---
title: "Taxe sur la valeur aoutée · Cour d&#x27;appel d&#x27;Anvers, 26 novembre 2002"
description: "Taxe sur la valeur aoutée. Cour d'appel d'Anvers (Belgique), 26 novembre 2002."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/taxe-valeur-aoutee-cour-appel-anvers-2002-11-26-5e5f"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Taxe sur la valeur aoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Anvers

**Date**

26 novembre 2002

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

80 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 26.11.2002

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Het Hof van Beroep zitting houdende te Antwerpen, Derde bis Kamer, recht doende in burgerlijke zaken, spreekt het volgende arrest uit :**

In zake : **2000/AR/1691**

**BVBA I.**, met maatschappelijke zetel te …, …, H. R. Mechelen …;

**appellante,** tegen het vonnis uitgesproken op 25 april 2000 door de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen;

vertegenwoordigd door mr. **C. P.** loco mr. **C. T.**, advocaat te …, …;

**tegen :**

**BELGISCHE STAAT**, in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoren te Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de rekenplichtige van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomstenfiscaliteit, met kantoren te 2800 Mechelen, Nekkerspoelstraat 21-23;

**geïntimeerde,**

vertegenwoordigd door mr. **P. S.** loco mr. **L. C.**, advocaat te …, …;

---

Gelet op de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis, betekend op 24/5/2000 en het verzoekschrift, neergelegd op 26 juni 2000, waarmee een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld;

Overwegende dat appellante vordert bij beperkte hervorming van het bestreden vonnis, het oorspronkelijk verzet tegen het dwangbevel uitgevaardigd op 1 juli 1998, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 3 juli 1998, gegrond te horen verklaren en het dwangbevel nietig te horen verklaren, minstens onontvankelijk; rechtens te horen zeggen dat zij niets meer verschuldigd is uit hoofde van dit dwangbevel; en de oorspronkelijk gevorderde schadevergoeding te horen toekennen en geïntimeerde te horen veroordelen tot betaling aan appellante van de som van … EUR (… BEF), te vermeerderen met gerechtelijke intresten en geïntimeerde te horen veroordelen tot alle gerechtskosten;

Overwegende dat geïntimeerde concludeert tot het ongegrond horen verklaren van het hoger beroep en tot de bevestiging van het bestreden vonnis en de vordering ingesteld bij dwangbevel van 1 juli 1998 geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 3 juli 1998 gegrond te horen verklaren; en appellante te horen veroordelen tot alle gerechtskosten;

Overwegende dat appellante stelt dat het dwangbevel van 3 juli 1998 nietig is en volgende middelen aanhoudt :

## 1. Nietig wegens

### A. Niet-regelmatige handtekening

Overwegende dat appellante stelt dat de handtekening onderaan het PV van 24 juni 1998 onleesbaar is en niet vergezeld is van de vermelding van de identiteit van de ondertekenaar en diens hoedanigheid;

Dat de naam van de verbalisant in het proces-verbaal bovenaan werd opgenomen en het proces-verbaal hiermee begint en stelt "ik ondergetekende"; dat de hoedanigheid der opsteller en zijn administratieve standplaats eveneens vermeld worden;

Dat er dan ook geenszins kan aan getwijfeld worden dat de opsteller ook degene is die onderaan het PV tekent;

Dat het middel dan ook geenszins opgaat;

**B.** **Het PV is gebaseerd op een eerste nietig PV van 31/10/1997 zodat de in het laatste PV vermelde vaststellingen geen enkel gevolg meer kunnen sorteren**

Dat appellante stelt dat de materiële vaststellingen gedaan in het eerste PV eveneens als onbestaande dienen aangezien te worden en niet als bewijsmiddel kunnen gelden zodat nieuwe vaststellingen dienden gedaan te worden door de Administratie;

Overwegende dat de door de verbalisant gedane materiële zintuiglijke vaststellingen gelden tot bewijs van het tegendeel en opnieuw kunnen gebruikt worden voor het opstellen van een proces-verbaal zonder vormgebreken;

