---
title: "Notion de camionnette, Principe de spécialité · Cour d&#x27;appel de Bruxelles, 17 avril 2013, 2004/AR/1163"
description: "Notion de camionnette, Principe de spécialité, taux de la taxe. Cour d'appel de Bruxelles (Belgique), 17 avril 2013, 2004/AR/1163."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/taux-notion-camionnette-principe-specialite-cour-appel-bruxelles-2013-04-17-8c6f"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Notion de camionnette, Principe de spécialité

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Bruxelles

**Numéro de rôle**

2004/AR/1163

**Date**

17 avril 2013

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

**Sens lu par le SPF**

favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

70 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

**Arrêt de la Cour d'appel de Bruxelles dd. 17.04.2013 (2004/AR/1163)**

*Taxe sur la valeur ajoutée - Taux- Notion de camionnette - Principe de spécialité*

## Synthèse

Le litige concerne le taux de TVA applicable aux camionnettes.

La Cour de cassation, dans son arrêt du 15 novembre 2001, C.99.0036.N, a estimé que lorsque la transformation d'une voiture automobile destinée au transport sur route de personnes en véhicule de transport de marchandises n’est pas effectuée de manière non irréversible, ce véhicule, conformément à la législation en matière de TVA, doit être considéré comme une voiture automobile.

La classification d’un véhicule considéré comme camionnette par le ministère des Transports ne suffit pas à placer le véhicule dans la catégorie des véhicules soumis au taux de TVA de 19%.

En l’espèce, la transformation n’était en aucun cas irréversible, de sorte que le véhicule pouvait servir aussi bien pour le transport de personnes que pour le transport de marchandises.

Le taux de 19% n’était par conséquent pas d’application.

***Le texte de la décision est publié uniquement dans la langue originale.***

**Texte intégral**

### Corps de la décision

**Arrest van Hof van Beroep te BRUSSEL, Zesde fiscale kamer,**

**dd. 17/04/2013**

**2004/AR/1163**

IN ZAKE VAN :

De heer G. F., gepensioneerde, wonende te …

appellant,

vertegenwoordigd door Meester K. G., advocaat te…,

TEGEN:

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Brugge, met kantoren te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat 4,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester V.H., loco Meester N. D., advocaat te …

---

Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit:

Deze zaak is voor dit hof gekomen na vernietiging door het Hof van cassatie op 15 november 2001 van een arrest van het hof van beroep te Gent van 11 maart 1998.

## I. Voorwerp van de betwisting en feiten

De betwisting heeft betrekking op het toepasselijke BTW-tarief bij de verkoop tussen 24 september 1984 en 30 september 1985 van vier wagens van het merk Daihatsu (type Rocky F75 LV), waarvan appellant verdeler was te Brugge.

Appellant verkocht deze wagens aan het tarief van 19 % BTW als lichte vrachtwagen, daar waar geïntimeerde van oordeel is dat deze wagens als wagens voor dubbel gebruik moeten worden aangemerkt, waarop het tarief van 25 % van toepassing was.

Ingevolge de weigering door appellant van een minnelijke schikking gaf geïntimeerde op 7 augustus 1989 kennis aan appellant van een op 31 juli 1989 uitgevaardigd dwangbevel voor een bedrag van 217.596 BEF.

Op 9 juli 1991 werd een gewijzigd dwangbevel betekend voor een bedrag in hoofdsom van 98.663 BEF, nu werd afgezien van het gedeelte dat betrekking had op één van de verkopen.

Op 9 oktober 1991 ging geïntimeerde over tot uitvoerend roerend beslag.

Op 19 november 1991 tekende appellant verzet aan tegen dit dwangbevel.

Bij vonnis van 18 februari 1994 wees de rechtbank van eerste aanleg te Brugge de vordering van appellant af. De eerste rechter was van oordeel dat de ombouwing tot lichte vrachtwagen op het tijdstip van de verkoop niet bewezen was.

Bij arrest van 11 maart 1998 heeft het hof van beroep te Gent deze ombouwing wel bewezen geacht.

Dit arrest werd vernietigd door het Hof van cassatie bij arrest van 15 november 2001. Het Hof van cassatie oordeelde dat het hof te Gent niet wettelijk kon beslissen dat de wagens, op het tijdstip van hun verkoop, een lichte vrachtwagen uitmaakten, terwijl de ombouwing tot lichte vrachtwagen niet onomkeerbaar was.

## II. Discussie

### a) Wat het bewijs van de ombouwing op het ogenblik van de verkoop betreft

Appellant stelt dat de eerste rechter ten onrechte heeft beslist dat het bewijs van de ombouwing niet geleverd werd. Appellant verwijst terzake naar het proces-verbaal van goedkeuring nr. 84/1052 van het ministerie van Verkeerswezen. Appellant meent dat een wagen, die overeenkom-stig de regelgeving van het ministerie van Verkeerswezen als een lichte vrachtwagen wordt beschouwd, ook inzake de BTW-wetgeving als een lichte vrachtwagen moet worden aanzien. Na het demonteren van de achterste zitbanken, werd het oorspronkelijk afgeleverde gelijkvormigheidsattest teruggestuurd naar de invoerder en werd een nieuw eenvormigheidsattest aangevraagd samen met een verklaring van de koper dat hij het voertuig enkel zou gebruiken voor het vervoer van goederen.

Appellant is van oordeel dat de bewijslast dat de verkochte voertuigen geen lichte vrachtwagen zijn, bij de administratie berust.

Nu vaststaat dat de wagens op het ogenblik van de levering omgebouwd waren tot lichte vrachtwagen, meent appellant dat terecht het BTW-tariefvan 19% werd toegepast.

