---
title: "Tribunal de première instance d&#x27;Anvers, 26 février 2002"
description: "Tribunal de première instance d'Anvers (Belgique), 26 février 2002."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-anvers-2002-02-26-712e"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Tribunal de première instance d'Anvers, 26 février 2002 · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Anvers

**Date**

26 février 2002

## Parcours procédural

2 étapes · 4 ans 1 mois

1. Décision affichée Tribunal de première instance d'Anvers 26.02.2002
2. [Décision sur appel Cour d'appel d'Anvers 04.04.2006](https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-poursuite-cour-appel-anvers-2006-04-5a7e)

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

102 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance d'Anvers du 26.02.2002

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op zesentwintig februari tweeduizend en twee in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :**

**N. V.**, enig rechter,

**N. D.**, adjunct-griffier.

**In zake AR nr. 95/4700/A**

**BVBA D. F.**, ingeschreven in het register van de BTW onder het nummer BE …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….

**eisende partij,**

verschijnende bij meester **A. B.** loco meester **W. M.**, advocaat, kantoorhoudende te …, ….

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de heer Gewestelijk Directeur van de BTW, registratie en domeinen te Antwerpen, in de persoon van de rekenplichtige Ontvanger van het derde BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, met burelen te Antwerpen, Italiëlei 4, bus 4.

**verwerende partij,**

verschijnende bij meester **J. P.** loco meester **M. V. H.**, advocaat, kantoorhoudende te …, ….

---

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

\- de inleidende dagvaarding, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder **D. B.** te … op 21 juni 1995.

\- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 29 januari 2002.

---

Gelet op het dwangbevel uitgevaardigd op 13 april 1995 door **F. D. W.**, ontvanger a.i. BTW te Antwerpen 3 met RCIV nr. …, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 14 april 1995 door **I. D. R.**, Hoofdcontroleur a.i. van de BTW te Mortsel 2, aangewezen door de gewestelijk directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Antwerpen, waarin van eisende partij volgende bedragen worden gevorderd :

\- hoofdsom BTW : 140.703 BEF

\- boete : 42.000 BEF

\- intrest tegen 0,8% per maand vanaf 21 januari 1993 op de hoofdsom

... moratoire intrest op de boete vanaf kennisgeving dwangbevel

\- vervolgingskosten.

Gelet op de dagvaarding in verzet tegen het voormeld dwangbevel van 21 juni 1995 dat strekt tot :

\- het dwangbevel RCIV nr. …, nietig, minstens onwettig te zien en te horen verklaren en verwerende partij te zien en te horen verbieden over te gaan tot uitvoering van dat dwangbevel, eisende partij te horen ontslaan van de in dit dwangbevel van haar gevorderde sommen,

\- verwerende partij te horen veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip deze van het dwangbevel en van de aanzegging ervan, en de rechtsplegingsvergoeding,

\- het tussen te komen vonnis uitvoerbaar bij voorraad te horen verklaren niettegenstaande alle verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.

## 1. FEITEN

Eisende partij, die een horecazaak uitbaat te …, is geregistreerd als belastingplichtige onder BTW-registratienummer ….

De door haar verhandelde dranken werden tijden de periode 1990-1991 onder meer aangekocht bij de firma NV **A.**.

Ingevolge een BTW-controle bij NV **A.**, handelaar in bieren en waters, werd op 13 september 1993 een proces-verbaal opgesteld inzake de BTW op naam van voormelde leverancier van eisende partij (stuk 1 bundel verwerende partij).

Naar aanleiding van voormeld proces-verbaal is er op 9 juni 1994 controle uitgevoerd op de boekhouding van eisende partij door de bevoegde BTW-controledienst met betrekking tot de periode van 1 januari 1990 tot en met 31 december 1992.

De resultaten van dit onderzoek werden opgenomen in een proces-verbaal van 10 april 1995 waarbij in hoofde van eisende partij een omzetverhoging werd weerhouden voor de jaren 1990 en 1991, meer omzet die dan op zijn beurt aanleiding gaf tot een navordering van de BTW (stuk 2 bundel, verwerende partij).

