---
title: "Taux de TVA réduit, Rénovation · Cour d&#x27;appel de Gand, 10 mars 2026, 2024/AR/1614"
description: "Taux de TVA réduit, Rénovation. Cour d'appel de Gand (Belgique), 10 mars 2026, 2024/AR/1614."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/taux-tva-reduit-renovation-cour-appel-gand-2026-03-10-a6d1"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Taux de TVA réduit, Rénovation

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Gand

**Numéro de rôle**

2024/AR/1614

**Date**

10 mars 2026

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

263 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la cour d'appel de Gand du 10.03.2026 (2024/AR/1614)

\[ FIN 55011572-01 \]

\[ Arrêt mixte \]

*TVA – Taux de TVA réduit – Rénovation*

## Résumé

Pas disponible

**Texte intégral:**

### Corps de la décision

Cet arrêt n'est disponible que dans la langue originale.

**Arrest van het Hof van Beroep te Gent d.d. 10.03.2026 (2024/AR/1614)**

2024/AR/1614 - In de zaak van:

1.**J.V.H.,** RRN ...,

wonende te ... ..., ...,

2.**N.D.,** RRN ...,

wonende te ... ..., ...,

*appellanten,*

*beiden hebbende als raadsman mr. DANIELS Zosia, advocaat te 2600 BERCHEM, Grotesteenweg 214 bus 4* ***en*** *mr. DE MAEIJER Stein, advocaat te 1000 BRUSSEL, Havenlaan 86C bus 419*

tegen

**BELGISCHE STAAT,** ON ...

Minister van Financiën, 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12,

Algemene Administratie Fiscaliteit, Centrum KMO Aalst, Team 7, met burelen te 9100 SINT-

NIKLAAS, Driekoningenstraat 4,

*geïntimeerde,*

*hebbende als raadsman mr. BRICOUT Tine* ***en*** *mr. DECORDIER Carmenta, beiden advocaat te 9041 OOSTAKKER, Orchideestraat 61 bus A*

wijst het hof het volgend arrest:

## 1. De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift van 29 oktober 2024 hebben de appellanten hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zesde kamer, op 24 april 2024 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 22/1510/A, waarvan niet blijkt dat het zou zijn betekend.

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 10 februari 2026, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

## 2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

De appellanten zijn de eigenaars van een woning in Beveren.

Zij hebben in 2020 en 2021 een grondige renovatie doorgevoerd waarvoor de aannemers

het verlaagd tarief van 6% hebben toegepast.

De woning is een koppelwoning en heeft als zodanig een gemene muur met de 'wederhelft' van de koppelwoning.

De woning voor de verbouwing (hierna 'de bestaande woning') bestond uit een voorste gedeelte met op de benedenverdieping een inkomhal met trap, een keuken, berging en living en op de bovenverdieping een traphal, twee slaapkamers en een badkamer (met toilet). Er waren ook nog een zolder (grotendeels onder de schuine wanden van het dak) en *een* kelder. De eetkamer en wasplaats bevonden zich in een achterbouw waarachter zich nog drie 'achterplaatsen' bevonden (waarvan 1 met toilet). De tweede achterbouw bevonden zich onder een zadeldak, maar voor het overige had de achterbouw maar 1 bouwlaag met plat dak.

Van de bestaande woning werd alleen het voorste gedeelte behouden. De volledige achterbouw werd gesloopt.

In het voorste gedeelte werd de trap naar boven verwijderd (de trap naar de kelder is behouden) en werd de inkom (met traphal) naar het achterste gedeelte van de zijkant gebracht. In de plaats waar de inkomhal, de trap en de living waren, is nu, na verbouwing, een grote slaapkamer met eigen douche en dressing. Er is beneden ook een toilet dat bereikbaar is via de inkomhal. In dat voorste deel op de eerste verdieping bevinden zich nu nog een toilet en een (tweede) slaapkamer (waarlangs de zolder bereikbaar is).

De (ruime) hal (overloop) op de eerste verdieping geeft nu (ook) toegang tot een badkamer en een (derde) slaapkamer. Die badkamer en slaapkamer zijn gecreëerd in een nieuw gebouwde aanbouw waarvan de ruimte er onder (benedenverdieping) deel uitmaakt van de (veel grotere) leefruimte, zijnde een geïntegreerde keuken, eetplaats en zitplaats. Die (volledig nieuwe) leefruimte is dus voor het grootste gedeelte afgewerkt met een plat dak. Aan de zijkant paalt die leefruimte aan de achterbouw van de wederhelft van de koppelwoning, met name langs de gemene muur. Verbonden met de nieuwe leefruimte en van daaruit met een deur toegankelijk werd ook een nieuwe garage met plat dak gebouwd. Behalve aan de kant van de gemene muur zijn alle buitenmuren van de nieuwe leefruimte en garage nieuw (en staan ze ook niet waar de vroegere muren van de achterbouw stonden).

