---
title: "Taxation indiciaire à l&#x27;impôt des personnes physiques · Cour de cassation de Belgique, 25 janvier 2024, F.22.0027.N"
description: "Taxation indiciaire à l'impôt des personnes physiques. Cour de cassation de Belgique, 25 janvier 2024, F.22.0027.N."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/taxation-indiciaire-impot-personnes-physiques-cassation-bruxelles-2024-01-25-955e"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Taxation indiciaire à l'impôt des personnes physiques

**Juridiction**

Cour de cassation

**Siège**

Bruxelles

**Numéro de rôle**

F.22.0027.N

**Date**

25 janvier 2024

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

**Sens lu par le SPF**

défavorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

270 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour de cassation du 25.01.2024 (F.22.0027.N)

WF 708-15-19/001892

\[Défavorable à l'État belge\]

*Taxe sur la valeur ajoutée – Taxation indiciaire à l'impôt des personnes physiques - Accord en matière d'impôt des personnes physiques - Présomption légale*

## Dispositions légales

[Article 64, § 1er et § 2, du code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-64)

## Résumé

## 1. Les faits et les antécédents de procédure

L’assujetti exploite un garage automobile spécialisé dans la réparation et les travaux de carrosserie, dans l'achat et la vente de voitures soumis au régime spécial de la marge bénéficiaire.

Vu que de sérieuses erreurs avaient été constatées dans la déclaration à l'impôt des personnes physiques et dans la comptabilité, l'administration des contributions directes a procédé à un recalcul indiciaire des revenus. Le service de taxation a envoyé un avis de modification de la déclaration indiquant qu'un calcul indiciaire avait été établi pour les exercices d’imposition 2011 et 2012. Les déclarations d'accord ont été signées en 2014. En conséquence, un contrôle a également été effectué par l’administration de la TVA pour les années 2011 et 2012. Toutefois, aucun accord n'a été conclu sur le chiffre d'affaires et l’amende infligée en matière de TVA. Le tribunal de première instance a déclaré la demande de l’assujetti non fondée. L’assujetti a fait appel de ce jugement.

## 2. Arrêt de la cour d'appel

La Cour a jugé que étant donné que l'administration a considéré que l'insuffisance du chiffre d'affaires déclaré, établie pour l'impôt des personnes physiques, devait également être considérée comme une insuffisance du chiffre d'affaires déclaré en matière de TVA sans qu’il ressort que cela puisse être déduit de l’accord, la régularisation, pour laquelle l'administration de la TVA a délivré la contrainte contestée, a été établie de manière arbitraire et, par conséquent, n'a pas été motivée de manière adéquate. Il ressort de ces circonstances que la contrainte est nulle et non avenue. L'État belge a introduit un pourvoi en cassation contre cet arrêt.

## 3. Arrêt de la Cour de cassation

La cour d'appel a jugé que l’assujetti affirmait à raison qu'il ne ressortait d’aucun élément que l'agent contrôleur avait vérifié si les chiffres qui ont été considérés comme un chiffre d'affaires supplémentaire en matière d'impôt sur le revenu des personnes physiques avaient déjà été ou non inclus en tout ou en partie dans le chiffre d'affaires déclaré par l’assujetti en matière de TVA.

Sur la base des chiffres déclarés par l’assujetti pour les deux années, il ne pouvait pas être exclu en tout état de cause que le chiffre d'affaires déclaré dans les déclarations de TVA était supérieur à celui déclaré en matière d'impôt sur le revenu des personnes physiques.

La cour d'appel, qui par ces motifs juge que, étant donné que la demanderesse a également considéré l'insuffisance du chiffre d'affaires déclaré établie en matière d'impôt des personnes physiques comme une insuffisance du chiffre d'affaires déclaré en matière de TVA sans démontrer que cela puisse être déduit de l’accord, la régularisation, pour laquelle l'administration de la TVA a délivré la contrainte contestée, a été établie de manière arbitraire et, par conséquent, n'a pas été motivée de manière adéquate, justifie sa décision en droit.

Dans la mesure où le moyen allègue une violation de l'[article 64, § 1er et § 2, du code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-64), il ne peut être accueilli.,

La Cour de cassation rejette le pourvoi en cassation de l'État belge.

**Texte de l’arrêt**

***L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale***

### Corps de la décision

**Hof van Cassatie van België**

Arrest van 25/01/2024

Nr.: F.22.0027.N

**BELGISCHE STAAT,** vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal KMO Centrum Brugge, met kantoor te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardingstraat 4,

**eiser**,

vertegenwoordigd door mr. G. d. F. en mr. S. D. V., advocaten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te ..., waar de eiser woonplaats kiest.

**tegen**

**P. V.,** wonende te ..., ingeschreven in het rijksregister onder het nummer 72...42,

**verweerder**.

## I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het hof van beroep te Gent van 14 september 2021

Advocaat-generaal J. V. D. F. heeft op 14 december 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer M. G. heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal J. V. d. F. heeft geconcludeerd.

## II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

## III. BESLISSING VAN HET HOF

### *Beoordeling*

1.Krachtens [artikel 64, § 1, Btw-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-64) wordt hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen, behoudens tegenbewijs, geacht de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt.

Krachtens [artikel 64, § 2, Btw-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-64) wordt hij die diensten verricht, behoudens tegenbewijs, geacht dat te hebben gedaan onder voorwaarden waaronder die belasting opeisbaar wordt.

2.Deze bepalingen houden een weerlegbaar wettelijk vermoeden in dat de bewijslast omkeert in het voordeel van de belastingadministratie. Indien de belastingadministratie bewijst dat de belastingplichtige goederen, verkregen of geproduceerd om ze te verkopen, heeft geleverd of diensten heeft verricht, moet deze laatste om de heffing van btw over de omzet te vermijden, aantonen dat de goederen niet werden verkocht of dat de levering of de dienstverstrekking geheel of ten dele vrijgesteld is van btw.

