---
title: "Retenue, Crédit impôt · Cour d&#x27;appel de Gand, 28 novembre 2000"
description: "Retenue, Crédit impôt, crédit d'impôt. Cour d'appel de Gand (Belgique), 28 novembre 2000."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/retenue-credit-impot-cour-appel-gand-2000-11-28-1939"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Retenue, Crédit impôt, crédit d'impôt · TVA,Retenue,Crédit impôt

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Gand

**Date**

28 novembre 2000

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

109 paragraphes

### Corps de la décision

**ARRET G 00/23**

**Arrêt de la Cour d'appel de Gand dd. 28.11.2000**

*TVA - Retenue - Crédit impôt*

Un assujetti à la TVA commet une série d infractions à la législation TVA, parmi lesquelles des déductions intégrales de TVA ayant grevé des cadeaux d'affaires et l'absence de certains bons de livraisons (ou de factures). Par ces motifs, l'administration de la TVA pratique une retenue du crédit de TVA de l'assujetti. Celui-ci fait opposition. Il se réfère aux jurisprudences de la Cour européenne de justice et de la Cour d'arbitrage (références dans l'arrêt). La cour en arrive à la conclusion que l'assujetti ne peut se voir refuser le contrôle juridictionnel et que le juge des saisies doit examiner si la retenue du crédit de TVA est régulière et valable en droit. En particulier, le juge des saisies doit-il examiner si les conditions générales de fonds pour pratiquer une saisie conservatoire sont remplies. Par ces motifs, la cour annule le jugement du tribunal de première instance dans la mesure où ce dernier avait déclaré le recours de l'assujetti ni recevable ni fondé.

**14****de** **Kamer**

Raadsheer, waarnemend kamervoorzitter: *Mevr. M.-J. De Cooman*

Adjunct-griffier: *Dhr. L. Langelet*

Partij: V••••••• W••••• t. De Belgische Staat

Rolnr.: 1997/AR/2102

velt het hof het volgend arrest:

W••••• *V•••••••* heeft -tijdig en geldig naar de vorm- hoger beroep ingesteld tegen het vonnis, op 25.03.1997 verleend door de beslagrechter bij de rechtbank van eerste aanleg van Gent.

Bij het bestreden vonnis werd het verzet van de appellant tegen de inhoudingen door de Administratie van de BTW, deels niet toelaatbaar (motiverend gedeelte van de bestreden beslissing) en (noodzakelijk, voor het overige) niet gegrond verklaard.

Met zijn hoger beroep wil de appellant vooralsnog zijn verzet gegrond doen verklaren en de inhoudingen, geldend als bewarend beslag, doen opheffen, binnen de 48 uur na de betekening van het te verlenen arrest.

In conclusies vordert hij de terugbetaling van de -in zijn stelling- ten onrechte ingehouden BTW tegoeden, verhoogd met de wettelijke en gerechtelijke intrest vanaf de inhouding, binnen de 48 uur na de betekening van het te verlenen arrest;

alles onder verbeurte van een dwangsom van 50.000,- F per dag vertraging.

---

De verschijnende partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies;

de stukken werden ingezien.

---

1

De gegevens van belang voor de beoordeling van deze zaak

1.1.

Na een controle van de Bijzondere Belastingsinspectie -aangevangen op 04.09.1995, in het bedrijf van W••••• *V•••••••* - stelde de ambtenaar -gelast met de controle- een proces-verbaal op, gedateerd van 14.09.1995;

hij acteerde, op grond van zijn bevindingen en de verklaringen van de appellant:

\- een -zoals door hem gesteld, ten onrechte- verrekening van de (algeheelheid van de) BTW, geheven op de aankoop van relatiegeschenken, gefactureerd anno 1990, doch geboekt anno 1991,

\- het ontbreken van 2001 (getal later aangepast) leveringsbonnen (op basis waarvan -volgens verklaring V•••••••- door de appellant facturen worden opgesteld) op 10.000 leveringsbons, in het jaar 1993.

Op grond van deze feiten vermoedde de Administratie, nog steeds blijkens het P.V. van 14.09.1995, "onder-fakturatie of niet fakturatie".

1.2.