De controleambtenaar gaf in datzelfde proces-verhaal het eerdere proces-verbaal van 13 september 1993 ten laste van NV **A.** op als de rechtsgrond toe de voormelde omzetverhoging. Rechtstreekse in de gecontroleerde boekhouding van eisende partij aangetroffen onregelmatigheden werden niet vermeld of weerhouden.

Aan eisende partij werd door verwerende partij een correctieopgave voorgelegd ter ondertekening, doch eisende partij weigerde deze te ondertekenen.

Een dwangbevel als invorderingstitel werd dan uitgevaardigd op 13 april 1995 (stuk 3, bundel verwerende partij), uitvoerbaar verklaard op 14 april 1995 en aangetekend ter kennis gebracht van eisende partij op 18 april 1995 (stuk 4, bundel verwerende partij).

Met gerechtsdeurwaardersexploot van 21 juni 1995 betekend aan eisende partij door gerechtsdeurwaarder **D. B.** te …, tekende eisende partij verzet aan tegen voormeld dwangbevel.

## 2. BEOORDELING

Het verzet is tijdig en regelmatig naar vorm en er worden noch door partijen redenen van ontoelaatbaarheid opgeworpen, noch worden er door de rechtbank ambtshalve op te werpen redenen van ontoelaatbaarheid vastgesteld, zodat het verzet toelaatbaar is.

### Principes

### a. Betreffende de bewijslast

Het uitgangspunt van de bewijsregeling is de aangifte van de belastingplichtige, welke wordt geacht juist te zijn tot bewijs van het tegendeel.

De wetgever legt dus de principiële bewijslast van het verschuldigd zijn van BTW op de Administratie en stelt deze hiervoor een aantal middelen ter beschikking (**H. V.**, De bewijsplicht van de fiscus inzake BTW en de omkering ervan door het instellen van wettelijke vermoedens, TRF ,Colloquiumnummer 18 oktober 2000).

Artikel 59, § 1 W.BTW bepaalt dat de overtredingen van het BTW-wetboek behalve door de bewijsmiddelen van het gemeen recht (uitgezonderd de eed) ook kunnen bewezen worden door processen-verbaal opgesteld door de ambtenaren van het Ministerie van Financiën. De processen-verbaal leveren bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen.

### b. Betreffende de bewijskracht van het proces-verbaal

Het proces-verbaal is bedoeld om bepaalde vaststellingen van een ambtenaar of feiten vast te leggen en deze een karakter van waarheid te geven (tot bewijs van het tegendeel).

De bewijswaarde van het proces-verbaal geldt alleen voor de werkelijke, effectieve vaststellingen in de strikte zin van het woord en niet voor deducties uit de gedane vaststellingen.

#### Toepassing van die principes

De naar aanleiding van een onderzoek bij derden (hier de gebruikelijke leverancier) gevonden gegevens leveren in de algemene zin niet automatisch bewijs op ten laste van de belastingplichtige, tenzij uit verder onderzoek blijkt dat deze gegevens constitutief zijn voor het invullen van een door de wet toegelaten bewijsmiddel waaronder feitelijke vermoedens.

Bij onderzoek en controle van de boekhouding van eisende partij is geen onregelmatigheid in de boekhouding zelf aangetroffen. Zulks blijkt impliciet maar zeker uit het proces-verbaal van 10 april 1995. De basis voor dit laatste proces-verbaal werd volledig geput uit het eerdere proces-verbaal van 13 september 1993 dat ten laste van de leverancier NV **A.** was opgemaakt.

De discussie tussen partijen betreffende de bewijskracht van de processen-verbaal inzake BTW is als volgt op te lossen. Die bewijskracht geldt immers wel voor de juistheid van de akteringen van de door de taxatieambtenaren bij de leverancier gedane vaststellingen, maar niet noodzakelijk zomaar voor de intrinsieke juistheid van de aldaar opgetekende boekhoudkundige en informatica gegevens zelf.

Daartoe dienen die gegevens eerst op hun waarde te worden beoordeeld.

