---
title: "883d1270 · 9 janvier 2024 · Siège d&#x27;une activité économique, compétence pénale · Cour d&#x27;appel de Gand"
description: "Siège d'une activité économique, compétence pénale, amende légale pour intention frauduleuse. Cour d'appel de Gand (Belgique), 9 janvier 2024. Réf. 883d1270."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/siege-activite-economique-competence-penale-cour-appel-gand-2024-01-09-883d"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Siège d'une activité économique, compétence pénale

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Gand

**Date**

9 janvier 2024

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

**Sens lu par le SPF**

favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

179 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'appel de Gand du 09.01.2024

WF 503-15-14/011487

\[Favorable à l'administration\]

*Taxe sur la valeur ajoutée - siège d'une activité économique - compétence pénale - abus - amende légale pour intention frauduleuse.*

## Dispositions légales

[Article 1, §10 CTVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-1)

[Article 2 CTVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-2)

[Article 18, §1, alinéa 2, 1° CTVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-18)

[Article 21, §2 CTVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-21)

[Article 21bis, §1 CTVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-21bis)

[Article 51, §1, 1° CTVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-51).

[Article 59, §1 CTVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-59)

[Article 62 CTVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-62)

[Article 64 CTVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-64)

[Article 93terdecies CTVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-93terdecies)

[Article 51, §1, 1° CTVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-51).

[Article 70, §1 CTVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70)

## Les faits pertinents et la procédure préalable\*

*\*Uniquement dans la langue originale*

## Résumé

Selon l’ISI, le contribuable étranger gère son activité depuis la Belgique et devait facturer la TVA belge sur ses factures aux clients belges. La demande se fonde sur des données provenant d'un dossier pénal et sur ses propres observations.

Bien que le jugement dans l'affaire pénale n'ait pas l'autorité de la chose jugée dans ce litige, il sert de présomption factuelle.

L'existence d'un siège d'activité économique en Belgique est prouvée. Il y a abus. L'amende de 200% est maintenue.

**Texte de l’arrêt**

***L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale***

### Corps de la décision

**Hof van beroep Gent, vijfde kamer**

Arrest van 09/01/2024

Rol: 2022/AR/1037

In de zaak van:

**D. W.SRL,**

met zetel te ...

***appellante****, woonstkeuze doende bij haar raadsman, Mr D., hierna vermeld*

*hebbende als raadsman mr. D. C., advocaat te ... en mr. D. M. S., advocaat te ...*

tegen

**BELGISCHE STAAT / FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN,** ON 0308.357.159,

Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur Invordering- Ontvanger Team Invordering Natuurlijke Personen Waasland, met burelen te 9100 SINT-NIKLAAS, Driekoningenstraat 4 bus 1,

***geïntimeerde****,*

*hebbende als raadsman mr. L. G., advocaat te ...*

wijst het hof het volgend arrest:

## 1. De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift neergelegd op 7 juni 2022 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zevende kamer, op 1 april 2022 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 14/489/A, waarvan niet blijkt dat het werd betekend.

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 12 december 2023. Daarna werd het debat gesloten en nam het hof de zaak in beraad. Bij arrest van 19 december 2023 werd het debat heropend teneinde de appellante toe te laten haar stukkenbundel neer te leggen. De zaak werd voor verdere behandeling gesteld op de openbare terechtzitting van deze kamer van 2 januari 2024. Op de openbare zitting van 2 januari 2024 werd de zaak opnieuw behandeld, waarna het debat opnieuw werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak weer in beraad.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

## 2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

De appellante werd op 30 juni 2010 opgericht als vennootschap naar Italiaans recht. Ze is in Italië als btw-belastingplichtige geregistreerd onder het nummer IT07...20 en is actief in de transportsector. Zij maakt deel uit van de (internationale) transportgroep rond de heer G. D. W. en zijn echtgenote, mevrouw V.L.. Tot de groep behoren onder meer ook de volgende vennootschappen:

B. Ltd., een vennootschap naar Bulgaars recht,

T. nv, met als rechtsopvolger bv L. I. e. B.,

T. bv,

T. C. bv,

D. W.nv,

M. bvba,

B. S. Ltd., een vennootschap naar Bulgaars recht,

V. E. E. bv (handelsbenaming \`D. W. Nederland'), een vennootschap

naar Nederlands recht.

Op 15 juli 2010 verzocht de Directie Gent van de ABBI aan de procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent machtiging om het gerechtsdossier aangelegd ten laste van nv T. — G. D. W.— V.L. te raadplegen en er desgevallend kopie van te nemen. Toelating tot inzage en kopiename werd op 9 december 2010 verleend.

In het kader van een onderzoek met betrekking tot de toepassing van de btw voor de periode van 1 april 2011 tot 30 september 2013 lastens de appellante werden inlichtingen opgevraagd aan klanten van de appellante ([artikel 62 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-62)) en werd een verzoek tot het bekomen van inlichtingen gericht aan de Italiaanse btw-administratie ([artikel 93terdecies WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-93terdecies)). Navolgend werden in hoofde van de appellante de volgende btw-overtredingen vastgesteld en opgenomen in een proces-verbaal opgemaakt op 5 november 2013, waarin ook vaststellingen werden opgenomen die werden gedaan tijdens het btw-nazicht van T. nv, T. C. bv, T. bv, M. bv en B. Ltd. Er werd vastgesteld dat de appellante diensten van koeltransport verrichtte voor Belgische klanten. De administratie stelde van mening te zijn dat deze prestaties ten onrechte zonder aanrekening van Belgische btw waren gefactureerd aangezien de maatschappelijke zetel van de appellante te Italië fictief was en de zetel van economische activiteit van de appellante tijdens de gecontroleerde periode in België was gevestigd als gevolg waarvan Belgische btw verschuldigd was op deze prestaties geleverd door de appellante. Een verschuldigde btw van 248.498,88 euro en een proportionele geldboete van 200% werden verschuldigd geacht, in acht genomen het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken, meer intresten vanaf 21 oktober 2013.

Op 19 november 2013 werd een dwangbevel met RCIV nr. 50...13 uitgevaardigd, dat ter kennis werd gebracht aan de appellante op 9 december 2013.

Met een verzoekschrift neergelegd op 10 februari 2014 stelde de appellante haar vordering in voor de toenmalige rechtbank van eerste aanleg te Gent. Op de zitting van 17 maart 2014 werd de zaak naar de bijzondere rol verwezen gelet op de toen hangende strafrechtelijke dossiers.