Gesteund op dit proces-verbaal en gesteund op art. 8/1, par. 3, lid 5 van het KB nr. 4, heeft de Belgische Staat -gelet op het tegoed van *V•••••••* , zoals dit toen bleek uit de periodieke aangiften van 30.04.1995 tot 31.07.1995- een eerste inhouding gedaan, op 15.09.1995 aangetekend ter kennis gebracht van W••••• V••••••• en de hoofdcontroleur van de BTW (te Aalter);

deze laatste deed -per 18.09.1995- zijn verklaring van "derde-beslagene", bevestigende schuldenaar te zijn van een bedrag van 1.020.358,- F, blijkens rekening-courant.

1.3.

In de ambtelijke aanslag (op grond van art. 66 BTW Wb.) van 04.12.1996 werd de ontdoken BTW bepaald op 4.128.383,- F, onverminderd de boeten (uit hoofde van de ontdoken belasting -het dubbel van de ontdoken belastingen zijnde 8.256.766,- F-, meer een geldboete per overtreding bepaald op het maximum van 10.000,- F, hetzij 18.790.000,- F) en intrest.

Deze ambtelijke aanslag werd aangetekend ter kennis gebracht van de belastingplichtige op 09.12.1996;

het dwangbevel, ter invordering van voormelde bedragen, werd hem betekend op 17.01.1997.

1.4.

Op grond van deze schuld, begroot op 4.128.383,- F BTW, 27.046.766,- F boeten en 363.264,- intrest, heeft de Belgische Staat -krachtens [art. 8/1, § 3, lid 4 van het K.B. nr. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-article-86c6)- een inhouding gedaan op 09.12.1996, op zelfde datum ter kennis gebracht van de appellant.

De derde-beslagene heeft daarop, per 10.12.1996, zijn verklaring gedaan aan W••••• *V•••••••*.

1.5.

Op 17.01.1997 liet, zoals reeds gezegd, de Belgische Staat aan V••••••• dwangbevel betekenen voor de -volgens de geïntimeerde- verschuldigde BTW, onverminderd de geldboeten en de intresten (ook op de 'nog verschuldigde geldboeten' vanaf de betekening).

Daarop is het verzet gestart (dagvaarding van 17.01.1997) voor de bodemrechter, vooralsnog -nu bijna vier jaar later- niet berecht en -blijkens Ons door de appellant overgelegde stukken- zelfs niet in staat gesteld!

2

Beoordeling

2.1.

De beide inhoudingen, al hebben ze juridisch een andere fundering (achtereenvolgens art. 8/1 § 3 al.5 en art. 8/1 § 3 al.4 van het KB nr. 4), zijn geschied op grond van dezelfde achterliggende feiten, met name (beweerde) onregelmatigheden in de boekhouding van *V•••••••* , vastgesteld in het P.V. van 14.09.1995 en de BTW (vermeerderd met de boeten en intrest) uit dien hoofde verschuldigd.

De inhoudingen geschiedden ingevolge de ontduiking van BTW, zoals werd betoogd in het P.V. van 14.09.1995, gesteund op de er aan voorafgaande onderzoeken en bevindingen en waarvoor -later- de ambtelijke aanslag van 06.12.1996 werd gevestigd.

Art. 807 Ger.W. dient wel begrepen;

waar de wetgever een cascade van uiteenlopende vorderingen, zonder onderling verband -wat een voor de rechter onontwarbaar kluwen zou uitmaken- heeft willen voorkomen, heeft hij evenzeer de opeenvolging van processen tussen dezelfde partijen willen vermijden, in zaken die spruiten uit dezelfde akten of feiten, in de (eerste) inleidende dagvaarding aangevoerd.

Het verzet met dagvaarding (bij exploot van 27.11.1995) is gemotiveerd op de controle en het daarop gevolgde P.V. van 14.09.1995.

Afgezien dat tussentijds -op grond van de bevindingen bij en volgend op de voormelde controle van september 1995- nog een ambtelijke aanslag werd gevestigd en de rechtsgrond voor de tweede inhouding daarin werd gevonden, staat vast dat de beide inhoudingen een gevolg zijn van de controle van 04.09.1995 en de daaruit voortvloeiende handelingen en vaststelling van (beweerde) onregelmatigheden en belastingontduiking.

Dienvolgens is het tweede verzet tegen de inhouding van 09.12.1996, ingesteld bij conclusies, rechtsgeldig ingesteld en derhalve toelaatbaar.

2.2

Omtrent de gegrondheid van het verzet

2.2.0

Voorafgaandelijk

het verzet is beperkt tot twee inhoudingen (en niet tot de reeks, opgesomd in conclusies door de appellant), ten bedrage respectievelijk van 1.020.358,- F en 660.930,- F.

