---
title: "928025a0 · 7 novembre 2006 · Tribunal de première instance de Bruges"
description: "Tribunal de première instance de Bruges (Belgique), 7 novembre 2006. Réf. 928025a0."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-bruges-2006-11-07-9280"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Tribunal de première instance de Bruges, 7 novembre 2006 · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruges

**Date**

7 novembre 2006

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

83 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruges du 07.11.2006

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :**

In de zaak **04/444/A** Rep. nr. 2006/13977

**de NV A S.**, (Ondernemingsnr. …), met maatschappelijke zetel te …, …,

**eiseres,**

voor wie optreedt Meester **K. G.**, advocaat met kantoor te …, …,

**tegen :**

**de BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, in de persoon van de rekenplichtige van het 1 e BTW-Ontvangkantoor te Kortrijk, met kantoren te 8500 KORTRIJK. Hoveniersstraat 31,

**verweerder,**

voor wie optreedt Meester **F. W.**, advocaat met kantoor te …, …,

## I. RECHTSPLEGING

Gelet op het inleidend verzoekschrift d.d. 9 februari 2004.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overlegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 10 oktober 2006.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

## ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

**1.** Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW­registratienummer BE …, voor de uitbating van een kleinhandel in vis. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 22 september 2003 werd door **K. V. P.**, e.a. verificateur bij de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, een controle uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode van 1 november 2000 tot 30 oktober 2002.

Op 25 november 2003 werden de overtredingen en vaststellingen opgenomen in twee processen-verbaal door voormelde ambtenaar.

Op 2 december 2003 werd op basis van deze processen-verbaal door de bevoegde ambtenaar van het BTW-ontvangkantoor te Kortrijk een dwangbevel uitgevaardigd.

Voormeld dwangbevel werd op 8 december 2003 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door **R. L.**, gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde te Brugge.

Tegen dit dwangbevel werd op 9 februari 2004 verzet aangetekend door eiseres.

**2.** Eiseres vraagt dat :

\- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;

het dwangbevel wordt vernietigd in de mate dat het een veroordeling bevat lastens eiseres van een bedrag hoger dan 219,61 EUR aan BTW en 21,00 EUR aan geldboete en de gevraagde wettelijke intresten op deze bedragen;

\- teruggave wordt bevolen van de ten onrechte ingehouden of ingevorderde bedragen, te vermeerderen met de intresten;

\- verweerder wordt veroordeeld tot alle kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

Verweerder vraagt dat de vordering van eiseres ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

## III. BEOORDELING

### A. Betreffende de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering ontvankelijk.

### B. Betreffende de grond

#### 1. betreffende post 1 van het PV d.d. 25 november 2003

Er bestaat hieromtrent geen betwisting meer tussen partijen.

Eiseres is akkoord dat de BTW t.b.v. 176.49 EUR, die betrekking heeft op de facturen inzake kleding, terecht als aftrekbaar werd verworpen wegens niet bestemd voor beroepsdoeleinden.

Verweerder is akkoord met de aftrek van de BTW t.b.v. 17,45 EUR op de factuur van NV **S.** d.d. 22 november 2000, wegens gebruik van het decoratiemateriaal voor beroepsdoeleinden.

#### 2. betreffende post 2 van het PV d.d. 25 november 2003

Eiseres is akkoord met de verwerping van de BTW t.b.v. 41,82 EUR.

#### 3. betreffende post 3 van het PV van 25 november 2003

Eiseres is akkoord met de verwerping van BTW t.b.v. 1,30 EUR.

#### 4. betreffende post 4 van het PV van 25 november 2003

**4.1.** In deze post berekent verweerder de verschuldigde BTW m.b.t. een voordeel van alle aard voor het gebruik van een voertuig, waarvoor geen factuur is opgemaakt en geen boeking is gebeurd op de R/C van de bestuurder.

In het proces-verbaal is vermeld :

*Berekening voordeel auto*

*Boekjaar 2001 : Chrysler Voyager 13 PK : 5000 km x 13, 74 F = 68.700 F*

Eiseres verwijst naar 2 facturen waarbij het voordeel wel werd aangerekend, zodat er geen bijkomende BTW kan aangerekend worden.

Het is pas in zijn tweede besluiten d.d. 3 maart 2005 dat verweerder stelt zich vergist te hebben en stelt dat het een tweede auto betreft van eiseres, namelijk een VW Vento. Verweerder blijft wel bij zijn in het proces-verbaal berekende BTW.

**4.2.** Vast staat dat het voordeel van alle aard m.b.t. de Chrysler Voyager werd aangerekend via een factuur en dat zodoende geen bijkomende BTW verschuldigd is. Reeds voor de gerechtelijke procedure heeft eiseres hierop gewezen. Verweerder bleef evenwel bij de vermelding zoals in het proces-verbaal en dit ook nog in zijn eerste besluiten d.d. 29 juni 2004. ln zijn tweede besluiten wenst verweerder het type wagen te veranderen.

Verweerder kan niet zo maar een feitelijk element vervangen in het proces-verbaal. Uit de volharding van verweerder blijkt trouwens dat de foutieve vermelding geen louter materiële vergissing is.

De BTW in post 4 is zodoende ten onrechte berekend omdat m.b.t. de Chrysler Voyager het voordeel van alle aard al werd gefactureerd.

