---
title: "Taux de TVA réduit de 6% · Cour d&#x27;appel, 24 juin 2025"
description: "Taux de TVA réduit de 6%, Travaux de transformation ou de rénovation, taux TVA de 6%, travail immobilier. Cour d'appel (Belgique), 24 juin 2025."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/taux-tva-reduit-travaux-transformation-cour-appel-2025-06-24-7b10"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Taux de TVA réduit de 6%

**Juridiction**

Cour d'appel

**Date**

24 juin 2025

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

265 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d’appel de Gand d.d. 24.06.2025

WF 709-15-21/070721 - Finaliti 54672421/01

\[Favorable à l’Etat belge\]

*Taxe sur la valeur ajoutée – Taux de TVA réduit de 6% – Travaux de transformation ou de rénovation*

## Dispositions légales

[Article 1, AR n° 20](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-20-juillet-fixant-taux-taxe-valeur-b38e#ar20-art1), tableau A, rubrique XXXVIII, §1 de l’annexe à l’AR n° 20

## Résumé

1\. Faits et jugement en première instance

Après vérification des factures et examen des plans, l'administration a constaté que le taux réduit de 6 % avait été appliqué à tort par le requérant, étant donné que, d'une part, les travaux de transformation ne concernaient pas une habitation privée, mais une annexe (hangar) et, d'autre part, les travaux effectués ne pouvaient pas être considérés comme des travaux de transformation ou de rénovation répondant aux conditions de la rubrique XXXVIII du tableau A de l'annexe à l'AR n° 20.

Le 15 octobre 2021, l'administration a dressé un procès-verbal pour un montant de 11 173,88 EUR de TVA et une amende de 1 100,00 EUR. Le 3 décembre 2021, la dette a été inscrite au registre de perception et de recouvrement, dont l'appelant a reçu notification le 14 décembre 2021.

Dans son jugement du 13 novembre 2023, le tribunal de première instance de Flandre orientale, division Gand, a jugé que la demande de l'appelant était non fondée.

L'appelant a interjeté appel contre ce jugement.

2\. L’arrêt de la cour d’appel

La question de savoir si les travaux de construction doivent être qualifiés de rénovation (point de vue de l'appelant) ou de nouvelle construction (point de vue de l'intimé) au sens des dispositions légales susmentionnées est une question de fait qui doit être examinée au cas par cas. Les termes figurant sur le permis de construire ne sont pas pertinents à cet égard. La charge de la preuve incombe à l'appelant.

Sur la base des plans et des pièces présentés, la cour ne peut que se rallier à la position de l'administration. En effet, ces pièces ne démontrent pas que les travaux réalisés s'appuient de manière pertinente sur les éléments essentiels de la structure du logement à rénover, tels que les murs porteurs et les murs extérieurs.

Selon la cour, il apparaît que d'anciens éléments du volume habitable existant ont été récupérés, mais ceux-ci sont insuffisants pour considérer que les travaux réalisés s'appuient de manière pertinente sur les éléments essentiels de la structure de l'ancien bâtiment. La conservation exclusive de la façade avant, de la façade latérale gauche et de la façade latérale droite ne suffit pas pour conclure que les éléments essentiels de la structure existante du bâtiment ont été conservés, notamment parce que toutes les dalles de sol ont été renouvelées, quasiment tous les murs intérieurs ont été rénovés, toute la toiture a été rénovée, la façade arrière a été en grande partie rénovée et les fondations ont été rénovées de manière substantielle. Après les travaux de démolition, seule une partie des maçonneries de l'ancienne habitation est restée debout, du moins l'appelant ne démontre pas le contraire.

**Texte de l’arrêt**

***L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale***

### Corps de la décision

## Arrest van het Hof van beroep te Gent

**van 24 juni 2025**

**Rolnummer 2024/AR/430**

In de zaak van:

**J.S.,** RRN …, wonende te …, appellant, hebbende als raadsman mr. VAN DEN PERRE Evi, advocaat te 9200 DENDERMONDE, Steenweg van Aalst 25

**tegen**

**BELGISCHE STAAT**, ON 0308.357.159, Adviseur-Generaal van het Centrum KMO Aalst, met burelen te 9300 AALST, Dr. A. Sierensstraat 16 bus 1, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. VAN HECKE Reinhard, advocaat te 9040 SINT-AMANDSBERG, Antwerpsesteenweg 283 - 283A

wijst het hof het volgend arrest:

### 1. De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift neergelegd op 11 maart 2024 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zesde kamer, op 13 november 2023 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 22/4/A, waarvan niet blijkt dat het werd betekend.

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 27 mei 2025, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

### 2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

Volgend op een bouwvergunning afgeleverd op 2 januari 2019 verzocht de administratie aan de appellant bij brief van 18 mei 2020 om een aantal inlichtingen te verstrekken. Bij brief van 16 oktober 2020 verzocht de administratie aan de appellant om alle uitgereikte facturen van de bouwwerken door te sturen. De appellant bezorgde de administratie facturen uitgereikt tijdens de periode van eind december 2018 tot oktober 2020.

Bij nazicht van de facturen en onderzoek van de plannen stelde de administratie vast dat het verlaagde tarief van 6% onterecht werd toegepast aangezien, enerzijds, de verbouwingswerken geen betrekking hadden op een privéwoning maar op een bijgebouw (loods) en, anderzijds, de uitgevoerde werken niet beschouwd konden worden als omvormings- of renovatiewerken die voldeden aan de voorwaarden van rubriek XXXVIII van Tabel A bij de bijlage bij het KB nr. 20. Op 26 januari 2021 werd een regularisatieopgave opgemaakt voor de facturen tijdens de periode van 4 oktober 2018 tot 6 januari 2021, waarin de bijkomend verschuldigde BTW werd bepaald op 12.890,14 euro. Een (verminderde) proportionele geldboete van 10%, of 1.280,00 euro, werd aangekondigd. De appellant verklaarde zich hiermee niet akkoord bij brief van zijn raadsman van 24 februari 2021, stelde dat de afbraak van het bijgebouw noodzakelijk was voor de renovatiewerken aan de woning en ondergeschikt was aan de renovatiewerken, dat de wezenlijke elementen van de structuur van de bestaande woning na de renovatie nog steeds aanwezig waren en dat de bouw van de nieuwe loods geen deel uitmaakte van het renovatieproject en onderworpen werd aan het btw-tarief van 21%.

