---
title: "18 décembre 2001 · Remboursement de la taxe · Tribunal de première instance de Louvain"
description: "Remboursement de la taxe. Tribunal de première instance de Louvain (Belgique), 18 décembre 2001."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/remboursement-taxe-tribunal-louvain-2001-12-18-9fbb"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Remboursement de la taxe · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Louvain

**Date**

18 décembre 2001

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

85 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Louvain du 18.12.2001

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Rol : 01/2413/A**

**NV C. AND T. D.**, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Leuven onder nummer … eiseres, hebbende als raadsman meester **T.**, advocaat te Brussel.

tegen :

**1.** **DE BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, administratie van de BTW, registratie en domeinen. in de persoon van de met de invordering belaste ambtenaar van het BTW-Ontvangkantoor van Leuven, met kantoor te Leuven Strijdersstraat 66 B 90;

**2.** **DE BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de heer e.a. Inspecteur van het BTW-controlekantoor te Leuven 1, kantoorhoudende te Leuven, Vaartstraat 4-6; verweerders, hebbende als raadsman meester **D. B.**, advocaat te Leuven.

Op de openbare terechtzitting van heden, 18 december 2001, wordt vonnis uitgesproken in deze zaak, die op de openbare terechtzitting van 20 november 2001 op tegenspraak werd behandeld en in beraad genomen.

De art. 2-9-34-36-37-40-41 van de wet van 15 juni 1935 inzake het taalgebruik in gerechtszaken werden toegepast en nageleefd.

\- de inleidende dagvaarding dd. 12 oktober 2001, betekend door gerechtsdeurwaarder **F. D.** te Leuven;

\- één conclusie voor de BELGISCHE STAAT, neergelegd op de zitting van 20 november 2001;

\- de stavingsstukken van partijen neergelegd ter zitting van 20 november 2001.

## 1. Voorwerp van de vordering

De NV **C. AND T. D.** vordert bij een voorlopig uitvoerbaar verklaard vonnis met uitsluiting van het recht op kantonnement :

\- het bewarend beslag onder derden van 19 september 2001 onwettig en nietig te verklaren en op te heffen;

\- de BELGISCHE STAAT te veroordelen om binnen vierentwintig uur na de uitspraak van het te wijzen vonnis vrijwillig opheffing te verlenen van de inhouding;

\- te zeggen voor recht dat bij gebrek aan vrijwillige opheffing binnen de gestelde termijn het vonnis als opheffing zal gelden en dat na betekening ervan aan de derde beslagene, deze met het gelegde beslag geen rekening meer mag houden en het ingehouden BTW-tegoed terstond moet teruggeven;

\- te zeggen voor recht dat ook alle andere inhoudingen van reeds bestaande of toekomstige BTW-tegoeden onwettig zijn en moeten worden opgeheven;

\- de BELGISCHE STAAT te veroordelen tot betaling van de intresten op het terug te geven bedrag, berekend aan 0,8 % vanaf 1 oktober 2001.

\- De BELGISCHE STAAT te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van … frank wegens tergend en roekeloos beslag meer de gerechtelijke intresten.

\- De BELGISCHE STAAT te veroordelen tot betaling van alle kosten van het geding.

## 2. Beoordeling

2.1. Relevante feitelijke elementen

Door onderzoeksrechter **C.** te Brussel werd in het begin van de jaren ’80 een gerechtelijk onderzoek gevoerd in verband met fictieve uitvoeren van elekroapparatuur door Belgische firma’s naar Luxemburgse firma’s, waaronder de SPRL **E. S.**, waarbij ook de toenmalige PVBA **D.** betrokken was.

Na inzage van dit strafdossier werd in een proces-verbaal van 7 juni 1985 een schuldvordering van de BTW-administratie vastgesteld ten aanzien van de NV **C. AND T. D.** hierna NV **D.** voor een bedrag van … frank BTW en … frank interesten (boeten p.m.). Op basis van dit proces-verbaal vaardigde de ontvanger van het BTW-kantoor te Leuven op 12 februari 1986 een dwangbevel uit.