De geïntimeerde heeft ingeroepen dat het verlaagd tarief van 6% btw niet toepasselijk, maar dat het tarief van 21% btw moet worden toegepast.

De geïntimeerde heeft zich daarvoor beroepen op de stelling dat de uitgevoerde werken met zich brengen dat de nieuwe constructies niet op een relevante wijze steunen op de oude dragende muren, en meer algemeen, op de wezenlijke structuur van het bestaande gebouw.

In het proces-verbaal van 8 februari 2022 maakte de controleagent een berekening waarmee hij vaststelde dat de lengte van de dragende structuren van het bestaande gedeelte 51 meter bedraagt, terwijl de lengte van de dragende structuren van het nieuwe gedeelte 75,80 meter bedraagt. Vermits dat laatste getal hoger is dan de helft van het geheel, zou niet voldaan zijn aan de vereiste om van een omvorming, renovatie of rehabilitatie te kunnen spreken.

De appellanten hebben dat betwist hebben, maar de geïntimeerde bleef op zijn standpunt

en heeft de volgende bedragen nagevorderd:

\- 36.462,27 euro btw;

\- 3.640,00 euro verminderde proportionele geldboete (10%);

Op 15 februari 2022 heeft de ontvanger aan de appellanten een betaalbericht gestuurd voor die bedragen.

De advocaten van de appellanten hebben op 23 februari 2022 herhaald dat er geen akkoord was, dat er een gerechtelijke betwisting zou volgen maar dat de appellanten ondertussen zonder erkenning van schuld de betaling zouden uitvoeren.

Met een verzoekschrift van 8 juni 2022 stelden de appellanten hun vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent.

In het vonnis van 24 april 2024 heeft de zesde kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-

Vlaanderen, afdeling Gent als volgt uitspraak gedaan:

*Verklaart de vordering van eisers ontvankelijk, doch ongegrond.*

*Stelt vast dat er geen kosten van het geding te begroten zijn.*

Het is tegen dat vonnis dat de appellanten hoger beroep hebben ingesteld.

## 3. De vorderingen van de partijen

### 3.1. De vordering van de appellanten

De appellanten vragen in hoger beroep aan het hof om:

*De vordering van concluanten ontvankelijk en gegrond te verklaren;*

*Het bestreden vonnis uitgesproken op 24 april 2024 door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, in de zaak aldaar gekend onder het rolnummer 22/1510/A, teniet te doen en te hervormen in de mate dat de oorspronkelijke vorderingen van concluanten ongegrond werden verklaard;*

*Dienvolgens in hoofdorde:*

** *het proces-verbaal van regularisatie, dan wel de erin vervatte vordering ten titel van belasting over de toegevoegde waarde, verhogingen en interesten, vanwege geïntimeerde, opgesteld op 8 februari 2022 door dhr. F.V.D.B., financieel assistent, met kenmerk NN ... B57T7 Fvdb, betreffende de gecontroleerde periode 1 februari 2020 t.e.m. 30 september 2021, met verschuldigde btw ten bedrage van 36-462,27 EUR en een proportionele geldboete ten bedrage van 3.640,00 EUR, interesten in meer, te vernietigen, minstens te ontheffen;*

** *de opname van de schuld met schuldnummer 500251228760 in het innings- en invorderingsregister, opgemaakt op 21 maart 2022, uitvoerbaar verklaard op 23 maart 2022 en gekend onder het registernummer 202203NL018 te vernietigen, minstens te ontheffen;*

*Dienvolgens in ondergeschikte orde:*

** *de opgelegde proportionele geldboete volledig kwijt te schelden, minstens substantieel te verminderen;*

*Dienvolgens te zeggen voor recht dat concluanten de in het proces-verbaal gevorderde bedragen niet verschuldigd zijn en geïntimeerde te horen veroordelen om alle ten onrechte betaalde, ingehouden en/ of op de bestreden vordering aangerekende bedragen aan concluanten terug te betalen, meer de moratoriuminteresten;*