2.2.0

2.2

2.2

1

2.2.1.

Het Hof heeft de vraag te beantwoorden of de bepalingen van het K.B. nr. 4 (te weten art. 8/1 § 3 al. 4 en 5), krachtens dewelke de Belgische Staat tot inhouding overging, ter uitvoering van art. 76 § 1 van het BTW Wb., al dan niet strijdig zijn met de normen die er -hiërarchisch, als rechtsbronnen- boven staan, ter zake of de uitvoeringsbepalingen (niet) strijdig zijn met de fiscale wet, de grondwet (controle via het Arbitragehof) en het internationale recht, ter zake het communautair recht.

De uitspraken van het Arbitragehof en van het Hof van Justitie te Luxemburg, door de partijen ingeroepen en hun gelding:

\- het arrest van het Hof van Justitie -recht doende op een prejudiciële vraag- verplicht de rechter die de prejudiciële vraag stelde en alle overige rechtsprekende instanties die van hetzelfde geschil kennis nemen, de beslissing van de communautaire rechter te respecteren; meer, de beslissing geldt voor alle rechtscolleges in de lidstaten die geconfronteerd worden met dezelfde vraag als deze door het Hof van Justitie in zijn arrest beantwoord; de interpretatie door het Hof van het gemeenschapsrecht heeft een declaratoir karakter; om die reden geldt zij buiten het kader van het geding en voor alle justitiële rechters (in de lidstaten) die zich gesteld zien voor dezelfde rechtsvraag.

\- Krachtens de Bijzondere wet van 06.01.1989, inzonderheid art. 26 2, lid 3, 1° is een rechtscollege niet verplicht een prejudiciële vraag te stellen wanneer het Arbitragehof reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag met hetzelfde onderwerp.

Ter zake bespreken de partijen het arrest in de zaken (C/286/64, 340/95, 47/96) berecht op 18.12.1997 door het Hof van Justitie (prejudiciële vraag omtrent de uitlegging van [art. 18 lid 4 van de richtlijn 77/388/EEG](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-18) van de Raad van 17.05.1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen inzake BTW en het arrest van het Arbitragehof dd. 07.07.1998 - nr. 78/98).

Waar het Hof van Justitie oordeelde dat de nationale maatregelen -ter zake aan de orde- mogelijk blijven, komt het -volgens het arrest van 18.12.1997- aan de nationale rechter toe te oordelen of de betrokken maatregelen en de toepassing daarvan door de bevoegde administratie evenredig zijn.

Expliciet voegt het Hof daaraan o.m. toe:

'bij een dergelijke beoordeling wordt geen rekening gehouden met de nationale bepalingen of een uitlegging daarvan, die in de weg staan aan een doelmatige rechterlijke toetsing, en met name aan de spoedeisendheid en de noodzaak van de inhouding van het voor teruggaaf vatbare BTW-overschot...'

In het arrest van 07.07.1998 van het Arbitragehof (arrest nr. 78/98) is met zoveel woorden gesteld dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden in zoverre art. 76 § 1 BTW Wb. er toe leidt dat de rechterlijke controle (toetsing van de regelmatigheid en de geldigheid van de inhouding) aan de belastingplichtige is ontzegd.

Waar de feiten en omstandigheden van onderhavige zaak gelijkaardig zijn aan deze beoordeeld én door het Arbitragehof én door het Hof van Justitie, derwijze dat de rechtsvragen identiek zijn, zijn nieuwe prejudiciële vragen overbodig en dient dit Hof zich te conformeren aan de beslissingen op de prejudiciële vragen, aan de beide rechterlijke instanties voormeld gesteld.

2.2.2.

In het licht van de beide voormelde arresten moet vastgesteld worden dat van deze bepalingen van het uitvoeringsbesluit (KB nr.4), in de mate dat ze een inhouding mogelijk maakten, waarbij aan de voorwaarden gesteld in de art. 1413 en 1415 Ger. W. voorbij gegaan wordt

-waarbij de spoedeisendheid zonder meer wordt vermoed en waarbij (ter zake) de inhoud van het proces-verbaal, waarop de inhouding is gesteund, geldt tot weerlegging door de belastingplichtige-

wat het jurisdictioneel toezicht herleidt tot een formaliteit (zie infra), abstractie dient gemaakt.