Op 2à februari 1986 tekende de NV **D.** verzet aan tegen het dwangbevel en het proces-verbaal bij de rechtbank van eerste aanleg te Leuven. In een tussenvonnis van 3 oktober 1988 werd aan de BTW-administratie het bevel gegeven om een Nederlandse vertaling van het strafdossier, waarnaar in haar proces-verbaal werd verwezen, neer te leggen ter griffie. Bij vonnis van 12 november 1996 verklaarde de rechtbank het verzet ontvankelijk en gegrond na te hebben vastgesteld dat de BTW-administratie geen gevolg had gegeven aan het tussenvonnis van 3 november 1988, waardoor niet kon worden uitgemaakt of haar proces-verbaal van 7 juni 1985 vaststellingen, dan wel deducties inhield. Bij gebrek aan andere bewijsmiddelen dan het voorgelegde proces-verbaal werden de feiten niet bewezen geacht. Het dwangbevel werd ongegrond verklaard en, voor zover als nodig nietig.

De BTW-administratie stelde tegen dit vonnis hoger beroep in op 20 februari 1997. Bij tussenarrest van 22 juni 1999 werd het hoger beroep ontvankelijk verklaard en werden partijen uitgenodigd om over de grond van de zaak te concluderen, gelet op het aanbod van de administratie om alsnog het volledig strafdossier, omgezet in de Nederlandse taal, ter griffie neer te leggen. Inmiddels werd hieraan gevolg gegeven en er werd door de NV **D.** een rechtsdag aangevraagd met toepassing van art. 750, § 2, Ger. W.

Inmiddels verrichte de BTW-administratie reeds twee inhoudingen van BTW-tegoeden in uitvoering van voormeld dwangbevel. Bij aangetekende brief van 17 februari 1995 werd het tegoed van het laatste kwartaal 1994 (… frank) ingehouden en bij aangetekende brief van 7 september 1995 werd het tegoed van het tweede kwartaal 1995 (… frank) ingehouden.

De NV **D.** betwisste deze inhoudingen in twee procedures voor het beslagrechter te Leuven, die naderhand werden samengevoegd wegens samenhang en leidden tot een vonnis van 14 november 1995. Daarin beval de beslagrechter de opheffing van beide inhoudingen.

Tegen dit vonnis werd eveneens hoger beroep aangetekend door de BTW-administratie. Bij arrest van 8 september 1999 verklaarde het hof van beroep te Brussel het hoger beroep van de BTW-administratie ongegrond en beval het (op incidenteel hoger beroep) uitdrukkelijk de teruggave van de ingehouden BTW-tegoeden met intresten).

De BTW-administratie stelde een voorziening in cassatie in tegen dit arrest, doch hierover werd tot op heden geen uitspraak gedaan.

Op 19 september 2001 werd opnieuw een inhouding verricht op het BTW-tegoed van het tweede kwartaal 2001 (… frank). Daartegen tekende de NV **D.** op 12 oktober 2001 verzet aan. Dit verzet maakt het voorwerp uit van deze procedure.

2.2. In rechte

2.2.1. Wettelijke principes

Wanneer de aftrekbare BTW de verschuldigde BTW overtreft, dan geeft dit saldo aanleiding tot teruggave aan de belastingplichtige, voor zover deze zijn fiscale verplichtingen is nagekomen. Zoniet dan kan het bestuur overgaan tot een inhouding van de BTW-tegoeden.

Art. 76, § 1, derde lid W.BTW, zoals gewijzigd door art. 86 van de wet van 28 december 1992, verleent aan de Koning de bevoegdheid om te voorzien in een dergelijke inhouding, die geldt als een bewarend derdebeslag. In uitvoering van deze bepaling werd [art. 8/1, § 3 van het KB nr. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-article-86c6) van 29 december 1969 gewijzigd door het KB van 14 april 1993.

Wanneer het bestuur over een zekere, vaststaande en opeisbare schuldvordering beschikt, dan wordt het belastingkrediet aangewend tot “aanzuivering” van de belastingschuld (art. 8/1, § 3, tweede lid).

Indien de belastingschuld in het voordeel van de administratie geen schuldvordering vormt die geheel of gedeeltelijk zeker, opeisbaar en vaststaand is, wat onder meer het geval is wanneer de aanspraken van het bestuur worden betwist of met toepassing van art. 89, W.BTW verzet werd aangetekend tegen het dwangbevel, dan kan het bestuur overgaan tot inhouding van het belastingkrediet tot beloop van haar schuldvordering. Deze inhouding geldt als bewarend beslag onder derden tot het geschil definitief wordt beëindigd op administratieve wijze of bij wijze van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest. Voor deze inhouding wordt de voorwaarde vereist door art. 1413 van het Gerechtelijk Wetboek geacht vervuld te zijn (art. 8/1, vierde lid).

