---
title: "Valeur probante comptabilité, Présomption · Cour d&#x27;appel de Gand, 19 janvier 2000"
description: "Valeur probante comptabilité, Présomption, valeur probante de la comptabilité. Cour d'appel de Gand (Belgique), 19 janvier 2000."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/valeur-probante-comptabilite-presomption-cour-appel-gand-2000-01-19-041e"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Valeur probante comptabilité, Présomption, valeur probante de la comptabilité · Valeur probante comptabilité,Présomption

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Gand

**Date**

19 janvier 2000

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

57 paragraphes

### Corps de la décision

**ARRET G 00/3**

**Arrêt de la Cour d'appel de Gand dd. 19.01.2000**

*Valeur probante comptabilité - Présomption*

Dans un procès-verbal, valant preuve à défaut de preuve contraire, le fonctionnaire intéressé a fait mention d'une constatation d'achat en noir. Ces éléments qui ont été trouvés dans la comptabilité du fournisseur ne constituent qu'une présomption dans le chef de l'acheteur présumé. Les présomptions sont des conséquences tirées par la loi ou par le juge d'un fait connu pour conclure à l'existence d'un fait inconnu. Le juge ne peut s'appuyer que sur des présomptions graves, précises et concordantes. Il ressort toutefois d'autres éléments du dossier que l'acheteur n'avait pas effectué d'achats en noir auprès du vendeur. La cour conclut par conséquent à l'absence dans ce dossier de présomptions graves, précises et concordantes en ce qui concerne les livraisons en noir retenues par l'Administration de la TVA Dès lors, la taxation au nom des acheteurs n'est pas prouvée à suffisance et n'est donc pas fondée.

**Dertiende kamer**

Alleenrechtsprekend Kamervoorzitter: *Dhr. L. Gallet*

Griffier: *Dhr. C. Sonneville*

Partij: D• C••• H••••••••, D• C••• G••••••, D• C••• M••••••• en Roomboerke II N.V. t. De Belgische Staat

Rolnr. : 1998/AR/294

Bij verzoekschrift ter griffie van het Hof neergelegd op 5 februari 1998 hebben de appellanten hoger beroep ingesteld tegen het vonnis op 22 december 1997 uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, dertiende kamer.

Er wordt geen bewijs van betekening van dit vonnis voorgelegd.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

De retroacta

Bij dagvaarding dd. 10 mei 1996 hebben de appellanten verzet betekend tegen het dwangbevel dd. 10 april 1996, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 11 april 1996 en hen betekend bij schrijven dd. 15 april 1996. Er werd gesteld dat de fiscale administratie ten onrechte had aangenomen dat de N.V. Roomboerke II hen niet gefactureerde goederen zou geleverd hebben. De appellanten vorderden dat de dwangbevelen nietig zouden verklaard worden.

De appellante hebben dezelfde dagvaarding op 13 mei 1996 betekend aan de N.V. Roomboerke II; deze vennootschap werd aansprakelijk gesteld voor de schade welke de appellanten zouden geleden hebben door de onjuistheid van haar boekhouding. Er werd daarom lastens deze vennootschap schadevergoeding gevorderd.

In een conclusie, voor de eerste rechter neergelegd op 20 februari 1997, handhaafde de Belgische Staat zijn vordering tegen de eerste en de tweede appellant, maar stelde dat de vordering tegen de derde appellante was verjaard, zodat er geen wettelijke grond meer bestond voor de invordering. De Staat concludeerde derhalve tot de gegrondheid van het verzet van deze appellante.

De N.V. Roomboerke II besloot tot de afwijzing van de tegen haar gestelde vordering.

Het bestreden vonnis

In het bestreden vonnis werden de argumenten van de Belgische Staat bijgetreden en werd geoordeeld dat geen fout van de N.V. Roomboerke II bewezen was. Het verzet (van alle appellanten) werd ongegrond verklaard en de vordering tegen de N.V. Roomboerke II eveneens. De appellanten werden veroordeeld tot de kosten.

Het hoger beroep

De appellanten beweren dat op de lijst teruggevonden bij de N.V. Roomboerke II geen percentages werden vermeld na hun naam, dat er geen aanduiding is van de aard en van de hoeveelheid van de goederen welke zij zouden gekocht hebben zonder factuur, dat de afgevaardigde-beheerder van de leverancier hun naam niet heeft vermeld en dat de boekhouding van een derde (in casu de leverancier) op zich onvoldoende bewijskrachtig is, zodat in hunnen hoofde geen zwarte leveringen bewezen zijn.