Met reden doet geïntimeerde evenwel gelden dat voor het toepasselijke BTW -tarief enkel dient te worden gekeken naar de BTW -regeling zelf, zodat het standpunt dat door het ministerie van Verkeerswezen terzake werd ingenomen van geen enkel belang is.

De toepasselijke BTW-regeling was terug te vinden in rubriek 1, 1 van tabel C van het KB nummer 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de BTW en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven. Zo waren onderworpen aan het tarief van 25 % automobielen voor personenvervoer langs de weg, daaronder begrepen de voertuigen die zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen.

De kwestie hoe deze omschrijving diende te worden geïnterpreteerd, kwam aan bod in het hierna aangehaalde cassatiearrest van 15 november 2002. Zo oordeelde het Hof van cassatie dat de verbouwing van personenwagens tot lichte vrachtwagen op een onomkeerbare wijze moet gebeuren opdat deze wagens, overeenkomstig de BTW-wetgeving, als een lichte vrachtwagen zouden worden bestempeld.

In deze was de omvorming in geen geval onomkeerbaar, hetgeen overigens door appellant zelf wordt toegegeven, zodat het voertuig (ook na deze beweerde ombouwing) nog steeds een voertuig was dat zowel voor personen- als voor goederentransport "kon” dienen.

Uit de door appellant aangehaalde circulaires van de periode van 1978 tot en met 1987 uitgaande van de BTW-administratie blijkt duidelijk dat de classificatie van een bepaald voertuig als lichte vrachtwagen door het ministerie van Verkeerswezen op zich niet volstaat om het voertuig onder te brengen in de categorie van wagens waarop de BTW aan het tarief van 19% wordt geheven.

### b) Wat het recht op rechtszekerheid als element van de beginselen van behoorlijk bestuur betreft

Volgens appellant rijst de vraag of hij, voortgaande op de toen bestaande richtlijnen en interpretaties van de wetgeving, zoals deze door de administratie zelf werden gegeven, erop mocht vertrouwen dat de wagens terecht met het tarief van 19% als lichte vrachtwagens verkocht konden worden. Volgens appellant dient deze vraag bevestigend te worden beantwoord.

Het dwangbevel schendt derhalve zijn gewettigd vertrouwen, dat door geïntimeerde in deze werd opgewekt. Om die redenen is het dwangbevel, naar het oordeel van appellant ongeldig en moet het bijgevolg vernietigd worden.

Terecht doet geïntimeerde gelden dat het begrip "lichte . vrachtwagen" in deze niet het punt van discussie tussen partijen uitmaakt. De vraag die in deze zaak rijst is of de voertuigen moeten worden beschouwd als dienstig voor zowel personen als goederen.

Deze vraag werd reeds bevestigend beantwoord door het Hof van cassatie in zijn arrest van 15 november 2002.

#### c) Wat de strijdigheid met art. 17 van de Zesde EG-Richtlijn van 17 mei 1977 betreft

Appellant verwijst naar art. 17, 6, lid 3 van de Zesde EG-Richtlijn, dat volgens hem bepaalt dat de Lidstaten elke uitsluiting van het recht op aftrek kunnen handhaven totdat de in art. 17, 6, lid 1 bedoelde voorschriften in werking zijn getreden (de zg. standstillclausule).

Nu deze in art. 17, 6, lid 1 bedoelde voorschriften nog niet in werking zijn getreden, blijven de aftrekbeperkingen gehandhaafd, hetgeen ook inhoudt dat de Lidstaten geen strengere aftrekbeperkingen kunnen invoeren.

Appellant meent dat het strijdig is met art. 17, 6 van de Zesde EG Richtlijn dat naderhand een strengere houding wordt aangenomen in de catalogering van een motorvoertuig als lichte vrachtwagen, aangezien daardoor niet alleen een hoger BTW-tarief verschuldigd is, maar ook het recht op aftrek van de voorbelasting overeenkomstig art. 45, § 2 W.B.T.W. gehalveerd wordt.

Ten onrechte past appellant de standstill-clausule van art. 17 van de Zesde EG-Richtlijn toe op het tarief. De standstill-clausule van art. 17 betreft uitsluitend de overgangsregeling die toelaat dat Lidstaten nationale uitsluitingen op het recht op aftrek handhaven tot de Raad uiterlijk vier jaar na de datum van de inwerkingtreding van de Zesde BTW-Richtlijn de regelingen van de uitsluitingen van de aftrek vaststelt.

In deze gaat het niet om een probleem van recht op aftrek, maar van tarief.

Derhalve dient het hoger beroep van appellant te worden

afgewezen.

##### d) Wat de kosten betreft

Op 1 januari 2008 is de Wet van 21 apri12007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en haar uitvoerings-K.B. van 26 oktober 2007 in werking getreden. Deze wet en dit K.B. vinden toepassing op onderhavige zaak.

Ter openbare zitting van het hof van 9 januari 2013 verklaarden beide partijen de rechtsplegingvergoeding in hoger beroep op het basisbedrag van 440,00 EUR te begroten. Het hof sluit zich daarbij aan met dien verstande dat er slechts één rechtsplegingvergoeding voor de procedure in hoger beroep kan worden toegekend.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak,

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond;

Veroordeelt appellant tot de beroepskosten, begroot op 440,00 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de 6de fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op 17 april. 2013

alwaar aanwezig waren en zitting namen :

\- J. V., raadsheer dd. Voorzitter,

\- P. V., raadsheer,

\- C. V., raadsheer,

\- C. D.N., griffier
