---
title: "Tribunal de première instance de Gand, 30 avril 2008"
description: "Tribunal de première instance de Gand (Belgique), 30 avril 2008."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-gand-2008-04-30-7184"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Tribunal de première instance de Gand, 30 avril 2008 · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Gand

**Date**

30 avril 2008

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

71 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 30.04.2008

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

## Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent - Zesde Fiscale Kamer - Openbare terechtzitting van 30 april 2008

Algemene rol nummer : **03/2344/A**

In de zaak van :

**De heer C. G.-M.**, restaurantuitbater, wonende te …, …, ingeschreven in het handelsregister te … onder nummer … en als BTW-belastingplichtige geïmmatriculeerd onder het nummer BE …

EISER, hebbende als raadsman mter. **F. D.**, advocaat te …, …

tegen

**De BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Wetstraat 12 te 1000 BRUSSEL, Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, controlecentrum Gent 1, met kantoren te 9050 Gent, Zuiderpoort, Gaston Crommenlaan 6/604

VERWEERDER, hebbende als raadsman mter. **E. V. A.**, advocaat te …, …

vonnist de rechtbank als volgt :

## 1. RECHTSPLEGING

**1.1.** Partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 2 april 2008 waarna het debat werd gesloten en de zaak in beraad werd genomen.

**1.2.** Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, in het bijzonder het geding inleidende verzoekschrift neergelegd op 13 juni 2003, de onderscheiden conclusies van de partijen, evenals de neergelegde bundels.

## 2. DE VORDERING

**2.1.** Eiser heeft met het geding inleidende verzoekschrift verzet aangetekend tegen een hem op 15 januari 2002 bij gerechtsdeurwaardersexploot betekend dwangbevel, met RCIV nummer …, uitgevaardigd op 27 november 2001 door de eerstaanwezend inspecteur van het eerste BTW-ontvangkantoor te Gent, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 3 december 2001 door de eerstaanwezend inspecteur-diensthoofd van de BTW-directie te Gent.

**2.2.** De vordering zoals laatst verwoord in conclusie strekt ertoe :

> "Het fiscaal verhaal ontvankelijk en volledig gegrond te verklaren;
>
> Dienvolgens te zeggen voor recht dat het dwangbevel uitgevaardigd door de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor Gent op 27 november 2001, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 3 december 2001 en aan de belastingplichtige betekent door het ambt van gerechtsdeurwaarder **A.** op 15 januari 2002, nietig is en dat de erin vermelde sommen niet zijn verschuldigd;
>
> De terugbetaling van de onverschuldigde geïnde sommen, vermeerderd met de moratoriuminteresten, te bevelen;
>
> De verwerende partij te veroordelen tot de kosten (...)"

## 3. FEITEN EN GESCHIL

Eiser baat sedert 1 augustus 1993 een restaurant uit aan de … te …, genaamd "**C. P.**" en is in die optiek geregistreerd als BTW-belastingplichtige.

De BTW-aangiften van eiser werden van bij de aanvang van de uitbating van het restaurant ingevuld en bij volmacht ondertekend door de heer **G. J.-P.** (tot het derde kwartaal 2001). Hetzelfde geldt voor de jaarlijkse BTW klantenlisting en voor de aangiften in de personenbelasting.

Op 10 november 1993 en 2 mei 1998 verleende eiser aan de heer **G.** volmacht om in zijn naam en voor zijn rekening tegenover de administratie van Financiën "alle formaliteiten en/of verplichtingen te vervullen die rechtstreeks of onrechtstreeks voortvloeien uit de toepassing van het Wetboek inkomstenbelastingen en het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde" (stuk 2, 3 - verweerder).

Op 28 maart 2001 werd eiser onderworpen aan een controle van de AOIF, waarbij de heer **G.** optrad als gevolmachtigde van eiser.

Tijdens de controle werden besprekingen gevoerd met betrekking tot niet geboekte aankopen bij ISPC in de periode 1996 tot 1999 en tevens met betrekking tot de voor het jaar 1999 aangegeven omzet die volgens de administratie ontoereikend was.