Immers, het vermoeden van spoedeisendheid -zoals vervat in de reglementaire bepalingen van [art. 8/1 § 3, al. 4 en 6 van het KB nr. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-article-86c6), waarin geen recht op tegenbewijs aan de belastingplichtige is voorbehouden- is onredelijk en zou de belastingplichtige die in concrete omstandigheden verkeert die geen bewarend beslag naar gemeen recht verantwoorden (geen gevaar voor insolventie oninbaar worden van de belasting),nodeloos schaden (zie o.m. de publiciteit bij wege van het beslagbericht).

Dienvolgens vermag de belastingplichtige de jurisdictionele controle niet ontzegd te worden en dient de beslagrechter na te gaan of de inhouding én regelmatig én rechtsgeldig is, inzonderheid zal de beslagrechter onderzoeken of aan de grondvoorwaarden voor bewarend beslag (overeenkomstig het gemeenrecht, tot welk bewijs de geïntimeerde is gehouden) is voldaan (art. 1413 en 1415 Ger.W.).

2.2.3.

Waar de beslagrechter recht doet prima facie, komt het hem niet toe het geschil zelve te berechten;

voor de beoordeling door de beslagrechter, is het nodig -doch het volstaat- dat de beslaglegger bewijst dat zijn aanspraken een voldoende schijn van gegrondheid hebben;

dit blijkt ter zake -na een summier onderzoek, binnen het kader van onze opdracht- het geval te zijn, wat betreft de ingevorderde BTW.

Waar art. 1415 Ger.W. het bewarend beslag mogelijk maakt niet alleen voor een zekere schuld, doch ook voor schuldvorderingen vatbaar voor raming,

waar de betwisting gevoerd door de beslagene, aan de schuldvordering niet het karakter van 'zekere' schuldvordering ontneemt,

waar van het bestaan, laat staan het resultaat van de strafklacht door de appellant ingevolge de beweerde ontvreemding van bestelbonnen en valsheid in geschrifte (door toevoegingen in deze bestelbonnen), geen enkel bewijs wordt geleverd, daar gelaten het bewijs van effectief gevolg aan de beweerde strafklacht en haar impact op de vestiging van de belasting,

waar tevens moet aangenomen worden dat de vordering eisbaar is (in die zin dat de Belgische Staat gerechtigd is de nakoming van zijn schuldvordering -te weten de ontdoken BTW- te eisen, deze vordering gesteund zijnde op de dienstige vaststellingen van de bevoegde ambtenaar en de verklaringen hem door de appellant gedaan, zoals geacteerd in het P.V. van 14.09.1995; de beweringen door de appellant daartegenover gesteld zijn -prima facie- niet geloofwaardig en evenmin van aard de grondslag aan de invordering van de BTW te ontnemen),

voldoet de vordering wat betreft de ingevorderde BTW aan de vereisten, opdat ze als oorzaak voor bewarend beslag zou kunnen fungeren.

Het (nog aanhangig) verzet van de appellant voor de bodemrechter doet aan het voren gestelde geen afbreuk.

2.2.4.

Gelet op de beperktheid van de inhoudingen -voorwerp van het verzet-, waarvan het bedrag lager is dan de ingevorderde BTW, komt het Het Hof voor dat elk verder onderzoek met betrekking tot de boeten (en meegaande intresten), zonder voorwerp is.

Volledigheidshalve kan met betrekking tot de gevorderde boeten worden opgemerkt dat de discretionaire bevoegdheid tot kwijtschelding en vermindering van boeten bij de fiscale administratie ligt (nog steeds art. 9, regentsbesluit 18.03.1831); de justitiële rechter heeft slechts de wettigheidsheidscontrole, weliswaar met marginale toetsing van het gebruik door de fiscale administratie van haar discretionaire bevoegdheid.

2.2.5.

Blijft verder de vraag naar de spoedeisendheid, te beoordelen mede inachtgenomen de omvang van de schuldvordering van de geïntimeerde (met inbegrip van boeten en intresten).

De appellant houdt voor zeer gegoed te zijn en o.m. een belangrijk onroerend patrimonium in België te bezitten.

Van de (netto) omvang van dit vermogen is -te meer, gelet op de inschrijvingen waarvan de geïntimeerde gewag maakt- vooreerst geen (afdoend) bewijs geleverd, terwijl -gelet op de feiten en gegevens ter kennis van het Hof- de bewering dat de schuldvordering ontstond uit (niet onbelangrijke) fraude niet is uit te sluiten, met omvangrijke gevolgen op fiscaal vlak (niet alleen BTW, doch ook directe belastingen, mede boeten en intresten);

de gegevens die de hoegrootheid van de BTW-schuld (zelve) met -voor het Hof, recht doende als beslagrechter in hoger beroep en in acht genomen de begrensde rechtsmacht- voldoende graad van waarschijnlijkheid bewijzen, zijn -prima facie- niet weerlegd.