#### 5. Betreffende post 5 van het PV van 25 november 2003

**5.1.** In deze post verwerpt verweerder de aftrek van BTW op facturen uitgereikt door BVBA **A. H.** m.b.t. prestaties verricht ingevolge een managementovereenkomst met eiseres.

Volgens verweerder betreft het een opgezette constructie die enkel tot doel heeft fictieve onkosten te creëren. Bovendien wordt er geen bewijs geleverd dat de beweerde diensten voor de economische activiteit van eiseres bedoeld zijn.

Eiseres stelt dat de prestaties door de heer **C.** als zaakvoerder van de BVBA **A. H.** wel werkelijk verricht zijn ten voordele van eiseres en verwijst naar de managementovereenkomst d.d. 1 juni 2000.

**5.2.** Uit de feiten zoals weergegeven door partijen blijkt dat de heer **C.** zaakvoerder is van BVBA **A. H.** en bestuurder is van eiseres. Tussen eiseres en BVBA **A. H.** is d.d. 1 juni 2000 een managementovereenkomst afgesloten waarin is bepaald dat BVBA **A. H.** op zelfstandige basis het management van eiseres verzorgt. In de overeenkomst wordt hiervoor een vast ereloon bepaald van 300.000 BEF (7.436,81 EUR) per maand, exclusief BTW. Tevens is vermeld dat BVBA **A. H.** zelf mag bepalen welke persoon zal instaan voor de uitvoering van de overeenkomst.

Volgens eiseres is de heer **C.** de persoon die instaat voor de uitvoering van de overeenkomst.

Verweerder kan niet betwisten dat een vennootschap die een handelszaak exploiteert, zoals eiseres, moet geleid en bestuurd worden. Eiseres heeft er voor gekozen deze prestaties niet geheel te laten uitvoeren door haar eigen bestuurders, maar zich door BVBA **A. H.** te laten bijstaan. Dit is een vrije beleidskeuze van eiseres die verweerder dient te respecteren.

De dubbele hoedanigheid van de heer **C.** betekent niet dat zijn prestaties niet aan één van beide vennootschappen kunnen worden toegerekend. Hierbij mag de onderscheiden rechtspersoonlijkheid van beide vennootschappen niet uit het oog worden verloren. Op basis van de managementovereenkomst zijn de prestaties ter uitvoering van de overeenkomst verricht door de heer **C.** toe te rekenen aan eiseres. De prestaties werden zodoende werkelijk verricht door de heer **C.** in zijn hoedanigheid van zaakvoerder van BVBA **A. H.** en dit in uitvoering van de managementovereenkomst tussen eiseres en BVBA **A. H.** d.d. 1 juni 2000.

Gezien de aard van de in de managementovereenkomst beschreven prestaties kan niet betwist worden dat die prestaties bedoeld zijn voor de economische activiteit van eiseres.

Verweerder bewijst niet dat het overeengekomen bedrag voor de diensten abnormaal zou zijn, noch dat er sprake is van simulatie.

Het feit dat de heer **C.** op 23 september 2003 verwezen heeft naar zijn accountant om te antwoorden op de vraag welke opdrachten hij vervult in het kader van de managementovereenkomst, is geen bewijs van simulatie.

De rechtbank stelt dan ook vast dat verweerder de aftrek van BTW ten onrechte verworpen heeft.

#### 6. intresten

De intresten op de eventueel ten onrechte geïnde bedragen wordt beheerst door artikel 91, § 4 W.BTW. Het betreft moratoire intresten, namelijk vanaf de aanmaning. De aanmaning tot terugbetaling is kennelijk pas door middel van het inleidende verzoekschrift gedaan. De intresten zijn dus verschuldigd vanaf 9 februari 2004 en dit tegen de wettelijke rentevoet.

### C. Betreffende de kosten

Verweerder wordt in het ongelijk gesteld.

Overeenkomstig artikel 1017, 1 e lid Ger. W, moet hij de gerechtskosten dragen.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Wijzende in eerste aanleg en op **tegenspraak**.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond in de mate zoals hierna bepaald.

Zegt voor recht dat de in het dwangbevel d.d. 2 december 2003, dat op naam van eiseres is uitgevaardigd onder RCIV-nummer …, gevorderde bedragen ongegrond zijn en niet verschuldigd in de mate dat ze hoger zijn dan 219,61 EUR aan BTW 21,00 EUR aan geldboete en de gevraagde intresten op deze bedragen bij toepassing van art. 91, § 1 W.BTW.

Veroordeelt verweerder tot terugbetaling van alle sommen die op grond van het dwangbevel boven de vermelde·bedragen zouden geïnd of ingehouden zijn, vermeerderd met de intresten aan de wettelijke rentevoet, vanaf datum van betaling maar ten vroegste vanaf 9 februari 2004, zijnde de datum van het inleidende verzoekschrift.

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding, aan zijn zijde niet te begroten nu ze hem ten laste blijven en aan de zijde van eiseres te begroten op de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 364,40 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op **dinsdag zeven november tweeduizend en zes**.

Aanwezig zijn :

**D. P. L.**, alleenrechtsprekend rechter:

**L. N.**, griffier.

**N .L.** **L. D. P.**