Op 22 maart 2021 liet de administratie weten bij haar standpunt te zullen blijven. Zij stelden o.m. het volgende:

> *"Wat de uitgevoerde werken aan het gebouw van uw cliënt betreft, stel ik op basis van de voorgelegde plannen en de verstrekte informatie vast dat:*
>
> *\** *De bestaande dakconstructie volledig werd gesloopt*
>
> *\** *De bestaande gewelven/vloerplaten tussen het gelijkvloers en het fte verdiep en tussen het 1ste verdiep en de zolderruimte, volledig werden gesloopt.*
>
> *\** *Alle binnenmuren, zowel op het gelijkvloers als op het fte verdiep, werden gesloopt*
>
> *\** *De achtergevel eveneens werd gesloopt*
>
> *\** *De behouden buitenmuren eveneens grondig werden gewijzigd: nieuwe raamopeningen, grotere raamopeningen, enz.*
>
> *U kan dus bezwaarlijk beweren dat de bestaande woning 'zo goed als integraal wordt behouden'.*
>
> *Op basis van de voorgelegde plannen blijft de administratie dan ook van oordeel dat de uitgevoerde werken dermate ingrijpend waren dat deze niet meer kunnen beschouwd worden als renovatiewerken waarop het verlaagd btw-tarief van 6% van toepassing kan zijn. Immers:*
>
> *\** *De uitgevoerde werken steunen niet meer op relevante wijze op de wezenlijke structuur van het oude gebouw. Na de sloopwerken was het gebouw binnenin een grote, open ruimte waar men de lucht kon zien. Er werden op alle niveaus nieuwe vloerplaten geplaatst, nieuwe binnenmuren en een nieuwe achtergevel gemetst, een volledig nieuwe dakconstructie geplaatst, enz*
>
> *\** *Het plaatsen van nieuwe vloerplaten die niet steunen op oude dragende (binnen)muren, heeft tot gevolg dat zeker het 15te verdiep en de zolderruimte als nieuwe oppervlakte moeten worden beschouwd.*
>
> *Bijgevolg zijn bovengenoemde criteria niet nageleefd en is het normale btw-tarief van 21% van toepassing op de uitgevoerde werken."*

De appellant liet bij brief van zijn raadsman van 13 mei 2021 weten bij zijn standpunt te zullen blijven met betrekking tot de werken aan de woning.

Op 21 september 2021 werd een regularisatieopgave opgemaakt voor twee facturen uitgereikt tijdens de periode van 4 oktober 2018 tot 6 januari 2021 voor de bouw van de loods, waarin de bijkomend verschuldigde BTW werd bepaald op 1.716,26 euro. Een (verminderde) proportionele geldboete van 10%, of 170,00 euro, werd aangekondigd. De raadsman van de appellante verklaarde zich hiermee akkoord op 24 september 2021.

De administratie bleef bij haar standpunt met betrekking tot de overige verbouwingswerken en stelde, wegens de blijvende betwisting, een proces-verbaal op op 15 oktober 2021 waarin de vaststellingen werden opgenomen en waaruit een verschuldigde BTW bleek van 11.173,88 euro en een geldboete van 1.110,00 euro. Deze btw en boete werden opgenomen in het RCIV onder nr. … . Op 26 oktober 2021 werd aan de appellant een betaalbericht verstuurd. Op 3 december 2021 werd het verschuldigde bedrag opgenomen in het innings- en invorderingsregister, waarvan de appellant op 14 december 2021 een bericht ontving.

Middels verzoekschrift neergelegd op 9 november 2021 maakte de appellant zijn vordering aanhangig voor de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde. Na verwijzing naar de afdeling Gent op basis van artikel 88, §2 Ger.W. oordeelde de zesde kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, in het vonnis van 13 november 2023, dat de vordering van de appellant ongegrond was, met veroordeling van de appellant tot de gedingkosten.

Het is tegen dat vonnis dat de appellant hoger beroep heeft ingesteld.

### 3. De vorderingen van de partijen

#### 3.1. De vordering van de appellant

De appellant vraagt in hoger beroep aan het hof om:

*Het hoger beroep van concluant toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens:*

*Het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw recht doende als volgt:*

*Te zeggen voor recht dat de werken die concluant uitvoerde aan zijn woning gelegen te … werken betreffen die onder de noemer vallen van 'verbouwingswerken' of 'omvormingswerken, waarop het BTW-tarief van 6% toepasbaar is; Geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rolrechten en een rechtsplegingsvergoeding aan de zijde van verzoeker begroot op € 1.800,00 per aanleg (Art. 2 van het KB 26 oktober 2007).*

#### 3.2. De vordering van deggintimeerde

De Belgische Staat vraagt in hoger beroep aan het hof om:

*Het hoger beroep van appellant toelaatbaar, ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, en dienvolgens:*

*-* *Het vonnis zoals verleend door de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, 6de Kamer, op de terechtzitting van 13 november 2023, in de zaak met rolnummer 22/4/A, te bevestigen in al haar geledingen;*

*De oorspronkelijke vordering van appellant (voorheen eiser) ongegrond te verklaren;*

*-* *Appellant te veroordelen tot het betalen van de bedragen die opgenomen zijn in het proces-verbaal van regularisatie inzake btw van 15 oktober 2021 en het bestreden innings- en invorderingsbericht van 14 december 2021 met schuldnummer … te bevestigen;*

*-* *Appellant te verwijzen in alle kosten van het geding, met inbegrip van de toepasselijke rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 1.650,00 EUR in graad van hoger beroep.*

### 4. De beoordeling

4.1. Het voorwerp van het geschil ten gronde tussen de partijen betreft de vraag of de in opdracht van de appellant uitgevoerde werken in onroerende staat de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van de woning tot voorwerp hebben (en dus terecht onderworpen werden aan het tarief van 6%) dan wel betrekking hebben op een nieuwbouw (en dus onderworpen zijn aan het tarief van 21%). Over de overige voorwaarden voor toepassing van het verlaagde tarief van 6% op grond van artikel 1 KB/BTW nr. 20, zoals opgenomen in tabel A, rubriek XXXVIII, §1 van de bijlage bij KB/BTW nr. 20, bestaat geen discussie.

De vraag of de bouwwerken als een renovatie (standpunt appellant) of als een nieuwbouw (standpunt geïntimeerde) kwalificeren in de zin van voormelde wetsbepalingen, is een feitenkwestie die geval per geval moet worden onderzocht. De belasting steunt zich op de werkelijkheid. De termen die voorkomen op de bouwvergunning zijn terzake niet dienend.

De appellant draagt de bewijslast en dient aan te tonen dat de in zijn opdracht uitgevoerde werken niet onderworpen zijn aan het tarief van 21% en dus de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, geheel of ten dele van de woning tot voorwerp hadden (zie artikel 1 KB/BTW nr. 20, dat met ingang van 7 januari 2007 de bewijslast voor de toepassing van het verlaagd tarief van 6% bij de belastingplichtige legt, door in een hiërarchie van de btw-tarieven te voorzien).