Omtrent enige aanslag in de directe belastingen, omtrent hypothecaire inschrijvingen uit dien hoofde,' beperken de partijen zich tot beweringen, zonder bewijs.

In het licht van de beoordeling van de spoedeisendheid rijst mogelijk nog de vraag of de notificaties door de notaris bij overdracht van (hypotheekverlening op) een onroerend goed een voldoende rechtsbescherming bieden aan de Belgische Staat (ter zake naast beweerde schuldeiser van *V•••••••* uit hoofde van inkomstenbelastingen, ook schuldeiser van BTW).

Anderzijds moet het Hof vaststellen dat (bijna) vier jaar na de inleiding van het verzet voor de bodemrechter, deze zaak -volgens hetgeen Ons door de appellant is overgelegd- niet in staat is gesteld, laat staan berecht.

De vraag rijst of deze handelwijze (de facto passiviteit) niet haaks staat op het vereiste van spoedeisendheid en de bewarende maatregel in se, die (weliswaar uitsluitend) naar gemeen recht slechts een gelding heeft van drie jaar, de schorsing (in het gemeen recht: art. 1493 Ger.W.) niet te na. Het is daarbij niet overbodig er op te wijzen dat de beide partijen de mogelijkheid hebben de procedure voor de bodemrechter te activeren en het geschil te doen berechten...

Eén en ander, terwijl niets de partijen belet -ten einde liquiditeitsproblemen voor de appellant te vermijden- een overeenkomst aan te gaan, waarbij de inhoudingen worden vervangen door zekerheden ten voordele van de Belgische Staat.

### Dispositif

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

Recht doende op tegenspraak,

met in acht name van het art. 24 van de wet van 15.06.1935,

alle meer omvattende, anders luidende en tegenstrijdige conclusies afwijzende als ongegrond, niet ter zake en/of overbodig,

verklaart het hoger beroep toelaatbaar;

doet het bestreden vonnis teniet met betrekking tot de tussenvordering tot verzet tegen de tweede inhouding van 09.12.1996; zegt dat het verzet bij tussenvordering toelaatbaar is;

vooraleer verder recht te doen:

heropent de debatten

nodigt de partijen uit verder stelling te nemen omtrent het 2.2.4. en 2.2.5. gestelde;

verwijst de zaak voor verdere afdoening naar de terechtzitting van dinsdag 13 februari 2001 te 09.30 uur;

reserveert de kosten.

Les noms de personnes physiques que la version diffusée par le SPF Finances laissait en clair ne sont pas republiés ici : ils sont réduits à leur initiale. Le texte n'est modifié nulle part ailleurs.

## Textes cités

2

[AR no 4 art. 8/1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-article-86c6) 2 occurrences

[6e directive 77/388 art. 18](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-18) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Remboursement de la taxe](https://juriel.be/fr/jurisprudence/remboursement-taxe-cour-appel-gand-2001-12-04-36cf) 2 dispositions communes

[Recouvrement, Crédit TVA, Retenue, Conditions](https://juriel.be/fr/jurisprudence/recouvrement-credit-tva-retenue-conditions-cour-appel-gand-2001-12-21-6984) 2 dispositions communes

[Droit à déduction de l’impôt, remboursement de la taxe](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-impot-remboursement-taxe-tribunal-gand-2001-06-12-90ed) 2 dispositions communes

[Remboursement de la taxe](https://juriel.be/fr/jurisprudence/remboursement-taxe-tribunal-louvain-2001-12-18-9fbb) 2 dispositions communes

[Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-conditions-formelles-materielles-tribunal-2023-05-19-3638) 1 dispositions communes

[Transport, Créances, Refus de déduction de TVA](https://juriel.be/fr/jurisprudence/transport-creances-refus-deduction-tva-tribunal-2026-03-02-5220) 1 dispositions communes

[Indices de fraude, Relevé de régularisation, Procès-verbal](https://juriel.be/fr/jurisprudence/indices-fraude-releve-regularisation-proces-tribunal-nivelles-2024-01-08-9601) 1 dispositions communes

[Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-conditions-formelles-materielles-tribunal-mons-2022-05-20-9967) 1 dispositions communes