Verwerende partij stelt dat de door haar naar voren geschoven gegevens leiden tot het bewijs door feitelijk vermoeden van zwartafnames door eisende partij ten behoeve van haar handelszaak. Het gegeven op zich dat van de 81 gecontroleerde afnemers van NV **A.**, er 69 hebben of zouden hebben toegegeven dat zij aldaar zwartafnames hebben gedaan, vormt op zichzelf genomen geen bewijs tegen eisende partij.

Wel is als element gebleken dat deze afnemers allemaal zwartafnames deden onder een zelfde systeem van informaticaverwerking dat bij de vermelde leverancier werd aangetroffen.

Verwerende partij baseert zich op de door hem in detail uiteengezette onderlinge samenhang van de bij de leverancier bevonden gegevens, en op het verband dat deze gegevens naar zijn oordeel aanwijzen tussen deze bevonden gegevens en de handelszaak van eisende partij.

Verwerende partij geeft toe dat zij geen bestel-bevestigingen met betrekking tot zwartafnames kan voorleggen in de verhouding tussen de gebruikelijke leverancier NV **A.** en haar gebruikelijke afnemer BVBA **D. F.**. Deze werden immers vernietigd.

Verwerende partij verwijst wel naar het gegeven dat bij NV **A.** zowel kon worden aangekocht in effectieve groothandel als in dagontvangsten voor kleinhandel en drukt in dat verband op het treffend karakter van "de wijze waarop het bestel- en facturatieprogramma (bij de leverancier) was geconcipieerd in samenhang met de dagontvangstenlijsten, en verder op de chronologie zowel in de facturen als in de gedetailleerde dagontvangstenlijsten (pag. 4 ,5 ,6 eerste conclusie verwerende partij).

Expliciete verwijzingen naar klanten en dus naar eisende partij op de dagontvangstenlijsten ontbreken inderdaad evenals het bewijs van daadwerkelijke levering door de leverancier aan eisende partij, doch de vaststellingen zijn gebeurd door het controleren van de officiële boekhouding van NV **A.**.

Verwerende partij stelt dat aan vrijwel elke gefactureerde levering (aan de BTW-belastingplichtige) een extra niet-gefactureerde levering verbonden (kan) worden op basis van het stramien op de dagontvangstenlijsten met de opgestelde facturen van dezelfde dag, en verder op de hogerop reeds vermelde gelijklopende chronologie in de facturen en de dagontvangstenlijsten, zulks in zoverre een factuur samenviel met een dagontvangst.

Verwerende partij werkte op naam van eisende partij een voorbeeld uit in haar conclusies met ter staving telkens verwijzing naar de door haar voorgelegde overtuigingsstukken.

Het is opvallend dat de leverancier binnen de maand na de uitgevoerde controle zijn dagontvangstenlijsten niet meer per individuele levering opstelt doch enkel nog in dagtotalen per dranksoort.

Het blijkt dat het informaticasysteem van de leverancier toeliet om middels uitdrukking naar keuze van drie verschillende toetsen (F1, F2 en F3) gedeeltelijk te factureren, niet te factureren of volledig te factureren (eerste conclusie pag. 7 verwerende partij). Deze feitelijke vaststellingen komen eveneens voor in het proces-verbaal van 13 september 1993 (stuk 1, bundel verwerende partij) dat ten laste van de leverancier NV **A.** is opgesteld.

Vanuit de vergelijking tussen enerzijds de officiële bij de leverancier uitgaande facturen ten aanzien van eisende partij en de bevindingen van de verbalisant onder wat werd geconstateerd bij het dagontvangstennummer ten aanzien van eisende partij op dezelfde data, komt een geheel van leveringen tot uiting ten name van eisende partij.

Uit de door de leverancier NV **A.** aan eisende partij uitgereikte facturen blijkt dat deze bij het opmaken van zijn facturen volstrekt willekeurig de volgorde van de dranken vermeldde op deze facturen.

Bij nazicht van de lijst der dagontvangsten van de leverancier blijkt dat hier eveneens een willekeurige volgorde werd gebruikt per leveringsbon.

