---
title: "17 mai 2010 · Service, opération imposable · Tribunal de première instance de Bruxelles"
description: "Service, opération imposable, paiement de l'impôt, preuve, mesure de contrôle, exonération. Tribunal de première instance de Bruxelles (Belgique), 17 mai 2010."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/service-operation-imposable-paiement-impot-tribunal-bruxelles-2010-05-17-846a"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Service, opération imposable, paiement de l'impôt, preuve · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruxelles

**Date**

17 mai 2010

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

199 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruxelles du 17.05.2010

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 33ste Kamer**

**AR 2008/9638/A**

\- *Federale belastingen – BTW*

\- *op tegenspraak*

\- *tussenvonnis - heropening der debatten op 13/12/2010 om 14.00 uur – 30 min.*

In zake van :

**De VZW D. N. R.**, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in de KBO onder het nummer …,

**eisende partij,**

vertegenwoordigd door Mr. **R. C.**, advocaat te …, … (ref. : …),

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Invordering, sector BTW, in de persoon van de Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor Halle, waarvan de kantoren zijn gevestigd te 1500 Halle, Zuster Bernardastraat 32,

**verwerende partij,**

vertegenwoordigd door Mr. **J. B.** loco .Mr. **J. H.**, advocaat te …, … (ref. : …),

Na beraad op 12 april 2010 spreekt de rechtbank het navolgend vonnis uit :

Gelet op :

\- het tegensprekelijk verzoekschrift in toepassing van artikel 1385decies van het Gerechtelijk Wetboek uitgaande van eisende partij en neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 24/7/2008,

\- de beschikking tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek van 15/10/2008, de conclusie van verweerder, neergelegd ter griffie respectievelijk op 13/2/2009 en 15/10/2009,

\- de conclusie van eiseres, neergelegd ter griffie respectievelijk op 16/4/2009 en 14/12/2009,

\- de stukkenbundel van eiseres neergelegd ter griffie op 17 maart 2010,

\- de stukkenbundel van verweerder neergelegd ter griffie op 17/3/2010;

Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 12 april 2010, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

## 1. FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

1\. Eiseres is niet ingeschreven als BTW-belastingplichtige

Er werd door de diensten van verweerder, met name door de heren **D. C.** en **A.**, respectievelijk eerstaanwezend inspecteur diensthoofd en adjunct fiscaal deskundige, in die hoedanigheid ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings-en Inkomensfiscaliteit, bij eiseres een controle uitgevoerd voor wat betreft de periode 1 januari 2004 tot 31 december 2005. Deze controle vatte aan op 6 december 2006.

Op 28 november 2007 hebben voormelde ambtenaren een proces-verbaal opgesteld (hierna : het **eerste proces-verbaal**). Daarin zouden een aantal onregelmatigheden zijn vastgesteld :

(1) Dubieuze compensatieboekingen

(2) Geen aankoop facturen van alle aankopen van goederen of diensten

(3) Geen verkoopfacturen voor uitgaande handelingen met sponsors voor wie publiciteit wordt gemaakt

(4) Boeking van ontvangsten voor exclusiviteit catering

(5) Niet bewaren van documenten

(6) Dubieuze transacties

Op 7 december 2007 werd opnieuw een proces-verbaal opgesteld door **J. A.**, eerstaanwezend inspecteur diensthoofd, in die hoedanigheid ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings-en Inkomensfiscaliteit (hierna : het **tweede proces-verbaal**). In dit proces-verbaal werd vastgesteld dat de belastingplichtige aan de Belgische Staat is verschuldigd :

\- Als BTW : € 47.577,98

\- Als boete : € 9.510,00

\- Als intrest : 0,8% per maand

Met name stelde de verbalisant vast dat eiseres jaarlijks een rockconcert organiseert alsook een dansavond met discobar. Voor haar activiteit van sponsoring heeft de belastingplichtige bepaalde ontvangsten opgenomen in de boekhouding. De totale ontvangsten voor de onderzochte periode bedroegen 987.813,09 euro, hetzij 22,93 % van de totale ontvangsten. Volgens het proces-verbaal kunnen de ontvangsten uit het voeren van reclame niet aanzien worden als bijkomstig. Aldus wordt besloten dat eiseres belastingplichtige is in de zin van [artikel 4 BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-4) en dat inbreuk werd gepleegd op [artikel 53, eerste lid 3° en 4° van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-53) en [artikel 18 KB nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-18-ae74) van 29 december 1992 in verband met de aangegeven omzet.

2\. Verweerder vaardigde op 13 december 2007 een dwangbevel uit dat op 14 december 2007 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur te Mechelen en dat op 17 december 2007 aan eiseres werd betekend.

3\. Op 24 juli 2008 legde eiseres een tegensprekelijk verzoekschrift neer ter griffie van deze rechtbank overeenkomstig artikel 1385decies van het Gerechtelijk Wetboek strekkende tot fiscaal verhaal, waarbij voormelde vaststellingen en navordering van BTW worden betwist.

## 2. VOORWERP VAN DE VORDERING

4\. De vordering van eiseres strekt ertoe *"om alle hiervoor vermelde redenen het dwangbevel d.d. 13/12/2007, uitvoerbaar verklaard d.d. 14/12/2007 te vernietigen, hetzij rechtsongeldig of willekeurig te verklaren, minstens te ontheffen, subsidiair te herleiden met de bedragen zoals voorgesteld in het ontwerp van dading, met bevel tot terugbetaling van alle bedragen in meer betaald door \[eiseres\] of reeds verrekend door tegenpartij, meer de gerechtelijke rente vanaf datum betaling of verrekening, alle uitvoeringskosten ten laste te leggen van verweerder, zo ook de kosten van huidige procedure, o.a. indexeerbare rechtspleginsgvergoeding voorlopig begroot op (...) 3.000 euro"*.

Verweerder besluit tot de ongegrondheid van de vordering.

## 3. BEOORDELING

### 3.1. Ontvankelijkheid

5\. Partijen werpen geen specifieke gronden van niet-ontvankelijkheid van de vordering op. De rechtbank ziet evenmin redenen om ambtshalve te besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering. Deze is ontvankelijk.

