---
title: "Tribunal de première instance d&#x27;Anvers, 13 février 2004"
description: "Tribunal de première instance d'Anvers (Belgique), 13 février 2004."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-anvers-2004-02-13-3214"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Tribunal de première instance d'Anvers, 13 février 2004 · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Anvers

**Date**

13 février 2004

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

39 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance d'Anvers du 13.02.2004

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op dertien februari tweeduizend en vier in openbare zitting van de 1F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :**

**P. W.**, enig rechter,

**N. D.**, adjunct-griffier.

**In zake : AR nr. 02/7350/A**

**V. G.**, producer-bestuurder van vennootschappen, voorheen wonende te …, … (volgens inleidend verzoekschrift), thans wonende te …, … (volgens laatste conclusie).

**eisende partij,**

verschijnende bij meester **P. L.**, advocaat, kantoorhoudende te …, ….

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, sector BTW, in de persoon van de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijk Directeur van de BTW te Antwerpen, in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur a.i., rekenplichtige, van het tweede BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

**verwerende partij,**

verschijnende bij meester **A. v. L. d. J.**, advocaat. kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

\- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 11 december 2002,

\- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 16 januari 2004.

---

De vordering strekt ertoe de proportionele boete ten bedrage van 31.854,32 EUR, zoals verminderd door de beslissing van de gewestelijke directeur van 11 september 2002 tot 15.344,61 EUR integraal te ontheffen, dan wel te vernietigen, minstens aanzienlijk te verminderen overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel, dienvolgens terugbetaling te bevelen van alk sommen die aldus ten onrechte werden geïnd, vermeerderd met de moratoriumintresten en de kosten van het geding.

## Beoordeling

Op 6 oktober 1999 heeft eiser een BTW aangifte ingediend tot aanvang van werkzaamheid vanaf 1 januari 1999 waarin als enige werkzaamheid of voornaamste werkzaamheid de ontvangst van royalty’s werd vermeld.

Ingevolge een controle voor de periode van 1996 tot en met 1999 werd vastgesteld dat eiser de door hem gerealiseerde omzet (onder meer royalty’s) niet heeft aangegeven waarvoor hij 318.771,19 EUR BTW verschuldigd was; de door de administratie opgestelde correctieopgave werd op 12 december 2001 voor akkoord ondertekend door de gevolmachtigde van eiser voor de som van 318.771 EUR.

Niettegenstaande de administratie deze door eiser verschuldigde BTW en de aan de zijn medecontractanten, zijnde vennootschappen waarvan eiser zaakvoeder is, terug te geven BTW, bij de invordering zelf heeft verrekend om de uit de voornoemde controle voortvloeiende verrichtingen niet nodeloos ingewikkeld te maken en niettegenstaande dit in hoofde van de administratie een nuloperatie betrof, doet dit geen afbreuk aan het feit dat eiser voor de periode van 1996 tot en met 1999 ten onrechte de verschuldigde BTW ten bedrage van 1.318.771,19 EUR niet heeft aangegeven en niet heeft betaald.

De in de correctieopgave vermelde boete van 31.854,32 EUR, zijnde 10 % van de verschuldigde belasting, werd voldoende gemotiveerd door duidelijke opgave van de niet aangegeven omzet en van de verschuldigde belasting en door verwijzing naar de artikelen 70 en/of 71 W.BTW en naar [artikel 1 van het KB nr. 41](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958#ar41-art1) van 30 januari 1987 bedoelde schaal, tabel G, rubriek IV; bovendien is deze boete wettig, zelfs indien eiser ter goeder trouw was, goede medewerking verleende en de vastgestelde overtreding een interpretatieprobleem betrof.

Ingevolge het verzoek van de gevolmachtigde van eiser tot kwijtschelding, respectievelijk vermindering administratieve geldboete werd voornoemde boete verminderd tot 15.344,61 EUR, zijnde 5 % van de verschuldigde belasting inzake royalty’s, door de gewestelijke directeur gelet op het feit dat de vastgestelde overtreding een interpretatieprobleem betrof, er geen frauduleuze intentie aanwezig was, er goede medewerking werd verleend tijdens de controle, de rekening-courant geen onregelmatigheden vertoonde en er geen openstaande schulden waren; de gewestelijke directeur heeft dan ook voldoende gemotiveerd waarom hij de boete verminderd heeft tot 15.344,61 EUR.

Er kan geen sprake zijn van een spontane rechtzetting nu eiser op 6 oktober 1999 weliswaar spontaan een BTW-aangifte heeft ingediend tot aanvang van werkzaamheid vanaf 1 januari 1999, doch geenszins zijn toestand spontaan heeft rechtzet voor de periode van 1996 en 1999; hij heeft immers geenszins spontaan de door hem gerealiseerde omzet (onder meer royalty’s) aangegeven waarvoor hij 318.771,19 EUR BTW verschuldigd was en de overtreding werd slechts vastgesteld door de administratie ingevolge de controle.

Uit geen enkel objectief element blijkt dat eiser voor de periode van 1996 tot en met 1999 zijn toestand spontaan heeft rechtgezet voor enige tussenkomst van een fiscale administratie zodat op deze grond dan ook geen volledige kwijtschelding van de geldboete kan verleend worden.

Verder blijkt uit geen enkel objectiefelement dat de administratie verwachtingen heeft gewekt bij eiser dat de boete zou kwijtgescholden worden zodat het fair-play beginsel geenszins werd geschonden.

Bovendien is de rechtbank in ieder geval van oordeel dat de boete in redelijke verhouding staat met de gepleegde inbreuk en met de ernst van de feiten zodat er dan ook geen enkele reden is om deze boete te ontheffen, dan wel te vernietigen of te verminderen.

### Dispositif

**OM DIE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Rechtdoende op **tegenspraak**.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering toelaatbaar, doch ongegrond en wijst deze af.

Veroordeelt eiser tot de kosten van het geding tot op heden door verweerder begroot op 334,66 EUR rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op 171,05 EUR rechtsplegingsvergoeding.

**N. D.** **P. W.**

## Textes cités

1

[AR no 41 art. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958) 1 occurrence