De toepassing van dit wettelijk vermoeden vereist dat de belastingadministratie voorafgaandelijk bewijst dat de belastingplichtige goederen, verkregen of geproduceerd om ze te verkopen, heeft geleverd of diensten heeft verricht. Uit het loutere feit dat de belastingplichtige in de personenbelasting een tekort aan omzet heeft aangegeven, volgt niet dat de belastingplichtige ook voor btw doeleinden eenzelfde tekort aan omzet heeft aangegeven en dus voor eenzelfde bedrag aan goederen, verkregen of geproduceerd om ze te verkopen, heeft geleverd of diensten heeft verricht, die niet in zijn btw-aangifte werden opgenomen.

3\. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat:

\- uit het dossier op geen enkele manier blijkt dat de eiser heeft vastgesteld dat de verweerder in zijn btw-aangiften voor de betreffende jaren en bovendien voor dezelfde bedragen ook, zoals dat voor de personenbelasting het geval was, te weinig omzet heeft aangegeven;

\- in alles wat de eiser in dat verband als argumenten aanvoert, hij eraan voorbij gaat dat aangiften in de personenbelasting en aangiften in de btw in wezen los van elkaar gebeuren;

\- uit het enkele feit dat is vastgesteld dat de verweerder voor de personenbelasting onjuiste aangiften indiende, in het bijzonder door voor het gedeelte ervan dat overeenstemt met zijn omzet een lager cijfer aan te geven, nog niet kan worden afgeleid dat de verweerder met betrekking tot dezelfde periodes ook voor de btw te weinig omzet heeft aangegeven, en al zeker niet voor precies dezelfde bedragen;

\- de meeromzet voor de personenbelasting werd afgeleid op indiciaire wijze, wat nu eenmaal een werkwijze is die bestaat uit het vergelijken met wat in de aangifte voor de inkomstenbelasting werd aangegeven;

concreet ook blijkt dat in de indiciaire afrekeningen niets anders dan de netto winst of het netto verlies zoals vermeld in de aangifte personenbelasting was opgenomen, in rekening werd gebracht;

de achtergrond is dat de eiser de verweerder de praktijk verweet om voor de personenbelasting het aangeven van een lager omzetcijfer te combineren met het aangeven van minder kosten dan werkelijk gemaakt en in de boekhouding

opgenomen en dat niet zomaar vermoed kan worden dat een dergelijke aanpak ook zou hebben bestaan bij het indienen van de btw-aangiften;

\- de verweerder terecht laat gelden dat uit niets blijkt dat de controleagent gecontroleerd heeft of de cijfers die als meeromzet werden aangenomen voor de personenbelasting, al dan niet geheel of gedeeltelijk begrepen waren in de omzet die door de verweerder voor de btw was aangeven;

op basis van de cijfers die de verweerder voor de beide jaren had aangegeven, het alvast niet uitgesloten is dat de omzet aangegeven in de btw-aangiften hoger was dan het geval was voor de personenbelasting.

4.De appelrechter die op deze gronden oordeelt dat de eiser het tekort aan aangegeven omzet dat is vastgesteld voor de personenbelasting, ook als tekort aan aangegeven omzet voor de btw heeft beschouwd zonder dat blijkt dat en waaruit die overeenstemming kan worden afgeleid, de naheffing waarvoor de eiser het bestreden dwangbevel heeft uitgevaardigd, willekeurig is vastgesteld en bijgevolg niet afdoende bewezen is, verantwoordt zijn beslissing naar recht.

In zoverre het onderdeel schending aanvoert van [artikel 64, § 1 en § 2, Btw-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-64), kan het niet worden aangenomen.

5.In zoverre het onderdeel schending aanvoert van de artikelen [2](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-2), en [59, § 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-59), Btw-wetboek, artikel 870 Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 8.4, eerste lid, en 8.7 Burgerlijk Wetboek, is het geheel afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van [artikel 64, § 1 en § 2, Btw-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-64) en bijgevolg niet ontvankelijk.

### Dispositif

## *Dictum*

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 636,27 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter G. J., als voorzitter, en de raadsheren B. W., I. C., S. M. en M. G., en in openbare rechtszitting van **25 januari 2024** uitgesproken door sectievoorzitter G. J., in aanwezigheid van advocaat-generaal J. V. d. F., met bijstand van griffier E. V. I.

### Décision jointe par le SPF

## Texte de l’arrêt de la Cour d'appel

***L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale***

**Hof van beroep Gent,** **vijfde kamer**

Arrest van 14/09/2021

Rol: 2020/AR/1009

In de zaak van:

**V. P.,** RRN 72....42 ON 067...65,

wonende te ...,

*appellant,*

*hebbende als raadsman mr. D. M., advocaat te ...*

tegen

**BELGISCHE STAAT / FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN,** ON 0308.357.159,

Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal KMO Centrum Brugge, met burelen te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,

*geïntimeerde,*

*hebbende als raadsman mr. X, advocaat te ...*

wijst het hof het volgend arrest:

## 1. De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift van 19 juni 2020 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, tiende kamer, op 9 maart 2020 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 19/96/A, waarvan niet blijkt dat het zou zijn betekend.

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 15 juni 2021, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

## 2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

De appellant is de uitbater van een autogarage, volgens zijn eigen verklaring, toegelegd op herstellingen en carrosserie, aan- en verkoop van wagens volgens de 'margeregeling' (tweedehands).