Dat de vaststellingen op grond van de overgelegde boekhoudkundige stukken met grote preciesheid werden neergeschreven en de inbreuken op de BTW-wetgeving werden opgesomd; dat appellante nooit of te nimmer de onjuistheid van de vaststellingen heeft aangetoond en zelfs niet van plan is om dit te doen doch louter discussie blijft voeren op grond van vormgebreken en procedurele tekortkomingen;

Dat in het PV van 24 juni 1998 uitdrukkelijk in het feitenrelaas is opgenomen dat op 16/4/1997 de belastingplichtige bij gewoon en aangetekend schrijven werd verwittigd dat een nieuwe controle zou plaatsgrijpen op de maatschappelijke zetel van appellante op 28/4/1997;

Dat deze controle verijdeld werd door appellante gezien de controleagenten op voornoemde datum voor een gesloten deur stonden;

Dat blijkbaar het niet-reageren van appellante als moedwillig dient bestempeld om terzake discussie op onzinnige argumenten te kunnen blijven voeren;

Dat het middel niet opgaat;

### C. Afwezigheid van volmacht in hoofde van de boekhouder van appellante

Overwegende dat appellante stelt dat het boekhoudkantoor BVBA **R.** niet over een volmacht beschikte om bij de gedane controle haar officieel te vertegenwoordigen ten overstaan van de Administratie;

Dat volgt op grond van overgelegde stukken dat de controle aangekondigd werd op de zetel van de onderneming van appellante;

Dat de echtgenote van boekhouder **R.** de controleagent verzocht om de controle te laten verschuiven en te laten plaatsvinden op 30/1/1997 en op het boekhoudkantoor; dat hieruit duidelijk blijkt dat appellante de aankondigingsbrief van de controle heeft overgemaakt aan haar boekhouder en dus duidelijk te kennen gaf dat de Administratie naar het boekhoudkantoor diende te gaan, waar alle boeken en stukken zich bevonden;

Dat zelfs een nieuwe controle werd aangekondigd op de zetel van appellante doch zoals reeds gesteld appellante deze controle heeft verijdeld door de deuren gesloten te houden;

Dat de discussie omtrent "de bijzondere volmacht" zelfs niet aan de orde is, gezien de vordering werd gesteld op grond van getoonde boeken en stukken door de boekhouder aan wie de brief - verzonden aan appellante ter aankondiging van de controle - door de vertegenwoordiger van appellante was overhandigd;

Dat appellante dan ook duidelijk instemde met het feit dat de Administratie bij de boekhouder de boekhoudkundige stukken kon inkijken;

Dat het middel geenszins opgaat;

### D. De controle geschiedde buiten de zetel van de vennootschap

Dat verwezen wordt naar de redengeving vervat In het vorige argument;

Dat appellante de brief voor de controle zelf overhandigde aan de boekhouder en achteraf controle op haar zetel verhinderde door de deuren gesloten te houden;

Dat het middel niet opgaat;

Dat appellante steeds blijft verwijzen naar de echtgenote van de boekhouder; dat zij zelf echter de brief aan de boekhouder bezorgd heeft en dat het irrelevant is of de boekhouder dan wel zijn echtgenote de Administratie uitnodigde op het boekhoudkantoor;

**E. Laattijdigheid van het PV van 24/6/1998**

Overwegende dat appellante stelt dat de vaststellingen van de BTW-ambtenaar dateren van 30/1/1997 en van de initiële vaststellingen slechts PV werd opgesteld op 24/6/1998, zijnde 18 maanden na de vaststellingen zodat de rechten van verdediging geschonden werden;

Dat uit de chronologie der feiten zoals weergegeven in het proces-verbaal van 24/6/1998 duidelijk wordt aangetoond dat de controle-agent zich geenszins beperkt heeft tot enerzijds de verificatie der stukken en boeken op 30/1/1997 en anderzijds het opstellen van het proces-verbaal op 24/6/1998;

Dat de rechten van verdediging op geen enkele manier zijn geschonden; dat appellante ten gronde geen enkel argument heeft aangehaald en de materiële vaststellingen nimmer of nooit betwist heeft; dat zij het ganse onderzoek verder getorpedeerd heeft; dat zij van in den beginne duidelijk op de hoogte was van de gedane vaststellingen en deze kon betwisten;

