---
title: "Révision · Tribunal de première instance d&#x27;Anvers, 16 mars 2001"
description: "Révision, Investissements immobiliers effectués par le locataire, Cession de bail. Tribunal de première instance d'Anvers (Belgique), 16 mars 2001."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/revision-investissements-immobiliers-effectues-locataire-tribunal-anvers-2001-03-16-7c98"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Révision, Investissements immobiliers effectués par le locataire

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Anvers

**Date**

16 mars 2001

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

78 paragraphes

### Corps de la décision

**Jugement du Tribunal de première instance d'Anvers dd. 16.03.2001**

*Révision - Investissements immobiliers effectués par le locataire - Cession de bail*

La déduction de la TVA ne doit pas être révisée lorsque le bien d'investissement cesse d'exister dans l'entreprise en raison d'une livraison telle que visée par la C.TVA ([article 10, 4º, de l'AR nº 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c#ar3-art10) du 10 décembre 1969). Les investissements immobiliers qu'un locataire a effectués dans le bien loué sont des objets mobiliers qui sont attachés à perpétuelle demeure au bien immobilier. Lorsque le locataire cède ses droits au bail, il transmet également ces investissements immobiliers. Ces biens d'investissement ont donc cessé d'exister dans l'entreprise en raison d'une livraison des droits au bail au cessionnaire. La déduction de la TVA sur les investissements immobiliers ne doit dès lors pas être révisée.

Enig rechter : M. Wolles

Advocaten : Mr. Van Outryve *loco* Mr. Marck, Mr. Persoons *loco* Mr Van Huffelen

L.D. Int. N.V.

tegen

*de Belgische Staat*, Ministerie van Financiën, Administratie van de B.T.W., Registratie en Domeinen;

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, o.m. :

\- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder C. Somers, loco gerechtsdeurwaarder P. Greeve te Antwerpen op 15 oktober 1991;

\- de beschikking gewezen conform artikel 747, § 2 Ger. W. van 3 november 2000, waarbij de conclusietermijnen en de rechtsdag werden bepaald;

\- de beschikking gewezen conform artikel 747, § 2 Ger. W. van 8 december 2000, waarbij de rechtsdag werd gewijzigd;

\- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 16 februari

2001.

---

De vordering strekt ertoe, verweerder te horen veroordelen tot betaling van de som van 1 554 863 BEF, te vermeerderen met verwijlintresten vanaf 7 februari 1991 over 1 494 367 BEF, de gerechtelijke intresten over 1 554 863 BEF en de kosten van het geding.

## Relevante feiten

Eiseres was actief in de productie en distributie van lederen gebruiksvoorwerpen en maroquinerie waarbij de winkels, verspreid over het ganse land, gevestigd waren in gehuurde panden.

In de loop van 1990 en 1991 heeft eiseres diverse winkels gesloten en heeft de huurrechten overgedragen.

Naar aanleiding van een B.T.W.-controle op 30 augustus 1990 werd aan eiseres detail gevraagd van de onroerende investeringen die in de winkels werden uitgevoerd, waarvan de huurrechten werden overgedragen.

Op 11 september 1990 heeft eiseres een correctieopgave voor akkoord ondertekend, waarbij ondermeer de aftrek van de B.T.W. op de onroerende investeringen werd herzien in verband met de hierna volgende winkels, waarvan de huurrechten werden overgedragen, namelijk :

| - winkel in Sint-Niklaas : | 320 619 BEF |
| --- | --- |
| - winkel te Knokke : | 346 282 BEF |
| Totaal : | 666 901 BEF |

Op 26 oktober 1990 schreef de raadsman van eiseres aan de B.T.W.-Directie te Antwerpen ondermeer omtrent de problematiek van de herziening van de aftrek van de B.T.W. op de onroerende investeringen. Volgens dit schrijven kon de aftrek van de B.T.W. niet worden herzien.

Op 20 november 1990 meldde de B.T.W.-Directie te Antwerpen dat dit verzoek aan een administratief onderzoek zou onderworpen worden.