Op 25 november 2013 verstuurde de taxatiedienst van de personenbelasting een bericht van wijziging van de aangifte waarin het volgende stond:

*Volgens de ingediende aangifte in de personenbelasting werd er voor inkomstenjaar 2011/aanslagjaar 2012 een nettowinst gerealiseerd van 3.341,18 € (Volgens de resultatenrekening als bijlage bij de aangifte werd een nettowinst van 3.241,18 € behaald). Bij nazicht van deze aangifte blijkt dat er, naast de materiële misslag, bij de 'aankopen goederen' een verschil bestaat tussen de 'aankopen handelsgoederen ' volgens de boekhouding en de 'aankopen handelsgoederen' volgens de bijlage van de aangifte van de personenbelasting van 20.000,00 €. Volgens de boekhouding werden er voor 70.116,44 € handelsgoederen aangekocht en volgens de bijlage" van de aangifte 50.116,44 €.*

*Tijdens het nazicht van de boekhouding is gebleken dat er, naast de materiële misslag, 38.312,47 € werkelijk betaalde (beroeps)kosten niet in mindering werden gebracht van de aangegeven brutowinst, die op zijn beurt ook al niet correct was gelet op bovenvermeld verschil van 20.000,00 € bij de 'aankopen handelsgoederen '*

*De niet ingebrachte (beroeps)kosten die bleken uit de boekhouding zijn:*

*Intresten van leningen (16.726,71 €), bijdragen (2.616,47 €), beroepsdeel OV (2.938,96 €), privédeel OV (979,65 €), onderaannemingen (1.247,00 €), sociale bijdragen (1.412,01 €), publiciteit (5.953,13* €), *keuringskosten (4.945,51 €), water (1.193,06 €) en Paypal (299,97 €). Dit geeft een totaal van 38.312,47 € aan niet geboekte kosten waarvan 979,65 € privékosten (OV), dus 37.332,82 € te verrekenen.*

*In navolging van deze vaststellingen werd een indiciaire afrekening gemaakt. Dit is het vergelijken van de ontvangsten en de uitgaven van een bepaald jaar. Zoals U merkt op bijlage 1 is er een totaal bedrag van 145.170,55 € aan inkomsten (rechtvaardigingen) en een bedrag van 230.784,57 € aan uitgaven (te rechtvaardigen). Dit heeft een verschil van 85.614,02 € aan te rechtvaardigen uitgaven. Van dit verschil moeten de eerder genoemde, niet geboekte aankopen en beroepskosten worden afgetrokken. Aldus is er een te belasten meerwinst van 28.281,20 €.*

Ook voor het inkomstenjaar 2012, aanslagjaar 2013, verstuurde de taxatiedienst inzake de personenbelasting een vergelijkbaar bericht van wijziging van de aangifte.

Op 8 mei 2014 volgde een controle voor de personenbelasting waarbij de appellant zich liet vertegenwoordigen door een gevolmachtigd boekhouder.

De taxatiedienst maakte voor elk van de genoemde jaren een 'akkoordverklaring minnelijke schikking' op. Voor het aanslagjaar 2012 werd uit de indiciaire afrekening een meeromzet afgeleid van 75.719,94 euro afgeleid; voor het aanslagjaar 2013 bedroeg de meeromzet 63.383,71 euro (telkens inclusief btw).

Respectievelijk op 19 september 2014 en 13 november 2014 heeft die boekhouder de akkoordverklaringen voor inkomstenjaar 2011 en 2012 namens de appellant ondertekend. De appellant stelt zelf dat de aanslagen in de personenbelasting die uitvoering gaven aan die akkoorden door hem volledig betaald werden.

Op 22 oktober 2014 heeft de controleagent van de btw namens de geïntimeerde een controle uitgevoerd voor de jaren 2011 en 2012.

Op 2 december 2014 heeft de controleagent, een correctieopgave verstuurd waarin vier posten van inbreuken werden opgenomen. In post 4 van die correctieopgave werd de verhoging van het omzetcijfer uit de akkoordverklaringen/minnelijke schikkingen met betrekking tot de personenbelasting overgenomen. Concreet werd voor het jaar 2011 de meeromzet van 75.719,94 euro opgesplitst in een maatstaf van heffing van 62.578,46 euro en een bedrag aan btw van 13.141,48 euro. Voor het jaar 2012 werd de meeromzet van 63.383,71 euro opgesplitst in een maatstaf van heffing van 52.383,23 euro en een bedrag aan btw van 11.000,48 euro.

De bedragen aan btw werden verschuldigd verklaard. Post 4 omvatte dus een totaal aan btw van 24.141,96 euro.

Wat de boeten betreft werd melding gemaakt van de wettelijke boete van 200%, maar ook van de verminderde proportionele boete in het geval geen opzet om de belasting te ontduiken zou toegepast worden. Voor post 4 werd het tarief van 20% vermeld, zijnde 4.828,39 euro.

Na vermelding van de vaststellingen inzake de personenbelasting, vermeldde de controleagent voor de btw in die correctieopgave het volgende:

*Ter bepaling van de werkelijk gerealiseerde omzet van de inkomstenjaren 2011 en 2012, wordt dit vastgesteld indiciair tekort, ingevolge een vermoeden juris tantum', geacht betrekking te hebben op niet-aangegeven ontvangsten, inclusief BTW, van in het BTW-Wetboek bedoelde handelingen.*

*Het indiciair tekort voor de periode van 1 januari 2011 tot en 31 december 2011 bedraagt, overeenkomstig het akkoord op vlak van directe belastingen, 75.719,94 €. Het indiciair tekort voor de periode 1 januari 2012 tot en 31 december 2012 bedraagt, overeenkomstig het akkoord op vlak van directe belastingen, 63.383,71 €. '*

*Enige controle of vergelijking tussen de boekhouding en de ingediende BTW-aangiften door concluante is aldus niet gebeurd.*

De appellant stuurde de correctieopgave terug met akkoord voor de eerste drie punten, maar zonder akkoord met punt 4 'verhoging van het omzetcijfer', en de voorziene boete. Hij noteerde daarbij het volgende:

*ART. 59, §1 W.BTW bepaalt dat er — in navolging van een indiciair akkoord — enkel een feitelijk vermoeden van niet-aangegeven omzet bestaat, maar dus niet als een wettelijk vermoeden. De BTW dient aldus aan te tonen dat het tekort voortvloeit uit de inkomsten van de beroepsactiviteit.*

*De directe belastingen heeft mij naar aanleiding van de taxatie op basis van tekenen en indiciën niet gevraagd dit tekort of oorsprong van dit tekort aan te tonen.*

*De BTW was ook niet aanwezig bij de afhandeling van het akkoord met de directe belastingen, waardoor ik niet instaat was mij te verdedigen. Mijn recht op verdediging is hierdoor ernstig geschonden.*

De controleagent voor de btw maakte op 18 december 2014 een proces-verbaal en een beslissing tot regularisatie voor jaren 2011 en 2012 op.

