---
title: "Tribunal de première instance de Bruxelles, 14 mai 2010"
description: "Tribunal de première instance de Bruxelles (Belgique), 14 mai 2010."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-bruxelles-2010-05-14-3f62"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Tribunal de première instance de Bruxelles, 14 mai 2010 · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruxelles

**Date**

14 mai 2010

## Parcours procédural

2 étapes · 3 ans 7 mois

1. Décision affichée Tribunal de première instance de Bruxelles 14.05.2010
2. [Décision sur appel Cour d'appel de Bruxelles 09.01.2014](https://juriel.be/fr/jurisprudence/compte-special-sanctions-administratives-motivation-cour-appel-bruxelles-2014-01-09-8e40)

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

124 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruxelles du 14.05.2010

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 33****ste** **Kamer**

**AR 2006/10024/A**

\- *Federale belastingen – BTW*

\- *op tegenspraak*

\- *eindvonnis*

In zake van :

**De NV C. & CO**, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in de KBO onder het nummer …,

**eisende partij,**

vertegenwoordigd door Mr. **I. B.** loco Mr. **D. V. B**, advocaat te …, … (ref. : …),

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, sector BTW, in de persoon van de heer Minister van Financiën, wiens kabinet is gevestigd te 1000 Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Halle, waarvan de kantoren zijn gevestigd te 1500 Halle, Zuster Bernardastraat 32,

**verwerende partij,**

vertegenwoordigd door Mr. **J. B.** loco Mr. **J. H.**, advocaat te …, … (ref. : …),

Na beraad op 16 april 2010 spreekt de rechtbank het navolgend vonnis uit :

Gelet op :

\- de dagvaarding houdende verzet uitgaande van eisende partij en betekend aan verweerder op 24 juli 2006,

\- de beschikking tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek van 7/05/2009 en 22/5/2009,

\- de conclusie van verweerder, neergelegd ter griffie respectievelijk op 23/10/2006 en 13/11/2009,

\- de conclusie van eiseres, neergelegd ter griffie respectievelijk op 10/6/2009 en 15/2/2010,

\- de stukken bundel van eiseres neergelegd ter griffie op 2/3/2010;

\- de stukken bundel van verweerder neergelegd ter zitting van 16 april 2010.

Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 16 april 2010, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

## 1. FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

1\. Eiseres is als BTW-belastingplichtige geregistreerd onder het nummer BE ….

Voor de periode 2002, 2003 en 2004 rekende eiseres bepaalde kosten door aan een zustervennootschap, de NV **I.**. Het wordt niet betwist dat hierop ten onrechte geen BTW werd aangerekend.

Eiseres stelt dat zij na de ontdekking van deze onregelmatigheid wenste over te gaan tot aanrekening van BTW aan de NV **I.** en tot spontane regularisatie van de ten onrechte niet aan de Belgische Schatkist betaalde BTW. Deze BTW zou dan door de NV **I.** in aftrek kunnen worden gebracht.

Nog volgens eiseres werd met de administratie "overeengekomen" na overleg op 8 februari 2005 dat de rechtzettingen voor 2002 en 2003 zouden geschieden door middel van opname van de verschuldigde bedragen in de code 61 van de BTW-aangifte (regularisaties in het voordeel van de Staat) van december 2004. Deze aangifte werd door eiseres ingediend in februari 2005.

De rechtzettingen door de NV **I.** geschiedden eveneens in de aangifte van december 2004, die werd ingediend in februari 2005.

2\. Er werd op 28 februari 2005 lastens eiseres een bijzondere rekening geopend voor de periode van 30 november 2004 tot 28 februari 2005. Tevens werd de rekening-courant van eiseres op nul gezet. Uit de bijzondere rekening bleek dat er op 30 november 2004 een BTW-tegoed bestond in hoofde van eiseres ten bedrage van € 39.333,64 in hoofdsom en ten bedrage van € 957,62 aan intresten. Op 31 december 2004 bedroeg dit tegoed € 40.266,26.