In de B.T.W.-aangifte voor de maand november 1990 heeft eiseres de herziening van de aftrek van de B.T.W. op de onroerende investeringen aangegeven in verband met de hierna vermelde winkels, waarvan de huurrechten eveneens werden overgedragen, namelijk :

| - winkel te Mechelen : | 372 942 BEF |
| --- | --- |
| - winkel te Turnhout : | 387 834 BEF |
| Totaal : | 760 776 BEF |

Voornoemde B.T.W.-aangifte werd ingediend op 19 december 1990, doch bij aangetekende brief van 18 december 1990 maakte eiseres uitdrukkelijk voorbehoud voor deze aangifte, die er enkel toe strekte om boeten en intresten te vermijden. Eiseres maakte hierbij tevens voorbehoud voor de vorige herzieningen.

Bij aangetekend schrijven van 7 februari 1991 heeft de raadsman van eiseres de teruggave gevorderd van ondermeer de herziening van de aftrek van de B.T.W. op de onroerende investeringen in verband met de winkels te Sint-Niklaas, Knokke, Mechelen en Turnhout teneinde de moratoire intresten te doen lopen.

Tot slot heeft eiseres in de B.T.W.-aangifte voor de maand maart 1991 de herziening van de aftrek van de B.T.W. op de onroerende investeringen aangegeven in verband met de winkel te Brussel, waarvan het huurrecht eveneens werd overgedragen, namelijk : 60 496 BEF.

Deze B.T.W.-aangifte werd ingediend op 18 april 1991, doch bij aangetekende brief van 17 april 1991 werd hiervoor ook uitdrukkelijk voorbehoud gemaakt.

Bij schrijven van 2 augustus 1991 werd aan de raadsman van eiseres medegedeeld dat de Centrale Administratie van de B.T.W. te Brussel had beslist dat de door eiseres afgetrokken B.T.W. op de onroerende investeringen voor herziening vatbaar was, waarna eiseres tot dagvaarding is overgegaan.

De huidige betwisting heeft aldus betrekking op de vraag of de aftrek van de B.T.W. op de onroerende investeringen in de winkels, waarvan de huurrechten werden overgedragen, al dan niet dient herzien te worden.

## Beoordeling

Betreffende de door eiseres voor akkoord ondertekende correctieopgave

De belastingwetten zijn van openbare orde, zodat geen akkoorden kunnen worden afgesloten over rechtskwesties.

De vraag of de aftrek van de B.T.W. op de onroerende investeringen in de winkels, waarvan de huurrechten werden overgedragen, al dan niet dient herzien te worden, is ontegensprekelijk een rechtskwestie, zodat hieromtrent geen akkoord kon worden gesloten.

Niettegenstaande eiseres de correctieopgave voor akkoord heeft ondertekend, kan zij hierop dan ook terugkomen.

**Betreffende de herziening van de aftrek van B.T.W.**

De onroerende investeringen, die eiseres als huurster heeft laten uitvoeren, zijn omvormings- en verbeteringswerken en dienen bijgevolg als bedrijfsmiddelen te worden aanzien, zodat krachtens artikel 48 § 2 van het Wetboek van B.T.W. en artikel 9 van het K.B. nummer 3 van 10 december 1969 de herziening van de aftrek van de B.T.W. principieel mogelijk is.

Krachtens artikel 10, 4º van het K.B. nummer 3 van 10 december 1969 moet de aftrek van de B.T.W. worden herzien indien het bedrijfsmiddel ophoudt in de onderneming te bestaan, hetzij wordt aangetoond dat :

\- zulks het gevolg is van een levering als bedoeld in het Wetboek van B.T.W.,

\- het bedrijfsmiddel vernietigd of ontvreemd werd.

## Vernietiging

Volgens eiseres zijn de overnemers van de huurrechten allen actief in een artikel dat volkomen vreemd is aan het artikel van eiseres, zodat zij de onroerende investeringen, die versleten zijn en bovendien logo's van eiseres bevatten, vernietigd hebben en vervangen door een totaal nieuwe infrastructuur. Bijgevolg zijn de bedrijfsmiddelen - volgens eiseres - vernietigd, zodat de aftrek van de B.T.W. niet dient herzien te worden.

Uit artikel 10, 4º van het K.B. nummer 3 van 10 december 1969 blijkt zeer duidelijk dat er slechts vrijstelling is van de herziening, wanneer het bedrijfsmiddel ophoudt te bestaan in de onderneming ingevolge de vernietiging van het bedrijfsmiddel.