Daarin bleef de controleagent op zijn standpunt uit de correctieopgave wat de verschuldigde btw betreft. Tevens stelde hij dat er in hoofde van de appellant opzet was om de belasting te ontduiken waardoor de wettelijke boete van 200%, zijnde voor 48.280,00 euro verschuldigd werd verklaard.

Op 19 december 2014 heeft de geïntimeerde ten aanzien van de appellant een dwangbevel

uitgevaardigd (en diezelfde dag nog geviseerd en uitvoerbaar verklaard) onder nummer

50...84, voor een totaal bedrag van 77.056,84 euro, als volgt samengesteld:

\- 24.141,96 euro btw;

\- 48.280,00 euro geldboete (200%);

\- 4.441,76 euro wettelijke interest berekend vanaf 21 januari 2013.

Het dwangbevel werd op 22 december 2014 aan de appellant betekend.

Op 26 november 2018 diende de appellant een verzoekschrift tot kwijtschelding van belastingverhoging en boeten op basis van het Regentbesluit van 18 maart 1831 in bij de Minister van Financiën. Kennelijk werd op dat verzoek niet ingegaan.

Met een verzoekschrift van 11 januari 2019 stelde de appellant zijn vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge.

In het vonnis van 9 maart 2020 heeft de tiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg

West-Vlaanderen, afdeling Brugge als volgt uitspraak gedaan:

*Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond.*

*Veroordeelt eiser tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste*

*blijven, en aan de zijde van verweerder begroot op 00,00 EUR.*

Het is tegen dat vonnis dat de appellant hoger beroep heeft ingesteld.

## 3. De vorderingen van de partijen

3.1. De vordering van de appellant

De appellant vraagt in hoger beroep aan het hof om:

*Het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren.*

*Dienvolgens het bestreden vonnis wat betreft de aangevochten onderdelen teniet te doen en*

*opnieuw recht doende:*

*-* *de fiscale voorziening ontvankelijk en gegrond te horen verklaren;*

*-* *Het dwangbevel gekend onder kohierartikel 50...84 uitgevaardigd op 19 december 2014 door X, Adviseur a.i. bij de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, Directie BTW Brugge, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door X, Adviseur-Gewestelijk Directeur van de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde te Brugge, en gesteund op een proces-verbaal van vaststellingen opgemaakt op 18 december 2014 door X, fiscaal deskundige bij de FOD Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit verbonden aan het controlecentrum te Brugge, nietig te verklaren en te zeggen voor recht dat de in het dwangbevel gevorderde sommen niet verschuldigd zijn.*

*Ondergeschikt: de opgelegde geldboeten kwijt te schelden of te matigen*

*- de terugbetaling te horen bevelen van alle sommen die op grond van de aldus ontheven of vernietigde aanslagen werden geïnd, vermeerderd met de wettelijke moratoriuminteresten zoals voorzien in* [*artikel 91 BTW-Wetboek*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91)*;*

*zich te horen veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding voor de beide aanleggen;*

### 3.2. De vordering van de geïntimeerde

De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:

*Het hoger beroep van appellant ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren*

*Het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge van 9 maart 2020 te bevestigen en de oorspronkelijke vordering af te wijzen als ongegrond; Appellant te veroordelen tot de kosten van het geding, in graad van hoger beroep aan de zijde van de Belgische Staat begroot op 3600,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.*

*Gezien geïntimeerde, de Belgische Staat in eerste aanleg zonder advocaat optrad, kan hij inzake de procedure in eerste aanleg geen recht laten gelden op een rechtsplegingsvergoeding.*

## 4. De betwistingen en hun beoordeling

### 4.1. Over het gebruik van de akkoordverklaringen inzake de personenbelasting voor de naheffing inzake de btw

Anders dan wat de appellant stelt, kon de controleagent voor de btw wel degelijk informatie halen uit het dossier van de personenbelasting. Overeenkomstig de artikelen [59, §1](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-59) en [93quaterdecies, §2](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-93quaterdecies) WBTW kunnen alle inlichtingen, stukken, processen-verbaal of akten ontdekt of bekomen in het uitoefenen van zijn functie door een ambtenaar van de FOD Financiën, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een overheidsdienst ingeroepen worden voor het opsporen van elke krachtens de belastingwetten verschuldigde som.

Dat de appellant akkoordverklaringen ondertekende waarin voor elk van de betrokken jaren een welbepaalde meeromzet door de appellant werd aanvaard, is een vaststaand feit waarop de geïntimeerde zich kan beroepen voor zijn bewijs.

