---
title: "9f5c5775 · 19 juin 2023 · Substitution de motifs, Présomptions de fait · Tribunal de première instance de Gand"
description: "Substitution de motifs, Présomptions de fait, Lieu des prestations de services. Tribunal de première instance de Gand (Belgique), 19 juin 2023. Réf. 9f5c5775."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/substitution-motifs-presomptions-fait-lieu-tribunal-gand-2023-06-19-9f5c"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Substitution de motifs, Présomptions de fait

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Gand

**Date**

19 juin 2023

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

150 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du tribunal de première instance de Flandre oriëntale, division Gand du 19.06.2023 - Rôle 21/2931/A

\[ Infavorable \]

*Taxe sur la valeur ajoutée – Substitution de motifs – Présomptions de fait – Lieu des prestations de services – Siège de l'activité économique – Redevable de la TVA*

## Dispositions légales

[Art. 21, §2 CTVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-21), [art. 51, §1, 1° CTVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-51)

## Résumé du jugement

1.Faits

L'intimé est immatriculé en tant qu'assujetti à la TVA depuis le 13 novembre 2012 pour l'activité de location et de leasing de camions et d'autres véhicules à moteur et le commerce de gros d'autres véhicules à moteur. Il fait partie d'un groupe de transport qui comprend également deux sociétés ayant leur siège social en Bulgarie.

Deux contrôles TVA ont eu lieu dans le chef de l'intimé pour la période du 1er février 2020 au 31 mars 2020, puis pour la période 2018. Il en est résulté un procès-verbal daté du 8 juin 2020 et du 28 octobre 2021, contre lequel l'intimé a formé opposition. Dans les jugements du 19 juin 2023, le tribunal de première instance a jugé que la taxation était arbitraire et a déclaré la demande de l'intimé recevable et fondée.

C’est contre ces jugements que l’Etat belge a introduit un recours en appel.

**Texte intégral:**

Le jugement est publié uniquement dans la langue originale.

### Corps de la décision

**RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG OOST-VLAANDEREN,**

**afdeling GENT**

## *FISCAAL - ZESDE BURGERLIJKE KAMER* OPENBARE TERECHTZITTING VAN 19 JUNI 2023

**In de zaak van :**

**C.R.,** KBO …, met zetel te …,

eisende partij, hebbende ais raadslieden meester V.F. en meester W.S., beiden advocaat te …;

**Tegen:**

**De BELGISCHE STAAT,** FOD Financiën — Stafdienst Logistiek - Koning Albert II laan 33 bus 971 te 1030 Brussel, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal, Centrumdirecteur van het KMO Centrum Aalst, met kantoor te 9100 Sint-Niklaas, Driekoningenstraat 4, KBO 0308.357.159,

verwerende partij, voor wie optreedt D.V., attaché bij een fiscaal bestuur;

Beslist de rechtbank als volgt:

## I. DE RECHTSPLEGING

De rechtbank nam kennis van de argumenten van de partijen op de openbare terechtzitting van 22 mei 2023. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam de zaak in beraad. De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in en in het bijzonder het gedinginleidend verzoekschrift van 1 december 2021, de conclusies en stavingsstukken van partijen.

## Il. DE VORDERING

**Eiseres** vordert in syntheseconclusie de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren:

> *"De inschrijving in het Innings- en Invorderingsregister BTW met schuldnummer 500.2272.67639, te vernietigen, dan wel te ontheffen;*
>
> *Verweerder te veroordelen tot de integrale terugbetaling van aile bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en die toegerekend werden op de sommen vermeld in het innings- en invorderingsregister waarvan thans de vernietiging wordt gevorderd, te vermeerderen met interesten ex* [*artikel 91 WBTW*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91)*.*
>
> *Verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op:*
>
> ** *Rechtsplegingsvergoeding:* *7.500 EUR*
>
> ** *Bijdrage voor het Fonds van Juridische Tweedelijnsbijstand: 22 EUR"*

**Verweerster** vordert in syntheseconclusie de vordering van eiseres ontvankelijk en ongegrond te verklaren:

> *"De vordering van eiseres af te wijzen;*
>
> *Het proces-verbaal van 8 juni 2020 en de daaruit vloeiende fiscale schuld gekend onder de schuldnummer … te bevestigen;*
>
> *Eiseres te veroordelen tot de kosten."*

## III. RELEVANTE FEITEN EN GESCHIL

1\. C.R. BVBA, eiseres, met zetel te … is sinds 13 november 2012 geregistreerd als btw-belastingplichtige onder het btw-identificatienummer BE... Haar economische activiteiten

bestaan uit de verhuur en lease van vrachtwagens en overige motorvoertuigen en groothandel in andere motorvoertuigen.

