---
title: "Report de paiement, volontariat · Cour d&#x27;appel d&#x27;Anvers, 15 septembre 2010"
description: "Report de paiement, volontariat, procédure imprudente et infatigable, exonération, autre exemption. Cour d'appel d'Anvers (Belgique), 15 septembre 2010."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/report-paiement-volontariat-procedure-imprudente-cour-appel-anvers-2010-09-15-594d"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Report de paiement, volontariat, procédure imprudente et infatigable, exonération · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Anvers

**Date**

15 septembre 2010

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

123 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 15.09.2010

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

## Het Hof·van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER

Recht doende in burgerlijke zaken;

heeft het volgende arrest uitgesproken :

In zake : 2008/AR/327

**NV T. G. en Z.**, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …, B.T.W. ,° BE . …, kruispuntbank der ondernemingen n° …;

appellante,

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 9 november 2007;

vertegenwoordigd door Meester **B. L.**, advocaat te …, … en Meester **T. L.**, advocaat te …, …;

tegen :

**de BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, in de persoon van

1\. de heer Minister van Financiën, waarvan het kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12-14;

2\. de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor Antwerpen 1, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester **A. V. L. d. J.**, advocaat te …, …;

---

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 9 november 2007, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie het hof van beroep te Antwerpen op 7 februari, 2008, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

## 1 Voorafgaande feiten en procedure

1.1

Appellante is handelaar in beleggingsgoud en zij verwerkt ruw goud tot. beleggingsgoud.

De levering van beleggingsgoud was tot 1 januari 2000 onderworpen aan een BTW tarief van 1 %.

Vanaf 1 januari 2000 werd de levering van beleggingsgoud vrijgesteld van BTW overeenkomstig artikel 44bis §1 W.BTW.

. .

Bij de invoer van ruw goud gold een BTW tarief van 21 %.

1.2.

Vanaf 1 januari 1988 beschikte appellante ingevolge haar aanvraag over een vergunning om het regime van de verlegging van de BTW toe te passen onder de daarin gesteld voorwaarden.

Op grond van deze vergunning werd de betaling van de bij invoer van goederen verschuldigde BTW verlegd naar de periodieke BTW aangiftes, zodat die belasting niet meer aan de douane moest worden betaald.

Volgens het regime van de verlegging van de BTW moest appellante een forfaitair bedrag aan BTW vooruitbetalen op haar invoeren en was zij ertoe gehouden ieder jaar uiterlijk op 20 april het bedrag van de vooruitbetaalde belasting te herzien en de administratie op de hoogte te brengen van het resultaat van die herziening.

1.3

Vanaf 1 januari 1988 beschikte appellante eveneens over een vergunning om bij de invoer van mijnengoud slechts een BTW tarief van·1% te berekenen.

1.4

Geïntimeerde liet appellante bij aangetekende brief weten dat voornoemd BTW tarif van 1 % bij de invoer van mijnengoud met ingang van 1 januari 2000 werd opgeheven.

1.5

Tot 31 december 1999 werd de invoer van mijnengoud door appellante bijgevolg onderworpen aan een BTW tarief van 1 % en werd de levering door appellante van beleggingsgoud eveneens onderworpen aan een BTW tarief van 1 %.

Vanaf 1 j anuari 2000 daarentegen werd haar invoer van mijnengoud onderworpen aan een BTW tarief van 21 %.en werd de levering van beleggingsgoud vrijgesteld van BTW.

1.6

Bij aangetekende brief van.13 augustus 2004 liet geïntimeerde aan appellante weten dat zij ingevolge de haar toegestane vergunning gehouden was uiterlijk voor 20 april 2004 het bedrag van de vooruitbetaalde belasting te herzien en de administratie op de·hoogte te brengen van het resultaat van die herziening.

Geïntimeerde verweet appellante in haar brief dat ze naliet dit te doen en hij verzocht appellante bijgevolg om haar verplichtingen voortspruitend uit de vergunning na te komen voor 1 september 2004.

1.7

Appellante bracht de administratie bij aangetekende brief van 24. augustus 2004 op de hoogte van de herziening van de BTW en·kondigde aan dat ze het ingevolge de herziening bij te betalen bedrag van … EUR zou storten aan het bevoegde ontvangkantoor

1.8

Bij aangetekende brief van 19 apri12005 verzocht appellante om uitstel voor voornoemde betaling.

1.9

Bij aangetekende brief van 10 november 2005.kaartte de administratie de niet betaling bij appellante aan en verzocht haar om haar intenties dienaangaande dringend mee te delen. De administratie verzocht appellante om haar tevens dringend de herziening voor 2005 mee te. delen.

1.10

Appellante bracht de administratie bij aangetekende brief van 10 november 2005 op de hoogte van de herziening van de BTW voor·2005. Ze bepaalde het ingevolge de herziening bij te betalen bedrag op … EUR.