### 3.2. Gegrondheid

#### *3.2.1. Bevoegdheid van de verbalisanten*

6\. Eiseres stelt dat zij haar zetel heeft te …, doch dat zij aan een controle werd onderworpen door personen verbonden aan het controlecentrum Vilvoorde en de BTW-controle te Etterbeek. In dat verband verwijst eiseres naar een machtiging die werd verleend op 24 oktober 2006 door de heer **P.**. Volgens eiseres is de voorgelegde kopie slechts gedeeltelijk en zijn bepaalde passages onleesbaar gemaakt. De machtiging wordt volgens eiseres niet bewezen zo de originele machtiging niet wordt voorgelegd. Nog volgens eiseres moet de "aanslag op basis van het dwangbevel" worden vernietigd zo de originele machtiging niet wordt verleend.

Voorts zou de machtiging beperkt zijn tot "onderzoek", met name "alle nuttige inlichtingen en gegevens in te winnen". Van zodra de fiscale toestand van eiseres aanleiding mocht geven tot herziening van de belastingstoestand, diende de eerstaanwezend inspecteur een ambtenaar van het bevoegde controlecentrum te verzoeken de belastingherziening te verrichten. Naar het oordeel van eiseres zouden de heren **A.** en **D. C.** stelselmatig en voortdurend buiten hun machtiging hebben gehandeld. Zij stelden een dading op, waarna - ingevolge niet-akkoord van eiseres - pas een proces-verbaal werd opgesteld op 28 november 2007.

In het tweede proces-verbaal wordt ook geen melding meer gemaakt van de bijzondere machtiging. Er wordt enkel verwezen naar het eerste proces-verbaal van 27 november 2007. Om deze reden zou het tweede proces-verbaal geen enkele bewijskracht hebben en de aanslag gevestigd door het dwangbevel zou moeten worden vernietigd.

7\. Eiseres komt in werkelijkheid op tegen de bewijswaarde van de processen verbaal van 27 november 2007 en 7 december 2007. Deze processen-verbaal zouden onregelmatig zijn en derhalve zonder bewijswaarde, omdat

\- de machtiging van de verbalisanten niet zou zijn bewezen,

\- de verbalisanten buiten de grenzen van hun machtiging zouden hebben gehandeld,

\- de regelen in verband met de territoriale bevoegdheid zouden zijn geschonden.

De rechtbank merkt op dat eiseres nalaat enige geschonden wettelijke bepaling aan te voeren.

[Artikel 59, § 1 BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-59) bepaalt : *"§ 1. Overtredingen van de bepalingen van dit wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, kunnen door de administratie worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën. De processen-verbaal leveren bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen."* (onderstreping door de rechtbank).

Aldus blijkt dat de enige voorwaarde die wordt gesteld voor het opstellen van processen-verbaal waaraan een bijzondere bewijswaarde wordt verleend is dat deze worden opgesteld door "*ambtenaren van het Ministerie van Financiën*".

De wet beperkt aldus op geen enkele wijze de bevoegdheden van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën noch wat de omvang van hun materiële bevoegdheden betreft, noch wat hun territoriale bevoegdheid betreft.

De enige voorwaarde die wordt gesteld volgt uit de artikelen [61](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-61), [62](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-62), [62bis](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-62bis) en [63](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-63) BTW-Wetboek, waarin gewag wordt gemaakt van de "*administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft*". [Artikel 63bis BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-63bis) voorziet de mogelijkheid voor de Koning om ambtenaren van andere administraties dezelfde bevoegdheden toe te kennen.

In voorliggend geval wordt niet betwist - en in elk geval wordt het tegendeel niet aangetoond - dat de verbalisanten deel uitma(a)k(t)en van het Ministerie van 'Financiën, noch dat zij behoorden tot de "*administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft*", De verbalisanten van het eerste proces-verbaal waren verbonden aan het controlecentrum Vilvoorde en de BTW-controle te Etterbeek. De verbalisant van het tweede proces-verbaal was verbonden aan het controlecentrum Halle.

Het loutere feit dat aan bepaalde ambtenaren de opdracht werd gegeven om bepaalde pilootdossiers te onderzoeken in de doelgroep "organisatoren van vermakelijkheden, sportieve en culturele activiteiten", houdt niet in dat voormelde ambtenaren op grond van de wet zonder deze machtiging onbevoegd zouden zijn geweest voor het doen van de nodige vaststellingen bij gebrek aan uitdrukkelijke wettelijke vereiste in die zin. De brief van 24 oktober 2006 is overigens gericht aan de betrokken ambtenaren en houdt enkel een bepaalde opdracht in.

Bijgevolg moet besloten worden dat de brief van 24 oktober 2006 een loutere maatregel van inwendige organisatie betreft binnen de Federale Overheidsdienst Financiën, waaraan eiseres geen rechten kan ontlenen. De niet-voorlegging van de integrale "bijzondere machtiging" heeft derhalve niet tot gevolg dat de fiscale vordering van verweerder ongegrond zou zijn, bij gebrek aan geschonden wetsbepaling.

Hetzelfde geldt voor de gebeurlijke miskenning van interne regelen in verband met de territoriale afbakening van de uitoefening van bevoegdheden door leden van de administratie. In dat verband is overigens op te merken dat het tweede proces-verbaal werd opgesteld door de heer **J. A.**, verbonden aan het controlecentrum van Halle, dat in onderhavig geding de Federale Overheidsdienst Financiën vertegenwoordigd en waarvan eiseres de (territoriale) bevoegdheid niet betwist. Het is enkel in dit tweede proces-verbaal dat een navordering van BTW werd geformuleerd.

Ten overvloede werden de betrokken ambtenaren bij brief van 24 oktober 2006 gemachtigd om "alle nuttige inlichtingen en gegevens in te winnen", hetgeen, in tegenstelling tot hetgeen eiseres in dit verband voorhoudt, hen eveneens machtigde om de nodige vaststellingen te doen.