De fiscale administratie beweert:

\- dat tijdens een fiscaal toezicht inzake de BTW, werd "vastgesteld" dat de appellanten, in 1991, overtredingen hebben begaan op het stuk van de BTW-wetgeving doordat bepaalde ontvangsten met betrekking tot belastbare werkzaamheden niet werden geboekt, en dat deze vaststellingen werden opgenomen in een proces-verbaal;

\- dat het proces-verbaal bewijs levert totdat het tegendeel is bewezen;

\- dat een dwangbevel werd uitgestuurd, behoorlijk geviseerd en uitvoerbaar verklaard en dat daaruit de sommen bleken welke de appellanten verschuldigd waren;

\- dat de eerste rechter terecht heeft geoordeeld dat het verzet ongegrond was;

\- dat de invordering lastens de derde appellante evenwel vervallen is door verjaring.

De N.V. Roomboerke II houdt voor dat de tegen haar gestelde vordering ongegrond is omdat, wanneer zou worden aangenomen dat de BTW door de appellanten verschuldigd is, het Hof de juistheid van de boekhouding aanvaardt en er derhalve geen fout werd begaan, en wanneer zou worden aangenomen dat de BTW niet verschuldigd is, de appellanten geen schade zullen geleden hebben.

Beoordeling

1\. Daar de administratie aanneemt dat het verzet van de derde appellante gegrond is omdat de vordering verjaard is, moet niet meer onderzocht worden of het verzet van deze appellante ook om andere redenen gegrond dient verklaard te worden.

2\. De bewijskracht van het proces-verbaal:

Het proces-verbaal van de bevoegde ambtenaar geldt tot het bewijs van het tegendeel. Deze bewijskracht betreft echter enkel de feiten welke de ambtenaar persoonlijk heeft kunnen vaststellen, te dezen, het feit dat in de 'statistiek bestanden' van de computer van de N.V. Roomboerke II, na de namen van de eerste en van de tweede appellant, een bedrag van zwarte aankopen is vermeld. Er moet derhalve worden aangenomen dat de betwiste bedragen voorkomen in de computergegevens van de leverancier. Of deze computergegevens ook juist zijn, kan echter niet worden afgeleid uit het feit dat ze werden opgenomen in een proces-verbaal: de ambtenaar kan aan de computergegevens van de leverancier immers geen bijzondere bewijskracht verlenen door ze op te nemen in een proces-verbaal. Zelfs de omstandigheid dat deze gegevens meermaals door de administratie werden overgenomen (in diverse processen-verbaal) verandert daar niet aan: er werd immers slechts één enkele vermelding aangetroffen in de boekhouding van de leverancier.

De gegevens in verband met zwarte leveringen, teruggevonden in de statistiek van de N.V. Roomboerke II, vormen ten overstaan van de appellanten derhalve enkel een vermoeden.

3\. Het bewijs door vermoedens:

Vermoedens zijn gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleiden uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit en de rechter mag enkel steunen op gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens.

Te dezen werd in het proces-verbaal van vaststelling dd. 3 mei 1994 vermeld dat door de N.V. Roomboerke II een systeem werd opgezet "waarbij leveringen aan bepaalde (onderlijning door het Hof) klantenbelastingplichtigen slechts gedeeltelijk werden gefactureerd aan die klanten" (zie sub 2 van dit P.V.) en dat in het klantenbestand, naast de naam en de identificatie van de klant, een percentage werd vermeld; "dit percentage stuurde het systeem uiteengezet onder punt 2 hiervoor en bepaalde dat deel van de levering dat niet diende te worden gefactureerd... (P.V. sub 3) en "dat vastgesteld werd dat dit percentage per bestelling kan gewijzigd worden op vraag van de klant" (P.V. sub 4).

Verder werd in hetzelfde P.V. sub 5 gesteld dat "aan de hand van de gegevens zoals ze zich in de statistiek bestanden van de computer van de firma Roomboerke II... bevinden, lijsten werden afgedrukt waarop per klant volgende gegevens vermeld staan:... de omzet welke aan die klant werd gefactureerd alsmede de leveringen aan die klant welke niet werden gefactureerd maar geboekt op de rekening 'kontante verkoop'". Volgens deze gegevens zou naast de naam van de eerste appellant een niet gefactureerd bedrag van 157.283 fr. vermeld zijn en naast de naam van de tweede appellant een bedrag van 966.183 fr.

Uit hetzelfde P.V. blijkt evenwel dat naast de naam van deze appellanten als "percentage niet te factureren" werd vermeld "geen%".

Het vermoeden afgeleid uit de vermelding van een bedrag van niet gefactureerde leveringen, wordt niet bevestigd door een overeenstemmende vermelding van een percentage, maar eerder ontkracht door de vermelding "geen%".