Jammer genoeg werden de leveringsbons vernietigd doch bij vergelijking van de facturen van een bepaalde datum met de dagontvangsten van diezelfde datum blijkt er toch zeer duidelijk een systematiek te bestaan in de volgorde van de gefactureerde goederen, zodanig dat men per bon vermeld op de lijst van dagontvangsten de corresponderende factuur kan achterhalen alsook de niet gefactureerde goederen (stuk 22, bundel verwerende partij).

Eisende partij stelt dat het goed mogelijk is dat een andere klant van NV **A.** dezelfde bestellingsvolgorde hanteerde, doch uit de vergelijking van de lijst met de dagontvangsten en de facturen blijkt dat er telkens per factuur slechts éen bon vermeld op de lijst van de dagontvangsten correspondeert met deze factuur.

Voormeld gegeven blijkt het geval te zijn voor alle 43 voorgelegde facturen en corresponderende dagontvangstenlijsten, zodat men niet meer kan spreken van toeval doch van een zeer duidelijke systematiek, derwijze dat het uitgesloten is dat bij een andere klant van NV **A.** steeds dezelfde bestellingsvolgorde gehanteerd werd als bij eisende partij mede gelet op de reeds hogervermelde willekeurige wijze waarop de volgorde der dranken werd vermeld op facturen.

Het prijsverschil tussen de dranken op factuur en de dranken in dag ontvangsten, is zonder relevantie voor de bewijskracht zelf van dit feitelijk vermoeden.

De bovenvermelde uiteengezette gegevens vormen een bewijsvoering door middel van gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens in de zin van artikel 1353 B.W., die geenszins in tegenspraak zijn met de hogerop gedane vaststellingen dat er in de door eisende partij ter controle voorgelegde boekhouding op zich geen corresponderende documenten werden aangetroffen die wezen op zwartafnames.

Het niet bestaan (en bijgevolg ook niet voorleggen) van bestelbevestigingen met betrekking tot contantaankopen door de afnemer, doet geen afbreuk aan het ingevulde feitelijk vermoeden. Het proces-verbaal van 13 september 1993 op naam van de leverancier vermeldt immers als vaststelling, dat diens chauffeur leverde tegen dadelijke betaling, waarna pas een factuur werd opgesteld.

Van opeenstapeling van vermoedens is er bij dit alles dan ook geen sprake, nu de hogerop gedane materiële vaststellingen in hun onderling verband objectief vaststaande gegevens vormen als basis voor het daaruit afgeleide feitelijk vermoeden.

Daar de met elkaar overeenstemmende en tegelijk naar eisende partij verwijzende gegevens in hun geheel een bewijskrachtig feitelijk vermoeden vormen ten aanzien van eisende partij, kan dit vermoeden weerlegd worden door eisende partij, quad non.

Eisende partij betwist het bestaan van zwartafnames en van daaruit volgende meeromzet doch voert geen verweer in verband met de door verwerende partij begrote bedragen van deze meeromzet.

Het is dus bewezen dat eisende partij zwartafnames verrichtte bij haar leverancier NV. **A.**, wat aanleiding gaf tot een meeromzet waarvan het bedrag op zichzelf niet betwist wordt.

### c. Betreffende de opgelegde boete

In het proces-verbaal van 10 april 1995 op naam van eisende partij werd een boete vastgelegd van 20 %, namelijk 28.000 BEF, conform de bepalingen van KB nr. 41 van 30 januari 1987, tabel A, afdeling l, C, IV.

Bij dwangbevel van 13 april 1995 werd deze boete verhoogd met 50 % namelijk tot 42.000 BEF conform [artikel 2 van KB nr. 41](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958#ar41-art2) van 30 januari 1987.

Eisende partij stelt dat verwerende partij gehouden is tot de toepassing van de bij KB nr. 41 bepaalde boeteschalen en dat bijgevolg de boeteverhoging onwettig is.