8\. Zelfs indien het zo zou zijn dat de opgestelde processen-verbaal zouden zijn aangetast door een onregelmatigheid wegens schending van een door of krachtens de wet voorgeschreven rechtsregel (hetgeen eiseres niet aantoont), dan nog heeft dit niet ipso facto tot gevolg dat de betrokken processen-verbaal nietig zouden zijn of geen bewijswaarde zouden hebben, noch dat de fiscale vordering van verweerder ipso facto ongegrond zou zijn of het dwangbevel nietig zou zijn.

Behoudens wanneer de wet uitdrukkelijk anders bepaalt, staat het de rechter de toelaatbaarheid van een onrechtmatig verkregen bewijs, te beoordelen in het licht van de artikelen 6 EVRM en 14 IVBPR, rekening houdende met de elementen van de zaak in haar geheel genomen, inbegrepen de wijze waarop het bewijs verkregen werd en de omstandigheden waarin die onrechtmatigheid werd begaan. Een dergelijk bewijs, behoudens het geval van miskenning van een op straffe van nietigheid voorgeschreven vorm, mag alleen worden geweerd wanneer de bewijsverkrijging is aangetast door een gebrek waardoor de betrouwbaarheid ervan wegvalt of waardoor het recht op een eerlijk proces in gevaar wordt gebracht (in dezelfde zin : Cass. 10 maart 2008, www.cass.be ).

Gelet op het zuiver formeel karakter van de vermeende onregelmatighe(i)d(en) en het feit dat de onregelmatigheid die aan de vaststelling van de inbreuk voorafging of daarmee gepaard ging, volstrekt onevenredig is met de ernst van die inbreuk, is de rechtbank van oordeel dat in voorliggend geval de betrouwbaarheid van de gedane vaststellingen niet voor ernstige betwisting vatbaar is en dat noch het recht van verdediging van eiseres, noch het recht op een eerlijk proces in het gedrang komen.

9\. Gelet op het voorgaande kan het middel niet worden aangenomen.

#### *3.2.2 Uitvoerbaarverklaring van het dwangbevel*

10\. Volgens eiseres werd het dwangbevel uitvoerbaar verklaard door de "waarnemend directeur aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde registratie en domeinen te Mechelen". Van deze aanwijzing zou geen bewijs voorliggen. De betrokken administratie zou zelfs niet bestaan. Zelfs mocht er een aanwijzing bestaan dan nog zou deze niet rechtsgeldig zijn, minstens onjuist, waarbij de rechtsgeldigheid van de uitvoerbaarverklaring wordt aangetast.

11\. De rechtbank merkt op dat het dwangbevel door eiseres niet van valsheid wordt beticht.

De hoedanigheid van de ondertekenende directeur, de heer **G. M.**, blijkt uit het Ministerieel Besluit tot vervanging van het Ministerieel Besluit van 9 oktober 2007 tot aanwijzing van de gewestelijke directeurs van de belasting over de toegevoegde waarde die in aanmerking komen om zitting te hebben in de Beroepscommissie zoals bedoeld in [artikel 84octies, § 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84octies), waarin onder meer wordt vermeld "gewestelijke directeur interimaris te Mechelen", (Zie tevens de Ministeriële Besluiten van 4 juni 2009 en 18 augustus 2009).

Aldus bestaat minstens een vermoeden dat de heer **M.** wel degelijk werd' aangesteld als waarnemend (gewestelijk) directeur te Mechelen. Dit vermoeden wordt door geen enkel ander element tegengesproken.

Het wordt niet betwist door eiseres dat de gewestelijke directeur te Mechelen bevoegd was om het dwangbevel uitvoerbaar te verklaren.

Wat betreft het feit dat er geen administratie van de belasting over de toegevoegde waarde registratie en domeinen zou bestaan, is op te merken dat eiseres geen enkel stuk voorbrengt waaruit de interne organisatie van de Federale Overheidsdienst Financiën zou blijken of is vastgelegd. De stelling dat deze administratie "bij weten van verzoekster" onbestaande zou zijn, blijft dan ook een loutere bewering die door geen enkel bewijskrachtig stuk wordt gestaafd.

Overigens stelt verweerder terecht dat het Koninklijk Besluit van 29 oktober 1971 tot vaststelling van het organiek reglement van het Ministerie van Financiën en de bijzondere bepalingen die er voorzien in de uitvoering van het Statuut van het Rijkspersoneel de Minister machtigt om de zetel en bevoegdheid van de lokale en gewestelijke diensten van de fiscale administratie te bepalen (zie thans het Koninklijk Besluit van 15 maart 2010 betreffende de oprichting van diensten in de schoot van de Federale Overheidsdienst Financiën, de vaststelling van hun zetel en van hun materiële en territoriale bevoegdheid).

Zelfs indien de vermelde administratie onbestaande zou zijn, dan nog is de vermelding van de juiste benaming van de administratie waartoe de directeur behoort die het dwangbevel uitvoerbaar heeft verklaard niet voorgeschreven op straffe van nietigheid van het dwangbevel.

Het middel faalt.

#### *3.2.3 De processen verbaal van 27 november 2007 en 7 december 2007*

12\. Eiseres voert aan dat het eerste proces-verbaal niet alle materiële vaststellingen of handelingen welke werden gesteld zou bevatten. Het opgestelde (eerste) proces-verbaal zou een samenhang zijn van zogenaamde vaststellingen en ingewonnen inlichtingen, doch zou verre van volledig de correcte weergave zijn van alle data, onderzoeken, besprekingen, onderhandelingen. Het proces-verbaal zou gekleurd zijn. Aan dergelijk proces-verbaal zou geen bewijskracht toekomen. Indien het eerste proces-verbaal volledig was geweest, dan stond zwart op wit dat de optredende ambtenaren hun bevoegdheid hadden overschreden om tot het resultaat te komen zoals het thans voorligt. Er zou sprake zijn van machtsoverschrijding, minstens bevoegdheidsoverschrijding. In ieder geval zou op basis van het eerste proces-verbaal geen dwangbevel kunnen worden uitgevaardigd, zelfs niet na het tweede proces-verbaal aangezien dit niet kon worden opgesteld bij gebrek aan kennis van alle feiten, vaststellingen en inlichtingen daar de meeste belangrijke gegevens (de gevoerde gesprekken en onderhandelingen).