2.Eiseres maakt deel uit van de 'K.-groep', vennootschappen actief in de transportsector rond de familie K. De spilfiguren zijn in het bijzonder de heer H.K. en zijn dochter A.K.

3.Op 8 mei 2020 werd een fiscale controle opgestart voor de periode van 1 februari 2020 tot en met 31 maart 2020.

4.Op 8 mei 2020 heeft de fiscale ambtenaar N.V. telefonisch contact opgenomen met de heer J.V. van het boekhoudkantoor A., en gevolmachtigd boekhouder van eiseres, met de vraag de aankoop- en verkoopjournalen met betrekking tot de periode 1 februari 2020 tot en met 31 maart 2020 te bezorgen.

5.Op 8 mei 2020 werden de aan- en verkoopjournalen per e-mail ontvangen.

6.Na de ontvangst van de journalen heeft de fiscale ambtenaar mevrouw N.V. op 8 mei 2020 een e-mail verstuurd naar de heer J.V. met de vraag, op grond van artikel 61 W.BTW, om bepaalde inkomende en uitgaande facturen met betrekking tot voormelde periode te bezorgen, alsook de bijbehorende verhuurcontracten (stuk 4 verwerende partij).

7.Op 11 mei 2020 heeft de fiscale ambtenaar per e-mail een bijkomende vraag om inlichtingen verstuurd naar de heer J.V. met het verzoek volgende documenten te bezorgen:

•kopieën van bepaalde inkomende facturen;

•informatie omtrent de verhuur van vervoermiddelen en de werkwijze van eiseres;

•verhuurcontracten met betrekking tot de verhuur van personenwagens.

8

Dhr. J.V. heeft diezelfde dag de gevraagde inkomende facturen en inlichtingen per e-mail bezorgd.

9\. Op 11 mei 2020 heeft de fiscale ambtenaar per e-mail een volgende vraag om inlichtingen verstuurd naar de heer J.V. met het verzoek volgende documenten te bezorgen:

\- verhuurcontract Peugeot 3008;

informatie met betrekking tot de vervoermiddelen met nummerplaten

1-VPC-557;

\- bestemming van de 11 aangekochte opleggers;

overzicht van het wagenpark.

10\. Aan de hand van de voorgelegde boeken en stukken werden inbreuken op de btw-wetgeving vastgesteld. Deze inbreuken werden opgenomen in een correctieopgave met mogelijkheid tot minnelijke akkoordverklaring die op 13 mei 2020 per e-mail naar de heer J.V. werd verzonden (stuk 8 verwerende partij).

11\. In zijn antwoord per e-mail van 14 mei 2020 deelde dhr. J.V. mee niet akkoord te gaan met de volledige inhoud van voormelde correctieopgave (stuk 9 verwerende partij).

12\. Naar aanleiding van de gedane vaststellingen verricht op het thuiskantoor door de fiscale ambtenaar werd de controleperiode uitgebreid vanaf 1 januari 2020 tot en met 31 maart 2020.

13\. Op 14 mei 2020 heeft de fiscale ambtenaar een e-mail verstuurd naar dhr. J.V. teneinde hem hiervan in kennis te stellen en waarbij het aan- en verkoopjournaal betreffende januari 2020 werd opgevraagd.

14\. Op diezelfde dag werd het aan- en verkoopjournaal met betrekking tot januari 2020 per e-mail ontvangen.

15\. Op 15 mei 2020 werd een bijkomende vraag om inlichtingen per e-mail verstuurd naar dhr. J.V.

16\. De bemerking van dhr. J.V. inzake de intracommunautaire levering van de trekker met nummerplaat 1-…-… werd weerhouden.

Aangezien voor het overige niet tot een minnelijk akkoord werd gekomen, werd de vastgestelde overtreding op 8 juni 2020 opgenomen in een proces-verbaal (stuk 13 verwerende partij).

Dit proces-verbaal werd tevens op 8 juni 2020 ter kennis gebracht aan eiseres.

17\. In dit proces-verbaal werden de volgende inbreuken op de btw-wetgeving

vastgesteld:

** Inbreuken op artikel 21, §3 W.BTW betreffende de plaats van de dienst;

** Inbreuken op artikel 51 W.BTW betreffende de verschuldigdheid van de belasting.

Totaal verschuldigde btw: 122.734,50 EUR.

