---
title: "Tribunal de première instance de Bruges, 24 octobre 2005"
description: "Tribunal de première instance de Bruges (Belgique), 24 octobre 2005."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-bruges-2005-10-24-d4f4"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Tribunal de première instance de Bruges, 24 octobre 2005 · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruges

**Date**

24 octobre 2005

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

66 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruges du 24.10.2005

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :**

**In de zaak 99/3297/A** Rep. nr. 2005/13747

**de heer C. J.**, cardioloog, wonende te …, …,

**eiser,**

voor wie optreedt Meester **J. R.**, advocaat met kantoor te …, …,

**tegen :**

**de FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN**, administratie van de BTW, in de persoon van :

1\. de Rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Brugge,

2\. de e.a. inspecteur van het 3 e BTW-Controlekantoor te Brugge,

beiden met burelen gevestigd te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat4,

**verweerder,**

voor wie optreedt Meester **J. V. d. P.**, advocaat met kantoor te …, …,

## I. RECHTSPLEGING

Gelet op de inleidende dagvaarding houdende verzet dwangbevel de dato 6.12.1999.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 26 september 2005.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

## ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

**2.1.** Eiser is een niet-belastingplichtige particulier die aan de woning in de …, … onroerende werken heeft verricht.

Op 10 september 1998 werd door de heer **M. C.**, e.a. inspecteur verbonden aan het derde BTW-controlekantoor te Brugge, een plaats bezoek verricht met het oog op de vaststelling van het juiste tarief en bedrag van de BTW van toepassing op deze onroerende handelingen. Naar aanleiding van dit toezicht werden een aantal overtredingen op de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde vastgesteld.

Bij gebrek aan een akkoordverklaring over de vastgestelde overtredingen werd door de heer **C.** voornoemd, op 11 oktober 1999, een proces-verbaal opgemaakt waarin de door eiser begane overtredingen werden geacteerd (zie stuk 1 verweerder).

Ten gevolge van dit proces-verbaal werd van eiser een bedrag gevorderd van 1,569.376 BF, BTW en 156.000 BF geldboete.

Wegens niet-betaling werd op 12.10.1999 een dwangbevel uitgevaardigd dat op 12.10.1999 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer **M. C.** (zie stuk 2 verweerder).

Dit dwangbevel werd op 19.10.1999 bij deurwaardersexploot aan eiser betekend (zie stuk 4 verweerder).

**2.2.** Eiser vraagt dat :

\- het verzet ontvankelijk en gegrond wordt verklaard.

\- het bestreden dwangbevel wordt nietig verklaard en dat dienvolgens voor recht wordt gezegd dat de erin opgenomen sommen niet verschuldigd zijn.

\- verweerder wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding te begroten aan een bedrag gelijk aan de gevorderde BTW, boete en interesten.

\- er geacteerd wordt dat er afstand wordt gedaan van de in subsidiaire orde gestelde vordering m.b.t. de verjaring van de factuur de dato 20 september 1994.

**2.3.** Verweerder vraagt dat de vordering van eiser als ongegrond wordt afgewezen en dat eiser wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, aan zijn begroot op de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.

## III. BEOORDELING

### 3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

### 3.2. nopens de grond

**3.2.1.** Eiser stelt dat het in casu niet gaat over een nieuwbouw maar over de omvorming en verbouwing van een uit zijn aard onroerend goed zodat de werken onderworpen zijn aan het laagste BTW-tarief van 6 %.

**3.2.2.** Sinds 1 augustus 1986 zijn sommige werken in onroerende staat, onder bepaalde voorwaarden, bij toepassing van rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, onderworpen aan het verlaagde BTW-tarief van 6 %. De toepassing van dit verlaagde tarief is beperkt tot de handelingen die de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van de woning tot voorwerp hebben.

Krachtens § 1, 1° van rubriek XXXI van tabel A zijn het werk in onroerende staat en de daarmee gelijkgestelde handelingen die het bouwen van een nieuw gebouw tot voorwerp hebben impliciet uitgesloten van het voordeel van het tarief A.

In de administratieve aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986 wordt de toepassing van het verlaagd tarief in de onroerende sector toegelicht. In voormelde aanschrijving staat te lezen dat onder "omvorming" wordt verstaan de verbouwing zowel aan de buitenkant als aan de binnenkant van het gebouw of de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken of uitbreiding van bestaande vertrekken.

In het BTW-revue nr. 110 van september 1994 wordt verder verduidelijkt in welk geval een vergroting al dan niet kan worden aangemerkt als een omvorming in de zin van rubriek XXXI van de bijlage A van het KB nr. 20. In voormelde revue lezen we het volgende : "De uitbreiding van een bestaand gebouw kan worden aangemerkt als een omvorming (of verbouwing) van dat gebouw voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte. Er kan worden van uitgegaan dat dit het geval is wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning of het woningcomplex na de uitvoering van de werken. Bovendien is vereist dat het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk van het oude gedeelte kan functioneren maar het oude gedeelte aanvult en er dus inzake aanwending van het gebouw een geheel mee vormt. Daarentegen is niet vereist dat het nieuwe gedeelte zich onder hetzelfde dak bevindt als het oude gedeelte".