13\. Verweerder merkt volkomen terecht op dat het proces-verbaal bedoeld in [artikel 59 BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-59) aan geen enkele bijzondere inhoudelijke of vormvereiste is onderworpen, behoudens de vereisten door verweerder opgesomd, waarvan de naleving thans niet wordt betwist. Geen enkele rechtsregel bepaalt welke vaststellingen of gegevens in een proces-verbaal moeten worden opgenomen, zodat de verbaliserende ambtenaar in dat verband over een zeer ruime discretionaire bevoegdheid beschikt. Het loutere feit dat bepaalde gegevens of inlichtingen niet werden opgenomen in een proces-verbaal ontneemt het proces-verbaal zijn bewijswaarde aangaande de materiële vaststellingen die er wel zijn in opgenomen niet. De niet-vermelde gegevens vallen dan uiteraard ook niet binnen het toepassingsgebied van de gelding tot bewijs van het tegendeel.

De rechten van verdediging van eiseres worden hierdoor geenszins aangetast. Het staat eiseres vrij om die gegevens, inlichtingen en vaststellingen die zij relevant acht aan te voeren in het kader van haar administratief bezwaar en/of voor de rechtbank. In de mate dat eiseres stelt dat indien de door haar bedoelde vaststellingen en inlichtingen het "zwart op wit zou hebben gestaan dat de optredende ambtenaren hun bevoegdheid hadden overschreden om tot het resultaat te komen zoals het thans voorligt", kan worden verwezen naar hetgeen hoger werd beslist aangaande de aangevoerde bevoegdheidsoverschrijding.

Eiseres kan overigens geen rechten ontlenen aan een dadingsovereenkomst die door haar niet werd aanvaard. De administratie vermocht overigens gelet op feit dat het fiscaal recht de openbare orde raakt geen overeenkomsten af te sluiten in verband met rechtskwesties, met name in verband met de vraag of eiseres al dan niet als belastingplichtige moest worden beschouwd.

Indien het zo zou zijn dat bepaalde vaststellingen inzake de boekhouding van eiseres opgenomen in het eerste proces-verbaal overbodig zouden zijn en enkel zouden bijdragen aan sfeerschepperij, zoals eiseres stelt, dan is de fiscale vordering noodzakelijkerwijze niet gesteund op bedoelde vaststellingen (ze zijn immers per hypothese overbodig) en kan eiseres geen nadeel ondervinden van het feit dat zij in een proces-verbaal werden opgenomen.

Het feit dat een proces-verbaal "gekleurd" zou zijn kan er evenmin toe leiden dat het proces-verbaal geen bewijswaarde zou hebben. Een proces-verbaal geldt tot bewijs van het tegendeel, doch dit geldt slechts voor louter materiële vaststellingen die de verbalisanten zelf hebben kunnen doen. De overige beschouwingen of beoordelingen door de administratie gelden niet tot bewijs van het tegendeel. De vermelding dat eiseres als "belastingplichtige" zou te aanzien zijn is een juridische kwalificatie die niet valt onder de bijzondere bewijswaarde van het proces-verbaal overeenkomstig [artikel 59, § 1, lid 2 BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-59).

De wettigheid van het dwangbevel is niet aangetast door het loutere feit dat in een voorafgaand proces-verbaal bepaalde vaststellingen of feiten niet zouden zijn vervat. De door eiseres aangevoerde gegevens betreffen evenwel de gegrondheid van de fiscale vordering, zoals vervat in het dwangbevel.

Het middel faalt in feite en in rechte.

#### 3.2.4 Rechtszekerheid

14\. Eiseres werpt op dat zij werd opgericht in de loop van 1993 en dat nooit werd gesteld dat zij niet zou vrijgesteld zijn van BTW. De administratie zou op de hoogte moeten zijn geweest van de activiteiten van eiseres, gelet op de naambekendheid van het door eiseres georganiseerde festival en gelet op het feit dat de administratie werkt met klanten- en leveranciers lijsten.

Binnen de administratie zou er eveneens onenigheid bestaan met betrekking tot de al dan niet vrijstelling van eiseres.

Eiseres moest kunnen vertrouwen op de gerechtvaardigde verwachtingen die de Administratie bij een belastingplichtige heeft opgewekt. Door jarenlang geen opmerking te maken zou de administratie op ondubbelzinnige wijze hebben laten weten aan eiseres dat zij van BTW was vrijgesteld.

15\. De beginselen van behoorlijk bestuur die het recht op rechtszekerheid omvatten, zijn bindend voor de belastingadministratie. De belastingadministratie moet de wet toepassen en het staat haar niet vrij afstand te doen van haar verplichting om de wettelijk verschuldigde belasting vast te stellen. Het recht op rechtszekerheid houdt niet in dat de belastingschuldige zich zou kunnen beroepen op de vroegere gedragslijn van de administratie, zelfs niet als die gedurende verschillende aanslagjaren ongewijzigd blijft, wanneer die gedragslijn bij hem niet de gewettigde overtuiging kon wekken dat de administratie afzag van de strikte toepassing van de wet (in dezelfde zin : [Cass. 30 mei 2008](https://juriel.be/fr/jurisprudence/pourvoi-matiere-fiscale-requete-non-cassation-bruxelles-2008-05-30-9416); Cass. 10 december 2009, www.cass.be ).

De burger kan niet verwachten dat het bestuur tegen de wettelijke regels in, over de jaren heen een vrijstelling van BTW zou blijven aanvaarden.