4.2. De wetgever heeft geen definitie gegeven aan het begrip werken of handelingen met als voorwerp "de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud (...) geheel of ten dele van een woning", zoals omschreven in rubriek XXXVIII, tabel A van het KB/BTW nr. 20. Deze begrippen dienen te worden begrepen in hun normale betekenis, wat inhoudt dat dergelijke werken niet tot gevolg mogen hebben dat zij in feite gelijkstaan met een nieuwbouw. De heropbouw van een gebouw na afbraak, zelfs indien de funderingen en de kelder van het oude gebouw of andere bijkomstige elementen van de structuur (zoals de voorgevel) worden behouden, wordt als een nieuwbouw beschouwd. Wanneer de wezenlijke elementen van de bestaande structuur van het gebouw worden behouden, worden de werken als omvorming of renovatie in de zin van rubriek XXXVIII, tabel A van het KB nr. 20 beschouwd. Zo is er sprake van verbouwing, wat ook de benaming is die eraan wordt gegeven, wanneer de werken op relevante wijze steunen op de reeds bestaande dragende muren, in het bijzonder de buitenmuren, en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw (zie ook Cass. 25 juni 2020, AR [F.19.0069.N](https://juriel.be/fr/jurisprudence/batiment-neuf-renovation-travaux-immobiliers-cassation-bruxelles-2020-06-25-1dd1), op www.iuportal.be).

4.3. Onder de hierboven genoemde begrippen worden normaal niet begrepen werken of handelingen die tot 'uitbreiding' leiden. Overeenkomstig rubriek XXXVIII, §3, 1 ° van het KB nr. 20 wordt met de bedoelde werken onder andere 'het verbouwen' beoogd. Dat geeft op zich geen andere dimensie aan de genoemde begrippen, vermits het uitgangspunt steeds is dat niet van 'nul' vertrokken wordt, met name doordat er al een bestaande woning is. Zelfs wanneer redelijkerwijze met enige marge rekening moet worden gehouden, dan blijkt dat de mate waarin de [circulaire nr. 6/1986](https://juriel.be/fr/circulaires/6-1986-f342) toelaat om onder 'omvorming' ook de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken en de uitbreiding van bestaande vertrekken te verstaan, een administratieve toegeving op de wettekst is. Dat is zeker het geval waar de administratie besliste om maximaal een verdubbeling van de oppervlakte toe te staan. Hoewel het oppervlaktecriterium niet in de wet is ingeschreven, is de omvang van het nieuwe gedeelte een relevant feitelijk element bij de beoordeling. Het oppervlaktecriterium is gebaseerd op een administratief standpunt dat de uitbreiding van een bestaand gebouw kan worden aangemerkt als een omvorming van dat gebouw "wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning na de uitvoering van de werken".

Alhoewel circulaires geen bindende kracht hebben doch rekening houdend met het rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel, neemt het hof aan dat de appellant, zoals elke andere belastingplichtige, recht heeft op de toepassing van het verlaagd btw-tarief van 6% wanneer zijn renovatie in die zin beperkt blijft dat de oppervlakte van het oude gedeelte nog betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte en het nieuwe gedeelte het oude gedeelte aanvult.

Het oppervlaktecriterium, dat niet is voorzien in de wet, kan worden aanzien als een administratieve toegeving dat wel degelijk een relevant, doch niet noodzakelijk doorslaggevend criterium vormt en een concrete beoordelingsruimte toelaat in het voordeel van de belastingplichtige in vergelijking met de strengere wet. Het is niet onredelijk vanwege de administratie om die toegeving aldus toe te passen in die zin dat "de uitbreiding van een bestaand gebouw kan worden aangemerkt als een omvorming (of verbouwing) van dat gebouw voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte" (btw-revue nr. 110 van september 1994). Het is ook een logische en zeer redelijke redenering dat er kan worden van uit gegaan dat dit het geval is wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning of het woningcomplex na de uitvoering van de werken. Opdat de uitbreidingswerken aan het begrip "omvormen" zouden beantwoorden, is het een correcte interpretatie dat de bestaande woning de hoofdzaak blijft en de uitbreiding ondergeschikt is aan en slechts plaatsgrijpt in functie van de omvorming van de oude woning. De door het KB nr. 20 gehanteerde begrippen "omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele" veronderstellen zoals gezegd een ingrijpen dat niet zover gaat dat met de werken in wezen tot nieuwbouw werd overgegaan. Met het gedeelte dat (quasi) volledig werd afgebroken en opnieuw werd heropgebouwd kan bij de toepassing van het oppervlaktecriterium geen rekening worden gehouden. Voormeld administratief standpunt (met het zgn. oppervlaktecriterium) geldt immers enkel in geval van uitbreiding van de bestaande/behouden woning. In ieder geval dienen de werken aan het bestaande/behouden gedeelte te kwalificeren als een verbouwing, en niet als een nieuwbouw (zie randnummer 4.2.).

4.4. Op basis van de voorgelegde plannen en stukken kan het hof enkel het standpunt van de administratie bijtreden. Uit deze stukken blijkt immers niet dat de uitgevoerde werken op relevante wijze steunen op de wezenlijke elementen van de structuur van de te renoveren woning, zoals de dragende muren en de buitenmuren.

Uit de plannen (stukken 14, bundel administratie) blijkt dat de oude woning bestond uit een woonvolume van twee verdiepingen met dakverdieping waar aan de achterzijde een lange achterbouw op het gelijkvloers was geplaatst die schuin wegliep van het woonvolume langs de perceelsgrens. De volledige achterbouw werd gesloopt en een deel werd heropgebouwd op het gelijkvloers aan de achterzijde van het oude woonvolume. Dit nieuwe deel (d.i. 4m125 op 9m130) doet in de nieuwe woning dienst als keuken en berging. Het behouden deel van het woonvolume (d.i. 8m135 op 8m340) doet in de nieuwe woning dienst als eetkamer, bureau, zitruimte, inkom met toilet en traphal.

Uit de plannen blijkt duidelijk dat de linker-, rechter- en voorste buiten-/gevelmuren van het oude woonvolume werden behouden (met desgevallend het dichten van (raam-)openingen en het openen van nieuwe (raam-)openingen en met dien verstande dat de linkergevel aangebouwd is tegen de naastgelegen woning) en dat de achtergevel op het gelijkvloers grotendeels werd afgebroken en heropgebouwd. De achtergevel van het oude woonvolume op het gelijkvloers, dat in de oude toestand twee beperkte openingen had, is in de nieuwe toestand quasi volledig opengemaakt van de linkergevel tot over het midden van het volume; op de plannen staat aangeduid dat een draagbalk werd geplaatst. Uit de plannen samen genomen met de door de appellant voorgelegde foto's blijkt ook dat in het verlengde van deze opening een deel van de bestaande buitenmuur werd gerecupereerd en de oude opening werd dicht gemetst met snelbouwstenen. De opening heeft een lengte van bijna 5m; de muur heeft een lengte van 2m755, waarvan minimum de helft nieuw gebouwd is. De achtergevel van het oude volume werd aldus quasi volledig afgebroken en heropgebouwd, althans op het gelijkvloers. De achtergevel op de eerste verdieping werd hergebruikt, zij het dat twee bestaande raamopeningen werden vervangen door twee grotere raamopeningen en dat een derde bestaande raamopening werd dichtgemaakt met nieuwe snelbouwstenen.