*En tot slot, geïntimeerde te veroordelen tot de betaling van alle kosten van het geding, met inbegrip van de bijzondere bijdrage ter financiering van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsplegingsvergoeding op grond van artikel 2 KB van 26 oktober 2007 (cfr. Artikel 1022 Ger. W.):*

 Eerste aanleg: 3.750,00 EUR

 Hoger beroep: 3.924,42 EUR

Totaal: 7.674,42 EUR

### 3.2. De vordering van degeïntimeerde

De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:

*Het verzoekschrift ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, en dienvolgens:*

 *het vonnis zoals verleend door de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent d.d. 24 april 2024, gekend onder rolnummer 22/1510/A te bevestigen in alle onderdelen;*

 *te bevestigen dat in dit geschil het verlaagd btw-tarief van 6% niet van toepassing is op de uitgevoerde werken. De werken dienden op grond van* [*artikel 37*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-37) *en* [*38*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-38) *van het Btw-wetboek en van* [*artikel 1 van het Koninklijk Besluit nr. 20*](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-20-juillet-fixant-taux-taxe-valeur-b38e#ar20-art1) *van 20 juli 1970 gefactureerd te worden met toepassing van het normale btw-tarief van 21%;*

 *de oorspronkelijke vordering van appellanten (voorheen eisers) ongegrond te verklaren;*

 *appellanten te veroordelen tot het betalen van de bedragen die opgenomen zijn in het proces-verbaal van regularisatie inzake btw opgesteld op 8 februari 2022 en het bestreden innings- en invorderingsbericht dat uitvoerbaar werd verklaard op 23 maart 2022, onder schuldnummer … te bevestigen;*

 *appellanten te verwijzen in alle kosten van het geding, met inbegrip van de toepasselijke rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 3.924,42 EUR in graad van beroep;*

 *Gezien geïntimeerde, de Belgische Staat in eerste aanleg zonder advocaat optrad, kan hij in graad van eerste aanleg geen recht laten gelden op een rechtsplegingsvergoeding.*

## 4. De betwistingen en hun beoordeling

### 4.1. Over de verschuldigde btw

De betwisting slaat op het tarief dat toepasselijk is op de werken in onroerende staat die door de appellanten werden uitgevoerd.

De vraag is of die werken "de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben" zoals voorzien in de rubrieken XXXI, §12 en XXXVIII, §13 van tabel A van de bijlage bij Koninklijk Besluit nr. 20, zoals van toepassing in de betwiste periode.

De beide partijen verwijzen in dat verband naar het richtinggevend kader dat uitgaat van administratieve rechtsbronnen waaronder de aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986. Het uitgangspunt blijft weliswaar dat een administratieve aanschrijving geen bindende kracht heeft, maar er moet toch mee rekening gehouden worden om de rechtsonderhorigen die in dezelfde omstandigheden zijn een gelijke behandeling te geven en bovendien rekening te houden met het rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel. Het hof neemt dan ook aan dat de appellanten, zoals alle andere belastingplichtigen, recht hebben op toepassing van het verlaagd btw-tarief van 6% wanneer de interpretatie die in de betreffende aanschrijving door de geïntimeerde als vaste gedragslijn uitdrukt, in het geval van de appellanten gerespecteerd is.

Vermits het 21%-tarief de regel is, ligt de bewijslast hoe dan ook bij de belastingplichtige die er de afwijking van vraagt, zijnde hier de appellanten.

De geïntimeerde betwist niet dat voldaan is aan het oppervlaktecriterium dat beschreven wordt in de aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986. Hoewel dat in wezen vooral het gevolg is van het meetellen van de zolderruimte die volledig onder een schuin dak gelegen is (waardoor ze, zoals de beneden- en eerste verdieping van het voorste deel van de bestaande woning voor 44 m 2 meetelt), is dat geen voorwerp van het geschil.

De betwisting die de partijen voeren slaat alleen op de vraag of de renovatiewerken op een relevante wijze steunen op oude dragende muren en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het gebouw. Onder randnummer 30 van die aanschrijving 6 van 22 augustus 1986 staat immers vermeld:

*Evenzo wordt het bestaan van een verbouwing niet bekritiseerd wanneer de renovatie werken op een relevante wijze steunen op oude dragende muren (inzonderheid de buitenmuren) en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de struktuur van het te renoveren gebouw.*

Volgens de geïntimeerde is het een logische en zeer redelijke redenering van de administratie dat er kan worden van uitgegaan dat de uitgevoerde werken op een relevante wijze steunen op de wezenlijke elementen van het gebouw wanneer de totale lengte van de behouden dragende structuren meer bedraagt dan 50% van de totale lengte van alle dragende structuren na beëindiging van de bouwwerken. Hij stelt dat deze '50%-regel' het voordeel van de duidelijkheid heeft omdat het een te becijferen criterium is.