Het loutere feit dat de administratie op de hoogte was of behoorde te zijn van de activiteiten van eiseres, houdt niet in dat de administratie "op ondubbelzinnige wijze" afstand zou hebben gedaan van de strikte toepassing van de wet, te meer daar eiseres niet aanvoert dat er gedurende de periode vanaf 1993 enige BTW-controle heeft plaatsgevonden. Het feit dat er geen opmerkingen worden geformuleerd door de administratie gedurende een min of meer lange periode en dat geen controles hebben plaatsgevonden, houdt niet in dat eiseres de gewettigde verwachting mocht koesteren dat zij was vrijgesteld van BTW, zelfs indien geen dergelijke vrijstelling kon worden verleend op basis van het de bepalingen van het BTW-Wetboek (hetgeen hierna zal worden onderzocht). Verweerder beschikt noodzakelijkerwijze over schaarse middelen en kan niet alle belastingplichtigen elk jaar aan een controle onderwerpen. Uit de afwezigheid van een controle of opmerkingen van de administratie kan dan ook in beginsel geen afstand van de strikte toepassing van de wet inhouden.

Het feit dat de Minister van Financiën in een antwoord op een parlementaire vraag verwijst naar een geval waarin wel afstand werd gedaan van de strikte toepassing van de wet om redenen van rechtszekerheid, doet aan het voorgaande niet af en heeft niet tot gevolg dat ook met betrekking tot de voorliggende problematiek een dergelijke afstand zou moeten worden aangehouden.

Het middel faalt.

#### 3.2.5 [Artikel 44, § 2 BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-44)

16\. Eiseres stelt dat zij is vrijgesteld van BTW op grond van artikel 44, § 2, 2° en/of 9° en/of 12° BTW-Wetboek.

Verweerder betwist dit.

##### Voorafgaandelijk

17\. Eiseres stelt dat verweerder ten onrechte de opbrengsten van sponsoring gelijkstelt met het voeren van publiciteit. Volgens eiseres moet een onderscheid worden gemaakt tussen de grote en de kleine sponsors en zijn de opbrengsten van de grote sponsors niet louter te aanzien als publiciteit, doch allesomvattend : inkom, drank, voeding, reclame. De grote sponsors betalen aan een derde, de BVBA **B.**, sommigen betalen slechts een deel omdat zij bijkomende diensten leveren, anderen betalen niets omdat zij alles compenseren met tegenprestaties. De aanslag zou om deze reden al willekeurig zijn.

Het zou de BVBA **B.** zijn die de gelden vanwege de grote sponsors doorstort aan eiseres, die deze activiteit zelf niet verricht en de gelden worden doorgestort "ter dekking van kosten". Het is niet eiseres die de activiteit verricht maar een derde omdat dit de taak niet zou zijn van eiseres. Het is met andere woorden niet eiseres die de sponsoring voert of de publiciteit verricht, doch wel een derde. Deze derde rekende haar klanten BTW aan, zodat ook hier de Belgische Staat geen nadeel zou hebben geleden.

18\. De stelling van eiseres kan niet worden gevolgd. Uit de vaststellingen van het tweede proces-verbaal, die op zich niet worden tegengesproken of bekritiseerd door eiseres, blijkt afdoende dat het eiseres is die de uiteindelijke diensten verleend aan de sponsors, zowel de grote als de kleine sponsors. Het kan moeilijk worden ontkend dat het eiseres is die een publiciteitsboekje verspreidt, spandoeken ophangt, drank en voeding verschaft of laat verschaffen, vrijkaarten geeft en reclame maakt op de inkomkaarten, flyers, websites en dit als tegenprestatie voor de betaling van een vergoeding (zijnde de sponsorgelden) in natura dan wel in geld. Het is immers eiseres die instaat voor de organisatie van het concert of festival en derhalve verantwoordelijk is voor deze aspecten van de organisatie. De sponsors zijn de uiteindelijke, begunstigde ontvangers van deze diensten.

De tussenkomst van een derde (de BVBA **B.**) die instaat voor het zoeken van sponsors en het innen van de sponsorgelden doet hieraan niet af Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat aan de sponsors niet enkel diensten van reclame zouden worden verschaft.

Ook het feit dat de klanten van **B.** BVBA reeds BTW zouden hebben betaald aan deze laatste kan niet tot een andere conclusie leiden. Het feit dat BTW werd betaald in een ander stadium van verhandeling van de diensten heeft niet tot gevolg dat geen BTW meer zou verschuldigd zijn op verhandeling van deze diensten tussen andere partijen. Het feit dat de Belgische Staat geen nadeel zou hebben geleden door de betaling van BTW door de BVBA **B.** – hetgeen allerminst vaststaat is; wat de verschuldigdheid van de belasting betreft, volkomen irrelevant.

[Artikel 20, § 1 BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-20) bepaalt overigens dat een commissionair of een ander tussenpersoon als bedoeld in artikel 13, § 2 die tussenkomst verleent bij diensten, wordt geacht die diensten zelf te hebben ontvangen en zelf te hebben verstrekt.

[Artikel 64, § 2 BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-64) bepaalt tenslotte dat hij die diensten verricht (in casu eiseres) behoudens tegenbewijs geacht wordt dat gedaan te hebben onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt.

Het feit dat verweerder geen onderscheid zou hebben gemaakt tussen de grote sponsors en de kleine sponsors en alle door eiseres verschafte diensten heeft aangemerkt als publiciteit maakt derhalve geen willekeur uit, nu beide soorten diensten voor BTW-doeleinden op een gelijke wijze moeten worden behandeld.