Bij vonnis van 26 maart 2014 deed de correctionele rechtbank te Brugge uitspraak in het strafdossier met notitienummer BG.69...13 en werden G. D. W., V.L. en T. veroordeeld wegens verscheidene sociaalstrafrechtelijke inbreuken begaan binnen de T.-groep. In dat vonnis werd uitdrukkelijk geoordeeld dat B. Ltd. geen zelfstandige transportonderneming was en er in Bulgarije geen substantiële activiteiten werden ontplooid, en het werkgeversgezag over de chauffeurs en mecaniciens vanuit Zeebrugge werd uitgeoefend, alwaar de werkelijke maatschappelijke zetel/uitbatingszetel zich bevond. Bij arrest van 7 januari 2016 van het hof van beroep te Gent werd de veroordeling van G. D. W.en V.L. grotendeels bevestigd. Daarin werd opnieuw geoordeeld dat G. D. W., V.L. en T. een detacheringsconstructie hadden opgezet die de toets van de werkelijkheid niet kon doorstaan. Bij arrest van 12 september 2017 van het Hof van Cassatie werd het correctioneel arrest vernietigd maar enkel wat betreft de toegepaste opdeciemen. Voor het overige werd de cassatievoorziening verworpen.

Bij vonnis van 1 april 2022 oordeelde de zevende kamer van de rechtbank van eerste aanleg

Oost-Vlaanderen, afdeling Gent als volgt:

*De vordering is ontvankelijk doch niet gegrond.*

*De rechtbank veroordeelt de eiseres tot het betalen van de gerechtskosten, vastgesteld als volgt*

*in hoofde van de verweerder:*

*rechtsplegingsvergoeding: 13.000,00 euro.*

Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.

## 3. De vorderingen van de partijen

### 3.1. De vordering van de appellante

De appellante vraagt in hoger beroep aan het hof om:

*De vordering van concluante toelaatbaar en gegrond te verklaren;*

*Het bestreden vonnis uitgesproken op 1 april 2022 door de rechtbank van eerste aanleg*

*Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, in de zaak gekend onder het rolnummer 14/489/A, integraal*

*teniet te doen en te hervormen;*

*Dienvolgens in hoofdorde:*

*- het dwangbevel met RCIV-nr. 50...13, Reg. 1…8, uitgevaardigd op 19 november 2013 door mevrouw X, Ontvanger-Adviseur a.i. van het btw-ontvangkantoor van Sint-Niklaas, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 25 november 2013 door de heer X, Adviseur — Gewestelijke Directeur van de BTW te Antwerpen, ter kennis gebracht aan concluante per gerechtsdeurwaardersexploot op 9 december 2013, te horen vernietigen en van onwaarde te horen verklaren;*

*het proces-verbaal d.d. 5 november 2013, opgemaakt door mevrouw X, Adviseur-eerstaanwezend inspecteur diensthoofd a.i. bij de Algemene Administratie van de fiscaliteit en in die hoedanigheid ter beschikking gesteld van de Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie — Inspectie 5, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9050 Ledeberg — Gent, Zuiderpoort — Office Park Blok B, Gaston Crommenlaan 6 bus 801, te horen vernietigen en van onwaarde te horen verklaren;*

*Dienvolgens in ondergeschikte orde:*

*-* *de opgelegde proportionele geldboete van 200% kwijt te schelden, minstens substantieel te verminderen;*

*-* *de opgelegde niet-proportionele geldboete van 5.500,00 EUR kwijt te schelden; Dienvolgens in uiterst ondergeschikte orde:*

*-* *uitstel te verlenen voor de opgelegde proportionele geldboete van 200% en de niet-proportionele geldboete van 5.500,00 EUR;*

*Dienvolgens, te horen zeggen voor recht dat concluante wordt ontslaan van betaling van de in het dwangbevel gevorderde bedragen en geïntimeerde te horen veroordelen tot de integrale terugbetaling van alle bedragen die ten onrechte werden betaald of werden ingehouden en toegerekend op de sommen vermeld in het dwangbevel, waarvan thans de vernietiging wordt gevorderd, en dit vermeerderd met moratoire interesten overeenkomstig* [*artikel 91 WBTW*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91)*;*

*Geïntimeerde te horen veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de betaalde bijdrage aan het begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsplegingsvergoeding op grond van artikel 2 van het KB van 26 oktober 2007 (BS 9 november 2007), in hoofde van concluante in begroot op (cfr. artikel 1022 Ger.W.):*

### 3.2. De vordering van de gintimeerde

#### De Belgische Staat vraagt in hoger beroep aan het hof om:

*de vordering in hoger beroep van appellante ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;*

*Dienvolgens:*

#### *In hoofdorde:*

*het vonnis van 1 april 2022 van de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, in de zaak gekend onder het rolnummer 14/489/A, integraal en in alle onderdelen te bevestigen;*

*de vordering van geïntimeerde zoals opgenomen in het dwangbevel met RCIV-nr. 50...13 van 19 november 2013 annex het proces-verbaal van 5 november 2013 te bevestigen als zijnde terecht gevorderd en appellante te veroordelen tot betaling van de door haar verschuldigde sommen zoals opgenomen in het dwangbevel zijnde,*

*248.498,88 euro aan BTW,*

*496.990,00 euro aan proportionele geldboeten,*

*5.500,00 euro aan niet-proportionele geldboeten,*

•*te vermeerderen met interesten op de BTW vanaf 21 oktober 2013 (art* [*91 §1*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) *WBTW), met de moratoire interesten op de boete vanaf de betekening van het dwangbevel dd. 9 december 2013 (*[*art. 91 § 4, WBTW*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91)*) en met de kosten.*

*Voor recht te zeggen dat er geen reden is om de opgelegde boete van 200% kwijt te schelden, te verminderen of met uitstel op te leggen, en*

*In ondergeschikte orde,* *indien uw Hof zou oordelen dat het dwangbevel nietig is wegens gebrek aan motivering, akte te verlenen van de door geïntimeerde ingestelde tegenvordering met verzoek aan uw Hof zich uit te spreken over het bestaan en de omvang van de belastingschuld.*

*Tot slot,* *appellante te veroordelen tot alle kosten van het geding, met inbegrip van de bijdrage aan het begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsplegingvergoeding aan de zijde van geïntimeerde begroot op 13.000,00 EUR voor eerste aanleg en 14.000,00 euro voor hoger beroep.*

## 4. De betwistingen en hun beoordeling

### 4.1. Omtrent de nietigheid van het dwangbevel

De appellante stelt dat het dwangbevel nietig is aangezien de bijlagen aan het proces-verbaal niet waren gevoegd en aangezien deze bijlagen, samen met het proces-verbaal, de oorzaak en motivering van de vordering van de administratie opnemen en onderbouwen. De appellante verwijst tevens naar de wet van 29 juli 1991 betreffende de motivering van de bestuurshandelingen en stelt dat een gebrek aan motivering door het niet bijvoegen van de bijlagen bij een proces-verbaal tot de nietigheid van het dwangbevel leidt.

Uit de betekeningsakte (stuk 2, bundel administratie) blijkt dat het proces-verbaal samen met het dwangbevel werd betekend aan de appellante op 9 december 2013. De bijlagen bij dit proces-verbaal werden met deze betekeningsakte niet ter kennis gebracht aan de appellante. Evenwel werden de bijlagen bij het proces-verbaal wel ter kennis gebracht aan de appellante bij aangetekende brief van 9 december 2013 (stuk 15, bundel administratie), zijnde dezelfde dag als de betekeningsakte. De stelling van de appellante dat de bijlagen bij het proces-verbaal niet bij de aangetekende brief waren gevoegd, is niet bewezen en hoogst onwaarschijnlijk. Zoals de eerste rechters terecht overwogen, had het extra toezenden van het proces-verbaal op 9 december 2013 enkel zin wanneer de bijlagen ook ter kennis werden gebracht aangezien op die manier verholpen werd aan het feit dat enkel het proces-verbaal zonder bijlagen via de betekeningsakte van de deurwaarder ter kennis was gebracht van de appellante. Ook de bijlagen bij het proces-verbaal werden aldus betekend aan de appellante, evenwel afzonderlijk van de betekening van het dwangbevel.

