---
title: "Tribunal de première instance d&#x27;Anvers, 9 avril 2003"
description: "Tribunal de première instance d'Anvers (Belgique), 9 avril 2003."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-anvers-2003-04-09-0864"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Tribunal de première instance d'Anvers, 9 avril 2003 · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Anvers

**Date**

9 avril 2003

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

78 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance d'Anvers du 09.04.2003

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op negen april tweeduizend en drie in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :**

**L. B.**, enig rechter,

**N. D.**, adjunct-griffier.

In zake : A.R. nr. **01/3645/A**

1\. **L. R.**, zonder gekend beroep, wonende te …, …, en zijn echtgenote,

2\. **H. K.**, zonder gekend beroep, wonende te …, …

**eisende partijen,**

verschijnende bij meester **F. M.**, advocaat, kantoorhoudende te …, ….

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, Administratie der Directe Belastingen, Gewestelijke Directie Antwerpen I, vertegenwoordigd door de Gewestelijk Directeur der Directe Belastingen Antwerpen I, wiens kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 2.

**verwerende partij,**

verschijnende bij de heer **D. D.**, geboren op … te …, in zijn hoedanigheid van eerstaanwezend inspecteur, hiertoe benoemd bij besluit van 27 juli 2000.

---

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

\- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 28 mei 2001,

\- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 19 maart 2003

---

## Gegevens en voorgaande

Eisers deden een gezamenlijke, weliswaar laattijdige, aangifte in de personenbelasting voor aanslagjaar 1997, gevolgd door een aanslag, waardoor de aangifte als tijdig werd erkend.

Per 17 juli 1998 werd aan eisers een bericht van wijziging van aangifte verstuurd (stuk 11 van verweerder) met melding van voornemen om over te gaan tot taxatie onder het bewijsmiddel van tekenen en indiciën, een en ander onder voeging van een becijferde indiciaire opstelling, en onder verder melding van voornemen om een belastingverhoging ad 50 % toe te passen.

Bij gebrek aan reactie werd het bericht van wijziging vervangen door een kennisgeving van aanslag van ambtswege van 18 augustus 1998 (stuk 12 van verweerder), met verwijzing naar de inhoud van het eerdere wijzigingsbericht.

Ook op deze kennisgeving kwam er eerst geen reactie, tot de binnenkomst op 7 september van een brief van de raadsman van eisers met gemotiveerd niet-akkoord, met daarop volgend nog een reactie van de taxatieambtenaar van 10 september 1998 met aankondiging dat reeds het nodige was gedaan met het oog op het vestigen van een supplementaire aanslag, en daarna nog een laatste brief van 11 september 1998 van de raadsman van eisers met verzoek alsnog rekening te willen houden met het niet-akkoord.

Op 23 december 1999 werd dan de supplementaire aanslag gevestigd onder artikel 948004.

Op 23 juni 2000 kwam ter directie een bezwaarschrift namens eisers binnen (stuk 19 van verweerder), verwijzend naar het eerdere gemotiveerde niet-akkoord, en op 12 april 2001 gevolgd door een nieuwe brief waarin werd gemeld dat er bij gebrek aan beslissing op eind mei 2001 zou worden overgegaan tot het stellen van een vordering voor de rechtbank, nog gevolgd door een brief van de belastingdienst van 27 april 2001 dat de raadsman van eisers "ten gepaste tijde" zou worden uitgenodigd om "inzage te nemen van het dossier alsook om terzake te worden gehoord".

Op 28 mei 2001 werd ter griffie dezer rechtbank een verzoekschrift op tegenspraak tot stelling van een vordering in rechte neergelegd, waaraan evenwel geen afschrift is gehecht van het ontvangstbewijs van het ingediende bezwaarschrift.

## Onderzoek en beoordeling

Verweerder doet niet gelden dat de rechtsvordering ontoelaatbaar zou zijn, ook niet uit oorzaak van niet-bijvoeging van het hogerop vermelde ontvangstbewijs en evenmin uit oorzaak van wettelijke voortijdigheid van de vordering.

Er blijken geen belangen te zijn geschaad, en voor het overige onderkent de rechtbank van haar kant geen van ambtswege aan te voeren oorzaken tot ontoelaatbaar verklaring.

De eerdere discussie over de mogelijkheid voor ambtenaren om zelf op te treden voor de rechtbank is inmiddels wettelijk achterhaald, en partijen hebben daarover niet meer gepleit.

## Ten gronde

1\. In het bericht van wijziging, hernomen in de kennisgeving van aanslag van ambtswege, komt volgende tekst voor :

> "Aan de Administratie der directe belastingen kan niet worden tegengeworpen, de juridische kwalificatie door de partijen gegeven aan een akte alsook aan afzonderlijke akten die een zelfde verrichting tot stand brengen, wanneer de administratie door vermoedens of door andere in artikel 340 vermelde bewijsmiddelen vaststelt dat die kwalificatie tot doel heeft de belasting te ontwijken, tenzij de belastingplichtige bewijst dat die kwalificatie aan rechtmatige financiële of economische behoeften beantwoordt.
>
> Op 26 februari 1996 werd door de Amerikaanse vennootschap **S.** C°, gevestigd in …, een jacht aangekocht voor de prijs van … BEF. Uit de door ons gedane vaststellingen blijkt dat u de uiteindelijke eigenaar en kapitein bent van dat jacht. De Amerikaanse vennootschap werd opgericht met als doel u onbekend te houden bij de Belgische fiscus teneinde een indiciaire taxatie te kunnen ontlopen. Derhalve wordt deze constructie bij toepassing van artikel 344, § 1 niet aanvaard en wordt U aanzien als eigenaar van het schip ".