##### Algemeen

19\. [Artikel 44, § 2, 2°, 9° en 12° BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-44) luiden als volgt :

*"§ 2. Van de belasting zijn eveneens vrijgesteld :*

*(...)*

*2° de diensten en leveringen van goederen die nauw samenhangen met maatschappelijk werk, met de sociale zekerheid en met de bescherming van kinderen en jongeren en die worden verricht door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die door de bevoegde overheid als instellingen van sociale aard worden erkend.*

*Worden met name bedoeld :*

\- *de instellingen die de bejaardenzorg tot doel hebben;*

\- *de kinderbewaarplaatsen, de zuigelingen tehuizen en de instellingen die in hoofdzaak het toezicht over jongelui en de zorg voor hun onderhoud, opvoeding en vrijetijdsbesteding tot doel hebben;*

\- *de instellingen voor gezinshulp;*

\- *de centra voor levens- en gezinsvragen;*

\- *de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen;*

\- *de psycho-medisch-sociale centra en de centra voor leerlingen begeleiding; de instellingen die de gehandicaptenzorg tot doel hebben;*

\- *de instellingen die de begeleiding, de omkadering of de opvang van personen die zich in materiële of morele moeilijkheden bevinden tot doel hebben;*

\- *de instellingen bedoeld in het koninklijk besluit van 17 december 2003 betreffende de subsidiëring van instellingen die voorzien in een gespecialiseerde begeleiding voor burgers die betrokken zijn in een gerechtelijke procedure;*

\- *de externe diensten erkend bij het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk;*

*(…)*

*9° de organisatie van toneel-, ballet- of filmvoorstellingen, van tentoonstellingen, concerten of conferenties alsook de leveringen van goederen die nauw samenhangen met deze diensten door instellingen erkend door de bevoegde overheid, mits de inkomsten die zij verkrijgen uit hun werkzaamheid uitsluitend gebruikt worden tot dekking van de kosten ervan;*

*(...)*

*12° de leveringen van goederen en de diensten, verricht in samenhang met werkzaamheden die ter verkrijging van financiële steun met betrekking tot in 1° tot 4°, 7°en 11° genoemde handelingen zijn georganiseerd door en uitsluitend ten bate van diegenen die deze handelingen verrichten : de Koning kan, ter voorkoming van concurrentieverstoring, beperkingen opleggen ten aanzien van het aantal van de vrijgestelde werkzaamheden of het bedrag van de opbrengsten".*

Partijen gaan in hun conclusies volkomen voorbij aan het feit dat de geciteerde bepalingen hun oorsprong vinden in het Gemeenschapsrecht en met name in de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1; hierna: "Zesde richtlijn").

[Artikel 13, A, leden 1, sub g tot en met i](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-13), en [2](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-2), van de Zesde richtlijn luidt als volgt :

*“A. Vrijstellingen ten gunste van bepaalde activiteiten van algemeen belang*

*1.* *Onverminderd andere communautaire bepalingen verlenen de lidstaten vrijstelling voor de onderstaande handelingen, onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de betreffende vrijstellingen te verzekeren en alle fraude. ontwijking en misbruik te voorkomen :*

*(...)*

*g)* *diensten en leveringen van goederen die nauw samenhangen met maatschappelijk werk en met de sociale zekerheid, inclusief die welke worden verricht door bejaardentehuizen, door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard worden erkend;*

*h)* *diensten en leveringen van goederen die nauw samenhangen met de bescherming van kinderen en jongeren en die worden verricht door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard worden erkend;*

*(...)*

*n)* *bepaalde culturele diensten alsmede nauw daarmee samenhangende goederenleveringen, verricht door publiekrechtelijke culturele instellingen of door andere culturele instellingen die door de betrokken Lid-Staat worden erkend;*

*o)* *diensten en leveringen van goederen door lichamen waarvan de handelingen overeenkomstig het bepaalde sub b), g); h), i), l), m) en n). zijn vrijgesteld, in samenhang met activiteiten welke zijn bestemd ter verkrijging van financiële steun en die uitsluitend ten bate van hen zelf zijn georganiseerd, mits deze vrijstelling niet tot concurrentievervalsing kan leiden. De Lid-staten kunnen alle nodige beperkingen invoeren, met name ten aanzien van het aantal activiteiten of het bedrag van de opbrengsten waarvoor recht op vrijstelling bestaat;*

*2. (...)*

*b)* *Van vrijstellingen als bedoeld in lid 1, sub b, g, h, i, I, m en n, zijn diensten en leveringen van goederen uitgesloten indien :*

*-* *zij niet onontbeerlijk zijn voor het verrichten van de vrijgestelde handelingen;*

*-* *zij er in hoofdzaak toe strekken aan de instelling extra opbrengsten te verschaffen door de uitvoering van handelingen die verricht worden in rechtstreekse mededinging met die van commerciële ondernemingen welke aan de belasting over de toegevoegde waarde zijn onderworpen."*

Artikel 13, A, 1, g en h van de Zesde Richtlijn werden omgezet in het Belgische recht door [artikel 44, § 2, 2° BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-44).

Artikel 13, A, 1, n van de Zesde Richtlijn werd omgezet in het Belgische recht door [artikel 44, § 2, 9° BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-44).

Artikel 13, A, 1, o van de Zesde Richtlijn werd omgezet in het Belgische recht door [artikel 44, § 2, 12° BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-44).

Gelet op het feit dat de bepalingen van [artikel 44, § 2 BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-44) hun oorsprong vinden in het Gemeenschapsrecht dient voor de uitlegging van deze bepalingen noodzakelijkerwijze rekening te worden gehouden met dit Gemeenschapsrecht en met name de bepalingen van de Zesde Richtlijn en de uitlegging ervan door het Hof van Justitie van de Europese Unie : *"In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de vrijstellingen van* [*artikel 13 van de Zesde richtlijn*](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-13) *autonome communautaire rechtsbegrippen zijn en derhalve een communautaire definitie dienen te krijgen (zie arresten van 12 september 2000, Commissie/Ierland,* [*C-358/97*](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-358-97-arret)*, Jurispr. blz. I-6301, punt 51; 12 juni 2003, Sinclair Collis,* [*C-275/01*](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-275-01-arret)*, Jurispr. blz. I-5965, punt 22, en 18 november 2004, Temco Europe,* [*C-284/03*](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-284-03-arret)*, punt 16)"* (Hof van Justitie, arrest Kingscrest Associates Ltd, Montecello Ltd tegen Commissioners of Customs & Excise, C498/03, 26 mei 2005, ro. 22). Dit geldt eveneens voor de specifieke voorwaarden die worden gesteld om voor deze vrijstellingen in aanmerking te komen.

Van de kwalificatie van een handeling in het nationale recht kan niet afhankelijk zijn of die handeling aan BTW wordt onderworpen dan wel daarvan wordt vrijgesteld (zie of van Justitie, arrest Kingscrest Associates Ltd, Montecello Ltd tegen Commissioners of Customs & Excise, C498/03, 26 mei 2005, ro. 25).