Het hof ziet geen enkele reden om het dwangbevel nietig te verklaren op de enkele grond dat de bijlagen bij het betekende proces-verbaal bij afzonderlijke brief van dezelfde datum werden betekend aan de appellante. De appellante voert niet aan dat zij deze bijlagen niet heeft ontvangen of er geen kennis van heeft kunnen nemen. Enige bijkomende stappen heeft de appellante niet moeten ondernemen, aangezien de bijlagen bij het proces-verbaal haar per afzonderlijke brief van dezelfde datum werden betekend. De beide aktes van dezelfde datum hebben de appellante in staat gesteld het voorwerp en de oorzaak van de vordering van de administratie te kennen en de gegrondheid ervan na te gaan. De appellante heeft zich gemotiveerd kunnen beraden over de kans op welslagen van haar verzet tegen het dwangbevel.

Bovendien, zelfs indien het dwangbevel gebrekkig zou zijn gemotiveerd en om die reden nietig zou zijn, dient het hof zelf te beslissen over het bestaan en de omvang van de belastingschuld. De appellante preciseert niet welk belang zij dan nog heeft bij haar middel.

Dit middel van de appellante wordt afgewezen.

### 4.2. Omtrent de schending van de formele vereisten van het dwangbevel

De appellante stelt dat de melding van de datum waarop de vaststellingen werden gedaan een vormvereiste vormt voor de opstelling van een proces-verbaal. Aangezien in het proces-verbaal niet wordt vermeld wanneer de verschillende onderzoeksdaden hebben plaatsgevonden, dient het dwangbevel nietig te worden verklaard aangezien de administratie op die manier de opbouw van een correct verweer door de appellante verhindert, wat een schending inhoudt van de motiveringsplicht en een inbreuk uitmaakt op de rechten van verdediging van de appellante.

De geïntimeerde stelt terecht dat de administratie in de regel niet dient te vermelden wanneer de verschillende onderzoeksdaden, zoals inzage in het btw-dossier van de belastingplichtige, het opvragen van inlichtingen aan klanten en het richten van een verzoek tot het bekomen van inlichtingen aan de Italiaanse BTW-administratie, precies hebben plaatsgevonden. Uit het dossier blijkt dat het proces-verbaal werd opgesteld op 5 november 2013. Hieruit volgt dat alle onderzoekshandelingen moeten hebben plaatsgevonden tussen 1 april 2011, de start van de gecontroleerde periode, en 5 november 2013, de datum van opstelling van het proces-verbaal. Er moet tevens worden aangenomen dat de ambtenaar die het proces-verbaal heeft opgesteld, deze onderzoeksdaden heeft gesteld. De appellante verduidelijkt niet waarom deze ambtenaar niet bevoegd was om deze onderzoeksdaden te stellen, terwijl zij op basis van deze gegevens nochtans in staat was om de rechtsgeldigheid van de genoemde onderzoeksdaden te onderzoeken en haar verweer terzake op te bouwen.

Het hof ziet geen reden om op die grond het dwangbevel nietig te verklaren. Ook dit middel van de appellante wordt afgewezen.

### 4.3. Omtrent de opgewogen willekeur van de navordering

Waar de appellante opwerpt dat de gegevens waarop de administratie zich heeft gesteund, de navordering niet kunnen schragen en dat er dus sprake is van een willekeurige navordering, kan zij evenmin worden gevolgd.

Uit het proces-verbaal blijkt dat de administratie zich heeft gebaseerd op eigen onderzoek en informatie bekomen van klanten en bij de Italiaanse belastingadministratie. Dat de navordering zou zijn gesteund enkel op verklaringen van derden, mist feitelijke grondslag. De gegevens uit het fiscaal dossier waarop de administratie zich heeft gesteund, zullen door dit hof op hun bewijswaarde warden beoordeeld. Er is geen sprake van willekeur wanneer de belastingplichtige niet akkoord is met de beoordeling door de administratie van de gegevens in een fiscaal dossier. De administratie heeft bij het opmaken van de navordering gebruik gemaakt van de haar bij wet toegekende bewijsmiddelen, die door het hof op hun bewijswaarde zullen moeten worden beoordeeld.

Het hof stelt geen inbreuk vast op de aan de administratie toegekende bewijsmiddelen. Zoals gezegd, is het aan het hof om alle gegevens waarop de navordering is gesteund en waarop de appellante zich heeft kunnen verdedigen, op hun bewijswaarde te beoordelen. Of er sprake is van een verboden opeenstapeling van vermoedens en welke bewijswaarde aan het proces-verbaal moet worden toegekend, beoordeelt het hof in wat volgt.

### 4.4. Omtrent het gewijsde

Het in artikel 4, eerste lid V.T.Sv. geconcretiseerde adagium le criminel tient le civil en état' berust op het gezag van gewijsde van de definitieve beslissing van de strafrechter ten aanzien van de burgerlijke rechter wat betreft de punten die gemeenschappelijk zijn aan zowel de burgerlijke vordering als de strafvordering. Het gezag van gewijsde dat is verbonden aan strafzaken ten aanzien van de burgerlijke rechter, is een algemeen rechtsbeginsel (zie ook Cass. 15 februari 2019, *Arr. Cass.* 1990-91, nr. 322).

Op grond van het algemeen rechtsbeginsel van het gezag van gewijsde in strafzaken, is de burgerlijke rechter bij de beoordeling van een voor hem ingestelde vordering gebonden door wat de strafrechter bij definitieve uitspraak over de grond van de tenlastelegging heeft beslist in een zaak die tussen dezelfde partijen wordt gevoerd. Het gezag van gewijsde in strafzaken is, ten aanzien van de burgerlijke rechter, beperkt tot hetgeen zeker en noodzakelijk door de strafrechter is beslist. Het gezag van gewijsde van de definitieve beslissing van de strafrechter ten aanzien van de burgerlijke rechter, dat bijdraagt tot de zorg om tegenstrijdige beslissingen te vermijden, moet evenwel worden geïnterpreteerd rekening houdend met de waarborgen van het recht op een eerlijk proces (zie ook GwHof 14 februari 2019, nr. 24/2019, op const-court.be). Zo staat het gezag van het strafrechtelijk gewijsde er niet aan in de weg dat een partij in een later burgerlijk proces de kans moet hebben de gegevens, afgeleid uit het strafgeding, te betwisten in zoverre zij geen partij was in het strafgeding of er niet vrij haar belangen kon laten gelden (zie ook Cass. 24 april 2006, 5.05.0075.N; Cass. 7 maart 2008, C.06.0253.F; op juportal.be).