Er werd tevens een verminderde proportionele boete opgelegd van 10% overeenkomstig artikel 84, derde alinea, W.BTW en overeenkomstig [artikel 1, van het Koninklijk Besluit nr. 41](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958#ar41-art1) van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde en overeenkomstig tabel G, eerste afdeling, rubriek IV van de bijlage bij dit besluit ten bedrage van 12.270,00 EUR.

18\. Voor deze schuld werd op 16 juni 2020 een betaalbericht gestuurd naar eiseres

(stuk 14 verwerende partij).

19\. De schuld werd op 22 juli 2020 opgenomen in het innings- en invorderingsregister, dat uitvoerbaar werd verklaard op 24 juli 2020, onder het schuldnummer ...

Op 24 juli 2020 werd een uittreksel uit voormeld innings- en invorderingsregister naar eiseres verstuurd (stuk 15 verwerende partij).

20\. Op 3 december 2020, ontvangen door de fiscale administratie op 7 december 2020, diende eiseres een bezwaarschrift in tegen het proces-verbaal van 8 juni 2020.

Eiseres verzocht om te worden gehoord en inzage te verkrijgen in haar administratief dossier.

21\. Op 5 juli 2021 werd door de fiscale administratie een uitnodiging per e-mail verzonden naar meester F.V. teneinde een overleg te plannen en waarbij meester F.V. werd verzocht bijkomende stavingsstukken voor te leggen (stuk 62 verwerende partij).

22\. Aangezien geen reactie volgde, werd op 30 september 2021 een herinnering verzonden per aangetekende brief naar A. Advocaten, t.a.v. meester F.V..

Om reden dat er opnieuw geen reactie volgde op de uitnodiging tot het horen van eiseres, heeft verweerster, bij gebrek aan stavingsstukken, het bezwaar afgewezen bij gemotiveerde beslissing van 28 oktober 2021.

23\. Eiseres kon zich niet vinden in deze afwijzende beslissing zodat zij op 1

december 2021 een verzoekschrift neerlegde ter griffie van deze rechtbank.

## IV. BEOORDELING

### 1. Ontvankelijkheid

Verweerster voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt is de vordering ontvankelijk.

### 2. Ten gronde

inzake de bewijskracht van het proces-verbaal (artikel 59 W.BTW)

2.1.

Eiseres argumenteert dat het proces-verbaal van 8 juni 2020 niet is gebaseerd

op bewezen feiten en dus willekeurig is. De btw-navordering is daarom nietig.

De feiten staan niet vast, Iaat staan bewezen. De voorschriften van artikel 59 W.BTW zijn miskend.

Verder kan met de elementen uit het strafdossier geen rekening worden gehouden, daar zij hoogstens een post factum rechtvaardiging kunnen uitmaken.

2.2.

Artikel 59, §1 W.BTW. bepaalt dat:

> "ledere overtreding of elk misbruik van de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de opeisbaarheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, kunnen door de administratie worden bewezen volgens de regelen en
>
> door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën.
>
> De processen-verbaal leveren bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen."

2.3.

De rechtbank merkt op dat het proces-verbaal een akte is waarin een bevoegd ambtenaar zijn opzoekingen, de verkregen inlichtingen, de materiële vaststellingen van bepaalde feiten en de aan hem afgelegde verklaringen optekent. Overeenkomstig artikel 59, §1, tweede lid, W. BTW. leveren de processen-verbaal bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen.

De bewijskracht van een proces-verbaal strekt zich dus uit tot alle handelingen die de ambtenaren verklaren gesteld te hebben en alle feiten waarvan zij verklaren getuige te zijn geweest.

De bewijskracht van het proces-verbaal geldt niet voor de gevolgtrekkingen die de verbalisanten uit hun vaststellingen afleiden: deze gevolgtrekkingen blijven aan de controle der rechtbanken onderworpen zoals alle andere gevolgtrekkingen.

2.4.

De rechtbank stelt vast dat volgens het proces-verbaal van 8 juni 2020 de contracten van de verhuur van de vrachtwagens geen bewijskracht zouden hebben. Hiervoor wordt naar verschillende elementen verwezen.

De rechtbank deelt niet de zienswijze van verweerster. Zo wordt, ten onrechte, in het proces-verbaal gesteld dat de contracten niet zouden vermelden vanaf welke datum zij ingaan. Dit wordt evenwel uitdrukkelijk in artikel 15 van de overeenkomsten vermeid, met name van 2 januari 2020 tot 2 juni 2020 (zijnde 5 maanden).