3\. Ingevolgde de laattijdige indiening van de aangifte van november 2004 (op 11 februari 2005) werd een administratieve boete opgelegd van € 25 met als datum van uitwerking 21 december 2004.

Ingevolgde de laattijdige indiening van de aangifte van december 2004 (op 24 maart 2005) werd een administratieve boete opgelegd van € 50 met als datum van uitwerking 21 januari 2005.

Ingevolge de laattijdige indiening van de aangifte van januari 2005 (op 24 maart 2005) werd een administratieve boete opgelegd van € 25 met als datum van uitwerking 21 februari 2005.

4\. Ingevolgde de rechtzetting die door eiseres werd doorgevoerd, werd een te betalen bedrag van € 1.506.464,92 aan BTW in hoofdsom geboekt met als datum van uitwerking 20 januari 2005, alsook een bedrag aan intresten van € 11.729,52 met 21 januari 2005 als datum van uitwerking.

5\. Vervolgens werden nog de volgende bedragen geboekt :

\- Een BTW-tegoed van € 6.076,70, met uitwerking op 20 februari 2005;

\- Intresten ten belope van € 11.729,52, met uitwerking op 21 februari 2005.

6\. Op het bedrag van de BTW in hoofdsom werd vervolgens een verminderde proportionele boete opgelegd van € 146.610.

7\. Aldus was volgens verweerder door eiseres verschuldigd op 28 februari 2005 :

\- € 1.466.198,66 aan BTW in hoofdsom

\- € 17.382,34 aan intresten

\- € 146.685 aan geldboete

De hoofdsom en de verschuldigde intresten werden door eiseres voldaan op 18 april 2005.

8\. Met betrekking tot de gevorderde proportionele geldboete diende eiseres op 14 en 21 april 2005 een verzoek in tot kwijtschelding bij de Directie BTW Mechelen.

Bij beslissing van 5 september 2005 werd het verzoek door de Directie BTW te Mechelen afgewezen.

9\. Op 14 november 2005 werd door verweerder een dwangbevel uitgevaardigd met betrekking tot de voormelde fiscale vordering. Dit dwangbevel werd aan eiseres betekend op 22 november 2005.

De betaalde bedragen werden toegerekend op de intresten, de geldboete en op de verschuldigde BTW in hoofdsom ten belope van € 1.319.513,66. Aldus bleef volgens verweerder nog verschuldigd :

\- € 146.685 aan BTW in hoofdsom,

\- € 7.914,27 aan intresten berekend tot 20 november 2005,

\- Te vermeerderen met de intresten aan 0,8 % per maand vanaf 21 november 2005.

10\. Het saldo werd door eiseres voldaan ingevolge verkoop van een onroerend goed.

11\. Op verzoek van eiseres werd op 24 juli 2006 de gedinginleidende dagvaarding betekend aan verweerder houdende verzet tegen het dwangbevel.

## 2. VOORWERP VAN DE VORDERING

12\. De vordering van eiseres strekt ertoe *"de beslissing van 5 december 2005 van de Gewestelijke Directeur van de BTW Directie Mechelen te vernietigen, minstens van onwaarde te verklaren, vast te stellen dat de bijzondere rekening met betrekking tot de vordering met referte RCIV geen rechtsgevolgen kan tot stand brengen, het dwangbevel met referte Reg. 127/2682 uitgevaardigd d.d. 14 november 2005 door de heer* ***L. R.****, waarnemend e.a. Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor Halle, geviseerd en uitvoerbaar verklaard d.d. 16 november 2005 door de heer* ***G. V.****, waarnemend e.a. inspecteur van het BTW-Controlekantoor Dilbeek aangewezen door de Gewestelijke Directeur van de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Mechelen te vernietigen en van onwaarde te verklaren, minstens te verminderen voor zover een proportionele geldboete werd opgelegd op de door \[eiseres\] verschuldigde bedragen aan BTW in hoofdsom, te zeggen voor recht dat de, ingevolge voormeld dwangbevel, gevorderde bedragen niet verschuldigd zijn door \[eiseres\], verweerder te veroordelen alle ten onrechte op voormelde vordering toegerekende en/of ten onrechte door \[eiseres\] betaalde bedragen, terug te betalen, meer intresten, verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, inclusief rechtsplegingsvergoeding, aan de zijde van \[eiseres\] begroot op 5.000 EUR"*.