Daarnaast werden overal in de woning nieuwe binnenmuren geplaatst, werden op elke verdieping nieuwe vloerplaten gegoten en werd een volledig nieuwe dakconstructie geplaatst. De administratie stelt terecht dat het erop lijkt dat het gebouw na de sloopwerken binnenin een grote open ruimte was waardoor je kon kijken naar de lucht.

Wat de achtergevel betreft, blijkt aldus uit de plannen dat de stelling van de appellant dat deze werd behouden, geenszins correct is. Dat 'er een glazen schuifraam werd voorzien op de plaats waar voordien de aansluiting met de achterbouw zich bevond', wordt tegengesproken door de plannen. Het glazen schuifraam bevindt zich aan de achterzijde van de nieuwbouw. Het bestaande (en overblijvende) volume (m.n. eetkamer, bureau, traphal, zitruimte en inkom met toilet) heeft aan de achterzijde geen glazen schuifraam want geeft doorgang naar de keuken en berging (zie ook foto's onder stuk 14, bundel appellant). Waar de stelling van de appellant impliceert dat het gedeelte waarin zich op heden de keuken en berging bevinden, niet werd afgebroken, wordt dit tegengesproken door de plannen en de door de appellant zelf voorgelegde foto's.

Dat de trappenhal en de indeling van de vertrekken bij de renovatiewerken werden behouden, wordt eveneens tegengesproken door de plannen. Wat de binnenmuren betreft, blijkt uit de plannen dat deze zich niet meer op dezelfde plaats bevinden als in de oude woning.

Uit de door de appellant voorgelegde foto's (stuk 14, bundel appellant) blijkt bovendien dat op de eerste verdieping de binnen zijgevels opnieuw werden gemetst. De bestaande muren die op de door de appellant voorgelegde foto's zichtbaar zijn, zijn de buitenzijgevels en zijn geenszins binnenmuren (met uitzondering van het kleine deel achtergevel; zie ook hierboven). Alle binnenmuren op deze foto's zijn nieuw opgebouwde binnenmuren in snelbouwsteen.

Dat de woning nog steeds op de oude bestaande funderingen rust, wordt eveneens tegengesproken door de funderingsplannen waarop duidelijk nieuwe funderingskolommen, funderingszolen en funderingsmetselwerk te zien zijn, en waarop uitdrukkelijk staat dat de 'bestaande fundering ongekend' is.

In die omstandigheden kan bezwaarlijk worden gesteld dat de appellant aantoont dat de bouwwerken kwalificeren als een verbouwing. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat er nog oude elementen van het bestaande woonvolume werden gerecupereerd, maar deze zijn onvoldoende om te oordelen dat de uitgevoerde werken op relevante wijze steunen op de wezenlijke elementen van de structuur van het oude gebouw. Het behoud van uitsluitend de voorgevel (althans deels, gelet op het dichten van openingen en het openen van nieuwe), van de linkerzijgevel (die is aangebouwd aan het naastgelegen huis) en van de rechterzijgevel (opnieuw, met het dichten van openingen en het openen van nieuwe) is niet voldoende om te besluiten dat de wezenlijke elementen van de bestaande structuur van het gebouw werden behouden, niet in het minst omdat alle vloerplaten werden vernieuwd, quasi alle binnenmuren werden vernieuwd, de volledige dakconstructie werd vernieuwd, de achtergevel grotendeels werd vernieuwd en de fundering op substantiële wijze werd vernieuwd. Na de afbraakwerken bleef enkel nog een deel van de schil van de oude woning staan, minstens toont de appellant het tegendeel niet aan.

De administratie heeft dan ook terecht besloten dat de bouwwerken kwalificeren als een nieuwbouw en dat het btw-tarief van 21% van toepassing is.

4.5. Of aan het oppervlaktecriterium is voldaan, moet dan ook niet worden onderzocht.

Zoals reeds vermeld in randnummer 4.2, kan met het oppervlaktecriterium slechts rekening worden gehouden indien de bouwwerken aan het bestaande/behouden gedeelte kwalificeren als een verbouwing, en niet als een nieuwbouw. Aangezien dit niet het geval is, kan de appellant zich niet beroepen op het oppervlaktecriterium. Zelfs indien hij dit wil zou kunnen, stelt de administratie met reden dat de appellant uit het oog verliest dat afgebroken en heropgebouwde gedeeltes van de woning als nieuwe oppervlakte moeten

worden aanzien. De administratie stelt terecht dat de volledige oppervlakte van de eerste verdieping en van de zolderverdieping als nieuwe oppervlakte moet worden beschouwd, gelet op het feit dat een nieuwe vloerplaat werd gegoten en dat de binnenmuren werden vernieuwd.

4.6. Het hoger beroep is dan ook ongegrond. De eerste rechter heeft terecht de vordering van de appellant afgewezen als ongegrond.

### 5. De gerechtskosten

De appellant wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van het hoger beroep dragen.

Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger. W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt recht op een rechtsplegingsvergoeding.

Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger. W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moet, bij gebrek aan redenen tot afwijking ervan, het basisbedrag gehanteerd worden. In fiscale zaken is een vordering tot nietigverklaring dan wel ontheffing van een betwiste aanslag een in geld waardeerbare vordering. Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger. W., zich in de schijf van 10.000,01 euro tot 20.000,00 euro bevindt, bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in hoger beroep 1.726,74 euro.

## BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak;

Het hof beslist als volgt:

· het hoger beroep is ontvankelijk doch ongegrond;

· het bestreden vonnis wordt bevestigd;

· het hof veroordeelt de appellant tot de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld als volgt:

\- aan de kant van de appellant (maar te zijnen laste blijvend):

· bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 24,00 EUR

\- aan de kant van de geïntimeerde:

· rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 1.726,74 EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 24 juni 2025.

Aanwezig:

Frederieke Compernolle, raadsheer, wn. voorzitter, alleenrechtsprekend

Jenny Dammekens, griffier

## Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent

**van 13 november 2023**

**Rolnummer: 22/4/A**

***Le jugement est publié uniquement dans la langue originale***

In de zaak van :

**J.S.,** RRN …, wonende te …, eisende partij, hebbende als raadsman mr. VAN DEN PERRE EVI, advocaat te 9200 Dendermonde, Steenweg van Aalst 25;

**Tegen:**

**De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën** — Stafdienst Logistiek - Koning Albert II laan 33 bus 971 te 1030 Brussel, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal te Centrum KMO Aalst, met kantoor te 9300 Aalst, Dr. A. Sierensstraat 16 bus 1, KBO 0308.357.159, verwerende partij, voor wie optreedt de heer …, attaché bij een fiscaal bestuur;

Beslist de rechtbank als volgt:

## I. DE RECHTSPLEGING

De rechtbank nam kennis van de argumenten van de partijen op de openbare terechtzitting van 16 oktober 2023. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam de zaak in beraad. De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in en in het bijzonder het neergelegd gedinginleidende verzoekschrift van 9 november 2021, het verwijzingsvonnis van 17 december 2021 (21/2257/A) en de conclusies van partijen.

