---
title: "L’Octroi du droit d’accéder à des installations culturelles, sportives et de divertissement · Cour d&#x27;appel d&#x27;Anvers, 17 septembre 2013"
description: "L’Octroi du droit d’accéder à des installations culturelles, sportives et de divertissement, Acte complexe. Cour d'appel d'Anvers (Belgique), 17 septembre 2013."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/taux-octroi-droit-acceder-installations-cour-appel-anvers-2013-09-17-69ea"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# L’Octroi du droit d’accéder à des installations culturelles, sportives et de divertissement · Taxe sur la valeur ajoutée – Taux – l’Octroi du droit d’accéder à des installations culturelles, sportives et de divertissement – Acte complexe

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Anvers

**Date**

17 septembre 2013

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

Le texte de ce document est en néerlandais.

## Texte

131 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

**Arrêt de la cour d'appel de Anvers dd. 17.09.2013**

**(2012/AR/2404)**

*Taxe sur la valeur ajoutée - taux -l'octroi du droit d'accéder à des installations culturelles, sportives et de divertissement - acte complexe*

2012/AR/2404

## Résumé

Le droit d'accès au centre de fitness, le droit de l'utiliser et l'assistance aux clients est en effet un acte complexe qui économiquement ne peut être divisé. Pour le consommateur moyen l'assistance, qui sans aucun doute est limitée dans ce cas, est seulement nécessaire pour s'entraîner de façon médicalement responsable. Ces services sont si étroitement liés qu'ils forment objectivement un seul service économique qui ne peut être divisé outre artificiellement.

Par conséquent, le service supplémentaire suit le taux du service principal, à savoir le droit d'accès au centre de fitness en le droit de l'utiliser, sur lequel le taux de 6% de TVA s'applique, et donc l'ensemble doit être soumis au taux de 6% de TVA.

***La décision est publiée uniquement dans la langue originale***

**Arrêt de la cour d'appel de Anvers** **dd. 17.09.2013**

2012/AR/2404

Texte intégral

### Corps de la décision

Hof van beroep, Antwerpen zesde kamer burgerlijke zaken

## Arrest 2012/AR/2404

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Fiscaliteit, sector btw, in de persoon van de rekenplichtige van het 2de BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4 appellant,

vertegenwoordigd door Mr. **V**, advocaat te …

tegen het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 27juni 2012

tegen

**F** BVBA, met maatschappelijke zetel te …, met ondernemingsnummer

…

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. **F** en Mr. **D** loco Mr.

**F**, advocaat te …

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het eensluidend afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak tussen partijen gewezen op 27 juni 2012 door de Vierde F Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, en waartegen een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 10 augustus 2012;

Gehoord partijen in hun middelen en conclusies;

## 1. De feiten:

1.1.- De BVBA **F**, geïntimeerde, is uit hoofde van haar economische activiteit van "uitbating van fitnesscentra" onderworpen aan de B.T.W.-wetgeving en aan de ter uitvoering ervan getroffen besluiten. Zij is als dusdanig geregistreerd onder nummer …

Geïntimeerde baat in de gebouwen van het Koninklijk Atheneum te … een fitnesscentrum uit.

Geïntimeerde mag de ruimten in het Koninklijk Atheneum gebruiken op grond van een bijzondere overeenkomst die erin bestaat dat tijdens de schooldagen en gedurende de gebruikelijke lesuren de fitnesstoestellen kosteloos ter beschikking worden gesteld aan de leerlingen en leerkrachten lichamelijke opvoeding van het Atheneum.

1.2.- Op 10 september 2010 werd door de heer **P. M.**, e.a. inspecteur bij de Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene administratie van de fiscaliteit BTW, na voorafgaande aankondiging, een controle ter plaatse bij geïntimeerde uitgevoerd met betrekking tot de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de BTW over de jaren 2007 tot en met 2009.

Naar aanleiding van deze controle werden een aantal inbreuken vastgesteld waarvan opgave wordt gedaan in een proces-verbaal van 15 december 2010.

Een eerste inbreuk betreft volgens de btw-administratie de verkeerde toepassing van het verlaagd tarief van 6% voor de door geïntimeerde geleverde diensten. Deze diensten dienen onderworpen te worden aan het tarief van 21% btw.

Een tweede inbreuk betreft de toegepaste aftrek van btw. Geïntimeerde stelt fitnesstoestellen ter beschikking aan de leerlingen en leraars van het Koninklijk Atheneum zonder tegenprestatie. Voor deze handelingen, die buiten de werkingssfeer van de btw vallen, kan geïntimeerde de aangerekende btw niet in aftrek brengen. Het recht op aftrek in hoofde van geïntimeerde wordt door de belastingadministratie geraamd op 50%. Door de wnd. E.a. Inspecteur de heer **R. D.** werd vervolgens op 22 december 2010 een dwangbevel met nummer 410/1215/26673 uitgevaardigd, dat op dezelfde datum geviseerd en uitvoerbaar verklaard werd door de heer **J. D.**,wnd. Gewestelijk Directeur van de btw te Antwerpen.

Dit dwangbevel werd samen met een bevel tot betalen aan geïntimeerde betekend op 30 december 2010, bij exploot van gerechtsdeurwaarder **E. R.**, met standplaats te …

Volgens dit dwangbevel is geïntimeerde volgende bedragen verschuldigd:

\- als btw: 30.162,86 €

\- als geldboete op grond van de artikelen 70 §§1-3, §5 en 71 W.BTW: 3.010,00 c

\- als interest aan 0,80 % per maand op grond van artikel 91 §1 W.BTW berekend vanaf 21 januari 2010: 2.895,36 €

\- de moratoire intresten te berekenen op de nog verschuldigde geldboeten, die lopen vanaf de kennisgeving of betekening van het dwangbevel, overeenkomstig artikel 91 §4 W.BTW

\- de vervolgingskosten, de gerechtskosten en de kosten verbonden aan de hypothecaire inschrijvingen.