**3.2.3.** Het is duidelijk dat voormelde aanschrijving en mededeling geen andere bedoeling en draagwijdte hebben dan de bestaande wetgeving en reglementering in herinnering te brengen en/of toe te lichten, en daaraan eventueel aanbevelingen vast te knopen. Zij hebben met andere woorden niet de bedoeling de erin vervatte interpretaties of richtlijnen verplichtend te stellen, aan wie dan ook. Volgens een vaste rechtspraak van de Raad van State en van het Hof van Cassatie hebben dergelijke interpretatieve omzendbrieven geen bindend karakter.

Evenwel kan de rechtbank een dergelijke administratieve toegeving op de wettekst niet negeren, wil zij voor alle rechtsonderhorigen die in dezelfde omstandigheden zijn, een gelijke behandeling garanderen.

**3.2.4.** Het onderscheid tussen de vergrotingswerken, die als een omvorming kunnen worden aangemerkt en dus het tarief A kunnen genieten, en de vergrotingswerken, die bijdragen tot de oprichting van een nieuwbouw en dus uitgesloten blijven van de toepassing van het tarief A, is een feitenkwestie die geval per geval moet beoordeeld worden (*Vr. en Antw., Kamer, 1992-93, nr. 70, 6703 - Vr. nr. 585 GEHLEN, BTW-rev., nr. 107, 106, nr. 3*).

**3.2.5.** De versies van partijen steken schril af tegen mekaar. Voor verweerder is er nauwelijks iets behouden en voor eiser is het wezenlijke gebleven. Eiser wil gebruik maken van het verlaagd tarief en dus van de uitzondering. In die omstandigheden draagt hij de bewijslast.

Op basis van het voorgelegde en goedgekeurde bouwplan blijkt dat het hier gaat om een binnen verbouwing en om de aanzienlijke uitbreiding van de woning. Tijdens het plaats bezoek de dato 10 september 1998 werd dit door de bevoegde ambtenaar vastgesteld. In zijn verslag vermeldt hij het volgende : "... Aan de hand van deze nieuwe plannen en de inlichtingen ter plaatse bekomen, heb ik navolgende vaststellingen gedaan : Op het grondplan "bestaande toestand gelijkvloers" van de set plannen goedgekeurd door de Stad … zijn de buitenmuren gearceerd, die "weg" te breken zijn. Volgens dit plan zouden er van de 54,10 m lange buitengevels 10,75 m behouden blijven. Uit navolgende vaststellingen blijkt echter ook dat van deze stukken buitenmuur, die volgens het goedgekeurd plan t.b.v. 10,75 m behouden bleven een gedeelte werd afgebroken …. Uit de vergelijking van de oppervlakte tussen het behouden gedeelte van de "oude" toestand en de nieuwe toestand blijkt navolgende verhouding : Behouden gedeelte oude toestand: 223,43 m 2 en nieuwe toestand 498,60 m 2".

In casu werd het oude gebouw gesaneerd en vergroot doordat er nieuwe vertrekken werden toegevoegd en doordat er bestaande vertrekken werden verbouwd. Op basis van de voorgelegde plannen en het onderzoek ter plaatse blijkt immers dat de woning op de gelijkvloers en op de eerste verdieping aanzienlijk werd uitgebreid en dat het aandeel "oud" gedeelte slechts 44,81 % van de huidige totale bebouwde oppervlakte bedraagt. Verder werd slechts een deel van de oude buitenmuren behouden, werden alle binnenmuren afgebroken en werd de binnen indeling compleet gewijzigd. Tenslotte werden in het oude gedeelte overal nieuwe betonsleuven en I-profielen aangebracht.

Dergelijke uitbreidingswerken zijn van die aard dat het oude bestaande gebouw nog slechts de bijzaak is. De kwestieuze uitbreidingen en toevoegingen hebben op zich een eigen identiteit verworven. De vloeroppervlakte van het behouden gedeelte van de bestaande woning is bovendien duidelijk kleiner dan de helft van de totale oppervlakte van de woning na de uitvoering der werken.

De oude woning werd herschapen in een riante villa waarin men de oorspronkelijke woning niet meer kan herkennen.

Het is dan ook duidelijk dat voormelde werken niet de omvorming van een woning vormen maar integendeel de bouw van een nieuwe woning betekenen. Het verlaagde tarief is dan ook niet van toepassing op de uitgevoerde werken.

**3.2.6.** De vordering van eiser is dan ook ongegrond.

### 3.3. nopens de kosten

Eiser wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1 ste lid van het gerechtelijk wetboek moet hij de gerechtskosten dragen.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Wijzende in eerste aanleg en op **tegenspraak**.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de vordering **ontvankelijk** en **ongegrond**.

Veroordeelt eiser tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op 356,97 EUR geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op **vierentwintig oktober tweeduizend en vijf**.

Aanwezig zijn :

**H. N.**, alleenrechtsprekend rechter

**L. N.**, e.a. adjunct-griffier

**N. L.** **N. H.**