Het resultaat van de besprekingen met de heer **G.** was dat de brutowinstmarge op de verkochte aankopen (inclusief de niet geboekte aankopen bij ISPC) werd vastgesteld op 240 % voor het jaar 1999. Hetzelfde percentage werd vervolgens toegepast op de verkochte aankopen van respectievelijk de jaren 1996,1997 en 1998 teneinde ook voor die jaren de omzet te bepalen die werd gerealiseerd met de niet geboekte aankopen bij ISPC.

Aldus werd een omzetverhoging vastgesteld van :

… BEF (… EUR) voor het jaar 1996

… BEF (… EUR) voor het jaar 1997

… BEF (… EUR) voor het jaar 1998

… BEF (… EUR) voor het jaar 1999

De omzetverhoging en de andere vastgestelde onregelmatigheden inzake de toepassing van de BTW werden opgenomen in een correctieopgave die op 9 mei 2001 door de heer **G.** voor akkoord werd ondertekend (stuk 1 - verweerder).

Vermits eiser de verschuldigde sommen niet betaalde, werd op 27 november 2001 een dwangbevel uitgevaardigd en vervolgens geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 3 december 2001 voor een bedrag van … BEF aan BTW … BEF aan boete.

Dit dwangbevel werd op 15 januari 2002 bij gerechtsdeurwaardersexploot aan eiser betekend (procedurestuk 2 - verweerder).

Eiser heeft de zaak aanhangig gemaakt bij deze rechtbank bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 13 juni 2003 teneinde het litigieuze dwangbevel nietig te horen verklaren en te horen zeggen voor recht dat de erin vermelde sommen niet verschuldigd zijn.

## 4. BESPREKING

### 4.1. De vraag tot samenvoeging

Verweerder verzoekt de rechtbank de zaken gekend onder A.R. nrs. 03/2344/A en 03/2293/A samen te voegen wegens samenhang (art. 30 Ger.W.).

Terzake dringt een samenvoeging zich niet op (in het ene dossier wordt opgekomen tegen een aanslag in de personenbelasting en in het andere dossier tegen een taxatie inzake BTW) en komt een goede rechtsbedeling niet in het gedrang door de afzonderlijke behandeling van deze voorzieningen.

### 4.2. Ten gronde

**4.2.1.** Eiser voert aan dat de heer **G.** als volmachtdrager geen bevoegdheid had gekregen om alle belastingaangelegenheden te regelen. Hij zou geen mandaat hebben gekregen om fiscale geschillen op te lossen en akkoorden te ondertekenen, zodat het akkoord vermeld op de correctieopgave dd. 9 mei 2001 onbestaande zou zijn.

**4.2.2.** Het vervullen van alle formaliteiten en/of verplichtingen die rechtstreeks en/of onrechtstreeks voortvloeien uit de toepassing van het WIB of het W.BTW, is een zeer ruime omschrijving van de volmacht van de heer **G.**, die voor interpretatie vatbaar is. Om de omvang van deze volmacht te bepalen dient nagegaan welke invulling eiser zelf er aan heeft gegeven.

Daarbij dient vooreerst vastgesteld dat de heer **G.** eiser herhaaldelijk vertegenwoordigde bij contacten met de belastingadministratie, zowel op het vlak van de BTW als voor de personenbelasting. Dit blijkt duidelijk uit de door verweerder voorgelegde stukken.

De heer **G.** blijkt geantwoord te hebben op het bericht van wijziging van aangifte d.d. 14 augustus 1997, verstuurd voor de aanslagjaren 1994 en 1995, waarbij een omzetverhoging werd doorgevoerd van respectievelijk … BEF (… EUR) en … BEF (… EUR) gebaseerd op een door hem op 19 oktober 1996 ondertekende minnelijke inregelstelling, inzake BTW (zie stukken 4 en 5 - verweerder).