## 2. De voorafgaande rechtspleging:

2.1.- Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 2 maart 2011, vordert geïntimeerde, de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren; het dwangbevel inzake btw met artikelnummer 410/1215/26673, zoals geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer **J. D.**, wnd. Gewestelijk Directeur van de btw te Antwerpen en uitgevaardigd te Antwerpen door de wnd. E.a. Inspecteur de heer **R. D.** op 22 december 2010 en betekend bij exploot uit het Ambt van gerechtsdeurwaarder **E. R.** dd. 30 december 2010 te vernietigen; de terugbetaling te bevelen van de sommen die geïntimeerde ter aanzuivering van het betwiste dwangbevel reeds zou hebben betaald of die daartoe zijn ingehouden, vermeerderd met de moratoriuminteresten en met de aan geïntimeerde aangerekende en door haar betaalde vervolgingskosten; de Belgische Staat, appellant, te veroordelen tot de kosten van het geding, hierin begrepen de basisrechtsplegingsvergoeding.

2.2.- Het bestreden vonnis uitgesproken op 27 juni 2012 stelt, wat het btw-tarief betreft, dat het recht op toegang tot het fitnesscentrum, het recht ervan gebruik te maken en de begeleiding van de klanten ongetwijfeld een complexe handeling is waarbij economisch gesproken slechts één niet te splitsen dienst wordt verleend. Het zou kunstmatig zijn deze uit elkaar te halen. De begeleiding, die in casu slechts beperkt is, dient volgens de eerste rechter als een bijkomende dienst beschouwd te worden om de hoofddienst, met name het recht op toegang tot het fitnesscentrum en het recht ervan gebruik te maken, voor de modale klant op een medisch verantwoorde wijze mogelijk te maken.

Deze bijkomende dienst volgt het btw-tarief van de hoofddienst waarop het btw-tarief van 6% van toepassing is. De eerste rechter besluit dat het geheel bijgevolg aan het btw-tarief van 6% dient belast te worden. Wat de btw-aftrek betreft, oordeelt de eerste rechter dat geïntimeerde een gedeeltelijke belastingplichtige is, gelet op het feit dat haar economische activiteit slechts voor een deel bestaat in het verrichten van leveringen van goederen en diensten, namelijk het uitbaten van een fitnesscentrum waarvoor aan haar klanten lidgeld wordt aangerekend, en voor het ander deel in het geregeld verrichten van handelingen die niet in het wetboek btw omschreven zijn, namelijk het kosteloos ter beschikking stellen van het fitnesscentrum aan de leerlingen en leerkrachten lichamelijke opvoeding van de school waarvoor geen directe tegenprestatie wordt geleverd. De eerste rechter vervolgt dat overeenkomstig artikel 45 W.BTW en [artikel 1 KB nr. 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c#ar3-art1) van 10 december 1969, geïntimeerde, als gedeeltelijk belastingplichtige, enkel recht heeft op aftrek van de voorbelasting met betrekking tot de economische activiteit die bestaat in het uitbaten van een fitnesscentrum waarvoor aan haar klanten lidgeld wordt aangerekend. Voor het kosteloos ter beschikking stellen van het fitnesscentrum aan de leerlingen en leerkrachten lichamelijke opvoeding van de school heeft zij geen recht op aftrek.

De eerste rechter oordeelt verder dat, gelet op het feit dat geïntimeerde niet het minste bewijs levert waarvoor de ontvangen goederen en diensten werden bestemd, de ontvangen goederen en diensten onmogelijk kunnen toegewezen worden aan de onderscheiden activiteiten van geïntimeerde op basis van de beschikbare gegevens en gelet op het feit dat er geen wettelijke regeling bestaat om de aftrekbaarheid van de voorbelasting voor de gedeeltelijke belastingplichtige te berekenen, de administratie terecht de aftrek van voorbelasting heeft bepaald aan de hand van het tijdsgebruik van de fitnesstoestellen.

Aangezien het werkelijk tijdsgebruik niet kan nagegaan worden, is de eerste rechter van oordeel dat de aftrek van voorbelasting dient bepaald te worden aan de hand van de nuttige tijd dat de fitnesstoestellen ter beschikking staan van enerzijds de school en anderzijds geïntimeerde. Hierbij is het beweerde effectieve gebruik van de fitnesstoestellen door de school en door geïntimeerde niet relevant. De eerste rechter werkt vervolgens een eigen berekening uit en stelt tenslotte dat de btw voor 34,7% ten onrechte in aftrek werd gebracht.

Wat betreft de geldboete van 10% oordeelt de eerste rechter dat deze wettelijk en voldoende gemotiveerd is en dat ze in redelijke verhouding staat met de gepleegde inbreuk en met de ernst van de feiten.

De vordering wordt derhalve toelaatbaar en gedeeltelijk gegrond verklaard. Het bestreden dwangbevel wordt van nul en generlei waarde verklaard in de mate dat:

\- op de lidgelden van de klanten een hoger btw-tarief werd toegepast dan 6% en hierop een geldboete werd toegepast;

\- de btw-aftrek werd verworpen op meer dan 34,7% en op het ten onrechte verworpen gedeelte een geldboete werd toegepast. De Belgische Staat wordt veroordeeld tot de terugbetaling van alle dientengevolge geïnde bedragen, vermeerderd met de moratoriuminteresten overeenkomstig artikel 91 W.BTW. Geïntimeerde wordt veroordeeld tot 1/5 en appellante tot 4/5 van de kosten van het geding, door geïntimeerde begroot op 2.200,00 ( rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op 4/5 van 2.200,00 ( rechtsplegingsvergoeding, door appellant niet begroot en derhalve niet vereffend.

2.3.- Tegen dit vonnis heeft appellant hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 10 augustus 2012.

## 3. De vorderingen en standpunten in hoger beroep:

3.1.- In dit verzoekschrift en in de op 25 februari 2013 neergelegde synthesebesluiten voert appellant aan dat de eerste rechter onvoldoende de feitelijke overweging maakte of voor de modale klant het recht om gebruik te maken van de fitnesstoestellen dan wel de aangeboden begeleiding overheerst.