Terecht laat de geïntimeerde gelden dat de appellant er ten aanzien van de administratie niet kan op beroepen dat die akkoordverklaringen zonder enige kennis van zaken ondertekend zouden zijn. De ondertekening gebeurde niet alleen op basis van de door de appellant verstrekte (en voorgelegde) volmacht, bovendien is het slechts een loutere bewering van de kant van de appellant dat zijn gevolmachtigde niet met kennis van zaken zou gehandeld hebben. Uit zijn eigen stuk 1 blijkt dat de betrokken boekhouder op 24 september 2014 zich tot de appellant heeft gericht om hem te wijzen op de gevolgen van het standpunt van de taxatiedienst inzake de personenbelasting en dat hij vroeg om hem de nodige gegevens te bezorgen omdat dit hem anders zou beletten nog verder te kunnen optreden. Dat de betrokken boekhouder nadien voor de btw-controle bleef optreden, wijst erop dat de appellant de gevraagde informatie moet hebben verstrekt.

De bewering van de appellant dat de akkoordverklaringen geenszins met de werkelijkheid zouden overeenstemmen is ook met niets bewezen en moeilijk te rijmen met het feit dat de appellant de navolgende aanslagen in de personenbelasting niet betwist heeft en integraal betaalde.

Ook tot op vandaag doet de appellant trouwens geen enkele poging om het indiciair tekort te weerleggen.

De achtergrond is trouwens dat de akkoordverklaringen niet afgeleid zijn uit het (loutere) feit dat er minder inkomsten waren aangegeven in de aangifte personenbelasting dan uit de boekhouding blijkt, maar wel uit het indiciair tekort dat door de taxatiedienst berekend werd wegens, de vaststelling dat de aangiften in de personenbelasting en de boekhouding niet met elkaar overeenstemden. De controle voor de personenbelasting is vertrokken van de vaststelling dat er minder was aangegeven voor de personenbelasting dan uit de boekhouding bleek. Dat gegeven was evenwel slechts de aanleiding tot het onderzoek. Bij dezelfde gelegenheid heeft de controleagent voor de personenbelasting meteen opgemerkt dat er ook te weinig kosten waren aangegeven. Dit alles duidde er op dat de aangifte in de personenbelasting onjuist was. In tegenstelling tot wat de appellant aanneemt, was de vermelding daarvan in de berichten van wijziging van de aangifte voor de aanslagjaren 2012 en 2013 niet meer dan een verantwoording (motivering) voor de keuze die de controleagent maakte, namelijk om een indiciaire afrekening te maken.

Dat de akkoordverklaringen ongeldig zouden zijn, wordt door de appellant niet bewezen. Deze middelen zijn ongegrond.

### 4.2. Verificatie van de omzet aangegeven in de btw-aangiften

De appellant roept nochtans met reden in dat de geïntimeerde nagelaten heeft om de cijfers afgeleid uit de akkoordverklaringen te verifiëren met de ingediende btw-aangiftes (omzetvergelijking) noch met de mogelijke aftrekposten.

Het hof heeft in dat verband voorafgaand aan de behandeling op de openbare terechtzitting van 15 juni 2021 aan de partijen de vraag gesteld of uit stuk 7 (zijn btw-aangiften) van de appellant niet kan afgeleid worden

\- dat de appellant in zijn btw-aangiften voor 2011 in het totaal een omzet aangaf van 127,151,79 euro;

\- dat de appellant in zijn btw-aangiften voor 2012 in het totaal een omzet aangaf van 150.688,33 euro;

en, zo ja, of de akkoordverklaringen inzake de personenbelasting niet erop neerkomen dat de administratie uitgaat van een totale omzet

\- voor het inkomstenjaar 2011 van (57.078,74 + 75.719,94 =) 132.798,68 euro en

\- voor het inkomstenjaar 2012 van (56.906,95,95 + 63.383,71 =) 120.290,66 euro, en wat dat betekent in het licht van het argument van de appellant dat een controle naar de door hem ingediende btw-aangiften had moeten gebeuren of minstens met die aangegeven omzet moet rekening worden gehouden?

De geïntimeerde heeft daarop geantwoord in een zittingsnota die op 11 juni 2021 ter griffie werd neergelegd. De geïntimeerde stelt in essentie dat ze de hoger genoemde bedragen van 75.719,94 euro en 63.383,71 euro, respectievelijk voor het jaar 2011 en het jaar 2012, in aanmerking genomen, door telkens de btw eruit weg te laten en dus 62.578,46 euro en 52.383,23 euro als bijkomende (dus niet aangegeven) maatstaf van heffing te belasten door hem telkens toe te voegen aan het bedrag dat in vak 03 van de btw-aangiften was aangegeven.

Met een bericht van 14 juni 2021 heeft het hof vervolgens laten weten dat het zich afvraagt of de Belgische Staat in die zittingsnota niet uitgaat van de aanname dat wat door de appellant (met betrekking tot zijn omzet) voor de inkomstenbelastingen was aangegeven (en onvoldoende is gebleken, gelet op het indiciair tekort), volledig overeenstemt met de omzet die door hem voor de btw was aangegeven, en, zo ja, waaruit die overeenstemming kan worden afgeleid.

De geïntimeerde heeft daarop geantwoord, ter aanvulling op wat in zijn conclusies al uiteengezet staat, dat uit de ondertekende akkoordverklaring bleek dat de appellant geen andere inkomsten had dan inkomsten voortvloeiend uit de exploitatie van de garage en handel in voertuigen en dat, bij gebrek aan tegenbewijs, door de geïntimeerde aangenomen werd dat de verdoken meeromzet voortspruit uit een hoger omzet aan belastbare handelingen die aan de btw onderworpen zijn, waardoor er ook tot een tekort aan aangegeven omzet voor de btw werd besloten.

