---
title: "Tribunal de première instance d&#x27;Anvers, 31 juillet 2001"
description: "Tribunal de première instance d'Anvers (Belgique), 31 juillet 2001."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-anvers-2001-07-31-786b"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Tribunal de première instance d'Anvers, 31 juillet 2001 · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Anvers

**Date**

31 juillet 2001

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

68 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Malines du 31.07.2001

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

## POLITIERECHTBANK TE MECHELEN

Openbare zitting van 11 juni 2001

Betichtenummer : 2001/3510 – **V. L. H.**

*In zake het Openbaar Ministerie tegen :*

**V. L. H., E., R.**

geboren te … op 4 februari 1912 van Belgische nationaliteit wonende te …, …

gedaagde, vertegenwoordigd door Meester **V. D. S. K.**, advocaat te ….

BEKLAAGD als hebbende te … en te … op 22 augustus 1999

Een motorvoertuig en/of aanhangwagen op de openbare weg te hebben gebracht zonder dat dit voertuig op aanvraag en op naam van de eigenaar vooraf was ingeschreven in het in art 2 bedoelde repertorium van de motorvoertuigen en de aanhangwagens (art. 3.1 van het K.B. van 31 december 1953, art. 29 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, KB tot coördinatie van 16 maart 1968).

Gezien de stukken van het dossier en het terzake opgesteld proces-verbaal.

Gelet op de regelmatige stuiting van de verjaring van het feit ingevolge art. 21, 22, 23 en 25 van de Wet van 17.4.1878.

Gehoord het Openbaar Ministerie in zijn samenvatting en zijn vordering.

Gehoord de raadsman van de gedaagde van **L. H.** in zijn beweringen en verweermiddelen.

## 1. De feiten

Op zondag 22.8.1999 te 3.15u werd beklaagde, van Belgische nationaliteit en officieel ingeschreven in de gemeente Putte, naar aanleiding van een verkeerscontrole te … gecontroleerd. De verbalisanten stelden vast dat beklaagde met een personenwagen Opel Astra reed, voorzien van een Luxemburgse nummerplaat …. Hij kon geen Belgisch inschrijvingsbewijs voorleggen en werd daarom geverbaliseerd.

Het voertuig bleek ingeschreven op naam van **A. L. SA**, … (…), …, namelijk een leasingfirma, blijkbaar zonder zetel in België..

Beklaagde stelde ter plaatse dat hij niet in het … verblijft en als burgerlijk ingenieur werkzaam is bij de **SA E. L.** gevestigd te …, …. Hij verklaarde tevens dat het om een leasing-voertuig gaat, hem als werknemer aangeboden door voormelde werkgever, en waarvoor hij geen vergoeding of huurgeld dient te betalen aan de werkgever. Deze firma zou ook een zetel hebben te Antwerpen. Hij stelde tot slot dat hij op dat ogenblik van zijn vriendin, woonachtig te Bornem, kwam en dat hij naar zijn woonplaats te … reed.

Beide gemeenten liggen in het- arrondissement Mechelen (provincie Antwerpen), met name op ongeveer 30 km van elkaar. Putte ligt op ongeveer 184 km van …. Deze laatste gemeente blijkt aan de Belgisch-Luxemburgse-Franse grens te liggen.

Ter zitting van 18.09.2000 van deze Rechtbank stelde hij dat hij uitsluitend voor **E. L.** werkt en tijdens de week in Luxemburg verblijft, doch bepaalde vergaderingen in Antwerpen bijwoont. Hij stelde dat het gaat om een Amerikaans bedrijf met verschillende vestigingen in Europa. Hij verklaarde tevens dat hij het voertuig ook voor privé doeleinden bij het naar huis rijden en tijdens het weekend gebruikt.

## 2. Standpunten in rechte van partijen

a.Het Openbaar Ministerie stelt dat het duidelijk is dat (buitenlandse) firma’s en privé-personen om financiële redenen weigeren hun voertuig(en) die op Belgisch grondgebied gebruikt worden in te schrijven en alzo onder meer de verkeersbelasting, de douanerechten en de BTW ontduiken.

De Procureur des Konings dagvaardde op grond van artikel 3 van het Koninklijk Besluit van 31.12.1953 houdende regeling nopens de inschrijving van motorvoertuigen en aanhangwagens en stelt dat beklaagde een voertuig op de openbare weg bracht zonder dat dit voertuig op aanvraag en op naam van de eigenaar in België vooraf was ingeschreven.