Deze afweging is bepalend om te kunnen besluiten welke handeling als hoofdprestatie dient beschouwd te worden. Volgens appellant beperkt de begeleiding zich in casu niet tot het geven van noodzakelijke aanwijzingen betreffende het correcte gebruik van de fitnesstoestellen, maar gaat deze veel verder. Het …-concept omvat immers zowel een persoonlijke begeleiding door … Pro's (kinesitherapeuten en leerkrachten L.O.) die o.m. bestaat uit het afnemen van testen, adviezen met betrekking tot bepaalde cursussen, ..., alsook een· geautomatiseerd oefenprogramma dat voor elke klant individueel wordt opgemaakt. Uit de reclamefolder en uit de informatie op de website blijkt volgens de administratie dat geïntimeerde van de persoonlijke begeleiding haar handelsmerk maakt.

De belastingadministratie is dan ook van mening dat voor een modale consument de begeleiding die geïntimeerde aanbiedt zal overheersen op het loutere recht om gebruik te maken van fitnesstoestellen. Om die reden is het tarief van de hoofdhandeling, de begeleiding, van toepassing over de gehele prestatie, namelijk 21%. Appellant stelt verder dat de bewijslast wat betreft de toepassing van het verlaagde tarief op de belastingplichtige rust. Volgens appellant slaagt geïntimeerde er niet in het bewijs te leveren dat het tarief van 6% van toepassing is voor de geleverde begeleiding. Appellant stelt verder dat het adagium 'in dubio contra fiscum' niet van toepassing is gelet op het feit dat de bewijslast wat betreft de toepassing van het verlaagd tarief sinds de programmawet van 27 december 2006 niet langer bij de administratie ligt. Met betrekking tot de aftrek van voorbelasting werpt appellant op dat geïntimeerde wel degelijk dient aangemerkt te worden als een gedeeltelijke belastingplichtige met een beperkt recht op aftrek. Naast handelingen onderworpen aan btw, het ter beschikking stellen van de fitnesstoestellen en de daarmee gepaard gaande begeleiding van de klanten die gebruik maken van de infrastructuur, stelt geïntimeerde immers ook handelingen waarvoor geen recht op aftrek voor de btw geldt, met name de kosteloze ter beschikking stelling van de fitnesstoestellen.

Appellant kan zich verder niet vinden in de stelling van geïntimeerde dat een verhouding dient bepaald te worden op grond van wat de effectieve gebruiksduur door de school zou zijn in verhouding tot het totale gebruik, 18,85% niet-aftrekbaar - 81,15% aftrekbaar. Het is de bestemming voor gebruik voor de aan belasting onderworpen handelingen die volgens artikel 45, §1 W.BTW het recht op aftrek van de voorbelasting verschaft, waarvan geïntimeerde het bewijs moet leveren.

De belastingadministratie stelt dan ook dat, rekening houdende met hetgeen door de eerste rechter geoordeeld werd, een bijzonder verhoudingsgetal van 65,3% dient toegepast te worden. De boete van 10 % die wegens de inbreuk verschuldigd is, dient in dezelfde mate aangepast te worden. Tenslotte is volgens appellant wat betreft de algemene kosten (zoals kosten internet, boekhoudkantoor, kosten neerleggen jaarrekening, administratiekost en bureelbenodigdheden) geen discussie mogelijk inzake de beperking van de aftrek, gelet op het karakter van deze kosten. Wat betreft de kosten promotionele actie zomerfietsen en kosten ereloon collega's, schikt de belastingadministratie zich naar de wijsheid van het hof.

Tenslotte merkt appellant met betrekking tot de administratieve geldboete op dat de toetsingsbevoegdheid van de rechter niet onbeperkt is. Het toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in boeten kan kwijtschelden of verminderen. Appellant is verder van mening dat geïntimeerde niet aantoont waarom de opgelegde boete van 10 % van de verschuldigde btw disproportioneel zou zijn. Er is dan ook geen reden om over te gaan tot een vermindering van deze boete. Verder is er volgens appellant geen onwettigheid van de opgelegde boete wegens een gebrekkige motivering.

Appellant vordert derhalve het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; het bestreden vonnis te vernietigen voor zover het betrekking heeft op het gedeelte met betrekking tot het van toepassing zijn van het btw-tarief van 6 %; het incidenteel beroep ingesteld door geïntimeerde ontvankelijk maar ongegrond te verklaren en het door geïntimeerde terug te betalen bedrag te bepalen op 6.076,16 (. Appellant is van mening dat de vordering in beginsel niet in geld waardeerbaar is aangezien de vordering er in casu toe strekt een partij te horen veroordelen tot het ongedaan maken van een handeling, zoals de vernietiging van een dwangbevel. Appellant begroot het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding dan ook op 1.320,00 €.

3.2.- Geïntimeerde voert in haar op 25 maart 2013 neergelegde syntheseconclusie met betrekking tot het toepasselijk BTW-tarief aan dat de belastingadministratie ten onrechte stelt dat wanneer de uitbater zijn klanten individueel of in groepsverband begeleidt of laat begeleiden de handeling voor het geheel wordt aangemerkt als een dienst waarop het 21% tarief van toepassing is. Begeleiding is volgens geïntimeerde in het recht tot toegang en gebruik inbegrepen. De belastingadministratie geeft een beperkte interpretatie aan de omschrijving: 'De toekenning van het recht op toegang tot inrichtingen voor cultuur, sport of vermaak, alsmede de toekenning van het recht gebruik ervan te maken', welke in een belastbaarheid van 6 % voorziet.