Bovendien oordeelde het Hof van Justitie dat het nationale recht zo veel als mogelijk moet worden uitgelegd in het licht van de bewoordingen en het doel van deze Richtlijn (Hof van Justitie, 13 november 1990, Marleasing, [C-106/89](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-106-89-arret)).

Aangaande de uitlegging van de vrijstellingen van [artikel 13, A](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-13), [1](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-1) Zesde Richtlijn besliste het Hof van Justitie dat *"de vrijstellingen van* [*artikel 13 van de Zesde richtlijn*](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-13) *eng* *moeten worden uitgelegd,* *daar zij afwijkingen zijn van het algemene beginsel**, dat BTW wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht (zie met name arrest Commissie/Duitsland, reeds aangehaald, punt 43; arrest van 20 november 2003. Taksatarringen,* [*C-8/01*](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-8-01-arret)*, Jurispr. blz. 1-13711, punt 36, en arrest Temco Europe, reeds aangehaald, punt 17). De uitlegging van de in deze bepaling gebezigde termen moet echter in overeenstemming zijn met de door bedoelde vrijstellingen nagestreefde doeleinden en dient de eisen van het beginsel van fiscale neutraliteit, dat inherent is aan het gemeenschappelijke BTW-stelsel, te eerbiedigen (arrest van 6 november 2003, Dornier,* [*C-45/01*](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-45-01-arret)*, Jurispr. blz. I-12911, punt 42)."* (arrest Kingscrest Associates Ltd, Montecello Ltd tegen Commissioners of Customs & Excise, 26 mei 2005, ro. 29) (onderlijning door de rechtbank).

##### [Artikel 44, § 2, 2° BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-44)

20\. Zoals hoger aangegeven vindt deze bepaling zijn oorsprong in artikel 13, A, 1, g eh h van de Zesde Richtlijn.

Aangaande het doel van deze bepaling oordeelde het Hof van Justitie dat *"**blijkt uit deze bepaling dat het doel van die vrijstellingen erin bestaat bepaalde. in de sociale sector verrichte diensten van algemeen belang op het gebied van BTW gunstiger te behandelen. en ze aldus goedkoper en bijgevolg toegankelijker te maken voor de particulieren die er recht op hebben**"* (arrest Kingscrest Associates Ltd, Montecello Ltd tegen Commissioners of Customs & Excise, 26 mei 2005, ro. 30).

Uit de lezing van de bepaling van [artikel 44, § 2, 2° BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-44), in samenhang met artikel 13, A, 1, g (en h) van de Zesde Richtlijn volgt dat opdat handelingen zouden zijn vrijgesteld, voldaan moet zijn aan de volgende voorwaarden :

1\. het moet gaan om diensten en leveringen van goederen **die nauw samenhangen** (a) met **maatschappelijk werk** of **met de sociale zekerheid** of **met de bescherming van kinderen en jongeren (b)**;

2\. en die worden verricht door publiekrechtelijke lichamen of **door andere organisaties die door de bevoegde overheid als instellingen van sociale aard** worden erkend.

Bovendien is rekening te houden met de bepaling van [artikel 13, A](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-13), [2](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-2) van de Zesde Richtlijn.

[Artikel 13, A, lid 2 sub a van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-13) bevat aanvullende voorwaarden die de lidstaten mogen stellen voor de verlening van bepaalde in [artikel 13, A, lid 1](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-13), van deze richtlijn genoemde vrijstellingen, en de lidstaten dus toestaat, maar niet verplicht, de vrijstellingen van lid 1, sub g en h aan bijkomende voorwaarden te onderwerpen.

[Artikel 13, A](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-13), [2, sub b](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-2) van de Zesde Richtlijn sluit daarentegen bepaalde diensten en leveringen uit van vrijstelling onder 13, A, 1, g), h), en n), waardoor om van een vrijstelling te genieten de betrokken handelingen aan de aldaar opgesomde bijkomende voorwaarden moeten voldoen :

3\. Zij moeten **onontbeerlijk** zijn voor het verrichten van de vrijgestelde handelingen;

4\. Zij mogen er in hoofdzaak niet toe strekken aan de instelling extra **opbrengsten te verschaffen** door de uitvoering van handelingen die verricht worden in rechtstreekse mededinging met die van commerciële ondernemingen welke aan de belasting over de toegevoegde waarde zijn onderworpen.

Verweerder stelt dat hij *"aanvaardt dat verzoekster een erkende jeugdinstelling is en als dusdanig op grond van* [*artikel 44, § 2, 2° van het BTW- Wetboek*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-44) *is vrijgesteld"* (p. 10 conclusie verweerder). Nochtans blijkt uit de bepaling van artikel 44, § 2, 2° en [artikel 13, A](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-13), [1](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-1) van de Zesde Richtlijn dat niet instellingen als dusdanig worden vrijgesteld, maar wel handelingen (leveringen en diensten). Bijgevolg moet steeds worden nagegaan of een bepaalde handeling is vrijgesteld van de belasting op grond van de voormelde bepalingen. Bovendien is het tegenstrijdig te stellen dat een instelling is vrijgesteld van belasting op grond van [artikel 44, § 2, 2° BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-44) om vervolgens deze instelling te onderwerpen aan de BTW op grond van dezelfde bepaling.

Nu partijen geen standpunt hebben ingenomen met betrekking tot de vervulling van voormelde voorwaarden, moeten de debatten op dit punt worden heropend.

##### [Artikel 44, § 2, 9° BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-44)

21\. Verweerder stelt dat de "activiteit van verzoekster van de belasting \[is\] vrijgesteld op grond van [artikel 44, § 2, 2° BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-44), zodat in casu artikel 44, § 2, 9° geen toepassing vindt".

Hoger werd reeds opgemerkt dat [artikel 44, § 2 BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-44) geen instellingen vrijstelt, maar wel handelingen (diensten en leveringen).