Voor de rechtbank is het dan ook een groot raadsel waarom de fiscale ambtenaar, Nathalie Vermeulen (fiscaal deskundige verbonden aan het KMO Centrum Aalst, Team 12, gevestigd te 9100 Sint-Niklaas, Driekoningenstraat 4), verklaart dat de overeenkomsten geen datum van aanvang bepalen.

Het feit dat de overeenkomsten op dezelfde datum werden ondertekend en dat zij dezelfde vormstijl hebben, doet evenmin afbreuk aan de bewijskracht van deze overeenkomsten.

Verder wordt in het proces-verbaal gesteld dat de contracten gedateerd zouden zijn op een moment dat de nummerplaat nog niet werd toegekend. De rechtbank merkt, samen met eiseres, op dat de bijlage waarnaar in het proces-verbaal wordt verwezen, de overeenkomsten zelf zijn. Met andere woorden, hieruit kan de datum van inschrijving niet worden afgeleid.

2.5.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de elementen die de fiscale administratie naar voren heeft gebracht in het proces-verbaal van 8 juni 202 regelrecht ingaan tegen de overeenkomsten die als bijlage aan dat proces-verbaal zijn gehecht.

Eiseres bewijst juist het tegendeel van wat de fiscale ambtenaar, N.V. (fiscaal deskundige verbonden aan het KMO Centrum Aalst, Team 12) poneert in dit proces-verbaal. Zodoende heeft verweerster de voorschriften van artikel 59 W.BTW miskend.

De grief van eiseres is gegrond.

Inzake het feitelijk vermoeden

2.6.

Eiseres argumenteert dat het bewijs door feitelijke vermoedens in het voorliggend geschil niet mogelijk is.

De elementen opgenomen in het proces-verbaal van 8 juni 2020 maken hoegenaamd geen vaststaande feiten of bekende gegevens uit, waaruit enige gevolgtrekking zou kunnen volgen.

2.7.

Artikel 64, §1 en §2 van het W.BTW bepaalt:

> "Hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen wordt behoudens tegenbewijs geacht de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt.
>
> Hij die diensten verricht, wordt behoudens tegenbewijs geacht dat te hebben gedaan onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt."

Overeenkomstig artikel 1349 B.W. zijn vermoedens gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit. Het vermoeden kan slechts worden aanvaard wanneer met zekerheid het bestaan van het vast te stellen gegeven uit het bekende feit kan worden afgeleid.

Voor de vermoedens ais bewijstechniek is het essentieel dat het bekende feit of de bekende feiten waaruit de redenering vertrekt, bekend zijn, dat wil zeggen, dat het gaat om feiten die buiten kijf staan of nopens de materiële werkelijkheid waarvan er geen betwisting kan bestaan. Een feitelijk vermoeden kan niet zelf op een ander feitelijk vermoeden steunen. (Cass. 21 december 1990, RW 1990-91, 1141). Ofschoon de feiten die de rechter als uitgangspunt van zijn redenering neemt, moeten vaststaan, dit wil zeggen moeten bewezen zijn, belet geen enkele wetsbepaling evenwel dat de aanname van dit feit zelf het resultaat kan zijn van een bewijsvoering door vermoedens (Cass. 22 mei 2014, F.13.0086.N, op http://jure.juridat.just.fgov.be).

2.8.

De rechtbank stelt vast dat de fiscale administratie zich heeft gebaseerd op elementen die zogenaamd verwijzen naar 'vaststaande feiten of bekende gegevens', die in werkelijkheid geen vaststaande feiten of bekende gegevens blijken te zijn (zie randnummer 2.5.)

De fiscale administratie kan hieruit geen gevolgtrekkingen maken zonder hierdoor willekeurig te werk te gaan. Het proces-verbaal vermeldt geen vaststaand feit of bestaand gegeven op basis waarvan de fiscale administratie zou kunnen besluiten tot het bestaan van een maandelijkse verhuur. Het staat als een paal boven water dat het louter niet aannemen van de

overeenkomsten, geen vaststaand feit of bekend gegeven uitmaakt waardoor er sprake zou zijn van een verhuur op korte termijn (art. 21, §3, 5 0 W.BTW).

De grief van eiseres is gegrond.

Besluit

2.9.

De rechtbank besluit, op grond van de hierboven gemaakte overwegingen, dat de fiscale administratie het vermoeden niet correct heeft toegepast en willekeurig te werk is gegaan.