De bewering (op blz. 8 van de conclusie welke namens de administratie werd neergelegd voor het Hof) dat: "de verbalisant heeft vastgesteld (onderlijning door het Hof) dat de appellanten voor het jaar 1991 niet alle aankopen hebben ingeschreven in hun respectievelijke aankoopboeken", strookt niet met de werkelijkheid omdat de verbalisant er daarbij van uit gaat dat vaststaat dat de appellanten meer goederen hebben aangekocht dan door de N.V. Roomboerke II werd gefactureerd. Dit gegeven diende echter bewezen te worden: zolang niet is bewezen dat zwarte leveringen hebben plaats gehad, is niet bewezen dat niet alle aankopen werden geboekt.

De fiscale administratie beroept zich op de bekentenis van de afgevaardigde- bestuurder van de n.v. Roomboerke II. Deze heeft erkend dat de 'gewone' werkwijze erin bestond dat "behoudens tegenbericht, automatisch en systematisch" leveringen in het zwart gebeurden overeenkomstig het overeengekomen percentage. Deze verklaring kan echter, omwille van haar algemeenheid, niet tegengesteld worden aan de appellanten: er werd niets concreets verklaard ten laste van de appellanten, er is geen 'percentage' gekend en blijkens het P.V. werd de werkwijze niet toegepast voor 'alle' klanten, zonder enige uitzondering, maar wel voor 'bepaalde' klanten. De bewering (op blz. 9 van de hoger vermelde conclusie): "de administratie kreeg zekerheid (onderlijning door het Hof) omtrent de zwarte leveringen vanwege de N.V. Roomboerke II door het afsluiten van een fiscaal compromis met deze vennootschap", kan niet bijgetreden worden omdat een bekentenis van deze N.V. de klanten (dit zijn derden) niet bindt en zelfs geen gewichtig vermoeden schept tegen elke klant afzonderlijk.

Ook de omstandigheid dat andere klanten erkend hebben zwarte leveringen te hebben ontvangen, kan om dezelfde reden, niet ingeroepen worden tegen de appellanten.

Verder moet er op gewezen worden dat geen enkel stuk wordt voorgelegd waaruit zou kunnen afgeleid worden welke goederen in het zwart zouden geleverd zijn, noch wanneer zulks zou gebeurd zijn.

Uit wat voorafgaat volgt dat er te dezen geen gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens zijn omtrent de door de administratie voorgehouden zwarte leveringen. De aanslag op naam van de appellanten is ongegrond omdat de zwarte leveringen niet ten genoege van recht bewezen zijn.

Het verzet moet dan ook gegrond verklaard worden.

4\. De vordering gesteld tegen de N.V. Roomboerke II:

De appellanten bewijzen niet dat zij schade zouden geleden hebben en het enkel feit dat het verzet van de appellanten tegen de op hun naam gevestigde aanslag gegrond werd verklaard (omdat de ingeroepen zwarte leveringen niet ten genoege van recht werden aangetoond), bewijst nog niet dat de N.V. Roomboerke II een fout zou begaan hebben.

De vordering gesteld tegen deze N.V. is dan ook ongegrond. De appellanten dienen de kosten te dragen in hoofde van deze vennootschap.

### Dispositif

Op deze gronden, het Hof, wijzende bij verstek ten overstaan van de derde appellante,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Weert de stukken door de appellanten neergelegd op 16 december 1999 uit de debatten als laattijdig neergelegd.

Ontvangt het hoger beroep en verklaart het ten dele gegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis waar het de vordering ten aanzien van de N.V. Roomboerke II afwijst als ongegrond en de appellanten veroordeelt tot de kosten, welke bij gebrek aan opgave niet begroot werden.

Doet het bestreden vonnis teniet in zoverre het verzet tegen het dwangbevel inzake de BTW voor het jaar 1991 ongegrond werd verklaard en dienaangaande opnieuw wijzende:

verklaart het verzet tegen het dwangbevel gegrond en zegt dat dit dwangbevel nietig is en geen uitwerking kan hebben.

Veroordeelt de Belgische Staat tot alle kosten in hoofde van de appellanten en tot deze in eigen hoofde; zegt dat de kosten in eigen hoofde niet moeten begroot worden gezien ze eigen blijven en begroot deze in hoofde van de appellanten op 14.557 fr. kosten van de eerste aanleg (begroot in het bestreden vonnis), en zegt dat de andere kosten niet kunnen begroot worden bij gebrek aan opgave (de appellanten welke in persoon zijn verschenen, kunnen geen aanspraak maken op een rechtsplegingsvergoeding - art. 1 K.B. van 30 november 1970 tot vaststelling van het tarief van de invorderbare kosten bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek).

Veroordeelt de appellanten tot de kosten in hoofde van de N.V. Roomboerke II en zegt dat deze kosten niet kunnen begroot worden bij gebrek aan opgave.

Les noms de personnes physiques que la version diffusée par le SPF Finances laissait en clair ne sont pas republiés ici : ils sont réduits à leur initiale. Le texte n'est modifié nulle part ailleurs.