1.11

Op 4 januari 2006 bekwam appellant een vergunning BTW-entrepot nr. IM-C-006. Ongeveer een maand later, namelijk op 10 februari 2006 zag appellante af van de vergunning houdende de verlegging van de BTW.

1.12

Bij proces-verbaal van 7 juni 2006 werd vastgesteld dat appellante tot 20 januari 2006 gebruik maakte van de vergunning om mijnengoud in te voeren met verlegging van heffing en dat zij op 20. april 2004 en 20 april 2005 en ook later naliet de verschuldigde bijstortingen uit te voeren. Wegens dit tekort in betaling werden tot 10 februari 2006, de boete van 0,8 % per maand en de intresten van 0,8 % per maand berekend.

1.13

Volgens het proces-verbaal en volgens het bestreden dwangbevel is appellante … EUR als boete en … EUR als intresten verschuldigd.

Voormeld proces verbaal werd op 8 september 2006 als bijlage aan het dwangbevel Reg. 127/3205 aan appellante betekend.

1.14

Appellante vorderde voor de eerste rechter de stuiting van de tenuitvoerlegging van het dwangbevel Reg. 127/3205, uitgevaardigd op 30 augustus 2006 en uitvoerbaar verklaard op 5 september 2006, te bevelen overeenkomstig artikel 89, lid 2 W.BTW, dienvolgens het bestreden dwangbevel te vernietigen, haar te ontslaan van de in dit dwangbevel gevorderde BTW, intresten, boeten en kosten, en geïntimeerde te veroordelen tot integrale terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en die toegerekend werden op de sommen vermeld in het dwangbevel, waarvan de vernietiging werd gevorderd en de veroordeling van geïntimeerde tot de kosten van het geding.

Geïntimeerde stelde voor de eerste rechter een tegenvordering in die ertoe strekte appellante te veroordelen tot een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding van … EUR.

1.15

De eerste rechter weert in het bestreden vonnis vooreerst de conclusie van geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 29 juni 2007, uit de debatten.

De eerste rechter verklaart vervolgens de hoofdvordering van appellante toelaatbaar, doch ongegrond en wijst deze af.

De eerste rechter verklaart de tegenvordering van geïntimeerde toelaatbaar en gegrond. Hij veroordeelt appellante wegens tergend en roekeloos geding tot betaling aan geïntimeerde van de som van … EUR en tot betaling van de kosten van het geding.

De eerste rechter wijst het meer en/ of anders gevorderde af.

1.16

Tegen dit vonnis tekende appellante hoger beroep aan bij verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 7 februari 2008.

1.17

De vordering van appellante luidt in haar conclusie in hoger beroep als volgt :

*"Het beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren;*

*Het bestreden vonnis te hervormen;*

*Dienvolgens het verzet tegen het dwangbevel betekend dd. 6 september 2006 ontvankelijk en gegrond te verklaren;*

*De stuiting van de tenuitvoerlegging van het dwangbevel R.C.I. V. nr. … te horen bevelen overeenkomstig artikel 89, lid. 2 WBTW;*

*Dienvolgens het herstreden dwangbevel R.C.I.V.·nr. … uitgevaardigd door Mevrouw* ***d. V. M.****, rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor Antwerpen I dd. 30/08/06 te vernietigen en concluante te horen ontslaan van de in dit dwangbevel gevorderde belasting over de toegevoegde waarde, interesten, boeten en kosten;*

*Geïntimeerde te horen veroordelen tot integrale terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en die toegerekend werden op de sommen vermeld in het dwangbevel waarvan thans vernietiging wordt gevorderd;*

*De oorspronkelijke tegenvordering van geïntimeerde af te wijzen;*

*Geïntimeerde·te verwijzen in de kosten van het geding, voorlopig begroot …”*

1.18

Geïntimeerde vordert in zijn conclusies in graad van beroep het hoger beroep ongegrond te verklaren, bijgevolg het bestreden vonnis te bevestigen en appellante te veroordelen tot de proceskosten.

## 2. Bespreking

## 2 1. De oorspronkelijke hoofdvordering

2.1.1

Appellante voert aan dat de toepassing het systeem van de verlegging van de BTW de beginselen van het behoorlijk bestuur schendt.

2.1.1

De eerste rechter oordeelde volledig terecht dat er van een schending van de beginselen van het behoorlijk bestuur geen sprake is.

Appellante heeft zich vrijwillig aan het systeem van de verlegging van de BTW onderworpen. Door haar keuze moest appellante bij de invoer van mijnengoud de op grond van de gemeenrechtelijke BTW reglementering verschuldigde. BTW van 21 % niet meer betalen aan de douane en kon zij de BTW in dezelfde aangifte als verschuldigde en als aftrekbare belasting opnemen waardoor zij·ontsnapte aan de BTW-voorfinanciering.

Indien appellante van oordeel was dat de vergunning omwille van gewijzigde omstandigheden niet meer aan haar noden beantwoordde, kon ze het nodige doen opdat opnieuw onderworpen zou worden aan het gemeenrechtelijk BTW-regime.