De belastingadministratie vult dit criterium zelf in en voegt wettelijke voorwaarden toe waar zij allerhande restricties oplegt louter en alleen gebaseerd op haar interpretatie van de fiscale wet. Er zijn volgens geïntimeerde geen redenen om de begeleiding, instructie en training niet als een integraalonderdeel van het recht tot toegang te beschouwen. Geïntimeerde verwijst in dit verband naar de Nederlandse wetgeving waar de begeleiding bij fitnessactiviteiten expliciet onderworpen is aan het verlaagd tarief van 6%. De Nederlandse Hoge Raad heeft geoordeeld dat deze Nederlandse toepassing van het 6% tarief een richtlijnconforme omzetting van de Zesde Richtlijn vormt. De belastingadministratie stelt verder ten onrechte dat de bewijslast omtrent het tarief bij geïntimeerde rust. Daarbij houdt zij geen rekening met de recente evolutie in de rechtspraak en rechtsleer in dit verband.

Zelfs indien conform de stelling van de belastingadministratie de bewijslast toekomt aan geïntimeerde, dan nog komt zij hieraan tegemoet, aangezien zij aantoont dat zij recht van toegang verleent tot de sportaccommodatie en aldus onder de bepaling valt die de belastbaarheid aan 6% bepaalt.

Bovendien, dient de fiscale wet die op zichzelf onvoldoende duidelijk en voorzienbaar is, in het voordeel van de belastingplichtige te worden uitgelegd overeenkomstig het principe 'in dubio contra fiscum'. Indien zou worden geoordeeld dat de begeleiding niet in het recht tot toegang is begrepen en wel degelijk aan het 21% tarief dient onderworpen te worden, dan nog vormt het toepasbare tarief in casu deze van de hoofddienst wat volgens geïntimeerde het sporten zelf is.

De toelichting en de begeleiding - dewelke bestaat in het opmaken en afleveren bij de eerste ingebruikneming van een persoonlijke computertoegangskaart met een voorstel van oefenschema dat door de klant zelf kan aangepast worden bij elke oefenbeurt, het afnemen van een fietstest bij beginnende sporters of patiënten en het tussenkomen bij problemen of vragen rond het doelmatig medisch verantwoord gebruik van de sportinrichting - is kwalitatief en kwantitatief ondergeschikt aan het verlenen van het recht op gebruik van de sportaccommodatie zelf, aangezien zij eenvoudigweg noodzakelijk is voor een correct en medisch verantwoord gebruik van de fitnesstoestellen door de klanten.

Volgens geïntimeerde kan er over het bijkomstig karakter van de begeleiding bij het sporten zelf dan ook geen ernstige discussie bestaan en dient de totale dienst aan het verlaagd tarief van 6% onderworpen te worden. Bovendien, kan volgens geïntimeerde niet betwist worden dat het bevorderen van de sportuitoefening het doel vormt van de Europese wetgever. Om die reden werd een verlaging van het btw-tarief voorzien. De begeleiding zorgt ervoor dat deze sportuitoefening op een medisch verantwoorde manier gebeurt wat kadert binnen het door de Europese wetgever vooropgestelde doel. Een doelconforme interpretatie van de btw-richtlijn leidt dan ook tot de toepasselijkheid van het verlaagd tarief.

Geïntimeerde verzoekt het hof subsidiair, voor zover het hof van oordeel is dat er enige onduidelijkheid blijft niettegenstaande de rechtspraak waarnaar geïntimeerde verwijst en niettegenstaande de doelconforme interpretatie van de Richtlijn, de navolgende prejudiciële vraag te stellen aan het Europese Hof van Justitie:

> "Sluit "de toekenning van het recht op toegang tot inrichtingen voor cultuur, sport of vermaak, alsmede de toekenning van het recht gebruik ervan te maken.", zoals weergegeven in bijlage H, post 13 van de Zesde Richtlijn, de training, instructie en begeleiding uit? Geldt deze uitsluiting in bevestigend geval tevens voor geautomatiseerde begeleiding?"

Geïntimeerde stelt verder dat de belastingadministratie in de praktijk de fitnesscentra ongelijk behandelt. Bepaalde controleurs aanvaarden het 6% tarief, anderen onderhandelen een gemiddeld btw-tarief en nog andere stellen dat 21% dient toegepast te worden. Deze ongelijke behandeling schendt het beginsel van fiscale neutraliteit en het gelijkheidsbeginsel.

Tenslotte wijst geïntimeerde erop dat zelfs in toepassing van de administratieve richtlijnen, opgenomen in de beslissing nr. E.T. 45941 van 24 juli 1984, de verstrekte begeleiding niet onder het 21% tarief valt. De begeleiding gaat immers niet verder dan het geven van richtlijnen betreffende het gebruik van de toestellen en de overhandiging van een oefenschema, conform het bepaalde in beslissing nr. E.T. 45941 d.d. 24 juli 1984 zodat het verlaagde tarief van 6% van toepassing is. Van een persoonlijke begeleiding is er volgens geïntimeerde geen sprake. Dit blijkt o.m. uit het apart ereloon van de kinesist, de beperkte personeelsbezetting, de lage prijzen en de verklaringen van de klanten zelf. Dat nieuwe klanten een fietstest kunnen laten afnemen wijst niet op een persoonlijke begeleiding aangezien deze wordt uitgevoerd door een kinesist en niet door geïntimeerde zelf. Op het vlak van btw, moet een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen de activiteiten van de kinesist en deze van geïntimeerde.

Beide activiteiten zijn niet gelijklopend en worden ook door een andere (rechts)persoon uitgeoefend. Geïntimeerde besluit dan ook dat de eerste rechter terecht oordeelde dat sport de hoofddienst uitmaakt en dat begeleiding slechts bijkomstig van aard is. Geïntimeerde stelt verder incidenteel beroep in tegen de beslissing van de eerste rechter waarbij geoordeeld werd dat de btw ten onrechte in aftrek werd gebracht voor 34,7%.