Artikel 4 V.T.Sv. in zoverre het algemeen rechtsbeginsel van het gezag van het strafrechtelijk gewijsde voor de burgerlijke rechter erin is vastgelegd, dient op grondwetsconforme wijze te worden geïnterpreteerd in die zin dat de partij die tijdens een strafproces is veroordeeld en die vervolgens is opgeroepen voor de burgerlijke rechter, in dat burgerlijk proces het bewijs kan genieten dat in diezelfde burgerlijke zaak door een derde bij het strafproces is geleverd en waarbij de elementen afgeleid uit het strafgeding worden weerlegd (zie ook GwHof 14 februari 2019, nr. 24/2019, op const-court.be).

De appellante was geen partij in het strafgeding dat heeft geleid tot het in kracht van gewijsde gegane arrest van 7 januari 2016 van het hof van beroep Gent, geen partij in het strafgeding dat heeft geleid tot het arrest van 28 maart 2022 van het hof van beroep Gent en was evenmin partij in de (fiscale) zaak die heeft geleid tot het arrest van 22 mei 2018 van het hof van beroep Gent. Deze arresten hebben aldus geen gezag van gewijsde in onderhavige betwisting.

Zelfs indien het gewijsde van voormelde arresten niet kan worden ingeroepen in huidige fiscale zaak, staat dit er niet aan in de weg dat deze uitspraken op zich kunnen worden aangewend als feitelijk vermoeden en aldus door de administratie in deze burgerlijke procedure kunnen worden aangewend als bewijsmiddel. Het komt aan het hof toe om de bewijswaarde van dit vermoeden te beoordelen waarbij de appellante gerechtigd is om het tegenbewijs te leveren.

### 4.5. Omtrent de zetel van economische activiteit van de appellante

Het is de administratie toegelaten om zowel het bestaan als het bedrag van de belastingschuld te bepalen aan de hand van vermoedens ([artikel 59, §1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-59)). Overeenkomstig artikel 8.1, 9° BW is een feitelijk vermoeden een bewijsmiddel waarbij de rechter het bestaan van één of meer onbekende feiten afleidt uit het voorhanden zijn van één of meer bekende feiten. Het vermoeden kan slechts worden aanvaard wanneer met zekerheid het bestaan van het vast te stellen gegeven uit het bekende feit kan worden

afgeleid. Het is niet noodzakelijk dat de vermoedens die uit de vastgestelde feiten worden afgeleid hieruit noodzakelijkerwijze volgen. Het volstaat dat ze hieruit kunnen volgen (zie ook Cass. 20 juni 2014, F.12.0196.F, op juportal.be). Een feitelijk vermoeden kan niet zelf op een ander feitelijk vermoeden steunen (zie ook Cass. 21 december 1990, *RW* 1990-91, 1141). Ofschoon de feiten die de rechter als uitgangspunt van zijn redenering neemt, moeten vaststaan, dit wil zeggen moeten bewezen zijn, belet geen enkele wetsbepaling evenwel dat de aanname van dit feit zelf het resultaat kan zijn van een bewijsvoering door vermoedens (zie ook Cass. 22 mei 2014, F.13.0086.N, op juportal.be).

De betwisting tussen de partijen betreft in wezen de vraag of de appellante kwalificeert als een in België gevestigde belastingplichtige voor doeleinden van de btw. In dit geval was de plaats van de diensten geleverd door de appellante aan haar Belgische klanten in België gelokaliseerd (zie ook randnummer 4.6. hierna) en diende de appellante Belgische btw aan te rekenen en door te storten aan de Belgische Schatkist, daar waar zij de facturen aan haar Belgische klanten steeds heeft uitgereikt zonder btw.

Het wordt niet betwist dat de statutaire zetel van de appellante is gevestigd in Italië. Evenwel moet voor de toepassing van het gemeenschappelijk stelsel van btw de economische realiteit in aanmerking worden genomen. De zetel van economische activiteit voor de toepassing van het gemeenschappelijk stelsel van btw heeft betrekking op de plaats waar de voornaamste beslissingen betreffende de algemene leiding van deze vennootschap worden genomen en waar de centrale bestuurstaken ervan worden uitgeoefend. Bij het bepalen van de plaats van de zetel van economische activiteit van een vennootschap dient rekening te worden gehouden met tal van factoren, waarvan de belangrijkste zijn de statutaire zetel, de plaats van het centrale bestuur, de plaats waar de bestuurders van de vennootschap vergaderen en de plaats waar het algemene beleid van deze vennootschap wordt bepaald. Ook andere elementen, zoals de woonplaats van de hoofdbestuurders, de plaats waar de algemene vergaderingen worden gehouden, waar de administratie en de boekhouding zich bevinden en waar de financiële en vooral de bankzaken hoofdzakelijk worden geregeld, kunnen in aanmerking worden genomen. Bijgevolg kan een fictieve vestiging, zoals die welke kenmerkend is voor een \`brievenbusmaatschappij' of een \`schijnvennootschap', niet warden aangemerkt als zetel van vestiging voor toepassing van de btw (zie ook o.m. HvJ van 28 juni 2007, zaak [C-73/06](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-73-06-arret), *P. L.,* randnummers 60-63).

Toegepast op de appellante is het duidelijk dat haar zetel van economische activiteit voor toepassing van de btw-wetgeving moet worden gesitueerd in België. Immers:

De beide aandeelhouders van de appellante, G. D. W.en V.L., zijn woonachtig in België. Zij zijn ook beiden en als enige zaakvoerder van de appellante, als gevolg waarvan kan worden aangenomen dat zij de operationele leiding en het centrale bestuur van de appellante (minstens grotendeels) waarnamen vanuit België. Uit informatie bekomen van de Italiaanse BTW-administratie blijkt dat de Italiaanse zetel van de appellante zoals vermeld op haar facturen niet bestaat en aldus fictief was. De betalingsbewijzen die de appellante bijbrengt van de huur van een onroerend goed in Italië tussen 1 december 2010 en 1 november 2012 overtuigen niet; hieruit blijkt niet dat dit huur was voor de (maatschappelijke) zetel van de appellante aan de ... alwaar volgens de appellante de werkelijke zetel van economische activiteit was gevestigd. Het aan deze betalingsbewijzen onderliggende huurcontract wordt niet overgelegd. De geïntimeerde maakt aannemelijk dat de locatie van het adres van de beweerde maatschappelijke zetel van de appellante niet bestaat (nr. 4/5), wat ook blijkt uit de informatie overgemaakt door de Italiaanse btw-administratie, dan wel niet toegankelijk was voor zwaar vervoer (nr. 9). Dat het kantoor langs twee kanten kon worden bereikt, wordt niet aangetoond. Uit de foto's bijgebracht door de appellante blijkt niet dat dit haar kantoor in Italië betrof. Dat het kantoor zeer groot was en een opslagruimte binnen en buiten had, wordt tegengesproken door de foto's van het adres van Google Maps die de geïntimeerde voorlegt. Ook uit de betalingsbewijzen en facturen voor de vanaf november 2012 gehuurde kleinere opslagruimte tonen niet aan dat de appellante daadwerkelijke haar zetel van economische activiteit had in Italië.