Artikel 344 WIB 92 heeft als instelvereiste dat er vaststelling voorligt aan de hand van bewijsmiddelen van artikel 340 WIB 92, waaronder feitelijke vermoedens.

In de wisseling van conclusies voor de rechtbank stelt verweerder dat de belastingdienst een feitelijk vermoeden heeft gedestilleerd uit het gegeven dat ene 'BV **N.**', met zetel te …, op 26 februari 1996 het zeiljacht in kwestie heeft verkocht aan '**S.** C°.' in … (stuk 8 verweerder) en dat huidig eerste eiser - met huidig tweede eiseres als passagierster - het jacht op diezelfde 26ste februari 1996 in de haven van … heeft aangemeerd onder opgave van hoedanigheid van kapitein en eigenaar (stuk 7 verweerder).

Verder blijken beide eisers op dezelfde datum in een restaurant op hetzelfde eiland te hebben gedineerd, zulks blijkens een restaurantrekening (stuk 5 verweerder).

Verder is gebleken dat eisers op drie rendez-voushuizen te Antwerpen in de loop van 1996 gemeentebelasting hadden betaald.

In eerste conclusie schrijft verweerder over en ander :

> "Op basis van de voormelde gegevens vermoedt de administratie dat dhr. **L.** het pleziervaartuig heeft gefinancierd met "ongeoorloofde" inkomsten inzake de rendez-vous­huizen). Hij wordt vermoed de vennootschap in … te hebben opgericht met als doel zich onbekend te houden bij de Belgische fiscus en aldus een indiciaire taxatie te ontwijken. Deze constructie wordt bij toepassing van art. 344, § 1 WIB 92 niet aanvaard en dhr. **L.** wordt aanzien als eigenaar van het schip".

Artikel 344, § 1 stelt als instelvereiste dat een bepaaldelijk 'door de partijen' aan een of meer akten gegeven juridische kwalificatie niet tegenwerpelijk is; wanneer ... enz.

Buiten het ietwat bevreemdende gegeven dat de verkoopfactuur van het jacht enkel in het Nederlands is gesteld, stelt de rechtbank vast dat in voorliggend geschil noch de verkoper noch de koper van het jacht een 'partij' vormen in de zin van artikel 344, § 1.

Door te stellen dat huidig eerste eiser en de Amerikaanse aankopende vennootschap één en dezelfde persoon vormen, miskent verweerder - en tevoren de belastingdienst - met name dit toepassingsvereiste van artikel 344, § 1 WIB 92, nu zij immers ten onrechte vertrekken van een premisse dat via hun vermelde vaststellingen de rechtspersoonlijkheid van deze Amerikaanse vennootschap zou zijn doorbroken, om pas van daaruit te komen tot een gevolgtrekking van een door huidig eerste eiser verrichte niet aan de belastingen tegenwerpelijke kwalificatie.

De rechtbank stelt namelijk vast dat de door eerste eiser op 26 februari 1996 bij de vermelde havenautoriteiten gedane onderschrijving van een formulier (stuk 7 verweerder) dat hij daar aanmeerde in hoedanigheid van kapitein/eigenaar (Frans : Capitaine/Propriétaire, Engels : Master/Owner) niet geldt als bewijs van bepaaldelijk eigendomsrecht.

Meer bepaald kan te dezen de aanvoering door verweerder van artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt dat met betrekking tot roerende goederen het bezit als titel geldt, voor verweerder niet dienstig zijn als een tegen eerste eiser aan te wenden eigendomstitel, nu dit wetsartikel voorkomt onder de Titel 'Verjaring' en aldus slechts een verweermiddel voor een bezitter zou kunnen vormen om zijn (te dezen door verweerder opgeworpen, maar niet eens vaststaande) bezit tot rechtstitel te verheffen, en alzo niet als rechtsgrond dienstig is voor de belastingdienst, die immers niet voor zichzelf enige aanspraak op eigendomsrecht voorhoudt.

Het eigendomsrecht van de Amerikaanse vennootschap, die het jacht verkreeg door aankoop, en waartoe de niet onrechtsgeldig bevonden aankoopfactuur geldt als verkrijgingstitel totdat het bewijs van fictiviteit wordt aangebracht van het bestaan van een aankoop - door overigens een rechtspersoon waarvan de rechtspersoonlijkheid zelf niet is doorbroken - werd aldus evenmin doorbroken.