Geïntimeerde is in de eerste plaats van oordeel dat zij geen gemengde belastingplichtige is in de zin van artikel 46 §1 W.BTW. De school stelt, in tegenstelling tot wat de belastingadministratie vooropstelt, de gebouwen niet kosteloos ter beschikking. Geïntimeerde verwijst hiervoor naar de franchiseovereenkomst met BVBA **C S**. BVBA **C S** heeft op zijn beurt via de VZW **F** een overeenkomst met de scholengroep 2 FORUM gesloten, hetgeen het gebruik van de schoollokalen toelaat. Aan de franchisegever werden door geïntimeerde aanzienlijke fees betaald om van het …concept in de gebouwen van het Koninklijk Atheneum te … gebruik te mogen maken. Bovendien is geïntimeerde van oordeel dat zij recht heeft op een integrale btw-aftrek van de door haar gemaakte kosten.

De gedane uitgaven betreffen algemene kosten voor de inrichting van de fitness. Er worden geen specifieke kosten gemaakt voor de leerlingen. Ondergeschikt stelt geïntimeerde dat het verhoudingsgetal dat bepaald werd door de eerste rechter foutief is. Het door de eerste rechter gehanteerde criterium, welke een verdeelsleutel van 34,7% voor handelingen die niet in het wetboek van btw omschreven zijn en 65,3% voor het verrichten van leveringen van goederen en diensten, kan niet gevolgd worden. Hierbij werd immers geen rekening gehouden met het daadwerkelijk gebruik en met het feit dat ingevolge de leerplannen voor het vak lichamelijke opvoeding slechts een deel van de lessen met fitnessbeoefening kan worden ingevuld. Volgens geïntimeerde dient het percentage van de ten onrechte in aftrek gebrachte btw vastgesteld te worden op 18,85%, d.i. de effectieve gebruiksduur door de school.

Tenslotte stelt geïntimeerde dat de belastingadministratie verkeerdelijk het recht op aftrek beperkt voor de kosten promotionele actie zomerfietsen, kosten internet, ereloon collega's, kosten boekhoudkantoor, kosten neerleggen jaarrekening, administratiekost en bureelbenodigdheden. Deze kosten hebben geen enkele link met de activiteiten verbonden aan de school en kunnen enkel toegewezen worden aan de commerciële sector. Zij dienen bijgevolg voor integrale aftrek in aanmerking te komen. Geïntimeerde verzoekt tenslotte het hof de opgelegde boete, ingevolge toetsing op grond van het EVRM, kwijt te schelden gelet op het ontbreken van kwade trouwen gelet op het feit dat de belastingadministratie zelf de fiscale wet verkeerd toepast.

Geïntimeerde is van mening dat de fiscale boete minstens moet vernietigd worden waar zij betrekking heeft op het gedeelte dat ontheven dient te worden. Indien de fiscale boete niet kan kwijtgescholden worden verzoekt geïntimeerde de boete met uitstel uit te spreken. Bovendien is geïntimeerde van mening dat het dwangbevel niet gemotiveerd werd en bijgevolg strijdig is met artikel 109 van de Wet van 4 augustus 1986. De administratie beperkt zich tot de loutere verwijzing naar de artikelen 70 en 71 W.BTW.

Dergelijke verwijzing is als motivering te vaag. Noch de feiten die aan de grondslag liggen van de boete, noch de motieven om het bedrag van de boete te bepalen staan vermeld. De boete is volgens geïntimeerde dan ook onwettig. Geïntimeerde vordert derhalve het hoofdberoep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren en het eerste vonnis te bevestigen in de mate dat het bestreden dwangbevel van nul en generlei waarde werd verklaard waar het dwangbevel een hoger btw-tarief dan 6 % toepaste op lidgelden van klanten van geïntimeerde; het door geïntimeerde ingesteld incidenteel hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens het bestreden dwangbevel van nul en generlei waarde te verklaren in de mate dat de btw-aftrek werd verworpen op meer dan 18,85%, de aftrekbeperking betrekking heeft op alle kosten en een fiscale boete werd opgelegd.

Geïntimeerde vordert de herberekening van het dwangbevel; de veroordeling van appellant tot de terugbetaling van alle dientengevolge geïnde bedragen. Volgens geïntimeerde is de vordering wel degelijk in geld waardeerbaar. Zij begroot deze dan ook op een bedrag van 2.200,00.

## 4. Beoordeling:

4.1.1.- Artikel 2, lid l, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, moet aldus worden uitgelegd dat wanneer twee of meer elementen of handelingen die een belastingplichtige levert aan of verricht ten behoeve van een als modaal beschouwde consument, zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij objectief gezien economisch één geheel vormen waarvan de splitsing kunstmatig zou zijn, het geheel van deze elementen of deze handelingen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde één enkele prestatie vormt (H.v.J. (le k.) nr. [C-41/04](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-41-04-arret), 27 oktober 2005 (Levob Verzekeringen en OV Bank), ET (Katern) 2006 (dispositief), afl. l, 4, F1F 2007, afl. 10, 886, NJB (NL) 2005 (weergave), afl. 45/46, 2380, Pb C 28 januari 2006 (dispositief), afl. 22, l, Ree.CJCE 2005, afl. 10 (B), I, 9433, conclusies advocaat-generaal J. KOKOTI, TFR 2006, afl. 301, 399, noot W. PANIS, 'Softwaretransacties als aanleiding voor een verfijning van de leer van de complexe handeling', (TFR 2006, afl. 301, 404-409)).

In casu blijkt uit de door partijen voorgelegde stukken en dient aldus door het Hof te worden vastgesteld dat:

\- geïntimeerde als uitbater van een fitnesscentrum aan haar klanten recht op toegang verleent tot dit fitnesscentrum, alsmede het recht ervan gebruik te maken, hetgeen onderworpen is aan een tarief van 6%;

\- geïntimeerde daarnaast haar klanten begeleidt door het afnemen van testen en het verstrekken van adviezen; er door een computerprogramma voor de klanten een persoonlijk oefenschema wordt uitgewerkt, hetgeen bepaalt aan welke toestellen moet geoefend worden en hoelang die oefening duurt om dan naar een ander toestel te gaan;

\- dit computerprogramma de klant volgt doordat hij zijn chipkaart in het fitnesstoestel brengt, gedurende een voorgeprogrammeerde en in de tijd afgemeten muziek op het fitnesstoestel oefent, en vervolgens op het ogenblik waarop de muziek aangeeft dat hij van toestel moet wisselen van het ene naar het andere toestel doorschuift volgens een bepaalde doorloopvolgorde;

\- dit alles in groepsverband gebeurt, per oefenbeurten van telkens een uur op vooraf bepaalde dagen en uren met hoogstens 24 personen wegens het aantal beschikbare toestellen.