Verweerder besluit tot de ongegrondheid van de vordering.

## 3. BEOORDELING

### 3.1. Ontvankelijkheid

13\. Partijen werpen geen specifieke gronden van niet-ontvankelijkheid van de vordering op. De rechtbank ziet evenmin redenen om ambtshalve te besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering. Deze is ontvankelijk.

### 3.2. Gegrondheid

#### *3.2.1 Opstellen van een bijzondere rekening*

14\. Eiseres voert aan dat de regelen in verband met het opstellen van een bijzondere rekening werden geschonden, nu aan eiseres geen herhaalde en voorafgaande verwittigingen werden verzonden ten einde eiseres aan te manen over te gaan tot betaling van de verschuldigde BTW en teneinde alsnog de opstelling van een bijzondere rekening te vermijden. Ook van de beslissing om. een bijzondere rekening op te stellen en de hieruit voortvloeiende gevolgen werd geen kennis gegeven aan eiseres per aangetekende brief.

Nog volgens eiseres zou de schending van de bepalingen van het Koninklijk Besluit nr. 24 ertoe leiden dat ten onrechte een bijzondere rekening werd opgesteld en dat *"geen rechtsgevolgen aan de opstelling ervan uitwerking kunnen krijgen"*.

Verweerder betwist dit.

15\. [Artikel 8, § 1 van het Koninklijk Besluit nr. 24](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-24-decembre-paiement-taxe-valeur-ajoutee-6f3f#ar24-art8) bepaalt dat *door of vanwege de Minister van Financiën* kan worden beslist dat handelingen, die voor een door of vanwege hem te bepalen periode worden verricht; aan de in artikel 5 bedoelde rekening-courant worden onttrokken en dat een bijzondere rekening zal worden bijgehouden voor het tijdvak dat aan die datum voorafgaat.

Verweerder stelt terecht dat de bijzondere rekening in feite het begin van een procedure van invordering inluidt voor de gegevens, zoals opgenomen in de bijzondere rekening.

Blijkens de bepaling van [artikel 8, § 1 van het Koninklijk besluit nr. 24](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-24-decembre-paiement-taxe-valeur-ajoutee-6f3f#ar24-art8) is het openen van een bijzondere rekening een prerogatief dat is voorbehouden aan de Minister van Financiën of zijn gemachtigde. Noch het BTW-Wetboek, noch het Koninklijk Besluit nr. 24 bepalen wanneer de Minister kan of mag beslissen om een bijzondere rekening te openen, zodat de Minister noodzakelijkerwijze over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt in dit verband. Het openen van een bijzondere rekening is niet afhankelijk van de voorwaarde dat .de belastingplichtige herhaaldelijk in gebreke werd gesteld.

Verweerder beschikt over een ruime beoordelingsvrijheid, die het bestuur de mogelijkheid biedt zelf te oordelen over de wijze waarop hij zijn bevoegdheid uitoefent. De rechterlijke macht dient deze beoordelingsvrijheid te eerbiedigen en zij kan niet in de plaats treden van het bestuur zonder schending van het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten. In dat verband kan de rechtbank slechts nagaan of de uitvoerende macht niet kennelijk de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid is te buiten gegaan.

In casu wordt niet aangetoond dat verweerder kennelijk de grenzen van deze beoordelingsbevoegdheid te buiten zou zijn gegaan.

Eiseres stelt nog dat de bijzondere rekening niet ter kennis werd gebracht per aangetekende brief, zoals is voorgeschreven door voormeld Koninklijk Besluit.