Hetzelfde geldt in het geval dat er ernstige aanwijzingen zijn dat de aangifte of vroegere aangiftes onjuist zijn en er daarvan een proces-verbaal werd opgesteld, dat aan de belastingplichtige ter kennis is gebracht (art. 8/1, § 3, vijfde lid).

De inhouding is in toepassing van art. 1420 Ger. W. vatbaar voor verzet bij de beslagrechter, die de opheffing van het beslag echter niet kan bevelen zolang het door het proces-verbaal geleverde bewijs niet weerlegd is of zolang de administratie de gegevens niet heeft bekomen in het kader van de procedures voor het uitwisselen van inlichtingen tussen de lidstaten van de Europese Gemeenschap of zolang een opsporingsonderzoek van het parket of een gerechtelijk onderzoek van de onderzoeksrechter aanhangig is (art. 8/1, § 3. tiende lid).

2.2.2. Toetsing van [art. 8/1 KB nr. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-article-86c6) aan hogere rechtnormen

De techniek van de inhouding is op zich niet strijdig met [art. 18 van de zesde BTW-richtlijn](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-18) van de Europese Gemeenschap. In zijn arrest van 18 december 1997 heeft het Hof van Justitie echter duidelijk. gesteld dat een dergelijke inhouding onderworpen is aan het evenredigheidsbeginsel teneinde te verhinderen dat het recht op teruggave van de belastingplichtige zou worden aangetast. Het Hof erkent dat het aan de nationale rechter toekomt in concreto het onevenredig. karakter te beoordelen van de inhouding als maatregel en van de toepassing, die daarvan door de administratie is gemaakt. De nationale rechter moet met name de toepassing van nationale wetgeving of een interpretatie daarvan uitsluiten in zoverre deze wetgeving :

\- een gerechtelijke controle op de hoogdringendheid en op de noodzaak van een inhouding van het terug te geven BTW-tegoed belemmert

\- de belastingplichtige de mogelijkheid ontzegt om onder rechterlijke controle de indeplaatsstelling te vragen van de inhouding door een andere zekerheid, die de belangen van de Schatkist voldoende beschermt

\- verhindert dat een gehele of gedeeltelijke handlichting van de inhouding wordt bevolen

Uit de opeenvolgende arresten van het Arbitragehof, waarin de bepaling van art. 76, § 1 W.BTW werd getoetst aan het gelijkheidsbeginsel, vervat in art. 10 en 11 G.W. (nr. 78/98 van 7 juli 1998 nr. 199/98 van 18 november 1998 en nr. 58/99 van 26 mei 1999) blijkt dat deze wetsbepaling het gelijkheidsbeginsel schendt in de interpretatie van :

zij het de Koning toestaat te voorzien in een inhouding van belastingkredieten, geldend als bewarend beslag onder derden, waarbij de voorwaarde vereist door art. 1413 Ger. W. geacht wordt vervuld te zijn, zelfs wanneer de belastingschuld niet de kenmerken vertoont, vereist door art. 1415 Ger. W., in zoverre het ertoe leidt dat aan personen, die het voorwerp van een inhouding uitmaken, iedere daadwerkelijke rechterlijke toetsing van de regelmatigheid en de geldigheid van de inhouding wordt ontzegd.

Daarbij overwoog het Arbitragehof dat de door de maatregel van inhouding beoogde personen op onevenredige wijze in hun recht op een daadwerkelijk jurisdictioneel toezicht worden geschonden ondermeer doordat :

de beoordelingsbevoegdheid van de beslagrechter ten aanzien van het bestaan van de voorwaarden van spoed (art. 1413 Ger. W.) en ten aanzien van het zekere, vaststaande en opeisbare karakter van de schuldvordering van de administratie (art. 1415 Ger. W.) uitgesloten is.