Uit voormelde vaststellingen volgt dat de toelichting en begeleiding zo kwalitatief als kwantitatief ondergeschikt is aan het verlenen van het recht op gebruik van de sportaccomodatie zelf, aangezien zij noodzakelijk is voor een correct en medisch verantwoord gebruik van de fitnesstoestellen door de klanten. Er is evenmin sprake van een persoonlijke begeleiding door geïntimeerde gezien de aparte te onderscheiden tussenkomst van een kinesist met afzonderlijke aanrekening van een ereloon door deze kinesist.

Het recht op toegang tot het fitnesscentrum, het recht ervan gebruik te maken en de begeleiding van de klanten is aldus voorzeker een complexe handeling waarbij economisch gesproken slechts één niet te splitsen dienst wordt verleend. Voor de modale klant is de begeleiding, die te dezen ongetwijfeld beperkt is, enkel vereist om op een medisch verantwoorde wijze te fitnessen en van de fitnesstoestellen gebruik te maken.

Deze diensten zijn dan ook zo nauw met elkaar verbonden dat zij objectief gezien één economische, niet te splitsen dienst vormen, waarvan het kunstmatig zou zijn die uit elkaar te halen. Deze beperkte begeleiding moet derhalve als een bijkomende dienst worden beschouwd om de hoofddienst, het recht op toegang tot het fitnesscentrum en het recht ervan gebruik te maken, voor de modale klant op een medisch verantwoorde wijze mogelijk te maken.

Bijgevolg volgt de bijkomende dienst het BTW-tarief van de hoofddienst, zijnde het recht op toegang tot het fitnesscentrum en het recht ervan gebruik te maken, waarop het BTW-tarief van 6% van toepassing is, en dient het geheel aldus belast te worden tegen dit BTW-tarief van 6%.

4.2.- In het kader van de uitbating van het fitnesscentrum in de gebouwen van het Koninklijk Atheneum te … werd er overeengekomen dat het fitnesscentrum tijdens de schooldagen en gedurende de gebruikelijke lesuren uitsluitend door de leerlingen en leerkrachten lichamelijk opvoeding van de school kosteloos gebruikt kan worden. Verder werd overeengekomen dat het fitnesscentrum tijdens de jaarlijkse sluiting van de school in de zomer, namelijk van 15 juli tot 15 augustus, eveneens gesloten zal zijn.

Aangezien de economische activiteit van geïntimeerde slechts voor een deel bestaat in het verrichten van leveringen van goederen en diensten, namelijk het uitbaten van een fitnesscentrum waarvoor aan haar klanten lidgeld werd aangerekend, en voor het ander deel in het geregeld verrichten van handelingen die niet in het wetboek van BTW omschreven zijn, namelijk het kosteloos ter beschikking stellen van het fitnesscentrum aan de leerlingen en leerkrachten lichamelijke opvoeding van de school waarvoor geen directe tegenprestatie werd geleverd, dient zij als een gedeeltelijke belastingplichtige te worden aangemerkt.

Het feit, dat geïntimeerde zou betalen voor het gebruik van de gebouwen van het Koninklijk Atheneum te …, verandert niets aan feit dat zij haar fitnesscentrum kosteloos ter beschikking stelt. Juist zoals de gemengde belastingplichtige, wiens economische activiteit voor een deel bestaat in het verrichten van leveringen van goederen en diensten waarvoor hij recht op aftrek van de voorbelasting heeft en voor het ander deel in het verrichten van vrijgestelde handelingen waarvoor het recht op aftrek van de voorbelasting is uitgesloten, heeft de gedeeltelijke belastingplichtige eveneens slechts recht op een gedeeltelijke aftrek van de voorbelasting.

Krachtens artikel 45, §1, W.BTW en [artikel 1 KB nr. 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c#ar3-art1) van 10 december 1969 heeft de belastingplichtige immers enkel recht op aftrek van de voorbelasting met betrekking tot de goederen en de diensten die hij bestemt voor het verrichten van in [artikel 45, §1, 10](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) tot [50](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-50) van het wetboek bedoelde handelingen.

Geïntimeerde heeft als gedeeltelijke belastingplichtige bijgevolg enkel recht op aftrek van de voorbelasting met betrekking tot de ontvangen goederen en diensten die zij bestemt voor haar economische activiteit die bestaat in het verrichten van leveringen van goederen en diensten, namelijk het uitbaten van een fitnesscentrum waarvoor aan haar klanten lidgeld werd aangerekend.

Zij heeft daarentegen geen recht op aftrek van de voorbelasting met betrekking tot de ontvangen goederen en diensten die zij niet bestemt voor het verrichten van in [artikel 45 §1,1°](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) tot [50](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-50) van het wetboek bedoelde handelingen.

Bijgevolg heeft geïntimeerde geen recht op aftrek van de voorbelasting met betrekking tot de ontvangen goederen en diensten die zij bestemt voor het kosteloos ter beschikking stellen van het fitnesscentrum aan de leerlingen en leerkrachten lichamelijke opvoeding van de school.

Het staat ten genoege van recht vast dat geïntimeerde de ontvangen goederen en diensten, zowel voor haar economische activiteit, die bestaat in het verrichten van leveringen van goederen en diensten, namelijk het uitbaten van een fitnesscentrum waarvoor aan haar klanten lidgeld werd aangerekend, als voor haar economische activiteit, die bestaat in het geregeld verrichten van handelingen die niet in het wetboek van BTW omschreven zijn, namelijk het kosteloos ter beschikking stellen van het fitnesscentrum aan de leerlingen en leerkrachten lichamelijke opvoeding van de school waarvoor geen directe tegenprestatie werd geleverd, bestemt.