Het hof kan nochtans slechts vaststellen dat uit het dossier op geen enkele manier blijkt dat de geïntimeerde heeft vastgesteld dat de appellant in zijn btw-aangiften voor de betreffende jaren (en bovendien voor dezelfde bedragen) ook, zoals dat voor de personenbelasting het geval was, te weinig omzet heeft aangegeven. In alles wat de geïntimeerde in dat verband als argumenten aanvoert, gaat hij er aan voorbij dat aangiften in de personenbelasting en aangiften in de btw in wezen los van elkaar gebeuren. Uit het enkele feit dat is vastgesteld (en is komen vast te staan — zie hoger) dat de appellant voor de personenbelasting onjuiste aangiften indiende, in het bijzonder door voor het gedeelte ervan dat overeenstemt met zijn omzet (brutowinst) een lager cijfer aan te geven, kan nog niet worden afgeleid dat de appellant met betrekking tot dezelfde periodes ook voor de btw te weinig omzet heeft aangegeven, en al zeker niet voor precies dezelfde bedragen. De meeromzet voor de personenbelasting werd afgeleid op indiciaire wijze, wat nu eenmaal een werkwijze is die bestaat uit het vergelijken met wat in de aangifte voor de inkomstenbelastingen werd aangegeven (art. 341 WIB92). Concreet blijkt ook dat in de indiciaire afrekeningen niets anders dan de 'netto winst' of 'netto verlies' zoals vermeld in de aangifte personenbelasting was opgenomen in rekening werd gebracht (stuk 1 app.). De achtergrond is dat de geïntimeerde de appellant de praktijk verweet om voor de personenbelasting het aangeven van een lager omzetcijfer te combineren met het aangeven van minder kosten dan werkelijk gemaakt en in de boekhouding opgenomen (met de (frauduleuze) bedoeling om 'onder de radar' te blijven). Er kan niet zo maar vermoed worden dat een dergelijke aanpak ook zou bestaan hebben bij het indienen van de btw-aangiften.

Terecht laat de appellant gelden dat uit niets blijkt dat de controleagent gecontroleerd heeft of de cijfers die als meeromzet werden aangenomen voor de personenbelasting, al dan niet, geheel of gedeeltelijk begrepen waren in de omzet die door de appellant voor de btw was aangegeven. Op basis van de (hoger vermelde, uit het stuk 7 van de appellant af te leiden) cijfers die de appellant voor de beide jaren had aangegeven, is het alvast niet uitgesloten dat de omzet aangegeven in de btw-aangiften hoger was dan wat het geval was voor de personenbelasting.

Waar de geïntimeerde het tekort aan aangegeven omzet dat is vastgesteld voor de personenbelasting, ook als tekort aan aangegeven omzet voor de btw heeft beschouwd zonder dat blijkt dat en/of waaruit die overeenstemming kan worden afgeleid, is de naheffing waarvoor de geïntimeerde het bestreden dwangbevel heeft uitgevaardigd, willekeurig vastgesteld en bijgevolg niet afdoende bewezen.

Het dwangbevel is in die omstandigheden nietig.

De vordering van de appellant is daarom gegrond; ook het hoger beroep is dus gegrond.

## 5. De gerechtskosten

### 1.Gerechtskosten voor de eerste aanleg

De geïntimeerde wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten in eerste aanleg dragen.

1.1. Wat het rolrecht betreft

Het rolrecht is vrijgesteld (belastingen (art. 162, 4° + 279/1 Wb.Reg.)).

### 1.2. Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft

De vordering in eerste aanleg is in geld waardeerbaar. De rechtsplegingsvergoeding wordt geïndexeerd op datum van de uitspraak (09/03/2020). De waarde van de vordering bevindt zich in de schijf van 60.000,01 tot 100.000,00 euro.

Na indexatie is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 3.600,00 euro. Er is geen reden om af te wijken van het basisbedrag.

De geïntimeerde is voor de procedure in eerste aanleg aan de appellant een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd van 3.600,00 euro.

2.Gerechtskosten voor het hoger beroep.

De geïntimeerde wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten in hoger beroep dragen.

2.1. Wat het rolrecht betreft

Het rolrecht is vrijgesteld (belastingen (art. 162, 4° + 279/1 Wb.Reg.)).

### 2.2. Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft

De vordering in hoger beroep is in geld waardeerbaar. De rechtsplegingsvergoeding wordt, zoals gevraagd door de partijen, geïndexeerd op datum van de uitspraak (vandaag). De waarde van de vordering bevindt zich in de schijf van 60.000,01 tot 100.000,00 euro.

Na indexatie is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 3.900,00 euro. Er is geen reden om af te wijken van het basisbedrag.

De geïntimeerde is voor de procedure in hoger beroep aan de appellant een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd van 3.900,00 euro.

## BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak;

Het hof beslist als volgt:

 het hoger beroep is ontvankelijk en gegrond;

 het bestreden vonnis wordt vernietigd behoudens waar het de vordering van de appellant ontvankelijk verklaart;

 het hof doet opnieuw recht voor het overige en verklaart de vordering van de appellant als volgt gegrond;

\- het dwangbevel met volgnummer 50...84 uitgevaardigd op 19

december 2014 ten nadele van de appellant is nietig; het hof zegt voor recht dat de in het dwangbevel gevorderde sommen niet verschuldigd zijn;

\- de geïntimeerde wordt bevolen om terugbetaling uit te voeren van het

eventueel reeds teveel betaalde, te vermeerderen met de wettelijke moratoriumintresten;

 het hof veroordeelt de geïntimeerde tot het betalen van de gerechtskosten van de

beide instanties, vastgesteld als volgt:

\- aan de kant van de appellant:

 bijdrage begrotingsfonds eerste aanleg: 20,00 EUR

 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 3.600,00 EUR

 bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 20,00 EUR

 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 3.600,00 EUR

aan de kant van de geïntimeerde: *nihil*

Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, **VIJFDE KAMER,** recht doende in fiscale zaken, op **14 september 2021.**

Aanwezig:

D. V., kamervoorzitter, alleen rechtsprekend J. D., griffier

## Jugement du tribunal de première instance

***Le jugement est publié uniquement dans la langue originale***

### De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Tiende Kamer

Vonnis van 09/03/2020

Rol: 19/96/A

**In de zaak :**

**V. P. (KBO 067...65),** eenmanszaak, wonende te ...,

**eisende partij,**

voor wie is opgetreden meester B. T. loco meester D. M. advocaat te ....

tegen :

**de BELGISCHE STAAT,** in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoren gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, in de persoon van de Adviseur-generaal van het KMO centrum Brugge, met kantoor te 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat 4,-A

**verwerende partij,**

voor wie is opgetreden mevrouw X, attaché, KMO Centrum Brugge.