Klanten van de appellante verklaarden dat de vennootschap de firma was van G. D. W. en dat deze laatste ook hun contactpersoon was. De klanten kennen de onderneming als 'transporteur D. W.'.

Op transportdocumenten (CMR's) voor vervoeren gefactureerd door de appellante aan een grote Belgische klant wordt melding gemaakt van G. D. W. bvba als hoofdvervoerder, een vennootschap die in staat van faillissement werd verklaard bij vonnis van 9 juni 2008.

De fictieve aard van de Italiaanse zetel van de appellante alsook het feit dat de bestuurders van de appellante in België woonachtig waren, tonen aan dat het algemene beleid van de appellante werd bepaald in België en dat het centrale bestuur zich situeerde in België, wat ook wordt bevestigd door grote Belgische klanten van de appellante die de firma vereenzelvigen met G. D. W.. Deze elementen zijn samenhangend en overeenstemmend, en worden niet tegengesproken door andere overtuigende en pertinente elementen (zie ook paragrafen hierna).

Het feit dat de appellante haar statutaire zetel in Italië had, kan aan voorgaande vaststellingen geen afbreuk doen. Uit wat voorafgaat blijkt immers dat het om een fictieve vestiging ging, die niet kan worden aangemerkt als zetel van vestiging voor toepassing van de btw. Evenmin wordt voormeld besluit tegengesproken door de notulen van de algemene vergaderingen die de appellante bijbrengt. Dat G. D. W. en/of V.L. fysiek aanwezig waren in Italië blijkt hieruit niet. Dit blijkt evenmin uit de voorgelegde vliegtuigtickets die qua data niet overeenstemmen met de data van de algemene vergaderingen. Dat de vliegreizen ertoe strekten de vennootschap te besturen, wordt niet aangetoond. Waar de werknemer van de appellante, G. B., werkzaam was, doet niet terzake aangezien niet wordt aangetoond dat haar werkzaamheden deze van louter administratieve, voorbereidende en/of uitvoerende aard overstegen. Zoals de geïntimeerde terecht opmerkt, is enige beslissingsbevoegdheid onwaarschijnlijk gelet op het beperkte loon dat haar werd uitgekeerd. Hetzelfde geldt voor M. G. en P. G., die overigens slechts voor zeer korte tijd (die zich bovendien grotendeels situeert vóór de gecontroleerde periode) werkzaam waren voor de appellante, en voor G. B. waarvan niet duidelijk is welke diensten hij uitvoerde voor de appellante (een onderliggend contract wordt niet voorgelegd) en die klaarblijkelijk ook slechts een vijftal maanden werkzaam was voor de appellante (30 november 2011 — 3 mei 2012).

Waar de appellante verwijst naar bepaalde overwegingen in het arrest van het hof van beroep Gent van 28 maart 2022, heeft het hof hierin enkel vastgesteld dat de appellante in Italië activiteiten en personeel had en een reële activiteit had in de transportsector. Het hof heeft in dit arrest van 28 maart 2022 niet geoordeeld over de plaats waar de werkelijke zetel van economische activiteit was gevestigd, zoals dit begrip voor toepassing van de btw-wetgeving moet worden begrepen (zie ook hierboven). Hetzelfde geldt voor het revisoraal verslag van F. B. Antwerpen bv dat over deze essentiële vraag in deze fiscale procedure geen uitspraak deed.

Dat de boekhouding van de appellante werd bijgehouden in Italië op het onafhankelijk boekhoudkantoor D. N. V. en later op S. L., dat het personeelsbeheer in handen zou zijn van een onafhankelijke Italiaanse onderneming en dat de appellante twee bankrekeningen had in Italië, is niet dienend. Dit spreekt immers niet tegen dat de geïntimeerde afdoende bewijst dat de voornaamste beslissingen betreffende de algemene leiding van de appellante werden genomen in België waar ook de centrale bestuurstaken worden uitgeoefend.

Dit alles wordt bovendien bevestigd door de context waarbinnen de appellante werd opgericht en opereerde. Uit het dossier blijkt dat de appellante koeltransporten verrichtte in opvolging van B. Ltd., een vennootschap naar Bulgaars recht, waarvan in het arrest van 7 januari 2016 van het hof van beroep Gent reeds werd geoordeeld dat deze werd gebruikt om een fictieve detacheringsconstructie op te zetten waarbij het werkgeversgezag vanuit België werd uitgeoefend en de ware zetel van bedrijfsuitvoering zich in België bevond. Bij arresten van dit hof van heden (zaken met rolnummers 2022/AR/1038 en 2022/AR/1039) werd inzake B. Ltd. ook geoordeeld dat de werkelijke zetel van economische activiteit voor de periode 2008-2011 in België was gelegen. De activiteiten van de appellante namen een aanvang in het tweede kwartaal van 2011, dit is nadat de administratie in februari 2011 was gestart met haar fiscale controles en de facturatie van B. Ltd. naar de Belgische klanten werd stopgezet. Facturen voor de koeltransporten aan Belgische klanten werden vanaf april 2011 uitgereikt door de appellante. Het Belgische klantenbestand bleef grotendeels hetzelfde, de trajecten van de koeltransporten bleven dezelfde en er werd tevens gereden met vrachtwagens met Bulgaarse nummerplaten. De fiscale controles initieerden een facturatiewissel waarbij de economische activiteiten grotendeels dezelfde bleven. Dit stemt overeen met de verklaring van de twee grootste klanten van de appellante die stelden dat zij werkten met de firma van G. D. W. en met de verklaring van klant S. die stelde dat de firma al een paar keer was veranderd van naam en dat de samenwerking met leverancier B. Ltd. niet was gestopt maar dat ze nu facturen krijgen vanuit Italië.

Het hof besluit dat het algemene beleid van de appellante werd bepaald in België en dat het centrale bestuur zich situeerde in België. Dit volstaat om te besluiten dat de appellante haar werkelijke zetel van bedrijfsuitoefening in België had. Van een schending van het vrij verkeer van diensten is geen sprake. Dit beginsel kan niet worden ingeroepen om een fictieve vestiging aan te merken als zetel van economische activiteit voor de toepassing van het gemeenschappelijk stelsel van btw, in het bijzonder niet wanneer er sprake is van fraude (zie ook hierna).

### 4.6. Omtrent de nagevorderde btw

Aangezien de appellante geacht moet worden haar zetel van economische activiteit in België te hebben, diende zij op de door haar aan haar Belgische klanten geleverde diensten Belgische btw aan te rekenen en deze btw door te storten aan de Belgische Schatkist ([artikel 51, §1, 1° WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-51)). Dit geldt voor alle door de appellante geleverde diensten. Immers:

\- de diensten zijn transportdiensten, bedoeld in [artikel 18, §1, tweede lid, 1° WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-18), waarvoor de plaats van de diensten aan Belgische afnemers op grond van [artikel 21, §2 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-21) gelegen is in België;

deze verrichte diensten zijn belastbaar op grond van het wettelijk vermoeden opgenomen in [artikel 64 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-64);

de appellante was als dienstverrichter gevestigd in België de btw verschuldigd op grond van [artikel 51, §1, 1° WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-51).