Deze beide aspecten liggen besloten in de tekst van [art. 8/1; § 3, vierde lid van het KB nr. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-article-86c6). De omstandigheid dat de beslagrechter in principe zijn beoordelingsbevoegdheid behoudt ten aanzien van het bestaan van de schuldvordering van de administratie, doet niets af aan de hoger vermelde overwegingen van het Arbitragehof. Ok het enkele feit dat een beroep op de beslagrechter mogelijk is, kan niet volstaan om te spreken van een daadwerkelijk jurisdictioneel toezicht, wanneer hij in werkelijkheid noch de spoedeisendheid (die immers geacht wordt voorhanden te zijn), noch het zeker, vaststaan en opeisbaar karakter van de schuldvordering (dat niet vereist is) kan of mag beoordelen en hij de inhouding niet mag opheffen zolang het onderliggend proces-verbaal door de BTW-plichtige niet werd weerlegd. Dit klemt des te meer nu de BTW-administratie in casu jarenlang heeft verhinderd dat de bewijswaarde van haar proces-verbaal zou worden beoordeeld op grond van de elementen, opgenomen in het strafdossier, waarop dat proces-verbaal steunt.

Het voorgaande leidt onvermijdelijk tot de vaststelling dat de regeling, die in [art. 8/1, § 3 van het KB nr. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-article-86c6) met betrekking tot de inhouding werd uitgewerkt, in geen geval te rijmen valt met een grondwetsconforme interpretatie van art. 76, § 1 W.BTW.

De administratie verwijst naar (vrij overvloedige) rechtspraak, die van oordeel is dat zij mits vervanging van een aantal bepalingen, vervat in [art. 8/1, § 3 van het KB nr. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-article-86c6), door de gemeenrechtelijke bepalingen inzake bewarend beslag onder derden kan komen tot een grondwetsconforme regeling, waarin het jurisdictioneel toezicht afdoende wordt gewaarborgd. De rechtbank stelt vast dat deze rechtspraak niet geheel logisch is, bovendien leidt tot verschillende resultaten, van aard om de rechtszekerheid te ondermijnen, en tot slot zich met schending van het beginsel van scheiding der machten begeeft op het terrein van de uitvoerende macht.

Zo kan men bezwaarlijk volhouden dat de gemeenrechtelijke regeling inzake bewarend beslag onder derden onverkort moet worden toegepast op een rechtsfiguur, waarvan een groot deel van de rechtspraak, - in navolging van de BTW-administratie – erkent dat zij een sui generis karakter heeft (in die zin bijvoorbeeld Gent, 28 april 1995, R.W., 1995-96, 644, noot; Antwerpen, 27 juni 1994, R.W., 1994-95, 990, noot E. DIRIX; Beslagr. Antwerpen, 19 december 1996, F.J.F., 1997, 380). In dat verband heeft ook het Arbitragehof overigens uitdrukkelijk aanvaard dat de fiscale wetgever van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek mag afwijken zonder daarom noodzakelijkerwijze de regels van gelijkheid en niet-discriminatie te miskennen. Deze afwijking mag enkel niet onevenredig zijn ten aanzien van het nagestreefde doel.

Bovendien is men in de hier betwiste rechtspraak nu eens van oordeel dat het vermoeden, dat inhoudt dat de voorwaarden van art. 1413 Ger. W., geacht worden vervuld te zijn, in zijn geheel moet worden geweerd, dan weer dat enkel het onweerlegbaar karakter van dat vermoeden strijdig is met een volwaardig jurisdictioneel toezicht in die zin bijvoorbeeld Beslagr. Gent, 9 mei 2000, T.G.R., 2000, 169. In die omstandigheden bestaat er zelfs geen duidelijkheid over de bewijslastverdeling tussen de administratie en de belastingplichtige.

Tenslotte bestaat er oog geen eenduidigheid met betrekking tot de vereiste dat de schuldvordering zeker, vaststaand en opeisbaar moet zijn. In het gemeen recht kan immers ook een betwiste schuldvordering naar omstandigheden voldoende zeker zijn om een bewarend beslag te rechtvaardigen, terwijl in de regeling, uitgewerkt in [art. 8/1, § 3, vierde lid van het KB nr. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-article-86c6) een betwiste schuldvordering meteen ook niet zeker wordt geacht.