## I. RECHTSPLEGING

Gelet op het fiscaal verzoekschrift d.d. 11 januari 2019.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde stukken.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 10 februari 2020.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

### II.BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

**1.** Eiser is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE067...65 voor de activiteit van uitbating van een garage en kleinhandel auto's. Hij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 22 oktober 2014 werd door X, fiscaal deskundige bij de algemene administratie v n de fiscaliteit, verbonden aan het centrum te Brugge, een controle uitgevoerd over de toepassing van e wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode var af 1 januari 2011 tot en met 31 december 2012.

Er werd een correctieopgave opgesteld en deze werd met een kennisgeving van beslissing tot regularisatie overgemaakt aan eiser. Eiser ging akkoord met de rubrieken 1 tot 3 van de opgave.

Bij gebrek aan akkoord omtrent rubriek 4 van de correctieopgave werden op 18 december 2014 de bevindingen opgenomen in een proces-verbaal door voormelde ambtenaar. Volgens de administratie heeft eiser een meeromzet gerealiseerd in de jaren 2011 en 2012. Deze meeromzet blijkt uit akkoord dat die eiser heeft afgesloten betreffende de inkomstenjaren 2011 en 2012 in de personenbelasting. Op 9 december 2014 wordt een dwangbevel opgesteld door de ontvanger te Brugge. In het dwangbevel is opgenomen dat eiser verschuldigd is als BTW 24.141,96 EUR, als proportionele boete 48.280,00 EUR n intresten Dit dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de adviseur gewestelijk directeur op 19 december 2014. Het dwangbevel werd aan eiser overgemaakt op 22 december 2014.

Op 26 november 2018 heeft eiser een verzoekschrift tot kwijtschelding van de belastingverhoging en boeten op basis van het Regentbesluit van 18 maart 1831 ingediend bij de Minister van Financiën.

Op 11 januari 2019 heeft eiser een fiscaal verzoekschrift neergelegd.

2.Eiser vraagt dat:

\- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;

\- het dwangbevel d.d. 19 december 2014 wordt vernietigd;

\- verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van alle sommen die op grond van het vernietigde dwangbevel werden geïnd; te vermeerderen met de moratoriumintresten;

\- ondergeschikt de geldboete wordt kwijtgescholden of gematigd;

\- verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding met inbegrip van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 3.600 EUR en het rolrecht t.b.v. 20 EUR.

3.Verweerder vraagt dat de vordering van eiser ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard en veroordeeld wordt tot de kosten van het geding.

## III. BEOORDELING

### A. Betreffende de toelaatbaarheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststeIt, is de eis toelaatbaar.

### B. Betreffende de grond

#### 1. Meeromzet

De gevolmachtigde van eiser heeft voor inkomstenjaar 2011, aanslagjaar 2012, in de personenbelasting een akkoord getekend waarbij de omzet ingevolge een indiciaire berekening wordt verhoogd met 75.719,94 EUR. Daarnaast werd rekening gehouden met niet-in rekening gebrachte aankopen en kosten t.b.v. 20.000 EUR en 38.412,47 EUR. De gevolmachtigde van eiser heeft voor inkomstenjaar 2012, aanslagjaar 2013, in de personenbelasting een akkoord getekend waarbij de omzet ingevolge een indiciaire berekening wordt verhoogd met 63.383,72 EUR. Daarnaast werd rekening gehouden met niet-in rekening gebrachte kosten t.b.v. 56.922,54 EUR.

Deze akkoorden zijn bindend voor eiser, behoudens het bewijs van een dwaling in feite of in rechte, van een gebrek in de toestemming of van dwang. Een akkoord mag ook niet afgesloten worden in strijd met de wet. Eiser bewijst geen dwaling in feite of in rechte, evenmin een gebrek in de toestemming of dwang bij het afsluiten van het akkoord.

Een mogelijk bewijsmiddel inzake BTW zijn vermoedens (artikel 59 §1 W.BTW).

Voor vermoedens, stelt artikel 1349 B.W.: *"Vermoedens zijn gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit".* Dat brengt mee dat een opeenstapeling van vermoedens geen deugdelijk bewijs oplevert.

Bekende feiten zijn de afgesloten akkoorden en de meeromzet opgenomen in de personenbelasting voor de jaren 2011 en 2012.

Uit het proces-verbaal blijkt verder dat eiser gedurende de jaren 2011 en 2012 geen andere inkomsten had dan de inkomsten voortkomende van de exploitatie van de garage en de handel in voertuigen. Verweerder mocht er dan ook van uitgaan dat op de meeromzet BTW verschuldigd is.

Eiser bewijst niet het tegendeel. Hij stelt wel dat gemiddeld 60 %van zijn omzet voortvloeit uit de verkoop van voertuigen onder-toepassing van de margeregeling, maar hij bewijst niets. Uit de gegevens van het dossier blijkt trouwens dat de boekhouding van eiser voor de betreffende jaren niet bewijskrachtig is.

Eiser stelt dat ten onrechte geen rekening werd gehouden met de BTW op aankopen en kosten die in rekening werden gebracht in het kader van de akkoorden inzake personenbelasting. Het recht op aftrek van BTW is onderworpen aan voorwaarden en het is niet duidelijk dat eiser wat betreft deze aankopen en kosten voldoet aan de voorwaarden voor aftrek van BTW. Het is ook niet duidelijk of eiser deze aftrek niet reeds heeft uitgeoefend. Eiser bewijst hieromtrent niets. Uit de gegevens van het dossier blijkt trouwens dat de boekhouding van eiser voor de betreffende jaren niet bewijskrachtig is. Het neutraliteitsbeginsel werd dan ook niet geschonden.