## II. DE VORDERING

**Eiser** vordert in syntheseconciusie de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren:

> *"De bestreden beslissing en bijhorend betaalbericht dd. 26/10/2021 uitgaande van verweerster te vernietigen;*
>
> *Verweerster te veroordelen tot de kosten van het geding, m.i.v. het rolrecht en tot betaling aan \[eiser\] van een rechtsplegingsvergoeding aan de zijde van \[eiser\] begroot op € 1.680,00 (basisbedrag zoals bepaald bij K.B.);*
>
> *Het meer of afwijkend gevorderde als ongegrond af te wijzen;"*

**Verweerster** vordert in synthesebesluiten de vordering ontvankelijk en ongegrond te verklaren en vervolgens:

> *"Eiser te veroordelen tot het betalen van de bedragen die opgenomen zijn in het proces-verbaal van regularisatie inzake btw van 15 oktober 2021 en het bestreden innings- en invorderingsbericht van 14 december 2021 met schuldnummer … te bevestigen;*
>
> *Eiser te veroordelen tot alle kosten van het geding."*

## III. RELEVANTE FEITEN EN GESCHIL

1\. Op 02/01/2019 werd een bouwvergunning toegekend met referte OMV\_... voor een gebouw gelegen te … . De bouwvergunning werd toegekend aan eiser, J.S..

2\. Op 18/05/2020 heeft de fiscale administratie een vraag om inlichtingen verstuurd naar eiser betreffende deze verkregen bouwvergunning. Het antwoordformulier werd terugbezorgd op 26/06/2020.

3\. Op 16/10/2020 heeft de fiscale administratie een brief verstuurd naar eiser met de vraag om alle uitgereikte facturen van de werken voor te leggen (stuk 3 verwerende partij).

Op 07/01/2021 en op 25/01/2021 werden de gevraagde facturen ontvangen (stuk 4 verwerende partij).

4\. Op 26/01/2021 werd een regularisatieopgave aangetekend verstuurd naar eiser (stuk 6 verwerende partij). Op grond van de inlichtingen verstrekt door eiser werden immers fouten, onregelmatigheden en overtredingen betreffende de toepasselijke reglementering inzake de BTW vastgesteld.

5\. Op 01/03/2021 ontving de fiscale administratie een gemotiveerd niet-akkoord van eiser.

6\. Op 22/03/2021 verstuurde de fiscale administratie een aangetekend schrijven naar eiser naar aanleiding van zijn niet-akkoord, waarin de gedane vaststellingen nogmaals werden toegelicht en uitgebreid werd gemotiveerd waarom de fiscale administratie bij haar standpunt bleef (stuk 7 verwerende partij).

7\. Op 13/05/2021 werd de fiscale administratie door de raadsman van eiser ervan in kennis gesteld dat eiser alsnog gedeeltelijk akkoord ging met de gedane vaststellingen opgenomen in de regularisatieopgave van 26/01/2021, en meer bepaald inzake het btw-tarief op de werken in onroerende staat aan de loods die zich achter voormelde woning bevond en die verkeerdelijk aan 6% in plaats van aan 21% werden gefactureerd (stuk 8 verwerende partij). Daartoe werd op 21/09/2021 door de fiscale administratie een nieuwe regularisatieopgave opgemaakt en voor akkoord op 24/09/2021 ondertekend. Deze problematiek maakt geen voorwerp uit van het voorliggende geschil.

8\. Uit het hoger genoemd schrijven van 13/05/2021 bleek verder dat eiser zich niet akkoord kon verklaren met de door de fiscale administratie vastgestelde inbreuken met betrekking tot het toepasselijk btw-tarief op de werken in onroerende staat aan de eigenlijke woning.

9\. Gelet op het blijvend meningsverschil tussen partijen, werden de vastgestelde inbreuken inzake het toepasselijk btw-tarief op de werken in onroerende staat aan de eigenlijke woning opgenomen in een proces-verbaal dat per aangetekend schrijven van 15/10/2021 werd overgemaakt aan eiser (stuk 11 verwerende partij).

Op basis van dit proces-verbaal werden volgende bedragen gevorderd:

BTW: 11.173,88 EUR;

Geldboete: 1.110,00 EUR.

De verschuldigde bedragen werden ingeschreven in het R.C.I.V.-bestand onder nr. … en opgenomen in een betaalbericht dat op 26/10/2021 naar eiser werd verzonden (stuk 12 verwerende partij).

10\. Ingevolge niet-betaling werden deze sommen opgenomen in het innings- en invorderingsregister met nummer 202111NL021 dat uitvoerbaar verklaard werd op 03/12/2021. Bij schrijven van 14/12/2021 werd eiser hiervan in kennis gesteld.

11\. Op 09/11/2021 werd door eiser een verzoekschrift neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, gericht tegen de bestreden beslissing en het bijhorend betaalbericht van 26/10/2021.

Bij verwijzingsvonnis van 17 december 2021 (21/2257/A) werd de zaak voorgelegd aan deze rechtbank.

## IV. BEOORDELING

### 1. Ontvankelijkheid

1.1.

Verweerster voert zelf geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden.

Ingevolge het vereiste ambtshalve onderzoek naar de ontvankelijkheid, dient de rechtbank op te merken dat in de nieuwe fiscale procedure de bestreden aanslag aan het oordeel van de rechter wordt onderworpen en niet meer de bestreden beslissing.

De eventuele nietigheid van de administratieve beslissing heeft immers geen invloed op de rechtsgeldigheid van de aanslag.

Weliswaar kan de belastingplichtige belang hebben bij de vernietiging van deze beslissing.

1.2.

In casu toont eiser niet aan welk belang hij heeft bij de vernietiging van deze beslissing.

Bij gebrek aan belang is de vordering tot vernietiging van de administratieve beslissing van 26 oktober 2021 dan ook onontvankelijk krachtens artikel 17 Ger.W.

### 2. Ten gronde

Inzake de inbreuken op artikelen 37 en 38 W.BTW en het KB nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de btw en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven ten belope van 11.173,88 EUR btw (exclusief geldboete van 1.110,00)

2.1.

[Artikel 1 van het KB nr. 20](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-20-juillet-fixant-taux-taxe-valeur-b38e#ar20-art1) van 20 juli 1970 bepaalt:

Het normale tarief van de belasting over de toegevoegde waarde voor goederen en diensten bedoeld in het Wetboek bedraagt 21 %.