Dat zij in het licht van hogere gegevens thans dan nog onmogelijk kan voorhouden dat zij 1,5 jaar na de controle de juistheid van de materiële vaststellingen niet maar kon nagaan;

Dat trouwens geen enkele BTW-wetsbepaling bepaalt binnen welke termijn een proces-verbaal dient te worden opgesteld of betekend;

Dat het middel evenmin opgaat;

## 2. Overige nietigheden

**A.** Dat appellante verder stelt dat de betekening van het dwangbevel nergens vermeldt welke de rechtsmiddelen zijn die de belastingplichtige kan aanwenden;

Dat het dwangbevel rechtmatig is wanneer het door zijn inhoud of door het proces-verbaal waarnaar het verwijst het voorwerp van de eis doet kennen en het de belastingschuldige mogelijk maakt de gegrondheid ervan te beoordelen;

Dat de wet geen specifieke verplichtingen oplegt met betrekking tot de inhoud van het dwangbevel;

Dat het middel niet opgaat;

**B.** Dat appellante verder stelt dat niet blijkt uit het afschrift van het dwangbevel dat het door een wettelijk bevoegd ambtenaar werd ondertekend, noch dat het afschrift gelijkluidend verklaard werd met het origineel;

Dat wel degelijk blijkt uit het afschrift van het dwangbevel dat het dwangbevel door een wettelijk bevoegd ambtenaar werd ondertekend, alsmede dat het afschrift gelijkluidend verklaard werd met het origineel;

### C. Non bis in idem

Overwegende dat appellante stelt dat het prijsgeven van het eerste dwangbevel slechts gebeurde in de akte van betekening van het tweede dwangbevel aan haar op 16/7/1998; dat dit tweede dwangbevel door de Administratie werd uitgevaardigd op 1 juli 1998 en op 3 juli 1998 geviseerd en uitvoerbaar verklaard, zijnde volgens appellante op een ogenblik dat het eerste dwangbevel nog niet was prijsgegeven, noch nietig verklaard;

Dat de betekening van de intrekking van het eerste dwangbevel met overdracht van de kosten waartoe dit dwangbevel aanleiding heeft gegeven, op een geldige wijze werd verricht in het exploot van betekening van het tweede dwangbevel met in bijlage het regelmatige afschrift van het proces-verbaal van 24/6/1998;

Dat geen afstand van het recht zelf werd genomen en het eerste proces-verbaal geen onregelmatige vaststellingen vormde;

Dat er geen sprake is van een non bis in idem;

Dat appellante tenslotte nog stelt dat in het dwangbevel van de Administratie van 3/7/1998 nergens melding wordt gemaakt van de beslissing van de Administratie om het eerste dwangbevel prijs te geven;

Dat dit irrelevant is en de intrekking zoals hoger gesteld op een rechtsgeldige wijze werd gedaan;

## 3. Schadevergoeding

Overwegende dat gelet op het voorgaande waarbij de stelling van appellante volledig werd verworpen, de vordering tot schadevergoeding uiteraard ongegrond dient verklaard;

Overwegende dat het hoger beroep dan ook ongegrond is en het bestreden vonnis dient bevestigd;

### Dispositif

## OM DIE REDENEN

**HET HOF,**

Recht doende op **tegenspraak**;

Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935;

Ontvangt het beperkt hoger beroep doch verklaart het volledig ongegrond;

Bevestigt dienvolgens het bestreden vonnis binnen de perken van het hoger beroep - met dien verstande dat de bedragen in het beschikkend gedeelte ervan dienen te worden omgezet van Belgische frank naar euro (1 EUR = 40,3399 BEF) - en stelt vast dat de tenuitvoerlegging op grond van het dwangbevel rechtmatig is;

Verwijst appellante in de gerechtskosten van hoger beroep, begroot door geïntimeerde op … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van de **derde bis kamer** van het Hof van beroep te Antwerpen op **ZESENTWINTIG NOVEMBER TWEEDUIZEND EN TWEE**.

Aanwezig :

**I. V.**, Raadsheer,

**L. P.**, Griffier.

**L. P.** **I. V.**
