---
title: "Tribunal de première instance de Bruges, 17 mai 2011"
description: "Tribunal de première instance de Bruges (Belgique), 17 mai 2011."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-bruges-2011-05-17-ed5f"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Tribunal de première instance de Bruges, 17 mai 2011 · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruges

**Date**

17 mai 2011

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

65 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 17.05.2011

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**De Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, vierde kamer, heeft het hiernavolgend vonnis verleend :**

In de zaak **10 /625/A** Rep. nr. 2011/6537

Mevrouw **C. D. V.**, geboren op 26 januari 1950, wonende te …, …,

**eiseres,**

hebbende als raadsman meester **L. G.**, advocaat, met kantoor te …, … (ref. : 2009/018),

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN**, Algemene administratie van de fiscaliteit, BTW, in de persoon van de Rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Roeselare, wiens kantoren gevestigd zijn te 8800 Roeselare, Rondekomstraat 30,

**verweerder,**

hebbende als raadsman meester **F. W.**, advocaat, met kantoor te …, … (ref. : RD 1667).

## 1. RECHTSPLEGING

Gelet op het tegensprekelijk verzoekschrift houdende verzet dwangbevel de dato 25 februari 2010.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 19 april 2011.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

## 2. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

**2.1.** Eiseres heeft aan de woning in de …, te …, onroerende werken verricht.

In 2008 werd een controle verricht met het oog op de vaststelling van het juiste tarief en bedrag van de BTW van toepassing op deze onroerende handelingen. Naar aanleiding van dit toezicht werden een aantal overtredingen op de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde vastgesteld.

Bij gebrek aan een akkoordverklaring over de vastgestelde overtredingen werd door de heer **N. V.**, financieel assistent bij de FOD Financiën, sector BTW, op 13 november 2009, een proces-verbaal opgemaakt waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd (zie stuk 2 verweerder).

Ten gevolge van dit proces-verbaal werd van eiseres een bedrag gevorderd van … EUR BTW en … EUR geldboete.

Wegens niet-betaling werd op 01 december 2009 een dwangbevel uitgevaardigd dat op diezelfde dag werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard (zie stuk 3 verweerder).

Dit dwangbevel werd op 14 december 2009 bij gerechtsdeurwaardersexploot aan eiseres betekend.

**2.2.** Eiseres vraagt dat :

\- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;

\- het bestreden dwangbevel wordt nietig verklaard en dat dienvolgens voor recht wordt gezegd dat de erin opgenomen sommen niet verschuldigd zijn;

\- gebeurlijk een deskundige wordt aangesteld;

\- verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in haar hoofde begroot op de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van … EUR;

\- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard niettegenstaande elk verhaal en met uitsluiting van het kantonnement.

**2.3.** Verweerder vraagt dat de vordering van eiseres als. ontvankelijk en ongegrond wordt afgewezen en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, aan zijn zijde begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding (basisbedrag).

## 3. BEOORDELING

### 3.1. *Nopens de ontvankelijkheid*

Verweerder voert geen gegronde redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

### 3.2. *Nopens de grond*

**3.2.1.** Eiseres stelt dat het in casu niet gaat over een nieuwbouw maar over de omvorming en verbouwing van een uit zijn aard onroerend goed zodat de werken onderworpen zijn aan het laagste BTW-tarief van 6 %.

**3.2.2.** Sinds 01 augustus 1986 zijn sommige werken in onroerende staat, onder bepaalde voorwaarden, bij toepassing van rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het Koninklijk Besluit nummer 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, onderworpen aan het verlaagde BTW-tarief van 6 %. De toepassing van dit verlaagde tarief is beperkt tot de handelingen die de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van de woning tot voorwerp hebben.

Krachtens § 1, 1° van rubriek XXXI van tabel A zijn het werk in onroerende staat en de daarmee gelijkgestelde handelingen die het bouwen van een nieuw gebouw tot voorwerp hebben impliciet uitgesloten van het voordeel van het tarief A.

In de administratieve aanschrijving nummer 6 van 22 augustus 1986 wordt de toepassing van het verlaagd tarief in de onroerende sector toegelicht. In voormelde aanschrijving staat te lezen dat onder "omvorming" wordt verstaan de verbouwing zowel aan de buitenkant als aan de binnenkant van het gebouw of de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken of uitbreiding van bestaande vertrekken.

Verder lezen we het volgende : "Evenzo wordt het bestaan van een verbouwing niet bekritiseerd wanneer de renovatiewerken op een relevante wijze steunen op oude dragende muren en inzonderheid, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw. Daarentegen dient als bouwwerkzaamheid die bijdraagt tot de oprichting van een nieuw gebouw te worden aangemerkt : 1° het herbouwen van een gebouw na afbraak, zelfs in het geval van behoud van funderingen en kelders van het oude gebouw of van bijkomende elementen van zijn structuur (b.v. alleen de voorgevel aan de straatzijde behouden omwille van de integratie in het stedelijk kader)".