In afwijking van het eerste lid wordt de belasting geheven tegen het verlaagd tarief van:

\- 6 % voor de goederen en diensten opgenomen in tabel A van de bijlage bij dit besluit. Dit verlaagd tarief mag evenwel niet toegepast worden als de diensten bedoeld in tabel A bijkomstig deel uitmaken van een complexe overeenkomst die hoofdzakelijk andere diensten tot voorwerp heeft;

\- 12 %, voor de goederen en diensten opgenomen in tabel B van de bijlage bij dit besluit.

2.2.

De Rubriek XXXVIII 'Renovatie en herstel van privéwoningen' van Tabel A van het KB nummer 20 van 20 juli 1970, tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, bepaalt:

> *"§ 1. Het werk in onroerende staat en de andere handelingen bedoeld in paragraaf 3, met uitsluiting van de materialen die een beduidend deel vertegenwoordigen van de verstrekte dienst, worden onderworpen aan het verlaagd tarief, voor zover de volgende voorwaarden zijn vervuld:*
>
> *1° de handelingen moeten de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben;*
>
> *20 de handelingen moeten betrekking hebben op een woning die, na de uitvoering ervan, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, als privé-woning wordt gebruikt;*
>
> *3°* *de handelingen moeten worden verricht aan een woning waarvan de eerste ingebruikneming ten minste tien jaar voorafgaat aan het eerste tijdstip van opeisbaarheid van de btw dat zich voordoet overeenkomstig artikel 22, § 1 of artikel 22b1s van het Wetboek;*
>
> *4°* *de handelingen moeten worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker;*
>
> *5°* *de door de dienstverrichter uitgereikte factuur en het dubbel dat hij bewaart, moeten, op basis van een duidelijk en nauwkeurig attest van de afnemer, melding maken van het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen; behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of klaarblijkelijk niet naleven van onderhavige bepaling, ontlast het attest van de afnemer de dienstverrichter van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief."*

*§ 3.* *Worden beoogd*

*1°* *het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen en het onderhouden, met uitsluiting van het reinigen, geheel of ten dele, van een uit zijn aard onroerend goed;*

*2°* *prestaties die erin bestaan een roerend goed te leveren en het meteen op zodanige wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend uit zijn aard wordt;*

*3°* *iedere handeling, ook indien niet beoogd in de bepaling onder 2°, die tot voorwerp heeft zowel de levering als de aanhechting aan een gebouw:*

*a)* *van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een installatie voor centrale verwarming of airconditioning, daaronder begrepen de branders, de reservoirs en de regel- en controletoestellen verbonden aan de ketel of aan de radiatoren;*

*b)* *van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een sanitaire installatie van een gebouw en, meer algemeen, van*

*al de vaste toestellen voor sanitair of hygiënisch gebruik aangesloten op een waterleiding of een riool;*

*c)* *van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische installatie van een gebouw, met uitzondering van toestellen voor de verlichting en van lampen;*

*d)* *van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische belinstallatie, van brandalarmtoestellen, van alarmtoestellen tegen diefstal en van een huistelefoon;*

*e)* *van opbergkasten, gootstenen, gootsteenkasten en meubels met ingebouwde gootsteen, wastafels en meubels met ingebouwde wasbak, zuigkappen, ventilators en luchtverversers waarmee een keuken of een badkamer is uitgerust;*

*f)* *van luiken, rolluiken en rolgordijnen die aan de buitenkant van het gebouw worden geplaatst;*

*4°* *iedere handeling, ook indien niet beoogd in de bepaling onder 2°, die tot voorwerp heeft zowel de levering van wandbekleding of vloerbekleding of ¬bedekking als de plaatsing ervan in een gebouw ongeacht of die bekleding of bedekking aan het gebouw wordt vastgehecht of eenvoudig ter plaatse op maat gesneden volgens de afmetingen van de te bedekken oppervlakte;*

*5°* *het aanhechten, het plaatsen, het herstellen en het onderhouden, met uitsluiting van het reinigen, van goederen bedoeld in de bepaling onder 3° en 4°;*

*6°* *de terbeschikkingstelling van personeel met het oog op het verrichten van de hierboven bedoelde handelingen.*

*§ 4. Het verlaagd tarief is in geen geval van toepassing op:*

*1°* *werk in onroerende staat en andere onroerende handelingen, die geen betrekking hebben op de eigenlijke woning, zoals bebouwingswerkzaamheden, tuinaanleg en oprichten van afsluitingen;*

*2°* *werk in onroerende staat en andere onroerende handelingen, die tot voorwerp hebben de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van zwembaden, sauna's, midgetgolfbanen, tennisterreinen en dergelijke installaties;*

*3°* *het gedeelte van de prijs met betrekking tot de levering van verwarmingsketels in appartementsgebouwen alsook op de levering van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van liftinstallaties.*

2.3.

In de btw-[aanschrijving 86/006](https://juriel.be/fr/circulaires/6-1986-f342) van 22 augustus 1986 wordt het onderscheid verduidelijkt tussen het bouwen en de omvorming of verbouwing.

Bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 juli 1986 werd destijds in tabel A van de bijlage aan KB20 een nieuwe rubriek XXXI ingevoegd, met de titel "Werk in onroerende staat met betrekking tot privéwoningen", waarin beperkend de handelingen worden vastgesteld die vanaf 1 augustus 1986 de fiscale gunstmaatregel blijven genieten van het verlaagd btw-tarief. Naar aanleiding van de invoering van deze nieuwe rubriek heeft de btw-administratie haar standpunt verduidelijkt wat voortaan moet begrepen worden onder een 'verbouwing', onderworpen aan het verlaagd btw-tarief van 6%, en wat aangemerkt moet worden als een 'nieuwbouw' of 'vernieuwbouw', onderworpen aan het normale btw-tarief.

Deze btw-standpunten werden opgenomen in [aanschrijving 86/006](https://juriel.be/fr/circulaires/6-1986-f342) van 22 augustus 1986, 'Verlaagd tarief in onroerende sector vanaf 1 augustus 1986' en werden tot op heden niet herroepen.

Het enige verschilpunt tussen de rubrieken XXXI en XXVIII van tabel A van de b:jlage aan KB20 is de vereiste ouderdom van het 'verbouwde' onroerend goed, opgenomen in § 1, 3° van deze rubrieken : vijftien jaar in rubriek XXXI en tien jaar in rubriek XXVIII.

De eerste voorwaarde om het verlaagd tarief te kunnen toepassen op grond van voormelde rubrieken XXXI of XXVIII van tabel A van de bijlage aan KB20 is dat de handelingen de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp moeten hebben, op grond van § 1, 10 van deze rubrieken.