Nu niet is komen vast te staan dat eerste eiser de werkelijke eigenaar van het jacht was, weze het door aankoop weze het uit andere juridische oorzaak, kan de aankoopprijs van het jacht in hoofde van eisers niet dienen als vaststaand feit of gegeven ter onderbouwing van een taxatie onder aanwending van het bewijsmiddel van tekenen en indiciën onder artikel 341 WIB 92.

2\. Andere aangewende indiciën

De andere indiciën in hoofde van huidige gedingpartijen staan vast, worden met name niet als indicie in twijfel getrokken.

Eisers moeten bijgevolg door middel van positieve en controleerbare gegevens het bewijs aanbrengen dat hun gegoedheid voor het betrokken jaar voortkwam uit andere oorzaken dan uit belastbare inkomsten.

Zij doen daartoe gelden dat zij uit de diverse rendez-voushuizen, waarop zij belasting hebben betaald aan de stad, niet aan te geven huurgelden hebben geput van in totaal … BEF) (nu te lezen als … EUR , waardoor nog slechts een niet merkelijke indicie ten bedrage van … BEF (nu te lezen als … EUR) zou overblijven, bedrag dat aldus niet meer dienstig kan zijn ter taxatie gelet op zijn voorkomend geval relatieve geringheid.

Evenwel voert verweerder daartegen aan dat dit tegenbewijs misschien wel positief is maar niet kan worden gecontroleerd (aanvullende conclusie, blad 2).

Verweerder voegt daaraan toe dat het zelfs bij voldaan tegenbewijs hoe dan ook zou gaan om een tegenbewijs middels voor dat jaar belastbare inkomsten, wat niet kan (te zelfder plaatse).

De rechtbank stelt vast dat de loutere voorlegging van een huurcontract met betrekking tot een der rendez-voushuizen, niet alleen geen controleerbaar bewijs vormt van uit de huizen op de opgegeven adressen (…, …) effectief verkregen inkomsten, maar dat een tegenbewijs middels voor een zelfde periode belastbare inkomsten uitgesloten is (vgl. Cass. 16 februari 2001, FJF 2001/139).

In dit kader maakt het niet dienstig zijn van het scherp omschreven gegeven van het jacht als indicie in huidig voorliggende situatie, de rest van de rechtsgeldig opgebouwde indiciën niet onwerkzaam als indiciën, en brengt een en ander niet de nietigheid van de bestreden aanslag mede, wel enkel een ontheffing van de aanslag in de opgemelde mate.

3\. De belastingverhoging

In de mate van ontheffing uit hoofde van niet-weerhouding van de belastinghoofdsom met betrekking tot het jacht, vervalt daarbij in dezelfde mate de belastingverhoging als bijzaak.

Voor wat aan belastinghoofdsom overblijft, zijn de voorwaarden van artikel 444 WIB 92, zodat terecht een verhoging werd toegepast.

In het bericht van wijziging en in de latere kennisgeving van aanslag van ambtswege werd er bij de aangekondigde verhoging en het percentage ervan echter: niet bepaaldelijk uiteengezet waarin het opzet van eisers om belasting te ontduiken zou hebben gelegen.

Waar verweerder in zijn eerste conclusie stelt dat het opzet tot belastingontduiking 'naar recht (is) bewezen, gelet op de vaststelling en de grootte van het indiciair tekort, in combinatie met het gebruik van de constructie van de vennootschap in “…”, is hogerop gebleken dat het jacht te dezen niet als indicie in hoofde van eisers kon worden weerhouden.

In zoverre en in de mate dat eisers er verder niet in slagen om het tegenbewijs te leveren tegen de overgebleven indiciën, kan daartoe uit die loutere vaststelling in hunnen hoofde geen opzet worden weerhouden.

Conform de wettelijke en reglementaire modulering kon te dezen dan ook slechts, aangepast aan de modulering van het KB/WIB 92, een verhoging ten tarieve van 10 % worden opgelegd, zulks voor de belasting op de overgebleven indiciën.

De gerechtskosten dienen te worden verdeeld, gelet op het bovenstaande.

### Dispositif

**OM DIE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering toelaatbaar en ten dele gegrond,

Ontheft de supplementaire aanslag van 23 december 1999 in hoofde van eisers voor de gemeente … kohierartikel 948004 aanslagjaar 1997, in de mate dat in de belastbare grondslag ervan, bij wijze van inkomsten van onbepaalde oorsprong, een bedrag van … EUR (toen te lezen als … BEF), is opgenomen, en verder in de mate dat er op de belasting op het resterende niet aangegeven inkomstengedeelte een verhoging is toegepast van meer dan 10 %,

Beveelt de herberekening van deze aanslag in opgemelde zin,

Veroordeelt verweerder tot terugbetaling aan eisers van de uit hoofde van de ontheffingen gebleken teveel betaalde bedragen, meer moratoriumintrest conform de bepalingen van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992, op te delen conform de wet,

Wijst eisers af van het meergevorderde en/of het anders gevorderde,

Veroordeelt eisers ondeelbaar aan de ene kant en verweerder aan de andere kant tot de kosten van het geding, deze niet begroot in de respectieve conclusies, en door de rechtbank in hun geheel vereffend op … EUR in hoofde van eisers en op nihil in hoofde van verweerder.

**N. D.** **L. B.**