Op 10 maart 1998 diende hij een bezwaarschrift in tegen de voor het aanslagjaar 1995 gevestigde aanslag, (zie stuk 6 - verweerder).

Verder ondertekende hij op 18 september 1997 een akkoordverklaring voor de aanslagjaren 1996 en 1997, waarbij de nettowinst werd verhoogd met respectievelijk … BEF (… EUR) en … BEF (… EUR) en op 27 augustus 1999 een akkoordverklaring waarbij een omzetverhoging werd doorgevoerd van respectievelijk … BEF (… EUR) en … BEF (… EUR) voor de aanslagjaren 1998 en 1999 (zie stukken 7 en 8 verweerder).

De volmacht die aan de heer **G.** werd verstrekt blijkt dus veeleer een algemene volmacht te zijn om jegens eiser op te treden tegenover de fiscale administratie. Deze volmacht was op 9 mei 2001 niet ingetrokken of beperkt. De heer **G.** kon op die datum rechtsgeldig de correctieopgave voor akkoord ondertekenen.

**4.2.3.** De akkoordverklaring van een mandataris staat gelijk met het akkoord van de belastingplichtige zelf. Dergelijk akkoord met het door de administratie gewijzigde bedrag van de aangegeven inkomsten, heeft dezelfde bewijskracht als de aangifte. De akkoordverklaring heeft tot gevolg dat de administratie wordt vrijgesteld van het leveren van het bewijs van de feitelijke gegevens waarop de aanslag wordt gevestigd. De belastingplichtige behoudt steeds het recht om op het akkoord terug te komen indien hij aantoont dat hij een dwaling in feite of in rechte heeft begaan of indien hij een andere wilsgebrek kan aantonen.

In voorliggend geval brengt eiser echter geen enkel bewijs bij van het bestaan van een vergissing in feite of in rechte, noch van een 'ander gebrek in de toestemming.

Door de vergelijking aan te halen met andere dossiers waarin winstmarge varieert tussen 160 en 180 %, wordt geenszins aangetoond dat er een vergissing zou begaan zijn bij het afsluiten van het akkoord.

Nergens blijkt uit dat de toepassing van de brutowinstmarge van 240 % op een vergissing berustte. De gerealiseerde winstmarge voor de jaren 1996, 1997 en 1998 (vóór de toevoeging van de meeromzet voortvloeiend uit de niet geboekte aankopen bij ISPC) situeerde zich overigens in dezelfde hoegrootheid (stuk 18 - verweerder).

**4.2.4.** In tegenstelling tot wat eiser voorhoudt, werd de omzetverhoging niet gebaseerd op een indiciaire taxatie inzake directe belastingen. De omzetverhoging werd gebaseerd op het bewijsmiddel van de bekentenis, met name het akkoord met de correctieopgave dd. 9 mei 2001.

## 5. DE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

Eiser dient, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten te worden verwezen (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek).

De kosten omvatten in de onderhavige zaak enkel de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek (art. 1018, 6° Gerechtelijk Wetboek).

De vordering van eiser is in geld waardeerbaar. Het bedrag van deze vordering ligt, gelet op de door partijen eensgezinde raming, in de schijf van 10.000,01 tot 20.000 euro. In die omstandigheden is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan … euro (art. 2 K.B. 26 oktober 2007).

### Dispositif

**OP DIE GRONDEN,**

**DE RECHTBANK,** rechtdoende op **TEGENSPRAAK,**

Melding makende dat de bepalingen van de artikelen 2 en 30 tot 42 van de wet van 15 juni 1935 op, het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk en ongegrond. Veroordeelt eiser tot de kosten van het geding.

Begroot de kosten als volgt :

\- rechtsplegingsvergoeding verweerder : … EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de **zesde fiscale kamer** van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op woensdag **dertig april tweeduizend en acht**, waar aanwezig waren :

\- de heer **J. V. d. F.**, rechter, voorzitter van deze kamer,

\- mevrouw **G. L.**, griffier.

**G. L.** **J. V. d. F.**