Het onderscheid tussen het bouwen en de omvorming of verbouwing wordt verduidelijkt in de randnummers 29 tot 31 van de voormelde [aanschrijving 86/006](https://juriel.be/fr/circulaires/6-1986-f342):

*"Onderscheid tussen het bouwen en de omvorming of verbouwing*

*29.* *Werk in onroerende staat dat de omvorming van een woning tot voorwerp heeft, is, indien alle andere voorwaarden zijn vervuld, onderworpen aan het tarief van 6 pct.*

*30.* *Onder "omvorming" wordt verstaan de verbouwing zowel aan de buitenkant (en inzonderheid de rehabilitatie) als aan de binnenkant van het gebouw of de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken en de uitbreiding van bestaande vertrekken.*

*Evenzo wordt het bestaan van een verbouwing niet bekritiseerd wanneer de renovatie werken op een relevante wijze steunen op oude dragende muren (inzonderheid de buitenmuren) en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw.*

*31.* *Daarentegen dient als een bouwwerkzaamheid die bijdraagt tot de oprichting van een nieuw gebouw te worden aangemerkt:*

*1°* *het herbouwen van een gebouw na afbraak, zelfs in geval van behoud der funderingen en kelders van het oude gebouw of van bijkomende elementen van zijn structuur (b.v. alleen de voorgevel aan de straatzijde behouden omwille van de integratie in het stedelijk kader);*

*2°* *in geval van de bouw van een of meer bijkomende appartementen in een appartementsgebouw door bovenbouw of op een andere wijze, wanneer deze nieuwe appartementen, onder toepassing van het stelsel van mede-eigendom, vervreemdbaar zijn met toepassing van de BTW;*

*3°* *ingeval de eigenaar een gebouw aan het zijne aanbouwt, indien deze aanbouw geen vergroting is van het eerste gebouw, maar een nieuw gebouw dat op zichzelf vatbaar is voor vervreemding onder het stelsel van de BTW, daar het onderscheiden is van het oude gebouw;*

*4°* *in geval van een grondige (z. nr. 30, 2de lid, a contrario, en 1° van onderhavig nummer) omvorming van een schuur of een ander bijgebouw van een boerderij tot een woonhuis.*

*In deze situatie, waarbij de omvorming wordt gelijkgesteld met een oprichting, is het tarief van 21 pct. toepasselijk, met uitsluiting van het verlaagd tarief.*

*Herbouwen*

*32.* *Het herbouwen van een woning wordt gelijkgesteld met het bouwen telkens als, gelet op de omvang van de vernieling of van de afbraak van het gebouw, de werken in feite bijdragen tot de oprichting van een nieuw gebouw (z. nr. 31).*

*33.* *Anders is de situatie in het geval van gedeeltelijke vernieling, indien de werken zelfs belangrijke herstellingen tot voorwerp hebben, met het oog op het opnieuw in goede staat brengen van het gebouw. Indien alle andere voorwaarden zijn vervuld is in dergelijk geval het tarief van 6 pct. van toepassing."*

2.4.

Eiser werpt op dat bij de renovatie van het woonhuis (enkel) de aanbouw grotendeels werd gesloopt, die nadien ook niet opnieuw werd heropgebouwd. Het woongedeelte werd voorts nagenoeg helemaal behouden en gerenoveerd, d.i. zonder de daaraan verbonden aanbouw.

Het woongedeelte zelf werd dus niet gesloopt, enkel grotendeels de aanbouw.

Met betrekking tot het woongedeelte (lot B) gaat het echter niet om een gebouw dat werd afgebroken en weer heropgebouwd. Immers, de aanbouw werd grotendeels gesloopt maar werd nadien niet opnieuw opgetrokken. De aanbouw is daarentegen (permanent) verdwenen.

Er is bijgevolg geen sprake van een afbraak en heropbouw van een bestaand gebouw, en dus ook niet van een nieuwbouw.

Vervolgens argumenteert eiser dat "Ook de oppervlakte-toets doorstaat het project met glans en zelfs met overschot." De totale oppervlakte van de bestaande woning na de afbraakwerken van de aanbouw bedroeg: 198,57 vierkante meter. De totale oppervlakte van het woonhuis na de renovatie bedraagt 244,47 vierkante meter (d.i. inclusief de buitenmuren).

Het oude, bestaande woonhuis beslaat dus ook na de renovatie nog meer dan de helft van de oppervlakte van het gerenoveerde pand, dat bovendien tevens steunt op de reeds aanwezige dragende structuren en de wezenlijke elementen daarvan.

Samenvattend stelt eiser dat het bestaande woongedeelte de essentie is en de spil van het renovatieproject als de hoofdzaak van waaruit de werken vertrekken in functie waarvan de plannen zijn uitgedacht. Nagenoeg het gehele vooraf bestaande woongedeelte is integraal behouden en het gerenoveerde eindresultaat werd daarin geïncorporeerd.

Eiser is dan ook van oordeel dat de werken aan de privé-woning en de daarvoor noodzakelijke afbraak van het bijgebouw onmiskenbaar renovatiewerken zijn die onder het verlaagde btw-tarief van 6% vallen. Volgens eiser zijn de uitgevoerde werken aan de woning en de daarvoor noodzakelijke afbraakwerken van het bijgebouw allerminst nieuwbouwwerken.

2.5.

De rechtbank stelt vast dat de fiscale administratie uit het nazicht van de plannen van de bestaande toestand van het gelijkvloers, eerste verdieping en zolderverdieping enerzijds en de goedgekeurde bouwplannen anderzijds van eiser aangaande de steun en structuur van de woning heeft vastgesteld dat het oude gebouw quasi volledig werd afgebroken.

De uitgevoerde afbraakwerken betroffen:

\- de volledige achterbouw (er was geen achtergevel meer);

\- alle binnenmuren op elk niveau;

\- de bestaande gewelven/vloerplaten tussen het gelijkvloers en de 1ste verdieping en tussen de 1ste verdieping en de zolderruimte, werden volledig gesloopt;

\- de bestaande dakconstructie werd volledig gesloopt;

\- de behouden buitenmuren werden eveneens grondig gewijzigd: alle bestaande raamopeningen werden dichtgemaakt en er werden nieuwe raamopeningen gemaakt waarbij het plaatsen van nieuwe dragende elementen noodzakelijk was.

Na de sloopwerken was het gebouw binnenin een grote, open ruimte van waaruit men de lucht kon zien. Het enige wat er immers overbleef na de afbraakwerken, waren drie buitenmuren van het hoofdgebouw. Meer in het bijzonder de gemeenschappelijke linkermuur, de rechterzijgevel en de voorgevel die thans grondig werden gewijzigd.

De uitgevoerde oprichtingswerken betroffen:

\- de woning werd uitgebreid op het gelijkvloers;

\- de woning werd voorzien van

\* nieuwe betonnen tussenvloeren voor elk niveau;

\* nieuwe binnenmuren op elke niveau;

\* nieuw dak;

\* nieuwe achtergevel.