Uit geen enkele bepaling (noch in het nationale recht, noch in het Gemeenschapsrecht) volgt dat eenzelfde instelling niet tegelijkertijd beroep kan doen op meerdere gronden van vrijstelling.

Nu verweerder geen standpunt heeft ingenomen aangaande deze grond van vrijstelling, moeten ook op dit punt de debatten worden heropend.

Op te merken is dat ook de voorwaarden opgesomd in [artikel 13, A](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-13), [2, sub b](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-2) van de Zesde Richtlijn moeten zijn vervuld.

De voorwaarden voor de toepassing van deze bepaling zijn aldus :

1\. de **organisatie van toneel-, ballet - of filmvoorstellingen, van tentoonstellingen, concerten of conferenties** alsook de leveringen van goederen die **nauw samenhangen met deze diensten**,

2\. door instellingen **erkend door de bevoegde overheid**,

3\. de inkomsten die zij verkrijgen uit hun werkzaamheid worden **uitsluitend** gebruikt tot **dekking van de kosten** ervan,

4\. Zij moeten **onontbeerlijk** zijn voor het verrichten van de vrijgestelde handelingen,

5\. Zij mogen er in hoofdzaak **niet** toe strekken aan de instelling extra **opbrengsten te verschaffen** door de uitvoering van handelingen die verricht worden in rechtstreekse mededinging met die van commerciële ondernemingen welke aan de belasting over de toegevoegde waarde zijn onderworpen.

##### [Artikel 44, § 2, 12° BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-44)

22\. Verweerder betwist de toepassing van deze bepaling omdat, onder verwijzing naar een parlementaire vraag, de inkomsten van reclame niet bijkomstig zouden zijn.

Deze voorwaarde is evenwel niet vervat in de wet, noch in de Zesde Richtlijn. Wel zijn in deze bepalingen andere voorwaarden opgenomen 'waaromtrent geen standpunt werd ingenomen.

Ook op dit punt moeten de debatten worden heropend.

## 4. WAARDE VAN DE VORDERING EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

23\. De uitspraak omtrent de kosten wordt aangehouden.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op **tegenspraak**,

Alle anders luidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Alvorens verder recht te doen, heropent de debatten op de zitting van **13 december 2010 om 14:00 uur voor 30 min.** ten einde partijen toe te laten standpunt in te nemen met betrekking tot de boven aangeduide rechtspunten,

Zeggen dat partijen uiterlijk op de hiernavolgende data hun conclusies ter griffie dienen neer te leggen en dienen mede te delen aan de tegenpartijen :

**aanvullende conclusie (synthese)**

**voor eiseres** **uiterlijk op 8 september 2010**

**voor verweerders** **uiterlijk op 8 november 2010**

Kosten aangehouden.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de **33****ste** **kamer** van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op **17 mei 2010**.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer **M. B.**, toegevoegd rechter

Mevrouw **I. D.**, griffier.

**I. D.** **M. B.**

## Textes cités

22

[CTVA art. 44](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-44) 14 occurrences

[6e directive 77/388 art. 13](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-13) 10 occurrences

[6e directive 77/388 art. 2](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-2) 4 occurrences

[CTVA art. 59](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-59) 3 occurrences

[6e directive 77/388 art. 1](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-1) 2 occurrences

[AR no 1 art. 18](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-18-ae74) 1 occurrence

[CTVA art. 20](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-20) 1 occurrence

[CTVA art. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-4) 1 occurrence

[CTVA art. 53](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-53) 1 occurrence

[CTVA art. 61](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-61) 1 occurrence

[CTVA art. 62](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-62) 1 occurrence

[CTVA art. 62bis](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-62bis) 1 occurrence

[CTVA art. 63](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-63) 1 occurrence

[CTVA art. 63bis](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-63bis) 1 occurrence

[CTVA art. 64](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-64) 1 occurrence

[CTVA art. 84octies](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84octies) 1 occurrence

[C-106/89, arrêt du 13 novembre 1990](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-106-89-arret) 1 occurrence

[C-275/01, arrêt du 12 juin 2003](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-275-01-arret) 1 occurrence

[C-284/03, arrêt du 18 novembre 2004](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-284-03-arret) 1 occurrence

[C-358/97, arrêt du 12 septembre 2000](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-358-97-arret) 1 occurrence

[C-45/01, arrêt du 6 novembre 2003](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-45-01-arret) 1 occurrence

[C-8/01, arrêt du 20 novembre 2003](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-8-01-arret) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Taux de TVA, taux TVA de 6%](https://juriel.be/fr/jurisprudence/taux-tva-reduit-immobilier-conditions-tribunal-2022-07-01-ad98) 6 dispositions communes

[Assujettissement, champ d'application, service, opération imposable, exonération, autre exemption](https://juriel.be/fr/jurisprudence/assujettissement-champ-application-service-operation-tribunal-bruxelles-2011-01-21-22e3) 6 dispositions communes

[Droit à déduction, Exemption, Amendes, taux de la taxe](https://juriel.be/fr/jurisprudence/taux-droit-deduction-exemption-amendes-tribunal-gand-2013-06-11-2674) 6 dispositions communes

[Chiffre d’affaires non déclaré, déclaration, chiffre d'affaires](https://juriel.be/fr/jurisprudence/chiffre-affaires-non-declare-declaration-cour-appel-gand-2024-02-13-38e9) 5 dispositions communes

[Droit à déduction, Charge de la preuve](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-charge-preuve-refus-tribunal-mons-2025-09-01-caaf) 5 dispositions communes

[Annulation de la circulaire no 25 dd. 24.12.1993 de la TVA](https://juriel.be/fr/jurisprudence/annulation-tva-conseil-etat-all-2005-05-30-aa9b) 5 dispositions communes

[Visite des locaux professionnels, Commission, Contrainte](https://juriel.be/fr/jurisprudence/visite-locaux-professionnels-commission-contrainte-cour-appel-mons-2021-03-10-1106) 5 dispositions communes

[Exemptions](https://juriel.be/fr/jurisprudence/exemptions-prestations-ayant-objet-enseignement-cassation-bruxelles-2010-01-14-30e4) 5 dispositions communes