Eiseres heeft het vermoeden weerlegd. In het voorliggende geschil is er sprake van een willekeurige taxatie, zodat artikel 64 W.BTW niet correct werd toegepast.

De btw-vordering dewelke voortvloeide uit het proces-verbaal van regularisatie van 8 juni 2020 dient dan ook te worden vernietigd. Een passende ontheffing dringt zich op.

Alle meeromvattende en strijdige conclusies worden verworpen als niet ter zake dienend.

De vordering van eiseres is gegrond.

## V. GERECHTSKOSTEN - RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

1\. De kosten omvatten in de onderliggende zaak de bijdrage voor de oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand (artikel 1018, 8° van het Gerechtelijk Wetboek) en de rechtsplegingsvergoeding (artikel 1018, 6' juncto artikel 1022 Ger. W.).

In toepassing van de artikelen 279 en 162,4° van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten is geen rolrecht verschuldigd.

2\. Eiseres is de partij die in het gelijk werd gesteld. Aangezien zij wordt vertegenwoordigd door een advocaat, heeft zij recht op een rechtsplegingsvergoeding.

De vordering is in geid waardeerbaar. Het bedrag van deze vordering ligt, gelet op de omvang van de bestreden btw-navordering, in de schijf van 100.000,01 tot 250.000,00 EUR. De rechtbank begroot de rechtsplegingsvergoeding dan ook, sinds 1 november 2022, op het geïndexeerd basisbedrag van 7.500,00 EUR.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**BESLIST DE RECHTBANK,** recht doende op tegenspraak,

Met inachtneming van de artikelen 2 en 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken:

\- alle meeromvattende en strijdige conclusies te verwerpen ais niet ter zake dienend;

\- de vordering van eiseres ontvankelijk en gegrond te verklaren in volgende mate;

\- de inschrijving in het Innings- en Invorderingsregister BTW met schuldnummer … te vernietigen;

\- de terugbetaling te bevelen van alle ten onrechte geïnde sommen vermeld in het innings- en invorderingsregister, vermeerderd met de moratoriumintrest;

\- verweerster te veroordelen tot de kosten van deze aanleg met name de bijdrage bedoeld in artikel 4 § 2 en 5 §§ 1 en 2 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand ten belope van 22,00 EUR en tot de rechtsplegingvergoeding van 7.500,00 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de **zesde**

**burgerlijke kamer** van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen,

afdeling Gent, op maandag **19 juni 2023,** waar aanwezig waren :

\- T.L., rechter, voorzitter van deze kamer,

\- T.D., griffier.

## Textes cités

4

[CTVA art. 21](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-21) 2 occurrences

[CTVA art. 51](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-51) 2 occurrences

[AR no 41 art. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958) 1 occurrence

[CTVA art. 91](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Location, Location d’un moyen de transport](https://juriel.be/fr/jurisprudence/location-moyen-transport-localisation-prestation-cour-appel-bruxelles-2021-05-19-0215) 3 dispositions communes

[Finalité, Lieu d'établissement, Principe de neutralité](https://juriel.be/fr/jurisprudence/finalite-lieu-etablissement-principe-neutralite-cour-appel-bruxelles-2026-05-13-12b2) 3 dispositions communes

[Conseil, Intention frauduleuse, Lieu de prestation](https://juriel.be/fr/jurisprudence/conseil-intention-frauduleuse-lieu-prestation-cour-appel-bruxelles-2025-03-19-39e9) 3 dispositions communes

[Siège d'une activité économique, compétence pénale](https://juriel.be/fr/jurisprudence/siege-activite-economique-competence-penale-cour-appel-gand-2024-01-09-4bee) 3 dispositions communes

[Dette de TVA, Autoliquidation, Grande-Bretagne, report de paiement](https://juriel.be/fr/jurisprudence/dette-tva-autoliquidation-grande-bretagne-tribunal-2026-01-05-631b) 3 dispositions communes

[Siège d'une activité économique, compétence pénale](https://juriel.be/fr/jurisprudence/siege-activite-economique-competence-penale-cour-appel-gand-2024-01-09-883d) 3 dispositions communes

[Droit à déduction, Chevaux, Mécanisme d’auto-liquidation, Reverse charge](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-chevaux-mecanisme-auto-cour-appel-anvers-2022-01-18-b391) 3 dispositions communes

[Nullité du procès-verbal, Droit à déduction, Fraude](https://juriel.be/fr/jurisprudence/nullite-proces-verbal-droit-deduction-cour-appel-gand-2024-03-05-cbc5) 3 dispositions communes