Deze cijfermatige benadering is een invulling van wat nu expliciet in de BTW-commentaar (via www.minfin.fgov.be) is opgenomen waar (kennelijk sinds november 2021) staat:

*Hierbij dient de totale lengte van de behouden dragende muren betekenisvol hoger te zijn dan de totale lengte van de nieuwe dragende muren. De oude dragende muren die werden afgebroken en heropgebouwd (zelfs indien gemetseld op de dezelfde plaats) worden aangemerkt als nieuwe (dragende) muren.*

Hoewel daarvoor in de aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986 geen toelichting wordt gegeven (en er nog veel minder een wettelijke regeling over bestaat), treedt het hof deze benadering bij. Ze is redelijk, objectiveerbaar en duidelijk zodat ze voor elk geval op een zelfde manier kan worden toegepast. Het is tegen die achtergrond dat de rechtspraak dit criterium als relevant bevestigd heeft (zelfs door het Hof van Cassatie, i.h.b. Cass. 25 juni 2020, rolnr. [F.19.0069.N](https://juriel.be/fr/jurisprudence/batiment-neuf-renovation-travaux-immobiliers-cassation-bruxelles-2020-06-25-1dd1) en Cass. 21 oktober 2022, rolnr. [F.21.0053.N](https://juriel.be/fr/jurisprudence/travaux-immobiliers-taux-reduit-tva-cassation-all-2022-10-21-95a3)).

Dat deze benadering pas in de versie van november 2021 van de btw-commentaar ook expliciet als algemeen administratief standpunt van de geïntimeerde is opgenomen (door er overigens een meer mathematische benadering voor de voorzien ('lopende meter'), belet niet dat dit een gepaste benadering is.

Overigens moeten de appellanten beseffen dat dit een zeer ruime uitlegging is van de vereiste dat de renovatiewerken op een relevante wijze moeten steunen op oude dragende muren en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het gebouw. Het volstaat daartoe te bedenken dat in het geval van de appellanten het achterliggende deel van de bestaande woning (met de eetkamer, wasruimte en drie achterruimtes) volledig gesloopt hebben. In wezen had dat gedeelte ook dragende muren. Alleen de gemene muur werd behouden; alle eigen muren van die achterbouw werden gesloopt zodat op die 'oude dragende muren' niet meer gesteund wordt (kan worden) voor het optrekken van het nieuwe gedeelte.

De partijen twisten hoe dan ook over de vraag of aan de 50%-regel voldaan is zoals hoger uitgelegd, namelijk dat de nieuwe dragende muren niet langer mogen zijn dan de lengte van de behoudend dragende muren.

Die betwisting komt voor van het feit dat de partijen het oneens zijn over wat precies in aanmerking mag genomen worden als dragende muur en bovendien wat als 'behouden' en wat als \`nieuwe' dragende muur moet worden beschouwd in het concrete geval.

De appellanten stellen in conclusies dat moet rekening gehouden worden met de volgende lengtes:

|  | Behouden dragende structuur | Nieuwe dragende structuur | Totaal |
| --- | --- | --- | --- |
| Niveau -1 | 13,1 | - | 13,1 |
| Niveau 0 | 37,51 | 39,55 | 77,06 |
| Niveau +1 | 25,95 | 14,18 | 40,13 |
| Niveau -2 | 17,91 | - | 17,91 |
|  | 94,47 | 53,73 | 148,2 |

**63,74%** **36,26%**

De geïntimeerde maakt in conclusies (aangepast aan de aanvullend bijgebrachte stukken) de volgende berekening:

|  | Behouden dragende structuur | Nieuwe dragende structuur | Totaal |
| --- | --- | --- | --- |
| Niveau -1 | 13,1 | - | 13,1 |
| Niveau 0 | 17,35 | 69,25 | 86,6 |
| Niveau +1 | 24,34 | 25,16 | 49,5 |
| Niveau -2 | 2,55 | - | 2,55 |
|  | 57,34 | 94,41 | 151,75 |