De geïntimeerde wijst er terecht op dat er sprake is van misbruik voor de toepassing van het btw-wetboek. Op grond van [artikel 1, §10 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-1) is er voor de toepassing van dit wetboek sprake van misbruik wanneer *"wanneer de verrichte handelingen resulteren in het verkrijgen van een fiscaal voordeel waarvan de toekenning in strijd is met de doelstelling beoogd in dit Wetboek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en die handelingen in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel hebben."* Deze definitie stemt overeen met wat volgens de Europese btw-rechtsregels als misbruik wordt beschouwd. Om na te gaan of sprake is van een dergelijk misbruik moet warden nagegaan wat de werkelijke inhoud is en de betekenis van de betrokken handelingen. Daarbij kan het louter artificiële karakter van die handelingen evenals de banden van juridische, economische en/of persoonlijke aard tussen de bij de constructie ter verlaging van de belastingdruk betrokken ondernemers, in aanmerking worden genomen (Hvi 21 juni 2006, zaak [C-255/02](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-255-02-arret), *H.).*

De geïntimeerde zet in zijn conclusies op gedetailleerde wijze uiteen dat en hoe de T.-groep met verschillende vennootschappen in verschillende landen, zowel van binnen als buiten de EU, een constructie heeft opgezet om diensten te verrichten met een facturatie- en geldstroom die in belangrijke mate, op kunstmatige wijze, afwijkt van de dienstenstroom. Het hof stelt vast dat die weergave objectief en correct is, gelet op de voorliggende stukken die deze constructie documenteren. De geïntimeerde bewijst op die manier dat de effectieve transportactiviteit van de T.-groep in werkelijkheid vanuit België werd geleid. Essentieel in die constructie is dat de positie en bestaansreden voor de meeste vennootschappen uitsluitend hun oorzaak vinden in de bedoeling om die kunstmatige afwijkende stroom te kunnen opzetten. Om dezelfde prestaties te kunnen leveren was de omweg van geld- en facturatiestroom als zodanig niet nodig. Deze kunstmatige constructie had in wezen tot doel een fiscaal voordeel te bekomen. De betrokken partijen hadden in dit geval immers de bedoeling om aan btw onderworpen transportactiviteiten te verrichten vanuit een werkelijke zetel van economische activiteit in België. Die handelingen zijn belastbaar met Belgische btw indien ze worden verricht voor Belgische klanten ([artikel 21, §2 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-21)). Indien ze worden verricht voor klanten met zetel van economische activiteit in het buitenland, is verlegging van de heffing naar deze klanten van toepassing ([artikel 21bis, §1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-21bis)). Met de opgezette constructie wordt in schijn voorgehouden dat die transportdiensten zouden zijn verricht door een vennootschap met zetel van economische activiteit in het buitenland en vloeit de in werkelijkheid in België gerealiseerde omzet door naar het buitenland, zonder dat hierop de in België verschuldigde belasting wordt betaald. Zoals de geïntimeerde met reden stelt, stemmen die verrichtingen niet overeen met de economische realiteit.

Dat alles heeft slechts als bedoeling fiscaal voordeel te halen. Overeenkomstig [artikel 2 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-2) zijn de leveringen van goederen en de diensten die door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bewarende titel worden verricht, aan de belasting onderworpen wanneer ze in België plaatsvinden. Uit dien hoofde diende overeenkomstig [artikel 51, §1, 1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-51) de Belgische btw te worden aangerekend door de appellante op de aan Belgische klanten gegenereerde omzet uit transportactiviteit. In de mate dat de op deze dienstverrichtingen verschuldigde Belgische btw door medecontractanten zou voldaan zijn, heeft de appellante (en, bij uitbreiding, de T.-groep) op die manier een onrechtmatig concurrentieel voordeel verkregen van voorfinanciering van btw door de klanten en leidde het niet zelf aanrekenen van btw door de appellante tot het onterecht verlagen van de verschuldigde belasting. Die btw niet aanrekenen maakt een onrechtmatig fiscaal voordeel uit. Bovendien heeft het nalaten om in België aangifte te doen van de in België gegenereerde omzet tot gevolg dat deze verrichtingen buiten het vizier van de Belgische fiscus worden gehouden, niet verifieerbaar zijn en moeilijk traceerbaar. Fiscale controle wordt nagenoeg onmogelijk gemaakt door het opzetten van die artificiële internationale constructies.

Het opzetten van dergelijke organisatie- en facturatiestroom die afwijkt van de economische werkelijkheid in het algemeen en misbruik plegen en overtredingen begaan op vlak van o.m. btw heeft de appellante (en, bij uitbreiding, de T.-groep) een onrechtmatig concurrentieel voordeel verleend. Dit is niet de bedoeling van de btw-wetgeving. Het is fundamenteel voor de werking van de Europese Unie dat het afwenden van zijn regelgeving om andere doeleinden te bereiken dan waar ze voor bedoeld is en zeker om op die manier een voordeel te bekomen die de vrije concurrentie verstoort, te allen prijze moet bestreden worden. Een lagere prijszetting resulteert in het aanrekenen van minder btw aan de eindklanten.

De geïntimeerde kon tegen die achtergrond wel degelijk de Belgische btw navorderen, verschuldigd op de werkelijke transacties die zouden hebben plaatsgevonden als er geen misbruik was geweest, dit wil zeggen uitgaande van prestaties die in België zijn te alloceren in het kader van een werkelijke economische activiteit die voor toepassing van de btw in België moet worden gesitueerd.

Het hof besluit dat de administratie terecht Belgische btw heeft nagevorderd voor een bedrag van 248.498,88 euro. Het hoger beroep is op dit punt ongegrond.

### 4.7. Omtrent het recht op aftrek

De appellante beroept zich op een schending van het neutraliteitsbeginsel. Zij stelt dat, in de visie van de administratie, Belgische klanten btw moest betalen aan de appellante en dat deze btw dan in hoofde van de Belgische klanten ook aftrekbaar zou zijn. De btw die de appellante in de Schatkist moet storten, zou de Schatkist dienen terug te storten aan de Belgische klanten van de appellante door de loutere werking van het btw-stelsel. De appellante wijst er op die manier op dat de Belgische Staat geen extra inkomsten kan genereren door de appellante aan te spreken in betaling van btw, aangezien zij deze btw op haar beurt moet terugstorten. De Belgische Staat zou volgens de appellante in ieder geval geen inkomsten zijn misgelopen door de handelswijze van de appellante, met als enige uitzondering de onredelijk hoge boete die aan de appellante werd opgelegd.

