---
title: "Tribunal de première instance de Hasselt, 5 mars 2008"
description: "Tribunal de première instance de Hasselt (Belgique), 5 mars 2008."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-hasselt-2008-03-05-f1d6"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Tribunal de première instance de Hasselt, 5 mars 2008 · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Hasselt

**Date**

5 mars 2008

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

60 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Hasselt du 05.03.2008

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER A, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :**

IN ZAKE : AR nr. **01/2014/A**

**C. B. S. BVBA**, gevestigd te …, …,

**eiseres,**

vertegenwoordigd door Mr. **W.** loco Mr. **P. W.**, advocaat te …, …,

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN**, Kabinet van de Minister van Financiën, Wetstraat 12 te 1000 Brussel,

**CONTROLE BTW HOUTHALEN-HELCHTEREN**, met burelen gevestigd te 3530 Houthalen-Helchteren, Vredelaan 31,

**verweerder,**

vertegenwoordigd door Mr. **F. R.**, advocaat te …, …,

**VOLGT HET VONNIS** **:**

Gelet op :

\- het verzoekschrift op tegenspraak dat werd neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 09.10.2001;

\- de conclusies en stukken van verweerder;

\- de conclusies van eiseres;

---

Twee ambtenaren van de 'Inspectie der Plaatselijke Opsporingen' Hasselt van AOIF deden op 22 februari 2000 controle ter uitbating van eiseres, zowel wat betreft de directe belastingen als wat betreft de BTW.

Hierover stelden zij op 20 maart 2000 een proces-verbaal van vaststelling op.

Er werd een boete opgelegd van 50.000,- toenmalige BEF, nu te lezen als 1.239,47 Euro.

Een stuk waaruit de boeteoplegging en de mededeling ervan aan eiseres blijkt, ligt niet voor.

Bij gebrek aan zulk stuk is het niet rechtstreeks duidelijk of het ging om een boete inzake directe belastingen dan wel inzake BTW.

Ook de reden tot oplegging blijkt niet ondubbelzinnig uit het proces-verbaal dat overigens niet opgeeft of het fiscaal-technisch een proces-verbaal inzake directe belastingen dan wel inzake BTW betreft.

Uit het verdere verloop van het dossier blijkt·wel dat het gaat om een boete inzake BTW.

In het bezwaarschrift dat naderhand door eiseres is ingediend, gaf zij zelf op dat de boete is opgelegd 'wegens aankoop zonder factuur'.

Zonder mededeling van ook maar enige motivering werd het bezwaarschrift afgewezen.

Uit de tekst van deze mededeling blijkt overigens dat het bezwaarschift verkeerdelijk werd aangezien als enkel een verzoek tot kwijtschelding of vermindering van de boete.

Een van de twee hogerop vermelde ambtenaren deed op 23 januari 2001 hernieuwd controle ter uitbating van eiseres, zowel wat betreft de directe belastingen als de BTW.

Hierover stelde hij op 7 februari 2001 een proces-verbaal van vaststelling op.

Er werden uiteenlopende forfaitaire boetes opgesomd voor diverse bedragen, dit uit oorzaak van overtredingen inzake zowel boekingsverplichtingen als voorlegging plicht.

Hier ligt wel een later stuk voor waaruit boeteoplegging en ook de mededeling daarvan aan eiseres blijkt.

Het stuk meldt ook dat het gaat om een tweede overtreding, beperkt evenwel de boete tot het niet voorleggen van aankoopfacturen.

De andere erin opgesomde boetes worden aldus niet gevorderd.

Uit het stuk blijkt alvast ook ontegenzeglijk dat het gaat om een boete inzake BTW.

Op het bezwaarschrift dat hierop is ingediend, volgde ook hier een afwijzing zonder ook maar enige motivering, en ook hier blijkt uit de tekst dat het bezwaarschrift verkeerdelijk aangezien werd als enkel een verzoek tot kwijtschelding of vermindering van de boetes.

Een raadsman voor eiseres legde op 9 oktober 2001 ter griffie verzoekschrift op tegenspraak neer, met aangehecht afschrift van de laatste mededeling.

In deze gedinginleidende akte wordt het voorwerp van de rechtsvordering geformuleerd als verzoek tot 'nietig verklaring' van (enkel) de enig opgelegde boete over louter 2001.

Deze vordering kan nuttig worden gelezen als verzoek tot onwettig verklaring van de fiscale vordering ter zake deze boete.

Hoewel er ten laste van eiseres nog geen dwangbevel was uitgevaardigd op het ogenblik van de neerlegging van het gedinginleidende verzoekschrift, betwist verweerder niet dat eiseres op dat ogenblik reeds een verkregen belang had in de zin van art. 17 Gerechtelijk Wetboek.

De rechtbank onderkent geen ambtshalve aan te voeren oorzaak tot ontoelaatbaar verklaring van de rechtsvordering.

De rechtbank heeft volle rechtsmacht ter beoordeling van de wettigheid en de evenredigheid van administratieve geldboeten.

Eiseres, die de bewijskracht van het proces-verbaal niet in twijfel trekt, beperkt zich tot enkel het aanvoeren van beweringen die niet worden gestaafd door ook maar enig bewijsmiddel.

De rechtsvordering onderbouwt dan ook geen onwettigheid van de opgelegde boete.

Eiseres trekt verder niet in twijfel dat het bedrag van de boete correct is bepaald conform de modulering van KB nr. 44 inzake BTW.

Er ligt te dezen geen reden voor om te oordelen dat deze alzo reeds gemoduleerde boete niet in evenredigheid staat met de vastgestelde, niet bewijskrachtig ontkrachte, feiten.

2\. De rechtsvordering blijkt geen kwijtschelding of vermindering van de boete na te streven uit enige andere oorzaak dan uit onwettigheid of uit onevenredigheid.

Partijen hebben elk een standpunt ingenomen ter zake de rechtsplegingvergoeding, wat ter zitting werd geacteerd.

De vordering tot (vernietiging dan wel) onwettig verklaring is een niet in geld waardeerbare vordering.

Het gaat te dezen om een eenvoudige betwisting, zodat het gepast voorkomt het bedrag der rechtsplegingsvergoeding binnen gezegde categorie te beperken tot 125,00 Euro.

---

Gelet op de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,** rechtdoende op **tegenspraak**

Verklaart de vordering toelaatbaar, maar ongegrond,

Veroordeelt eiseres tot de kosten, deze door de rechtbank in hoofde van verweerder vereffend op 125,00 Euro bij wijze van rechtsplegingvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de elfde kamer A, op **5 maart 2008**, alwaar aanwezig waren :

de heer **L. B.**, enige rechter,

mevrouw **M. L.**, griffier.

**M. L.** **L. B.**