**37,79% 62,21%**

Er moet worden opgemerkt de geïntimeerde hier en daar andere afstanden gemeten heeft dan de appellanten. Op vraag van het hof, naar aanleiding van de openbare terechtzitting van 10 februari 2026, stelt de geïntimeerde dat hij de meetfunctie van Adobe Acrobat Reader gebruikt heeft. Het hof stelt vast dat dit sowieso niet in het nadeel van de appellanten blijkt te zijn; zo neemt de geïntimeerde voor het H-profiel in de nieuwe leefruimte met daarboven de nieuwe achtergevel op de eerste verdieping telkens een lengte van 6,60 meter in aanmerking, terwijl de appellanten respectievelijk 7,07 en 6,97 meter nemen.

Voor de door de geïntimeerden gebruikte cijfers stelt het hof vast dat deze niet geheel overeenkomen met wat hun architect in haar opmetingsverslag (hun stuk 2) vermeld heeft. Daar waar de cijfers in het verslag cijfers weergeven die duidelijk op bijgaande plannen vermeld staan, is niet duidelijk waar het verschil met de in conclusies vermelde cijfers precies zit. Het hof zal hierna rekening houden met de cijfers zoals weergegeven door de architect. Dat geeft het volgende schema:

|  | Behouden dragende structuur | Nieuwe dragende structuur | Totaal |
| --- | --- | --- | --- |
| Niveau -1 | 13,1 | - | 13,1 |
| Niveau 0 | 38,68 | 36,58 | 75,26 |
| Niveau +1 | 23,9 | 16,11 | 40,01 |
| Niveau -2 | 17,91 | - | 17,91 |
|  | 93,59 | 52,69 | 146,28 |

**63,98%** **36,02%**

De betwisting heeft te maken met principiële en concrete verschillen over wat als een dragende muur moet worden geïnterpreteerd.

Anders dan waar de appellanten van uitgaan, zijn de buitenmuren (waarmee bedoeld wordt de muren aan de buitenkant van een gebouw) in de regel wel degelijk dragende muren. De appellanten willen bepaalde gedeelten waar de buitenmuur niet ten volle uit steen bestaat als niet-dragende muur in aanmerking nemen. Dat is het bijzonder het geval waar bepaalde glaspartijen of de garagepoort onder een draagbalk (bovendorpel) steekt; toch heeft die buitenmuur een dragende functie omdat die draagbalk en het gedeelte (stenen) muur erboven hetzij de bovenstaande muur (van de verdieping) of het dak draagt of minstens helpt dragen. Dat het verwijderen van een dergelijke muur niet meteen tot gevolg heeft dat het bovenstaande gedeelte 'instort', sluit niet uit dat hij bijdraagt tot het dragen van het bovenstaande gedeelte.

In die zin moeten aan de cijfers voor 'nieuwe dragende structuur' van de appellanten de volgende cijfers worden toegevoegd:

\- op niveau 0, voorkant garage: 3,45 m (het is onduidelijk waar de geïntimeerde in zijn proces-verbaal de lengte van 3,65 m haalt);

\- op niveau 0:, achterkant garage: 2,90 m;

Verder laat de geïntimeerde met reden gelden dat op niveau 1 aan de rechter zijgevel, ter hoogte van het plat dak van de buurman een nieuwe steunende muur werd opgetrokken: 2,50 meter.

Het grootste cijferverschil heeft betrekking op de vraag of de gemene muur al dan niet als dragende muur in aanmerking kan worden genomen. De geïntimeerde is in eerste orde van oordeel dat dit nooit het geval kan zijn. Toch houdt hij daar niet aan vast maar stelt hij dat voor het gedeelte van de gemene muur waartegen de (nieuwe) leefruimte gebouwd is, hoe dan ook in concreto niet kan worden aangenomen omdat blijkt dat door de aannemer tegen die gemene muur een steen van 14 cm als 'dragende muur' werd geplaatst. In die zin heeft geïntimeerde voor de benedenverdieping in het cijfer 69,25 meter de lengte van dat deel van de gemene muur (17,25 m) opgenomen. Hetzelfde heeft hij gedaan voor een lengte van 1,36 meter verstevigde gemene muur op de eerste verdieping (wat kennelijk overeenstemt met het gebied waar de achtermuur van de voorbouw minder diep kwam waardoor de living op de benedenverdieping iets dieper kwam dan de slaapkamer erboven, kennelijk waar de dakkapel was); het cijfer 25,16 meter is gelijk aan 23,80 meter + 1,36 meter. De eerste 6,34 meter van de gemene muur op de bovenverdieping wordt door de geïntimeerde wel meegerekend in het cijfer 24,34 meter voor de behouden dragende structuur, volgens hem omdat deze niet werd verstevigd.