Op appellante rustte geen enkele verplichting om een vergunning voor de toepassing van dit systeem van de verlegging van de BTW aan te vragen, noch om eraan onderworpen te blijven.

2.1.3

Appellante kon ten allen tijde afzien: van de vergunning. Ze wachtte hiervoor tot 10 februari 2006. Daardoor diende ze de toepassingsvoorwaarden van de vergunning-na te leven tot voormelde datum.

De eerste rechter stelde terecht dat wie de lusten van een vrijwillig gekozen systeem geniet er ook de lasten van moet dragen.

Appellante erkende in haar brieven van respectievelijk 24 augustus 2004 en 10 november 2005 dat wat de bijpassingen voor 2004 en 2005 betreft ze bijstortingen verschuldigd was op grond van de toegekende vergunning.

De eerste rechter stelt terecht vast dat de door appellante vooruit te betalen som en de bijstortingen, de BTW bij invoer, zijnde te dezen de door appellante verschuldigde BTW van 21% bij de invoer van mijnengoud, vertegenwoordigt die op voorhand dient te worden betaald en geenszins het karakter heeft van een garantie of van een borg.

2.1.4

De vrijwilligheid waarmee appellante zich onderwierp aan het regime van de verdediging van de BTW heeft tot gevolg dat er geen schending van het gelijkheidsbeginsel, noch het vertrouwensbeginsel, noch van het evenredigheidsbeginsel voorhanden is.

De hoofdvordering van appellante is bijgevolg ongegrond. Het bestreden vonnis dient wat dit onderdeel betreft te worden bevestigd·

### 2.2 De boete

2.2.1

Appellante voert aan dat de boete en intresten in strijd zijn met de redelijkheid en met het evenredigheidsbeginsel.

Appellant stelt in de eerste plaats dat de op haar van toepassing zijnde regels dermate complex zijn dat het jaren duurde vooraleer ze een alternatieve regeling had uitgewerkt.

Het hof treedt dit standpunt niet bij. Uit hetgeen werd uiteengezet onder 2.1 blijkt overduidelijk dat van complexiteit geen sprake is : ofwel onderwerpt men zich aan de gemeenrechtelijke regeling, ofwel onderwerpt men zich aan een afwijkende regeling na voorafgaande aanvraag tot vergunning hiertoe.

Het evenredigheidsbeginsel is evenmin geschonden.

Het bewijs is geleverd dat appellante de toepassingsvoorwaarden van het zelf gevraagde regime niet naleefde. Nochtans blijkt uit haar brieven van 24 .augustus 2004 en·10 november 2005 dat ze op de hoogte was van die voorwaarden.

Door.een boete op te leggen van 0,8 % per maand heeft de administratie niet onredelijk gehandeld. Het hof oordeelt dat de opgelegde boete evenredig is met de gepleegde inbreuk. De boete kan bijgevolg niet verminderd of vernietigd worden.

2.2.2

Samen met de eerste rechter oordeelt het hof dat de boete voldoende gemotiveerd is door de verwijzing naar KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW, bijlage tabel G, afdeling 2, rubriek VIII, C, zijnde overtredingen in verband met de regeling van de verlegging van heffing en meer bepaald “niet tijdige betaling van de vooruit te heffen belasting” waarvoor als boete verschuldigd is, per maand vertraging, een percentage gelijk aan dat van de moratoire intrest dat is bepaald in artikel 91 § 1 W.BTW, te berekenen over het verschuldigde of nog verschuldigde.

Appellante heeft tot 20 januari 2006 gebruik gemaakt van de vergunning om mijnengoud in te voeren met verlegging van heffing en heeft nagelaten de verschuldigde bijstortingen te doen. Het gaat hier om een misbruik dat dient gesanctioneerd te worden.

Het staat dan ook vast dat de toegepaste boete en intresten wettelijk zijn.

Het bestreden vonnis dient ook wat dit onderdeel betreft te worden bevestigd.

### 2.2 De tegenvordering

Het hof oordeelt dat appellante op kennelijk lichtzinnige wijze overging tot de uitoefening van haar recht om in rechte te treden. Een normaal voorzichtig en bedachtzame vennootschap in dezelfde omstandigheid geplaatst zou deze vordering niet hebben ingesteld.·

Het hof bevestigt dan ook het bestreden vonnis in zoverre het appellante veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding van … EUR wegens tergend en roekeloos geding.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF**, recht doende op tegenspraak,·

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten in graad van beroep, in hoofde van geïntimeerde vastgesteld op·… EUR.

Aldus-gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het **HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN** van **VIJFTIEN SEPTEMBER** **TWEEDUIZENDENNEGEN**, waar aánwezig waren :

**D. W.**, Raadsheer wd Voorzitter;

**M. G.**

en **R. L.**, Raadsheren

**A. V. L.** Griffier

**A.V.L.** **R. L.**

**M. G.** **D. W.**