Te dezen kunnen voornoemde ontvangen goederen en diensten, die geïntimeerde bestemt voor haar economische activiteiten, onmogelijk worden toegewezen aan haar onderscheiden activiteiten. Zij bewijst geenszins waarvoor voornoemde ontvangen goederen en diensten werden bestemd.

Artikel 46 W.BTW handelt over de belastingplichtige die in de uitoefening van zijn economische activiteit ook andere handelingen verricht dan handelingen waarvoor op grond van artikel 45 aanspraak op aftrek bestaat, hetgeen duidelijk verwijst naar handelingen die in het wetboek van BTW omschreven zijn, en is dan ook enkel van toepassing op de gemengde belastingplichtige.

De gedeeltelijke belastingplichtige, zoals geïntimeerde, verricht in de uitoefening van zijn economische activiteit ook handelingen die niet in het wetboek van BTW omschreven zijn, zodat artikel 46 W.BTW in beginsel niet kan worden toegepast op geïntimeerde.

Door het Hof dient te worden vastgesteld dat:

geïntimeerde niet bewijst waarvoor voornoemde ontvangen goederen en diensten werden bestemd, voornoemde ontvangen goederen en diensten op basis van de beschikbare gegevens onmogelijk kunnen worden toegewezen aan de onderscheiden activiteiten van geïntimeerde, er geen wettelijke regeling bestaat om de aftrekbaarheid van de voorbelasting voor de gedeeltelijke belastingplichtige alsdan te berekenen, de gedeeltelijke belastingplichtige, conform artikel 45, §1 W.BTW en [artikel 1 KB nr. 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c#ar3-art1) van 10 december 1969, enkel recht heeft op aftrek van de voorbelasting met betrekking tot de in het wetboek van BTW omschreven handelingen.

Uit voormelde vaststellingen volgt dat de aftrek van de voorbelasting dient te worden bepaald aan de hand van het tijdsgebruik van de fitnesstoestellen .

Aangezien het werkelijk tijdsgebruik van de fitnesstoestellen niet kan nagegaan worden en de beweringen dienaangaande tegenstrijdig zijn, dient de aftrek van de voorbelasting bepaald te worden op grond van een objectieve verdeelsleutel, hetzij aan de hand van de nuttige tijd dat de fitnesstoestellen ter beschikking stonden van enerzijds de school en anderzijds geïntimeerde.

Gelet op deze objectieve verdeelsleutel is het beweerde effectieve gebruik van de fitnesstoestellen door de school en door geïntimeerde niet relevant, doch wel de nuttige tijd dat deze toestellen ter beschikking stonden van de school en geïntimeerde. Bijgevolg zijn noch de beweerde openingsuren van geïntimeerde noch het beweerde beperkte gebruik door de school relevant voor het bepalen van deze objectieve verdeelsleutel.

Aangezien de fitnesstoestellen per jaar gedurende 37 weken, zijnde 52 weken - 15 vakantieweken, maandag, dinsdag, donderdag en vrijdag van 8.20 uur tot 11.50 uur en van 12.40 uur tot 16.10 uur en woensdag van 8.20 uur tot 11.50 uur, zijnde 31,5 uur x 37 weken ofte 1165,5 uren per jaar ter beschikking stonden van de school en aangezien de fitnesstoestellen per jaar gedurende 48 weken, zijnde 52 weken - 4 overeengekomen vakantieweken, tijdens de resterende nuttige tijd ter beschikking stonden van geïntimeerde, zijnde gemiddeld 10 uur per dag of 70 uur per week x 48 weken ofte 3360 uren per jaar - 1165,5 uren per jaar (tijd ter beschikking van school) ofte 2194,5 uren per jaar, dient de verhouding bepaald te worden op 1165,5/3360 ofte 34,7% voor handelingen die niet in het wetboek van BTW omschreven zijn en voor 2194,5/3360 ofte 65,3% voor het verrichten van leveringen van goederen en diensten.

De BTW werd derhalve voor 34,7% ten onrechte in aftrek gebracht.

4.3.1.- Artikel 109 van de Wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen bepaalt dat telkens wanneer een belastingadministratie aan een belastingplichtige een bericht zendt, waarbij hem een administratieve boete wordt opgelegd, dat bericht de feiten vermeldt die de overtreding opleveren en de verwijzing naar de toegepaste wet- of verordeningsteksten, en de motieven opgeeft die gediend hebben om het bedrag van de boete vast te stellen. Die geldt eveneens voor de belastingverhogingen (Cass. (le k.) AR F.08.0018.F, 16 oktober 2009, Arr.Cass. 2009, afl. 10, 2379, FJF 2010, afl. 2, 175, noot, JLMB 2010, afl. 4, 174, Pas. 2009, afl. 10, 2320, conclusie advocaat-generaal A. HENKES).

Tijdens de parlementaire voorbereiding heeft de Minister verklaard dat "deze eis voor een duidelijker strafgerecht \[ ... \] in de lijn \[ligt\] van de aan de gang zijnde hervorming van het Strafwetboek, alsmede van een wetsontwerp, dat deze hervorming op dit punt voorafgaat, goedgekeurd door de Commissie voor de Justitie van de Kamer" (Pari. St., Senaat, 1985-1986, nr. 310/2, p. 2 en 3). Het voormelde artikel 109 werd ingevoegd omdat de wetgever het wenselijk achtte "dat de berichten, waarbij de administratie een geldboete aan een belastingplichtige oplegt, duidelijk de criteria vermelden welke zijn toegepast om het bedrag van de geëiste geldboete te bepalen" (ParI. St., Senaat, 1985-1986, nr. 310/1, p. 29).

Op geen enkele wijze kan worden verantwoord dat de belastingadministratie, wanneer zij een belastingverhoging oplegt, niet de redenen vermeldt die haar tot het besluit hebben gebracht dat een aangifte onvolledig of onjuist is en dat de belastingplichtige al dan niet te kwader trouw is, terwijl zij, wanneer zij een administratieve boete oplegt, verplicht is de elementen bedoeld in artikel 109 te vermelden.