Hoewel de geïntimeerde dat standpunt in zijn berekening niet doordrijft (waardoor het hier in wezen niet relevant is) stelt hij ten onrechte dat een gemene muur nooit een steunmuur kan zijn. Het feit dat een muur gemeen is, belet immers op zich niet dat er mag op gesteund worden; dat is immers voorzien in artikel 657 Oud BW (dat toen nog toepasselijk was), en in licht gewijzigde vorm overgenomen is in artikel 3.1.1.2. BW.

De geïntimeerde moet evenwel gevolgd worden in zijn standpunt dat een gemene muur, ook al kan er in principe tegen gesteund worden, niet meegeteld wordt indien tegen die gemene muur een nieuwe muur opgetrokken wordt om die gemene muur te versterken. Afgezien van het feit dat die nieuw voorgeplaatste muur daadwerkelijk als steunpunt kan dienen voor de bovenliggende structuur, geeft hij onwillekeurig extra steun aan die muur, niet alleen door er staan maar ook doordat hij het geheel dikker en dus steviger maakt. Dat blijkt het geval te zijn in de achterbouw waar over de hele lengte van de zijgevel (gemene muur) een stenen muur werd geplaatst in stenen van 14 cm. Het geheel van bestaande muur en nieuw gemetste muur biedt steun voor het plat dak en de nieuwe achterbouw van de eerste verdieping (met inbegrip zelfs de draagbalk over de volle breedte van de nieuwe achtergevel op die verdieping). Het was in dat verband zeker ook nuttig dat onder die volledige lengte een sleuf funderingsbeton werd gegoten (waarvoor de sleuf volgens het plan trouwens zelfs iets dikker was dan de overige funderingssleuven).

Het hof volgt ook de geïntimeerde dat het feit dat in het oude gedeelte, rechts, langsheen de gemene muur op de benedenverdieping een baksteen van 14 cm dik werd aangebracht, het doel is geweest om de muur te verstevigen om er op te dragen. Terecht wijst de geïntimeerde op het feit dat uit de offerte van de aannemer blijkt dat deze de betreffende muren beschreef als 'dragende binnenmuur — snelbouw/dikte 14 cm', wat bevestigt dat het om een dragende muur moest gaan. De factuur van de aannemer neemt die post onveranderd over, zodat de uitvoering beantwoordt aan die offerte.

De verklaring van de ingenieur-stabiliteit van 21 augustus 2024 (stuk 3) kan daar niets aan afdoen. Deze verwijst naar wat hij voorzien had in zijn stabiliteitsstudie van 1 april 2020. Hoewel hij verklaart dat het voorzien was dat het mogelijk was om op de gemene muur te steunen, zegt hij niets over de uiteindelijk gekozen wijze van uitvoering; de stabiliteitsstudie zelf ligt niet voor, en hij verklaart niet waarom een steen met een breedte voor dragende muren gekozen werd.

De versteviging op de eerste verdieping met 1,36 meter blijkt ook terecht: op het plan van de oorspronkelijke toestand staat daar geen muur vermeld.

In die omstandigheden moet aan de cijfers van de appellanten het volgende worden

toegevoegd bij de 'nieuwe dragende structuur':

\- niveau 0, versteviging gemene muur: 17,25 meter;

\- niveau 1, nieuwe muur: 1,36 meter.

Zoals met de partijen naar aanleiding van de openbare terechtzitting van 10 februari 2026 besproken blijkt dat de appellanten voor de zolderverdieping (niveau 2) ten onrechte het nokgebinte (5,3 + 2,0 = 7,3 m) hebben meegerekend als dragende structuur. Dat gebinte maakt deel uit van het dak en wordt gedragen door de zijgevel en de gemene muur.

Verder blijkt dat de geïntimeerde ten onrechte de gemene muur op de zolder niet meetelt; naar aanleiding van de openbare terechtzitting van 10 februari 2026 heeft hij erkent dat dit een vergissing is. De lengte die de architect van de appellanten vermeldt, namelijk 5,67 meter kan in aanmerking genomen worden.

Ook het stukje voorgevel waarop het kildak rust moet worden meegerekend, zijnde voor 1,64 meter.