[Artikel 2 van KB nr. 41](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958#ar41-art2) van 30 januari 1987 luidt als volgt : "in geval van kennisgeving of betekening van het dwangbevel beoogd in [artikel 85 van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde waarde](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85) worden de in de tabellen A tot F van de bijlage bij dit besluit opgenomen geldboeten verhoogd met 50 % zonder dat het bedrag kleiner mag zijn dan 5 % van de verschuldigde belasting…"

Vermits verwerende partij zich gehouden heeft aan de boeteschalen vermeld in tabel A van voormeld KB en de boeteverhoging werd toegepast conform de bepalingen van artikel 2 van voormeld KB is de opgelegde boete correct bepaald en terecht opgelegd aan eisende partij.

### d. Betreffende de schending van de rechten van verdediging

Eisende partij stelt dat thans, 10 jaar na de betwiste periode, het voor haar onmogelijk is om met kennis van zaken en behoorlijke bewijsstukken haar verdediging te voeren.

Nochtans blijkt uit de briefwisseling tussen de accountant van eisende partij en controle BTW Mortsel II van 14 juni 1994 dat zij een correctieopgave betreffende de controle uitgevoerd op 9 april 1994 van de boekhouding van eisende partij terugstuurde. In deze correctieopgave werd reeds melding gemaakt van de feiten die eisende partij ten laste werden gelegd.

Bij het dwangbevel van 13 april 1995 dat op 18 april 1995 ter kennis werd gebracht van eisende partij werd het proces-verbaal van 13 september 1993 gevoegd als bijlage.

Bijgevolg was eisende partij toen reeds volledig op de hoogte van de haar ten laste gelegde feiten en van bijhorende processen-verbaal zodat zij over voldoende tijd en gelegenheid beschikte om de nodige bewijsstukken te verzamelen.

Bovendien is het niet aan verwerende partij te wijten dat de procedure zoveel tijd in beslag nam, integendeel eisende partij heeft geen enkele initiatief genomen om de procedure te bespoedigen.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat de rechten van verdediging in casu geenszins ge schonden werden.

### e. Betreffende de uitvoerbaar verklaring bij voorraad

Door partijen worden er geen redenen voorgebracht die nopen tot uitvoerbaar verklaring bij voorraad van huidig vonnis.

### Dispositif

**OM DIE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Rechtdoende op **tegenspraak**.

Alle andere en strijdige middelen verwerpend.

Verklaart de vordering in verzet tegen het dwangbevel toelaatbaar doch ongegrond.

Veroordeelt eisende partij tot de kosten van het geding in hoofde van verwerende partij begroot in conclusie en door de rechtbank vereffend op 327,22 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Wijst het meer- en anders gevorderde af.

**N. D.** **N. V.**

## Textes cités

2

[AR no 41 art. 2](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958) 2 occurrences

[CTVA art. 85](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Reconstitution du chiffres d’affaires, Preuve par présomptions](https://juriel.be/fr/jurisprudence/reconstitution-chiffres-affaires-preuve-presomptions-cour-appel-bruxelles-2023-02-0e22) 1 dispositions communes

[Secteur Horeca, Système de caisse enregistreuse, Absence de détention](https://juriel.be/fr/jurisprudence/secteur-horeca-systeme-caisse-enregistreuse-tribunal-namur-2021-12-08-0e27) 1 dispositions communes

[Prescription](https://juriel.be/fr/jurisprudence/prescription-tribunal-bruxelles-2026-03-04-10c6) 1 dispositions communes

[Registre de perception et recouvrement, Titre exécutoire](https://juriel.be/fr/jurisprudence/registre-perception-recouvrement-titre-executoire-cour-appel-gand-2024-03-12-1183) 1 dispositions communes

[Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-lien-direct-immediat-tribunal-luxembourg-2022-10-12-162a) 1 dispositions communes

[Compte spécial, Conformité au Droit communautaire](https://juriel.be/fr/jurisprudence/compte-special-conformite-droit-communautaire-tribunal-bruxelles-2022-12-21-17dd) 1 dispositions communes

[Droit de déduction, Charge de la preuve](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-charge-preuve-developpement-cour-appel-anvers-2026-01-06-1ac3) 1 dispositions communes

[Droit à déduction, Motivation](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-motivation-tva-amont-cassation-bruxelles-2025-10-23-1e16) 1 dispositions communes