In beide gevallen gaat het om administratieve sancties die de administratie kan opleggen in geval van overtreding van bepalingen van het Wetboek, waarvan zij de aard en de ernst beoordeelt (Arbitragehof nr. 48/2001, 18 april 2001 (prejudiciële vraag), Act. fisc. 2001 (weergave), afl. 16, 6, Act. fisc. 2001 (weergave E. VAN BRUSTEM), afl. 18, 6-8, Act. dr. 2001, afl. 4, 950, AFT 2001 (weergave J. VANDEN BRANDEN), 354, A.A. 2001, afl. 2, 699, BS 19 juni 2001 (uittreksel), 20943, Fisc.Act. 2001 (weergave W. DEFOOR),afl. 17, 1, FIF 2002, afl. 4, 334, noot, Fiscoloog 2001 (weergave), afl. 797, 1, RW 2001-02, 1060, TBP 2002, afl. 4, 258, TFR 2002, afl. 223, 584).

Door het Hof dient echter te worden vastgesteld dat het bestreden dwangbevel, waaraan het proces-verbaal is gehecht, wel degelijk de feiten bevat die de weerhouden overtredingen oplevert, alsook de toepasselijke wetsbepalingen en de gronden tot vermindering van de vermeldt.

In dezelfde zin dient te worden vastgesteld dat het dwangbevel aan de vereisten van een afdoende motivering zoals voorgeschreven door de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 voldoet. Het bevat de feitelijke en juridische overwegingen die aan de vordering, in haar verschillende onderdelen, ten grondslag liggen. Deze motivering heeft geïntimeerde in de mogelijkheid gesteld om haar rechten van verdediging ten volle uit te oefenen.

4.3.2.- Krachtens artikel 70, § l, Btw-wetboek, wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet-tijdig betaalde belasting.

Krachtens [artikel 70, § 1bis, Btw-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) verbeurt ieder die onrechtmatig aftrek van belasting heeft genoten, een geldboete gelijk aan het dubbel van die belasting in zover die overtreding niet wordt bestraft bij toepassing van § l, eerste lid. Krachtens [artikel 84, derde lid, Btw-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84), wordt binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

In casu werden de toegepaste geldboeten in overeenstemming met de bepalingen van Tabel G, eerste afdeling, rubriek IV, resp. Tabel H van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde tot la pct. van de verschuldigde belasting verminderd.

Binnen de perken van de hierboven bewezen verklaarde overtredingen dienen deze boeten eveneens te worden verminderd resp. herberekend.

4.3.3.- De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, mag de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.

Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen.

Door het Hof dient te worden vastgesteld dat de opgelegde boeten in redelijke verhouding staan met de gepleegde inbreuk en met de ernst van de feiten.

4.4.- Uit vorenstaande vaststellingen en consideransen volgt dat zo het hoofdberoep als het incidenteel beroep zo in feite als in rechte falen. Luidens artikel 1017, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek kunnen de kosten worden omgeslagen zoals de rechter het raadzaam oordeelt, wanneer de partijen onderscheidenlijk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld.

Uit de vorenstaande motieven volgt dat elk der partijen in graad van hoger beroep onderscheidenlijk omtrent enig geschilpunt, ingevolge de afwijzing zo van het hoofdberoep als van het incidenteel beroep, in het ongelijk wordt gesteld.

Het behoort dan ook om de gedingskosten in hoger beroep tussen partijen om te slagen.

### Dispositif

## Beslissing:

**Het Hof beslist bij arrest op tegenspraak,**

**De rechtspleging verliep in overeenstemming met de bepalingen van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.**

**Het Hof verklaart zowel het hoger beroep van de Belgische Staat als het incidenteel beroep van de BVBA F. ontvankelijk doch ongegrond.**

Het Hof bevestigt derhalve het bestreden vonnis in al zijn bestreden beschikkingen.

Het hof slaat de gedingskasten in hoger beroep tussen partijen om.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 17 september 2013 door

### D. W

### S. B

### M. G

### L. K

## Textes cités

6

[AR no 3 art. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c) 3 occurrences

[CTVA art. 45](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) 2 occurrences

[CTVA art. 50](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-50) 2 occurrences

[CTVA art. 70](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) 1 occurrence

[CTVA art. 84](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84) 1 occurrence

[C-41/04, arrêt du 27 octobre 2005](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-41-04-arret) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Droit à déduction, Frais généraux, Prestations de sous-traitants](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-frais-generaux-prestations-tribunal-bruxelles-2023-09-29-4ad4) 4 dispositions communes

[Transport, Créances, Refus de déduction de TVA](https://juriel.be/fr/jurisprudence/transport-creances-refus-deduction-tva-tribunal-2026-03-02-5220) 4 dispositions communes

[Obligations de l’assujetti, Dépôt de déclarations périodiques](https://juriel.be/fr/jurisprudence/obligations-assujetti-depot-declarations-periodiques-tribunal-2024-06-10-7a5c) 4 dispositions communes

[Échange intracommunautaire, amende TVA](https://juriel.be/fr/jurisprudence/echange-intracommunautaire-amende-tva-tribunal-bruxelles-2025-11-14-8277) 4 dispositions communes

[Indices de fraude, Relevé de régularisation, Procès-verbal](https://juriel.be/fr/jurisprudence/indices-fraude-releve-regularisation-proces-tribunal-nivelles-2024-01-08-9601) 4 dispositions communes

[Droit à déduction -Factures, Amendes, Principe de proportionnalité](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-factures-amendes-principe-tribunal-gand-2013-09-18-5bcc) 4 dispositions communes

[Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-factures-management-fees-tribunal-bruxelles-2023-09-29-7fe9) 4 dispositions communes

[Carrousel TVA, Participation, Refus de déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/carrousel-tva-participation-refus-deduction-cour-appel-bruxelles-2020-09-10-0c67) 3 dispositions communes