De beide partijen brengen de zijgevel in rekening met dien verstande dat de appellanten hiervoor 3,3 meter rekenen en de geïntimeerde slechts 2,55 meter. Vermits het hof de lengte van 2,55 meter op geen enkel plan terugvindt, wordt het cijfers van de appellanten aangenomen, zijnde 3,3 meter. Dat brengt het totaal voor de dragende muren van de zolder op (1,64 + 5,67 + 3,3 =) 10,61 meter.

Wat de binnenmuren betreft, zijn er diverse betwistingen. In zoverre de appellanten betwisten dat bepaalde nieuwe binnenmuren een dragend karakter hebben en dus volgens hen door de geïntimeerde ten onrechte aan het cijfer 'nieuwe dragende structuur' worden toegevoegd, blijkt evenwel dat ook zonder die toevoeging al vaststaat — gelet op wat hoger is geoordeeld — dat het cijfer voor de 'behouden dragende structuur' lager ligt dan het cijfer voor de 'nieuwe dragende structuur'. Aangepast aan wat hoger is vastgesteld, moeten de cijfers van de appellanten immers als volgt worden bijgesteld:

|  | Behouden dragende structuur | Nieuwe dragende structuur | Totaal |
| --- | --- | --- | --- |
| Niveau -1 | 13,1 | - | 13,1 |
|  |  | (36,58 + 2,9 + 3,45 |  |
| Niveau 0 | (38,68 - 6,06 — 7,72) | + 17,25 + 1,1) = |  |
|  | = 24,9 | 61,28 | 86,18 |
| Niveau +1 | 23,9 | (16,11 + 2,5 +1,36) = 19,97 | 43,87 |
|  | (1,64 + 5,67 + 3,3) = |  |  |
| Niveau -2 | 10,61 | - | 10,61 |
|  | 72,51 | 81,25 | 153,76 |

**47,16%** **52,84%**

Volledigheidshalve, maar ten overvloede kan het hof er nog aan toevoegen dat er minstens een muur op de benedenverdieping onder de trap (1,10 m) een dragende functie moet hebben omdat dat nodig is om de trap te laten op steunen; het hof weet niet hoe de trap technisch is opgebouwd; een verankering in de zijmuren is mogelijk maar niet zeker; minstens moet de trap onder het eerste deel van de trap in rekening worden gebracht.

4.2. Over de verminderde proportionele boete,

De geïntimeerde heeft een boete van 10% opgelegd.

De appellanten vragen om de boete kwijt te schelden omdat ze onevenredig zou zijn nu zij steeds te goeder trouw zouden gehandeld hebben.

Het hof acht het zeer geloofwaardig dat de appellanten (zoals hun architect) in de overtuiging waren dat het volstond dat het oppervlakte criterium gerespecteerd was. Verder moet ermee rekening worden gehouden dat de administratieve richtlijnen wat betreft het criterium met betrekking tot de steunde structuur vager geformuleerd werd (zie hoger). De appellanten hebben ook de nagevorderde sommen betaald, zij het onder voorbehoud.

De goede trouw van de appellanten is bewezen en in een situatie als deze dwingt zich een kwijtschelding van de geldboete op.

## 5. De gerechtskosten

Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van de partijen worden de kosten voor de beide instanties ten laste van de appellanten gelegd voor negen tienden en ten laste van de geïntimeerde voor een tiende.

5.1. Wat het rolrecht betreft

Het rolrecht is vrijgesteld (belastingen (art. 162, 4° + 279/1 Wb.Reg.)).

### 5.2. Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft

#### 5.2.1. Met betrekking tot de eerste aanleg

De vordering in eerste aanleg is in geld waardeerbaar. De rechtsplegingsvergoeding wordt geïndexeerd op datum van de uitspraak (24/04/2024). De waarde van de vordering bevindt zich in de schijf van 20.000,01 tot 40.000,00 euro. Omdat slechts 1 partij een advocaat heeft, moet de partij zonder advocaat (de geïntimeerde), rechtsplegingsvergoeding betalen. De geïntimeerde moet maar een tiende van het gekozen bedrag betalen.

Na indexatie is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 3.000,00 euro. Er is geen reden om af te wijken van het basisbedrag.

De geïntimeerde is aan de appellanten als rechtsplegingsvergoeding een bedrag verschuldigd van 300,00 euro.