Ook dit middel van de appellante wordt afgewezen. Het Europees Hof van Justitie heeft reeds herhaaldelijk geoordeeld dat de rechtsonderhorigen in het geval van fraude of misbruik geen beroep kunnen doen op het Unierecht. De principes van het bij de Unieregeling ingevoerde gemeenschappelijke btw-stelsel verzetten zich niet tegen de verwerping van het recht op aftrek in voorliggende zaak. Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof van Justitie vormt het recht van de belastingplichtigen om op de door hen verschuldigde btw de btw in aftrek te brengen die verschuldigd of voldaan is voor in eerdere stadia aan hen geleverde goederen en verrichte diensten, een basisbeginsel van het bij de Unieregeling ingevoerde gemeenschappelijke btw-stelsel (zie o.m. HvJ arrest 21 maart 2018, *V.,* [C-533/16](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-533-16-arret), punt 37). De aftrekregeling heeft tot doel de ondernemer geheel te ontlasten van de in het kader van al zijn economische activiteiten verschuldigde of betaalde btw. Het gemeenschappelijk btw-stelsel waarborgt bijgevolg een neutrale fiscale belasting van alle economische activiteiten, ongeacht de doelstellingen of resultaten van deze activiteiten, mits deze activiteiten in beginsel zelf aan de btw zijn onderworpen (zie o.m. punt 38 van voormeld arrest). Het recht op aftrek waarin de artikelen [167 e.v.](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-167) van de btw-richtlijn 2006/112 voorzien, is een integrerend deel van de btw-regeling en kan in beginsel niet worden beperkt. Het recht op aftrek van voorbelasting moet evenwel volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof van Justitie worden geweigerd wanneer op basis van objectieve gegevens vaststaat dat op dit recht aanspraak wordt gemaakt in geval van fraude of misbruik (zie o.m. HvJ arrest van 19 oktober 2017, *P. C.,* [C-101/16](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-101-16-arret), punt 43). De bestrijding van fraude, belastingontwijking en eventuele misbruiken is een doel dat door de btw richtlijn is erkend en wordt gestimuleerd, en belastingplichtigen kunnen zich in geval van bedrog of misbruik niet op het Unierecht beroepen. Dit is het geval wanneer de belastingplichtige zelf zich schuldig maakt aan belastingfraude (zie o.m. HvJ arrest van 28 juli 2016, *A.,* C-332-15, punt 51).

De weigering van het recht op aftrek in omstandigheden die aantonen dat de belastingplichtige die aanspraak maakt op dat recht zich schuldig heeft gemaakt aan belastingfraude, kan niet worden geacht in te druisen tegen het beginsel van belastingneutraliteit, aangezien dit beginsel niet op goede gronden kan worden aangevoerd door een belastingplichtige die opzettelijk aan een dergelijke fraude heeft deelgenomen en het functioneren van het gemeenschappelijke btw-stelsel in gevaar heeft gebracht (zie o.m. HvJ arrest van 28 juli 2016, *A.* [C-332/15](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-332-15-arret), punt 58).

Sowieso is ook dit geen reden om de btw-navordering in hoofde van de appellante af te wijzen. Het neutraliteitsbeginsel staat sowieso niet toe om de btw-schuld in hoofde van de ene belastingplichtige te compenseren met een btw-vordering in hoofde van een andere belastingplichtige. In huidige zaak staat de btw-navordering ten laste van de appellante ter discussie, en niet het recht op aftrek in hoofde van de Belgische klanten.

Dit middel van de appellante wordt eveneens afgewezen.

### 4.8. Omtrent de opgelegde proportionele geldboete

4.8.1. In haar laatste middel betwist de appellante de opgelegde administratieve geldboete o.m. bij gebrek aan bedrieglijk opzet en op grond van het evenredigheidsbeginsel.

Aan de appellante werd op grond van [artikel 70, §1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) een proportionele geldboete opgelegd van 496.990,00 euro, zijnde 200% van de ontdoken btw. Artikel 1, laatste lid bij het KB nr. 41 bepaalt dat de schaal voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboetes niet van toepassing is ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. Naast het materieel element dat bestaat uit het overtreden van de belastingnorm, moet een moreel element bestaan dat een bijzonder opzet inhoudt in hoofde van de belastingplichtige, meer bepaald het opzet de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. De bewijslast rust op de administratie.

Het bewijs dat de vastgestelde inbreuken begaan werden met het oogmerk de belasting te ontduiken, blijkt onmiskenbaar uit de wijze waarop de constructie van de T.-groep werd opgezet, zoals hoger vermeld. Uit de feiten en de op basis daarvan gemaakte analyse blijkt immers dat de handelingen die de appellante stelde en de transacties waarin ze werd betrokken die tot de hier betrokken belastingheffing aanleiding hebben gegeven, nodig waren om de artificiële constructie, zuiver gericht op het behalen van belastingvoordeel (en concurrentieel voordeel), mogelijk te maken en vooral nog zolang mogelijk te kunnen in stand houden. Het is ook het artificieel karakter van de constructie, d.i. het feit dat de werkelijke economische stroom anders verliep en de aanwezigheid of tussenkomst van de appellante niet nodig waren om de vervoerdiensten door de T.-groep te kunnen uitvoeren, dat toeliet dat door de appellante facturaties gebeurden die slechts in schijn bestonden. Daardoor werd ook de fiscale controle en correcte inning van de btw bemoeilijkt alsook het maken van objectieve vaststellingen door de belastingadministratie op het vlak van bewijs en verificatie. Het maken van nodeloze, artificiële omwegen liet de betrokkenen toe allerlei verklaringen op te dissen om een werkelijkheid (weliswaar in schijn) voor te houden. Door deze werkwijze werd de controle en correcte inning van de btw bemoeilijkt aangezien een belastingplichtige die de zetel van haar economische activiteit in België heeft, geen enkele fiscale verplichting vervulde in België. De frauduleuze intentie is manifest. De administratie heeft terecht toepassing gemaakt van [artikel 70, §1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70).

4.8.2. De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (zie ook Cass. 21 september 2018, AR F.17.0141.N, op juportal.be).

Hieruit volgt dat het wettigheidstoezicht door de rechter een toetsing aan het evenredigheidsbeginsel vereist en dat de rechter hierbij niet gebonden is aan de schalen die de wet zelf voorschrijft. De mate waarin het bestuur zelf gebonden is, bindt de rechter niet doch is wel een element waarmee rekening moet worden gehouden in de beoordeling van de wettigheid van de sanctie (zie ook Cass. 21 september 2018, hierboven aangehaald). Anders oordelen, zou de rechtskracht van het internationale rechtskader waaronder de administratieve sancties vallen, miskennen.

Hetzelfde geldt voor het standpunt van de geïntimeerde dat een vermindering van de geldboete eerst moet worden gevraagd aan de Minister van Financiën op grond van artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831. Dit genaderecht, dat behoort tot de prerogatieven van de uitvoerende macht, kan geen afbreuk doen aan de volheid van bevoegdheid waarmee een rechter op grond van artikel 6 EVRM kan overgaan tot de toetsing van een strafrechtelijke sanctie in de zin van diezelfde bepaling. De rechter ontleent zijn beoordelingsbevoegdheid rechtstreeks aan artikel 6 EVRM en deze bevoegdheid wordt niet ingeperkt doordat de belastingplichtige niet eerst een genadeverzoek heeft ingediend (zie ook Cass. 24 maart 2023, AR [F.21.0056.N](https://juriel.be/fr/jurisprudence/amende-fiscale-proportionnalite-droit-grace-cassation-bruxelles-2023-03-24-d9b4)).