Eiseres ontkent evenwel niet dat zij kennis heeft gekregen van de bijzondere rekening. De vereiste dat van deze beslissing aan de belastingplichtige kennis wordt gegeven per aangetekend schrijven ([artikel 8, § 1, lid 3 KB nr. 24](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-24-decembre-paiement-taxe-valeur-ajoutee-6f3f#ar24-art8)), is ook niet voorgeschreven op straffe van nietigheid van deze beslissing.

Overigens laat eiseres na aan te tonen welk nadeel zij heeft geleden door de beweerde onterechte opening van een bijzondere rekening. In elk geval is het openen van een bijzondere rekening geen voorwaarde voor het opleggen van een administratieve geldboete (zie Tabel G, I, 2, a) bijlage KB nr. 41).

Het middel faalt.

#### *3.2.2 Spontane regularisatie*

16\. Eiseres stelt dat rekening is te houden met het feit dat zij in deze wenste over te gaan tot spontane regularisatie van haar belastingtoestand. Eiseres nam zelf contact op met het BTW-controlekantoor te Dilbeek, waarna zij onmiddellijk overging tot regularisatie van de BTW-aangiften.

Volgens verweerder zijn er geen redenen die toelaten af te wijken van de in het KB nr. 41 vervatte barema's.

17\. Eiseres steunt op [artikel 3 van het KB nr. 41](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958#ar41-art3) waarin wordt bepaald dat volledige kwijtschelding wordt verleend, wanneer de schuldenaar zijn toestand spontaan rechtzet vóór enige tussenkomst van een fiscale administratie.

Uit de bijzondere rekening (stuk 1 van verweerder) en uit de beslissing van 9 september 2005 houdende weigering van kwijtschelding van geldboete (stuk 7 bundel verweerder), blijkt dat de administratieve geldboete werd opgelegd op grond van Tabel G, punt 1, 2, a van de bijlage bij het KB nr. 41, met name wegens de niet-betaling of niet-tijdige betaling van de belasting, waarvan de opeisbaarheid blijkt uit een ingediende aangifte of uit het opstellen van een bijzondere rekening.

Zoals uitdrukkelijk gesteld in de beslissing van 9 september 2005, werd de administratieve geldboete derhalve niet opgelegd wegens de begane onregelmatigheid voor de periode 2002-2004, maar wel wegens de niet-tijdige betaling van de doorgevoerde regularisatie in de aangifte voor de maand december 2005. Het door eiseres verschuldigde bedrag bleek immers uit haar aangifte voor de maand december 2004, die op 11 februari 2005 werd ingediend. Bovendien werd op 28 februari 2005 een bijzondere rekening opgesteld. Pas in april 2005 werd de desbetreffende belasting voldaan. Het is de niet-tijdige betaling van het bedrag van de belasting, die blijkt uit de aangifte van 11 februari 2005 (en later ook uit de bijzondere rekening van 28 februari 2005), die door verweerder werd gesanctioneerd.

Uit hetgeen voorafgaat volgt dat er van een spontane rechtzetting aangaande de begane overtreding in casu geen sprake kan zijn. De aan eiseres verweten overtreding, met name de niet-tijdige betaling van de verschuldigde belasting, werd niet rechtgezet vóór enige tussenkomst van de fiscale administratie, vermits de fiscale administratie een bijzondere rekening heeft geopend op 28 februari 2005, hetgeen als een stap in het invorderingsproces moet worden aanzien.

18\. Het middel kan niet worden aangenomen.

#### *3.2.3. Schending van het vertrouwensbeginsel*

19\. Eiseres stelt dat de heer **V.**, eerstaanwezend inspecteur, in kennis werd gesteld van het feit dat eiseres zou overgaan tot regularisatie in de aangifte van december 2004, die laattijdig zou worden ingediend. Tevens zou deze laatste ervan zijn ingelicht dat eiseres een liquiditeitsprobleem kende en diende te wachten op de betaling van de verschuldigde BTW door de NV **I.** alvorens zij op haar beurt kon overgaan tot betaling van de verschuldigde BTW. Volgens eiseres heeft de heer **V.** daarbij te kennen gegeven dat indien bij laattijdige betaling toch een bijzondere rekening zou worden opgesteld en een proportionele boete zou worden opgelegd, een kwijtschelding van de boete zou worden verleend, indien eiseres een verzoek tot kwijtschelding zou indienen.