#### 5.2.2. Met betrekking tot het hoger beroep

De vordering in hoger beroep is in geld waardeerbaar. De rechtsplegingsvergoeding wordt geïndexeerd op datum van de uitspraak (vandaag). De waarde van de vordering bevindt zich in de schijf van 20.000,01 tot 40.000,00 euro.

Wanneer, zoals hier, de kosten verdeeld worden, moet aan elk van de partijen een rechtsplegingsvergoeding toegekend worden, maar worden de verschuldigde bedragen met elkaar verrekend en is alleen het saldo verschuldigd.

De toe te passen bedragen moeten verdeeld worden volgens de hoger vermelde verdeelsleutel (negen tienden ten laste van de appellanten; een tiende ten laste van de geïntimeerde).

Na indexatie is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 3.139,53 euro. Er is geen reden om af te wijken van het basisbedrag.

De appellanten zijn aan de geïntimeerde per saldo als rechtsplegingsvergoeding een bedrag verschuldigd van (2.825,58 - 313,95 =) 2.511,63 euro.

### Dispositif

## BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak;

Het hof beslist als volgt:

 het hoger beroep is ontvankelijk en deels gegrond;

 het bestreden vonnis wordt vernietigd behoudens waar het de vordering van de appellanten ontvankelijk verklaart;

 het hof doet opnieuw recht voor het overige en verklaart de vordering van de appellanten als volgt gegrond;

\- de schuldtitel van de geïntimeerde met schuldnummer … in het innings-en invorderingsregister, opgemaakt op 21 maart 2022, uitvoerbaar verklaard op 23 maart 2022 en gekend onder het registernummer … wordt ontheven voor gedeelte ervan dat slaat op de belastingverhoging;

\- de geïntimeerde wordt bevolen om terugbetaling uit te voeren van al wat al teveel betaald werd door de appellanten te vermeerderen met de wettelijke moratoriuminterest;

 het hof veroordeelt de appellanten tot het betalen van negen tienden en de geïntimeerde tot het betalen van een tiende van de gerechtskosten van de beide instanties, vastgesteld als volgt:

\- aan de kant van de appellanten:

 bijdrage begrotingsfonds eerste aanleg: 24,00 EUR

 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 3.000,00 EUR

 bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 24,00 EUR

 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 3.139,53 EUR

 aan de kant van de geïntimeerde:

 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 3.139,53 EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, **VIJFDE KAMER,** recht doende in fiscale zaken, op **tien maart tweeduizend en zesentwintig.**

Dries Vandeputte, kamervoorzitter, alleenrechtsprekend

An Van Wijnsberge, griffier

## Textes cités

3

[AR no 20 art. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-20-juillet-fixant-taux-taxe-valeur-b38e) 1 occurrence

[CTVA art. 37](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-37) 1 occurrence

[CTVA art. 38](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-38) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Rénovation, nouvelle construction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/renovation-nouvelle-construction-taux-reduit-cour-appel-mons-2026-06-05-0589) 2 dispositions communes

[Taux réduit, Principe de la confiance légitime](https://juriel.be/fr/jurisprudence/taux-reduit-principe-confiance-legitime-tribunal-gand-2022-06-13-0a74) 2 dispositions communes

[Séminaire, Différents taux de TVA](https://juriel.be/fr/jurisprudence/hotel-seminaire-differents-taux-tva-tribunal-2026-04-20-0f2e) 2 dispositions communes

[Taux TVA de 6%, immeuble bâti](https://juriel.be/fr/jurisprudence/taux-tva-immeuble-bati-exemption-cour-appel-gand-2023-10-213e) 2 dispositions communes

[Redevable de la taxe, Autoliquidation, Prescription](https://juriel.be/fr/jurisprudence/redevable-taxe-autoliquidation-prescription-action-tribunal-bruxelles-2019-12-05-3f7e) 2 dispositions communes

[Traiteur](https://juriel.be/fr/jurisprudence/hotel-traiteur-tribunal-2026-04-20-53fc) 2 dispositions communes

[Travaux immobiliers, Taux TVA réduit de 6 %](https://juriel.be/fr/jurisprudence/travaux-immobiliers-taux-tva-reduit-tribunal-2024-04-24-74e2) 2 dispositions communes

[Travaux immobiliers, Taux réduit de TVA de 6 %](https://juriel.be/fr/jurisprudence/travaux-immobiliers-taux-reduit-tva-tribunal-2024-07-09-9a3d) 2 dispositions communes