In casu hebben de bedrijfsmiddelen echter integendeel opgehouden te bestaan in de onderneming doordat eiseres de huurrechten van de winkels, waarin zij de onroerende investeringen heeft uitgevoerd, heeft overgedragen.

Bijgevolg is het bewezen dat de bedrijfsmiddelen geenszins hebben opgehouden te bestaan in de onderneming doordat zij werden vernietigd, zodat er geen vrijstelling is van de herziening van de aftrek van de B.T.W.

Het is volkomen irrelevant dat de overnemers later, nadat de bedrijfsmiddelen door de overdracht van de huurrechten hebben opgehouden te bestaan in de onderneming van eiseres, deze bedrijfsmiddelen zouden vernietigd hebben.

Hetgeen met de bedrijfsmiddelen gebeurt, nadat zij hebben opgehouden te bestaan in de onderneming van eiseres, heeft dan ook niet de minste invloed op de herziening van de aftrek van de B.T.W. door eiseres.

Ook bij diefstal is er slechts vrijstelling van de herziening van de aftrek van de B.T.W. indien de bedrijfsmiddelen door de ontvreemding ophouden te bestaan in de onderneming.

Bijgevolg heeft de stelling van eiseres, dat zowel de diefstal als de vernietiging door de overnemers een actie is van een derde, dan ook geen enkel belang.

Voor de vrijstelling van de herziening van de aftrek van de B.T.W. is het enkel van belang dat de bedrijfsmiddelen zich op het ogenblik van de vernietiging of de ontvreemding nog in de onderneming bevonden, hetgeen in casu niet het geval is.

**Levering als bedoeld in het Wetboek van de B.T.W.**

Anderzijds moet zoals hoger vermeld de aftrek van de B.T.W. ook niet worden herzien indien het bedrijfsmiddel ophoudt te bestaan in de onderneming, wanneer zulks het gevolg is van een levering als bedoeld in het Wetboek van de B.T.W.

De roerende voorwerpen, die blijvend aan een onroerend goed zijn verbonden (artikelen 524, laatste lid, en 525 B.W.), zijn goederen voor de toepassing van de B.T.W., maar volgen de regeling van het onroerend goed, waarmee ze zijn verbonden, wanneer ze samen daarmee worden verkocht. Zulke verkoop is dus een onroerende handeling die normaal genomen van de B.T.W. is vrijgesteld.

Ingeval van afzonderlijke verkoop (d.w.z. afgescheiden van het onroerend goed) worden ze echter opnieuw roerende goederen uit hun aard en zijn dan, in beginsel, met B.T.W. is vrijgesteld.

Onroerende investeringen van een huurster zijn ontegensprekelijk roerende voorwerpen die blijvend aan een onroerend goed zijn verbonden.

Eiseres, die als huurster de onroerende investeringen heeft laten uitvoeren, bleef echter eigenares van deze omvormings- en verbeteringswerken tot op het einde van het huurcontract en kon deze werken dan ook, afgescheiden van het onroerend goed, verkopen of overdragen. Het recht van natrekking ten voordele van de eigenaar van het onroerend goed gaat immers slechts in op het einde van het huurcontract, voor zover de werken niet zijn verwijderd (Cass. 19 februari 1976, *Arr. Cass.* 1976, 721).

Met de overdracht van de huurrechten heeft eiseres de onroerende investeringen in de winkels overgedragen aan de overnemers van de huurrechten.

Bijgevolg is het dan ook bewezen dat deze bedrijfsmiddelen hebben opgehouden te bestaan in de onderneming van eiseres ingevolge leveringen aan de overnemers van de huurrechten, zodat krachtens artikel 10, 4º van het K.B. nummer 3 van 10 december 1969 de aftrek van de B.T.W. op deze onroerende investeringen dan ook niet dient herzien te worden.

## Betreffende de uitvoerbaarverklaring bij voorraad

Conform artikel 92 *bis* van het Wetboek van de B.T.W. schorsen de termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing, zodat huidig vonnis dan ook niet uitvoerbaar bij voorraad kan verklaard worden.

### Dispositif

*Om die redenen,*

De rechtbank,

rechtdoende op tegenspraak,

alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering toelaatbaar en gegrond.

## Textes cités

1

[AR no 3 art. 10](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c) 1 occurrence