Het artikel 3 § 1 van dit Besluit, o.m. gewijzigd bij K.B. van 27.12.1993, stelt thans letterlijk het volgende :

> “De motorvoertuigen en de aanhangwagens worden eerst tot het verkeer op de openbare weg toegelaten als zij op aanvraag en op naam van hun eigenaar vooraf zijn ingeschreven in het artikel 2 bedoelde repertorium van de motorvoertuigen en de aanhangwagens.
>
> De motorvoertuigen en de aanhangwagens die kortstondig in België rijden zonder dat zij werden ingevoerd door in het land verblijvende personen, behoeven echter in België ,niet te worden ingeschreven op voorwaarde dat zij voorzien zijn van een inschrijvingsteken dat werd toegekend door de autoriteiten van een ander land dan België dat is toegetreden tot de internationale verdragen inzake het wegverkeer en hun bijlagen, respectievelijk ondertekend te Wenen op 8 november 1968 en te Genève op 19 september 1949 en respectievelijk goedgekeurd bij de wet van 30 september 1988 en de wet van 1 april 1954, of tot de Internationale overeenkomst betreffende het verkeer met motorvoertuigen, ondertekend te Parijs op 24 april 1923, alsmede van het bij deze overeenkomsten voorgeschreven kenteken.
>
> Geen enkele aanvraag om inschrijving mag op naam van meerdere personen of op naam van een feitelijke vereniging worden ingediend. Wanneer verschillende personen mede-eigenaar van het voertuig zijn, wordt de aanvraag om inschrijving ingediende op naam van de eigenaar die de voornaamste gebruiker van het voertuig is. (K.B. 1993-12-27/31, art. 2, 1°, 007; ED : 1994-01-01)”.

Bij arrest van 19.5.1999 stelde het Hof van Cassatie dat uit de bepaling in haar geheel genomen, en inzonderheid van het in het tweede lid bepaalde geval, geen enkel motorvoertuig in België mag rijden, als het niet vooraf in België is ingeschreven. (Arr. Cass. 1999, 688).

Het specifiek geval had betrekking op een binnenhuisarchitect uit Sankt-Vith. Voor het uitoefenen van zijn beroepsactiviteit maakte hij gebruik van een auto die hij huurde bij een Luxemburgse leasingmaatschappij en werd overeenkomstig de Luxemburgse wetgeving aldaar ingeschreven op naam van de Luxemburgse leasingmaatschappij, eigenaar van het voertuig.

De betrokkene betwistte de eventuele verplichting niet om het voertuig in België in te schrijven op naam van de eigenaar, doch zei eenvoudig dat, in het kader van de Belgische wetgeving, de verplichting tot inschrijving van een voertuig wordt opgelegd aan de eigenaar van het voertuig en niet aan de huurder/gebruiker. Deze laatste heeft immers ingevolge het Koninklijk Besluit van 27.12.1993 niet meer het recht om het door hem gebruikte voertuig op zijn naam in te schrijven. (zie Amand, C. en De Pelsmaeker W., Fiscale Actualiteit, 8.6.1999, 22/6, “Een Belgische inwoner mag in België enkel rondrijden in een in België ingeschreven voertuig”).

Dit hof herneemt bijna woordelijk de overweging geformuleerd bij arrest van 15.3.1989 (Arr. Cass. 1988-89, 816).

De Procureur stelt bij conclusie dat het duidelijk is dat aan de beide voorwaarden van artikel 3, § 1, 1 ste en 2 de lid, niet is voldaan, gezien beklaagde het voertuig niet tijdelijk (occasioneel) had ingevoerd en bovendien is ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente Putte.

b.Beklaagde werpt op dat voormeld artikel 3, § 1 indruist tegen het Europees recht en meer bepaald tegen het principe van vrij verkeer van werknemers zoals gewaarborgd door het Verdrag van Rome.

Hij verwijst hierbij naar het arrest van het Hof van Justitie van 6.7.1988, Openbaar Ministerie en Ministerie van Financiën van het Koninkrijk België tegen **Y. L.**, zaak 127/86 (Jur EG, 1988, 3741).

## 3. Standpunt van de Rechtbank

De Rechtbank stelt vast dat beklaagde aantoont dat hij effectief in Luxemburg werkt voor de door hem opgegeven werkgever.

Anderzijds toont hij aan dat hij te Athus een studio huurt, dewelke hij blijkbaar enkel tijdens de arbeidsdagen betrekt, gezien hijzelf verklaarde dat hij tijdens de weekend naar huis rijdt.

Athus ligt aan de Belgisch-Luxemburgse-Franse grens en blijkbaar niet ver van ….

Men kan zich alleszins de vraag stellen of de regel zoals hoger letterlijk aangehaald in strijd is met de artikels 39 (ex 48 : vrije verkeer van werknemers) en 10 (ex 5 : de verplichting van de Lid-Staten om enerzijds zich te schikken naar de gemeenschapsregels en anderzijds zich te onthouden van maatregelen welke de verwezenlijking van doelstellingen van het verdrag in gevaar brengen) van het E.G.-Verdrag.

De zaak **L.**, naar dewelke beklaagde verwijst, had evenwel betrekking op een grensarbeider. Het ging weliswaar over een werknemer die gebruik maakte van een voertuig hem ter beschikking gesteld door de Franse werkgever en waarbij hij gecontroleerd werd toen hij de grens overschreed terwijl hij niet op weg was naar zijn arbeid, doch het eigenlijke juridische vraagstuk had betrekking op de BTW-wetgeving en niet als dusdanig op de plicht tot inschrijving van het voertuig.

