw-eenheid 1 zal dus niet moeten worden overgegaan tot herziening van btw met betrekking tot de overgedragen bedrijfsmiddelen.

33\. De DVB wijst er op dat zij niet bevoegd is om te beoordelen of bepaalde entiteiten een btw-eenheid kunnen vormen ([artikel 2 van het Btw-KB nr. 55](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-55-mars-regime-assujettis-formant-unite-651f#ar55-art2) van 9 maart 2007 met betrekking tot de regeling voor belastingplichtigen die een btw-eenheid vormen en artikel 22, tweede lid van de Wet van 24 december 2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken).

34\. Het spreekt dus voor zich dat in het onderhavige geval deze beslissing met betrekking tot de toepassing van de artikelen 11 en 18, § 3, W.BTW door de DVB is genomen onder voorbehoud dat de aanvraag tot identificatie van een btw-eenheid, zoals bedoeld in het Btw-KB nr. 55 van 9 maart 2007, op naam van btw-eenheid 2 (met als kandidaat-leden D CVBA en F BVBA), gunstig wordt beoordeeld door de bevoegde btw-administratie.

35\. Behoudens in geval van een negatieve beslissing wordt de btw-eenheid aangemerkt als één belastingplichtige vanaf de eerste dag van de maand volgend op het verstrijken van een termijn van één maand na de geldige indiening van de aanvraag tot identificatie van een btw-eenheid.

## Textes cités

4

[CTVA art. 11](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-11) 2 occurrences

[CTVA art. 18](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-18) 2 occurrences

[AR no 55 art. 2](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-55-mars-regime-assujettis-formant-unite-651f) 1 occurrence

[C-497/01, arrêt du 27 novembre 2003](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-497-01-arret) 1 occurrence