20\. De beginselen van behoorlijk bestuur die het recht op rechtszekerheid omvatten, zijn bindend voor de belastingadministratie. De belastingadministratie moet de wet toepassen en het staat haar niet vrij afstand te doen van haar verplichting om de wettelijk verschuldigde belasting vast te stellen. Het recht op rechtszekerheid houdt niet in dat de belastingschuldige zich zou kunnen beroepen op de vroegere gedragslijn van de administratie, zelfs niet als die gedurende verschillende aanslagjaren ongewijzigd blijft, wanneer die gedragslijn bij hem niet de gewettigde overtuiging kon wekken dat de administratie afzag van de strikte toepassing van de wet (In dezelfde zin : [Cass., 30 mei 2008](https://juriel.be/fr/jurisprudence/pourvoi-matiere-fiscale-requete-non-cassation-bruxelles-2008-05-30-9416)).

In de eerste plaats is op te merken dat aangaande de beweerde verklaringen van de heer **V.** geen enkel bewijskrachtig stuk wordt voorgebracht. Bijgevolg kan niet worden nagegaan waarop het beweerde, gewettigd vertrouwen van eiseres was gestoeld.

Bovendien maakt eiseres niet aannemelijk dat zij mocht aannemen dat de heer **V.** bevoegd was om kwijtschelding van een geldboete te verlenen, te meer daar volgens eiseres zelf werd duidelijk gemaakt dat zij nog een verzoek tot kwijtschelding diende in te dienen. Aldus was eiseres op de hoogte of diende zij op de hoogte te zijn dat het niet aan de heer **V.** was om kwijtschelding van geldboete te verlenen, maar dat deze beslissingsbevoegdheid was gelegen bij de gewestelijke directeur te Mechelen.

In elk geval kon de heer **V.** geen afstand doen van de juiste toepassing van de wet, met name wat betreft de termijn van betaling.

Het middel is ongegrond.

#### *3.2.4 Rechterlijke beoordeling van de opgelegde proportionele geldboeten*

21\. Volgens eiseres staat de opgelegde geldboete niet in verhouding tot de overtredingen van eiseres. Bovendien werd de boete niet opgelegd door een onafhankelijke en objectieve rechter, zodat de geldboete in strijd is met artikel 6 EVRM en 14 BUPO.

Volgens eiseres dient de rechtbank rekening te houden met de volgende omstandigheden :

\- Eiseres is overgegaan tot spontane regularisatie;

\- Verweerder wekte in hoofde van eiseres het vertrouwen dat geen geldboete zou worden opgelegd;

\- Voor verweerder is geen enkel bedrag van BTW verloren gegaan gelet op de compensatie tussen de door eiseres verschuldigde BTW en de aan NV **I.** terug te storten BTW;

\- Eiseres heeft vooraf de verschuldigde BTW vanwege de NV **I.** niet ontvangen en aangewend voor andere doeleinden. Het is slechts na de terugstorting van de tegoeden aan de NV **I.** dat deze kon overgaan tot betaling van het nog aan eiseres verschuldigde bedrag. Eiseres is vervolgens onverwijld overgegaan tot betaling.

22\. Verweerder stelt terecht dat de BTW van rechtswege is verschuldigd, dat de termijnen van indiening én betaling van de belasting over de toegevoegde waarde van openbare orde zijn en dat geen enkele wettelijke bepaling de belastingplichtige machtigt om van deze termijnen af te wijken en op eigen initiatief zichzelf betalingstermijnen toe te kennen. Het toestaan van afwijkingen op de regeling inzake betaling van BTW aan de Staat werkt concurrentieverstorend tussen ondernemingen en schendt de gelijkheid tussen de belastingplichtigen.