Het feit of de controlerende ambtenaar al dan niet de boekhouding heeft nagekeken en een vergelijking heeft gemaakt tussen de aankopen *en* de verkopen, is niet relevant. De meeromzet is ingevolge de afgesloten akkoorden een vaststaand feit.

Conform artikel 64 §1 W.BTW wordt hij die goederen verkrijgt om ze te verkopen, behoudens tegenbewijs, geacht de door hem verkregen goederen te hebben geleverd onder de voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt.

Verweerder heeft dan ook terecht de BTW berekend op de vaststaande meeromzet.

#### 2. Boete

Een proportionele boete op het nog verschuldigde BTW-bedrag heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op Je betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof 24 februari 1999, rolnr. 1279 arrest nr. 22/99).

Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.

Conform artikel 70 §1 W.BTW Wordt voor iedere overtreding van de verplichting om belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde betasting.

Conform tabel G van het KB nr. 41 van 30 januari 1987 wordt de proportionele boete verlaagd tot 20 % ingeval van onjuistheden vastgesteld bij het nazicht van de boekhouding m.b.t de inhoud ervan of ingeval handelingen niet, slechts gedeeltelijk of laattijdig zijn opgenomen in de daartoe bestemde aangifte en het bedrag van de verschuldigde belasting voor een controleperiode van 1 jaar meer is dan 1.250 EUR.

In het geval de inbreuken begaan werden met het oogmerk de belasting te ontduiken, wordt de wettelijke boete niet verminderd ([artikel 1, laatste alinea KB nr. 41](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958#ar41-art1)).

Eiser heeft omzet niet aangegeven Het opleggen van een boete is in deze zaak verantwoord. In de akkoorden afgesloten in het kader van de personenbelasting heeft eiser toegegeven dat de inbreuk werd gepleegd met het opzet om belastingen te ontduiken. Zoals reeds gesteld zijn deze akkoorden bindend. De opgelegde geldboete kan dan ook niet verlaagd worden.

De boete heeft niet alleen een vergoedende aard, maar heeft ook een bestraffend en afradend karakter.

### C. Betreffende de kosten

Gezien eiser in het ongelijk wordt gesteld, moet hij overeenkomstig artikel 1017,1° lid Ger.W. de gerechtskosten dragen.

Gezien verweerder niet werd bijgestaan door een advocaat, heeft hij geen recht op *een* rechtsplegingsvergoeding.

**OM DEZE REDENEN,**

**De rechtbank,**

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend.

Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, en aan de zijde van verweerder begroot op 00,00 EUR.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de rechtbank van eerste aanleg West-

Vlaanderen, afdeling Brugge, burgerlijke sectie, tiende kamer, op **NEGEN MAART TWEEDUIZEND**

**TWINTIG** waar zitting hadden:

L. D. P., rechter;

N. L., griffier.

## Textes cités

6

[CTVA art. 64](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-64) 7 occurrences

[CTVA art. 59](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-59) 2 occurrences

[AR no 41 art. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958) 1 occurrence

[CTVA art. 2](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-2) 1 occurrence

[CTVA art. 91](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) 1 occurrence

[CTVA art. 93quaterdecies](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-93quaterdecies) 1 occurrence

## Jurisprudence

2

### Belgique

2

Cour de cassation C.22.0154.N 22.02.2024

#### [Assujettissement, Déduction, Activité économique, Biens d’investissement, Œuvres d'art originales](https://juriel.be/fr/jurisprudence/assujettissement-deduction-activite-economique-biens-cassation-bruxelles-2024-02-22-de34)

Cour d'appel d'Anvers 2023/AR/895 28.01.2025

#### [Contrôle de TVA, facture](https://juriel.be/fr/jurisprudence/controle-tva-facture-cour-appel-anvers-2025-01-28-ac25)

## Décisions similaires

8

[Siège d'une activité économique, compétence pénale](https://juriel.be/fr/jurisprudence/siege-activite-economique-competence-penale-cour-appel-gand-2024-01-09-4bee) 5 dispositions communes

[Valeur probante, preuve, procès-verbal](https://juriel.be/fr/jurisprudence/valeur-probante-pv-preuve-proces-tribunal-gand-2021-03-22-81cf) 4 dispositions communes

[Siège d'une activité économique, compétence pénale](https://juriel.be/fr/jurisprudence/siege-activite-economique-competence-penale-cour-appel-gand-2024-01-09-883d) 4 dispositions communes

[Reconstitution du chiffres d’affaires, Preuve par présomptions](https://juriel.be/fr/jurisprudence/reconstitution-chiffres-affaires-preuve-presomptions-cour-appel-bruxelles-2023-02-0e22) 3 dispositions communes

[Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-lien-direct-immediat-tribunal-luxembourg-2022-10-12-162a) 3 dispositions communes

[Chiffre d'affaires non déclaré, Consultation du dossier judiciaire](https://juriel.be/fr/jurisprudence/chiffre-affaires-non-declare-consultation-tribunal-gand-2024-03-13-4c82) 3 dispositions communes

[Absence de déclaration, Enquête bancaire, Reconstitution du chiffre d’affaires](https://juriel.be/fr/jurisprudence/absence-declaration-enquete-bancaire-reconstitution-tribunal-gand-2022-06-23-5e19) 3 dispositions communes

[Intracommunautair goederenverkeer, fraude, calcul du chiffre d’affaires](https://juriel.be/fr/jurisprudence/intracommunautair-goederenverkeer-fraude-calcul-chiffre-cour-appel-gand-2025-12-02-7f70) 3 dispositions communes