Aan de appellante werd een proportionele geldboete van 200% van de ontdoken btw opgelegd. De kwade trouw van de appellante staat vast (zie hierboven). De stelling dat zijzelf geen financieel voordeel heeft gehaald uit de feiten die haar ten laste worden gelegd aangezien zijzelf de btw niet heeft geïnd (en niet doorgestort), doet afbreuk aan de cruciale rol die de appellante speelde in de T.-groep die globaal was gericht op het creëren van belastingvoordelen en concurrentieel voordeel binnen de internationale transportsector. De artificiële facturatiestromen waaraan de appellante ontegensprekelijk deelnam, werden specifiek opgezet om belastingen te ontduiken. Waar de appellante stelt dat de volledige navordering inzake btw is gesteund op één inlichting van de Italiaanse btw-administratie en op enkele nietszeggende verklaringen van enkele Belgische klanten, miskent zij de inhoud van het dossier.

Het hof ziet tegen die achtergrond geen enkele reden om de geldboete in welke mate dan ook te verminderen, niettegenstaande het hof terzake over volle rechtsmacht beschikt. Om aan de geldboete haar waarde als straf te geven, kan immers geen vermindering worden toegestaan. Door dat te doen zou de geldboete haar doel niet dienen, namelijk in compensatie voor de begane inbreuken zowel te straffen, (mede maatschappelijk) te vergoeden en voldoende af te schrikken om herhaling te vermijden. Om dezelfde reden is er evenmin reden om aan de appellante het voordeel van het uitstel van de geldboete te verlenen. De appellante heeft zich jarenlang systematisch en doelbewust ingeschakeld in een georganiseerde fraudestructuur met de bedoeling Belgische belasting te ontduiken. Alleen een wettelijke sanctie aan 200% kan het gewenste doel bereiken. De fiscale wetgeving voorziet de mogelijkheid om een geldboete op te leggen van 200% van de ontdoken belasting. Dat dit hoger is dan de hoogste mogelijke strafrechtelijke geldboete voor fiscale fraude, is geen reden om in dit dossier de fiscaalrechtelijke sanctie te verminderen.

Ook dit middel van de appellante is ongegrond.

### 4.9. Omtrent de opgelegde niet-proportionele geldboete

Aan de appellante werd tevens een niet-proportionele geldboete opgelegd van 5.500,00 euro wegens (i) het niet indienen van de aangifte van aanvang van werkzaamheid (500,00

euro) en (ii) het niet indienen van periodieke btw-aangiftes (10 x 500,00 euro). Deze geldboetes werden door de administratie terecht en overeenkomstig de wettelijke bepalingen opgelegd aangezien de appellante voor btw-doeleinden aanzien moet worden als een Belgische btw-belastingplichtige. Om dezelfde redenen als uiteengezet onder randnummer 4.8 ziet het hof geen reden om tot kwijtschelding of vermindering van deze niet-proportionele geldboete over te gaan.

## 5. De gerechtskosten

De appellante wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van het hoger beroep dragen.

Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger. W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt recht op een rechtsplegingsvergoeding.

Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger. W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moet, bij gebrek aan redenen tot afwijking ervan, het basisbedrag gehanteerd worden. Vermits de waarde van de vordering, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger. W., zich in de schijf tussen 500.000,01 en 1.000.000,00 euro bevindt, bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding 15.000,00 euro voor de procedure in hoger beroep.

### Dispositif

## BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak;

Het hof beslist als volgt:

 het hoger beroep van de appellante is ontvankelijk doch ongegrond;

 het bestreden vonnis wordt bevestigd;

 het hof veroordeelt de appellante tot het betalen van de gerechtskosten van het

hoger beroep, vastgesteld als volgt:

\- aan de kant van de appellante (doch te haren laste blijvend):

 bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 22,00 euro - aan de kant van de geïntimeerde:

 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 15.000,00 euro

Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, **VIJFDE KAMER,** recht doende in fiscale zaken, op **9 januari 2024.**

Aanwezig:

F. C., raadsheer, wn. voorzitter, alleenrechtsprekend J. D., griffier

## Textes cités

18

[CTVA art. 51](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-51) 6 occurrences

[CTVA art. 21](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-21) 4 occurrences

[CTVA art. 70](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) 4 occurrences

[CTVA art. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-1) 3 occurrences

[CTVA art. 18](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-18) 3 occurrences

[CTVA art. 2](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-2) 3 occurrences

[CTVA art. 21bis](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-21bis) 3 occurrences

[CTVA art. 59](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-59) 3 occurrences

[CTVA art. 62](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-62) 3 occurrences

[CTVA art. 64](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-64) 3 occurrences

[CTVA art. 91](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) 3 occurrences

[CTVA art. 93terdecies](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-93terdecies) 3 occurrences

[directive TVA 2006/112 art. 167](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-167) 1 occurrence

[C-101/16, arrêt du 19 octobre 2017](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-101-16-arret) 1 occurrence

[C-255/02, arrêt du 21 février 2006](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-255-02-arret) 1 occurrence

[C-332/15, arrêt du 28 juillet 2016](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-332-15-arret) 1 occurrence

[C-533/16, arrêt du 21 mars 2018](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-533-16-arret) 1 occurrence

[C-73/06, arrêt du 28 juin 2007](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-73-06-arret) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Siège d'une activité économique, compétence pénale](https://juriel.be/fr/jurisprudence/siege-activite-economique-competence-penale-cour-appel-gand-2024-01-09-4bee) 13 dispositions communes

[Conseil, Intention frauduleuse, Lieu de prestation](https://juriel.be/fr/jurisprudence/conseil-intention-frauduleuse-lieu-prestation-cour-appel-bruxelles-2025-03-19-39e9) 7 dispositions communes

[Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-lien-direct-immediat-tribunal-luxembourg-2022-10-12-162a) 6 dispositions communes

[Intracommunautair goederenverkeer, fraude, calcul du chiffre d’affaires](https://juriel.be/fr/jurisprudence/intracommunautair-goederenverkeer-fraude-calcul-chiffre-cour-appel-gand-2025-12-02-7f70) 5 dispositions communes

[Valeur probante, preuve, procès-verbal](https://juriel.be/fr/jurisprudence/valeur-probante-pv-preuve-proces-tribunal-gand-2021-03-22-81cf) 5 dispositions communes

[Dette de TVA, Bâtiment, Terrain, immeuble bâti](https://juriel.be/fr/jurisprudence/dette-tva-batiment-terrain-immeuble-tribunal-2025-12-15-9aee) 5 dispositions communes

[Nullité du procès-verbal, Droit à déduction, Fraude](https://juriel.be/fr/jurisprudence/nullite-proces-verbal-droit-deduction-cour-appel-gand-2024-03-05-cbc5) 5 dispositions communes

[Holding, Location immobilière, Caractère essentiel, société de portefeuille](https://juriel.be/fr/jurisprudence/holding-location-immobiliere-caractere-essentiel-cour-appel-2026-04-20-9b42) 5 dispositions communes