Eiseres heeft zich op eigen initiatief betalingstermijnen toegekend op grond van het feit dat de NV **I.** nog geen teruggaaf had ontvangen en de door deze vennootschap verschuldigde belasting aldus nog niet was voldaan. Nochtans is de BTW verschuldigd ongeacht of de belastingplichtige zelf betaling heeft bekomen van deze BTW van zijn afnemers.

Het loutere (niet-bewezen) feit dat eiseres liquiditeitsproblemen zou hebben ondervonden, ontslaat haar niet van haar verplichting de door haar verschuldigde belasting te voldoen. Eiseres kon ongetwijfeld beroep doen op kredietverstrekkers om een kortlopend krediet te bekomen met het oog op de voldoening van haar belastingschuld. Het loutere feit dat eiseres niet over de benodigde gelden beschikte tot voldoening van de belasting, machtigde haar niet om haar betalingsverplichting op te schorten en zichzelf een krediet te verschaffen ten laste van de Belgische Schatkist.

Zoals hoger werd beslist, werd de geldboete niet opgelegd wegens de in het verleden begane onregelmatigheid bij de aanrekening van kosten, maar wel wegens de laattijdige betaling van de verschuldigde BTW, die bleek uit de aangifte van december 2004 (ingediend op 11 februari 2005) en de bijzondere rekening van 28 februari 2005. Het feit dat eiseres spontaan tot regularisatie is overgegaan voor de periode 2002-2004 is derhalve niet relevant voor de beoordeling van de opgelegde geldboete.

Ook de bewering van eiseres dat in haren hoofde het vertrouwen werd gewekt dat geen geldboete zou worden opgelegd, werd hoger weerlegd.

Het feit dat geen BTW zou zijn verloren gegaan voor verweerder is eveneens irrelevant, nu de opgelegde administratieve geldboete niet tot doel heeft de door verweerder geleden schade te vergoeden, maar wel om het wederrechtelijk gedrag van eiseres te bestraffen en te sanctioneren.

Het loutere feit dat eiseres de BTW, verschuldigd door de NV **I.**, nog niet had ontvangen doet geen afbreuk aan de fundamentele betalingsverplichting van eiseres. Indien eiseres op het ogenblik van haar aangifte nog geen betaling had ontvangen van haar afnemer, dan had eiseres·deze gelden zelf moeten voorschieten, nu de belasting door opname ervan in de aangifte van december 2004 en in de bijzondere rekening opeisbaar was geworden.

23\. Gelet op het voorgaande zijn er geen redenen om over te gaan tot kwijtschelding of vermindering van de door verweerder opgelegde administratieve geldboete.

Bijgevolg moet niet meer worden ingegaan op de rechtsmacht van de rechtbank aangaande de beoordeling van de opgelegde geldboete.

24\. De vordering is ongegrond.

## 4. WAARDE VAN DE VORDERING EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

25\. Aangezien de vordering van eiseres ongegrond is, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste gelegd van eiseres.

De waarde van de vordering situeert zich tussen € 100.000,01 en € 250.000,00.

Op grond van de waarde van het geschil kan deze vergoeding begroot worden op € 5.000. Nu geen der partijen een vordering instelt tot verhoging of verlaging van dit basisbedrag, kan dit bedrag toegekend worden.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op **tegenspraak**,

Andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk, doch ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot betaling van de gedingkosten, in hoofde van verweerder begroot op € 5.000 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de **33****ste** **kamer** van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op **14 mei 2010**.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer **M. B.**, toegevoegd rechter

Mevrouw **I. D.**, griffier.

**I. D.** **M. B.**

## Textes cités

2

[AR no 24 art. 8](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-24-decembre-paiement-taxe-valeur-ajoutee-6f3f) 3 occurrences

[AR no 41 art. 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958) 1 occurrence