In het BTW-revue nummer 110 van september 1994 wordt verder verduidelijkt in welk geval een vergroting al dan niet kan worden aangemerkt als een omvorming in de zin van rubriek XXXI van de bijlage A van het Koninklijk Besluit nummer 20. In voormelde revue lezen we het volgende : "De uitbreiding van een bestaand gebouw kan worden aangemerkt als een omvorming (of verbouwing) van dat gebouw voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte. Er kan worden van uitgegaan dat dit het geval is wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning of het woningcomplex na de uitvoering van de werken. Bovendien is vereist dat het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk van het oude gedeelte kan functioneren maar het oude gedeelte aanvult en er dus inzake aanwending van het gebouw een geheel mee vormt Daarentegen is niet vereist dat het nieuwe gedeelte zich onder hetzelfde dak bevindt als het oude gedeelte”.

**3.2.3.** Het is duidelijk dat voormelde aanschrijving en mededeling geen andere bedoeling en draagwijdte hebben dan de bestaande wetgeving en reglementering in herinnering te brengen en/of toe te lichten, en daaraan eventueel aanbevelingen vast te knopen. Zij hebben met andere woorden niet de bedoeling de erin vervatte interpretaties of richtlijnen verplichtend te stellen, aan wie dan ook. Volgens een vaste rechtspraak van de Raad van State en van het Hof van Cassatie hebben dergelijke interpretatieve omzendbrieven geen bindend karakter.

Evenwel kan de rechtbank een dergelijke administratieve toegeving op de wettekst niet negeren, wil zij voor alle rechtsonderhorigen die in dezelfde omstandigheden zijn, een gelijke behandeling garanderen.

**3.2.4.** Het onderscheid tussen de vergrotingswerken, die als een omvorming kunnen worden aangemerkt en dus het tarief A kunnen genieten, en de vergrotingswerken, die bijdragen tot de oprichting van een nieuwbouw en dus uitgesloten blijven van de toepassing van het tarief A, is een feitenkwestie die geval per geval moet beoordeeld worden (Vr. en Antw., Kamer, 1992-93, nr. 70, 6703 - Vr. nr. 585 GEHLEN, BTW­Rev., nr. 107, 106, nr. 3).

**3.2.5.** De versies van partijen steken schril af tegen mekaar. Voor verweerder is er nauwelijks iets behouden en voor eiseres is het wezenlijke gebleven. Eiseres wil gebruik maken van het verlaagd tarief en dus van de uitzondering. In die omstandigheden draagt zij de bewijslast.

Op basis van de voorliggende stukken blijkt dat bijna alle oude binnenmuren werden afgebroken, dat er slechts een verwaarloosbaar klein gedeelte van de oude bestaande steunmuren werden behouden, dat de binnenindeling integraal gewijzigd werd en dat een volledig nieuwe verdieping en dak werden opgericht.

Het oude behouden gedeelte is niet betekenisvol ten aanzien van het nieuwbouwgedeelte dat functioneel aanzienlijk belangrijker is. Het is duidelijk dat de uitgevoerde werken niet meer steunen op de wezenlijke elementen van de structuur van het oude gebouw.

Daarenboven dient te worden vastgesteld dat de oppervlakte van het behouden oude gedeelte kleiner is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning na de uitvoering van de werken. De oppervlakte die overblijft na de afbraakwerken bedraagt 33,20 m2, terwijl na uitvoering van de werken het nieuw gebouwd gedeelte van het gelijkvloers alleen reeds 167,89 m2 bedraagt.

Het op deze manier herbouwen van een gebouw na afbraak en quasi volledige ontmanteling dient te worden aanzien als nieuwbouw. Hetgeen behouden werd is niet meer betekenisvol ten aanzien van de nieuwe woning in haar geheel. Zij is met andere woorden tot bijzaak verworden.

Het is dan ook duidelijk dat voormelde werken niet de omvorming van een woning vormen maar integendeel de bouw van een nieuwe woning betekenen. Het verlaagde tarief is dan ook niet van toepassing op de uitgevoerde werken.

**3.2.6.** Alle verdere argumentatie is niet langer dienend. De vordering dient als ongegrond te worden afgewezen.

### 3.3. *Nopens de kosten*

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1 ste lid van het gerechtelijk wetboek moet zij de gerechtskosten dragen. In hoofde van verweerder worden zij begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding (basisbedrag). De waarde van de vordering situeert zich immers tussen de 20.000,01 en de 40.000,00 EUR.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**De Rechtbank,**

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de vordering ontvankelijk en ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten , aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op … euro (… €) rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtsgebouw te Brugge op **zeventien mei tweeduizend en elf**.

Aanwezig zijn :

**N. H.**, alleenrechtsprekend rechter;

**G. D. T.**, griffier.

**G. D. T.** **N. H.**