2.6.

Op basis van de hierboven gedane vaststellingen, door de fiscale administratie, kan de rechtbank niet afleiden dat de bestaande woning, zoals eiser voorhoudt, 'zo goed als integraal werd behouden'.

Omwille van het nieuw metselwerk en de nieuwe dragende structuren dient vastgesteld te worden dat de bestaande dragende structuur op ingrijpende wijze gewijzigd en verstevigd werd. Uit het voorgelegde stuk 14/3-5 blijkt o.m. dat de bestaande woning dermate verbouwd werd dat de steun zowel binnen als buiten het gebouw grondig diende te worden aangepast met onder meer de plaatsing van nieuwe dragende poutrellen, nieuwe steunbalken, nieuwe binnenmuren, ... die noodzakelijk waren voor de heroprichting van de woning. Doordat het houten gebinte van de bestaande woning aangetast bleek en gedeeltelijk rot was, werden er ook stevigere betonnen welfsels aangebracht om bijkomende ondersteuning te bieden.

2.7.

Verder merkt de rechtbank op dat het oude gebouw quasi volledig werd afgebroken, zodat de uitgevoerde werken in onroerende staat aan de betreffende privéwoning onmogelijk op relevante wijze kunnen steunen op de oude dragende muren en meer algemeen op de wezenlijke elementen van de structuur van het bestaande gebouw. De zienswijze van eiser in deze is niet geloofwaardig.

2.8.

De rechtbank is van oordeel dat verweerster dan ook terecht heeft vastgesteld dat er sprake is van een wezenlijke structuurwijziging waarbij de bestaande woning voor het overgrote deel werd afgebroken en een nieuwe woning werd heropgebouwd, op enkele gevels na. De rechtbank deelt niet de zienswijze van eiser dat de heroprichting van de eerste verdieping en de zolderverdieping worden beschouwd als louter uitbreidingswerken.

2.9.

Eiser werpt verder op dat op basis van het oppervlaktecriterium het verlaagd tarief dient toegepast te worden. De totale oppervlakte van het woonhuis na de renovatie bedraagt 244,47 m2 (inclusief buitenmuren).

2.10.

De rechtbank merkt op dat het plaatsen van nieuwe vloerplaten die niet steunen op oude dragende (binnen)muren, tot gevolg heeft dat zowel de eerste verdieping als de zolderruimte als nieuwe oppervlakte moeten worden beschouwd. Verweerster heeft terecht vastgesteld dat de bestaande woonruimte op het gelijkvloers uitgebreid werd met een aantal vertrekken (o.a. keuken en berging) die als verlengde aan het oude pand werden toegevoegd, en dus ook als nieuwe oppervlakte te beschouwen zijn. Concreet betekent dit dat de oppervlakte van het oude gedeelte minder dan 1/3de bedraagt van de totale oppervlakte. Enkel de oppervlakte van de bestaande woonruimte op het gelijkvloers kan in aanmerking genomen worden als maximaal behouden oppervlakte, wat dus ontegensprekelijk minder is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning.

De totale oppervlakte van het woonhuis na uitvoering van de werken bedraagt 244,47 m2 (incl. de buitenmuren).

De totale oppervlakte van de oude woonruimte op het gelijkvloers, de eerste verdieping en de zolderverdieping na de afbraakwerken van de aanbouw bedroeg samen 198,67 m2. Zodoende bedroeg de oppervlakte van elke ruimte afzonderlijk 66,19 m2 (incl. de buitenmuren).

Louter ten overvloede is de rechtbank dan ook van oordeel dat zowel de eerste verdieping als de zolderruimte, als een nieuwe oppervlakte moet worden beschouwd en de uitbreiding van het woongedeelte op het gelijkvloers met nieuwe vertrekken uiteraard evenmin in aanmerking komt als behouden oppervlakte. Bij de vergelijking tussen de totale oppervlakte van het oude deel dat blijft na uitvoering van de werken en de totale oppervlakte van de woning (244,47 m2) dient dan ook enkel rekening gehouden te worden met de oppervlakte van de oude woonruimte op het gelijkvloers (66,19 m2). Deze bedraagt amper 27% van de totale oppervlakte van de woning na renovatie.

De fiscale administratie heeft terecht vastgesteld dat het 'behouden' gedeelte minimaal is en dat het begrip 'nieuwbouw' dan ook terecht is.

*Besluit*

2.11.

De rechtbank besluit, op grond van de hierboven gemaakte vaststellingen en overwegingen, dat verweerster terecht heeft geoordeeld dat in het voorliggende geschil geen sprake is van een omvorming of een renovatie doch van een nieuwbouw waarbij het btw-tarief van 21 % correct werd toegepast (inclusief de geldboete)

De zienswijze van eiser dat het verlaagd btw-tarief van 6% van toepassing is aangezien het gaat om de grondige renovatie van een bestaande woning, en niet om een nieuwbouw, wordt niet gevolgd.

Eiser faalt in zijn bewijslast.

De vordering van eiser is ongegrond.

Alle meeromvattende en strijdige argumenten worden verworpen als niet ter zake dienend.

## V. GERECHTSKOSTEN

1\. De kosten omvatten in de onderliggende zaak de bijdrage voor de oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand (artikel 1018, 8° van het Gerechtelijk Wetboek) en de rechtsplegingsvergoeding (artikel 1018, 6° juncto artikel 1022 Ger. W.).

In toepassing van de artikelen 279 en 162,4° van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten is geen rolrecht verschuldigd.

2\. Aangezien verweerster geen beroep op een advocaat heeft gedaan, kan zij ook geen aanspraak maken op een rechtsplegingsvergoeding. In deze omstandigheid is het dan ook overbodig tot begroting ervan over te gaan.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**BESLIST DE RECHTBANK**, recht doende op tegenspraak,

met inachtneming van de artikelen 2 en 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken:

\- alle meeromvattende en strijdige argumenten te verwerpen als niet ter zake dienend;

\- de vordering van eiser wat betreft de vernietiging van de administratieve beslissing onontvankelijk te verklaren;

\- de vordering voor het overige ongegrond te verklaren;

\- eiser te veroordelen tot de kosten van deze aanleg met name de bijdrage bedoeld in artikel 4 § 2 en 5 §§ 1 en 2 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand ten belope van 20,00 EUR ten zijne laste te leggen en te zeggen voor recht dat dusver geen andere kosten van het geding te begroten zijn.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op maandag 13 november 2023, waar aanwezig waren :

\- Thierry Loquet, rechter, voorzitter van deze kamer,

\- Twiggy De Zutter, griffier.

## Textes cités

1

[AR no 20 art. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-20-juillet-fixant-taux-taxe-valeur-b38e) 3 occurrences