Men mag bovendien niet uit het oog verliezen dat deze Rechtbank (in casu de Politierechtbank) zich niet inlaat met zuiver fiscale aangelegenheden en dat de Belgische wetgeving m.b.t. de nummerplaten heel wat specifieke gevolgen kent, dewelke er in vele gevallen toe leiden dat bij verkeerscontroles de gebruikers van vreemde nummerplaten onbestraft blijven.

Hierbij dient gezegd te worden dat het Openbaar Ministerie stelt dat voortbouwend op het ontwerp tot wijziging van voormeld Koninklijk Besluit, opgemaakt ingevolge het Intergouvernementeel akkoord van 20.9.1999, afgesloten tussen de Belgische en Luxemburgse autoriteiten, privé-gebruik buiten de gewone diensturen uitgesloten is, behalve wanneer de werkgever dit expliciet vermeld heeft en op voorwaarde dat het privé-gebruik van occasionele en bijkomende aard is in vergelijking met het beroepsmatig gebruik. De Procureur komt ten deze tot het besluit dat er geen sprake is van occasioneel gebruik, gezien het voertuig minstens wekelijke privé gebruikt wordt in België, met name in de woonplaats van beklaagde.

Men zou tevens op eerste zicht kunnen stellen dat de zaak **L. P. L. SA** toepasselijk is (arrest van het Hof van Justitie van 7.5.1998, **L. P. L. SA** tegen Belgische Staat, [C-390/96](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-390-96-arret) (Jur EG 1998, I-2553). Hier ging het over de teruggave van BTW.

Alleszins deed deze kwestie in België reeds heel wat stof opwaaien (Debroe, L., “Cross-border leasing van auto’s in België : aspecten van BTW-vrij verkeer van diensten : analyse en commentaar op het ARO Lease-arrest van het Hof van Justitie”, AFT, 1997, 382-397, Joostens M., “Cross border Leasing anno 1998 : begraven of herrezen?”, Fiscale dossiers Vandewinckele Nr. 98.26, mei 1998, 17-19, Vanham, B. en Boumans, E., ‘Indirecte fiscaliteit op voertuigen”, Fiscale dossiers Vandewinckele, nr. 2000.02, januari 2000, 259-282, Parlementaire vraag nr. 926 van de heer Delcroix van 13.03.1998, Vr. en Antw., Senaat 1997-1998, nr. 1-77, blz. 4041-4043 (Cross border leasing) en Parlementaire [vraag nr. 1083 van de heer Hatry van 15.05.1998](https://juriel.be/fr/questions-parlementaires/1083-prestation-service-location-automobile-transfrontaliere-3a11), Vr. en Antw., Senaat 1998-1999, nr. 1-91, blz. 4817 (Voertuigen, inschrijving in Luxemburg).

In deze omstandigheden acht de Rechtbank het noodzakelijk dat zij ambtshalve de hiernavolgende prejudiciële vraag stelt aan het Hof van Justitie.

### En met toepassing van de hierna aangehaalde artikels :

WETBOEK VAN STRAFVORDERING : art. 138 139 140 145 152 153 163

Wet van 15/06/1935 : art. 1 11 12 14 31 32 34 35 36 37 41

Wet van 17/04/1878 : art. 3 4

### Dispositif

## OM DEZE REDENEN

**DE RECHTBANK**

RECHTDOENDE

Op strafgebied :

*Op tegenspraak :*

Schort de behandeling van het huidige geschil op totdat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, gevestigd te Luxemburg, zich op grond van artikel 150 (ex 177) van het EG-Verdrag zich over de volgende vraag uitgesproken zal hebben :

> *“Verzet de gemeenschapsregeling, meer in het bijzonder de artikelen 39 (ex 48) en 10 (ex 5) van het EG-Verdrag, zich ertegen dat een Lid-Staat eist dat een voertuig toebehorende aan een 1) in een aangrenzende Lidstaat gevestigde leasingmaatschappij en geleasd door de werkgever van de gebruiker (m.a.w. een werknemer), en 2) wonende in die eerstvermelde lidstaat, meer bepaald op ongeveer 200 km van de plaats van tewerkstelling, zou worden ingeschreven, indien deze werknemer tijdens de week verblijft in 3) in die Lidstaat en het voertuig gebruikt bij de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst, alsook tijdens zijn vrije tijd, de weekend en de vakantieperioden inbegrepen?”*

Maakt aan voormeld Hof een kopie over van het kwestieuze wetsartikel, alsook van de geciteerde rechtspraak en rechtsleer.

Stelt de zaak ten dien einde onbepaald uit en houdt de beslissing over de kosten aan.

Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Politierechtbank te Mechelen op bovengenoemde datum.

Waar zitting hadden :

**D. E.** Rechter

**V. d. P. H.** Openbaar Ministerie

**V. G. J.** E.A. Adjunct-Griffier

De E.A. Adjunct-Griffier De Rechter,

**V. G. J.** **D. E.**

## Textes cités

1

[C-390/96, arrêt du 7 mai 1998](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-390-96-arret) 1 occurrence