Gelet op het oorverdovend stilzwijgen van de uitvoerende macht, die ondanks voormelde arresten tot op heden heeft nagelaten de door haar in uitvoering van art. 76, § 1 W.BTW uitgewerkte regeling te vervangen door een regeling, die het recht op daadwerkelijk jurisdictioneel toezicht voor de betrokken categorie van personen garandeert, is enkel een toepassing van art. 159 G.W. op zijn plaats.

[Art. 8/1, § 3, vierde lid van het KB nr. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-article-86c6) is in strijd met art. 76, § 1, W.BTW, omdat het in uitvoering van dit laatste artikel een regeling uitwerkt die ieder daadwerkelijk jurisdictioneel toezicht op de regelmatigheid en de geldigheid van de inhouding verhindert, terwijl art. 76, § 1, W.BTW alleen aan het gelijkheidsbeginsel voldoet in zoverre het de Koning niet toestaat een dergelijke regeling uit te werken. In die zin is [art. 8/1, § 3, vierde lid van het K.B. nr. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-article-86c6) ook in strijd met de Grondwet. Bijgevolg kan de in dit artikel uitgewerkte regeling geen toepassing vinden, wat betekent dat de inhouding van 19 september 2001 in de concrete omstandigheden van deze zaak niet mogelijk was. Ook art. 76, § 1 W.BTW biedt hiervoor een onvoldoende grondslag.

De BTW-administratie vraagt geen toelating voor het leggen van een gemeenrechtelijk bewarend beslag onder derden en laat ook niet gelden dat de voorwaarden van art. 1413 en 1415 Ger. W. in deze wel vervuld zijn.

Met betrekking tot de urgentievereiste geeft de BTW-administratie in conclusie toe dat er tot op heen geen indicaties voorhanden zijn, die zouden kunnen leiden tot het besluit dat de NV **D.** haar insolvabiliteit poogt te organiseren. In dat verband moet worden gewezen op het feit dat meer dan 15 jaar na datum er nog steeds geen definitieve uitspraak ten gronde is over het verzet van de NV **D.** tegen het dwangbevel. Dit abnormaal lange procesverloop is zeker niet uitsluitend te wijten aan de NV **D.**, zoals blijkt uit de opeenvolgende vonnissen en arresten. Verder ontbreekt elk concreet gegeven, waaruit zou blijen dat de financiële positie van de NV **D.** in het gedrang komt.

De administratie gaat er verder blijkbaar van uit dat haar schuldvordering niet zeker is en doet ook geen enkele moeite om aan te tonen dat deze niet voor ernstige betwisting vatbaar zou zijn. Haar bewering dat de NV **D.** ten gronde nooit de schuldvordering zelf zou hebben betwist, wordt door deze laatste formeel ontkend. Het hof van beroep te Brussel heeft in zijn tussenarrest van 22 juni 1999 partijen trouwens uitgenodigd om over der grond van de zaak te concluderen, wat inmiddels ook zou zijn gebeurd.

Bijgevolg moet het ten onrechte ingehouden tegoed worden teruggegeven, vermeerderd met de interesten, zoals gevorderd en niet betwist.

In zoverre de NV **D.** echter vraagt om te zeggen voor recht dat ook alle andere inhoudingen van reeds bestaande of toekomstoge BTW-tegoeden onwettig zijn en moeten worden opgeheven, is haar vordering ongegrond. De rechtbank kan immers geen uitspraak doen bij wijze van algemene regel los van een concreet geschil (art. 6 Ger. W.).

2.2.3. Tergend en roekeloos handelen door de BTW-administratie

Van enig lichtzinnig handelen in hoofde van de BTW-administratie is geen sprake, gelet op het feit dat zij zich kan steunen op de meerderheidsopvatting in de rechtspraak. De enkele omstandigheid dat deze rechtbank zich aansluit bij een ander standpunt (zie in dezelfde zin Brussel, 1996/AR/408, 8 september 1999, onuitg.; Beslagr. Brussel, 22 januari 1999, TFRner, te raadplegen op www.larcier.be/tfrnet), dat reeds eerder werd ingenomen in een andere procedure tegen de NV **D.**, kan in hoofde van de BTW-administratie bezwaarlijk worden beschouwd als een uitoefening van haar rechten, die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en zorgvuldig handelend persoon.

2.2.4. Gerechtskosten

Vermits de BTW-administratie in het ongelijk werd gesteld, dient zij de gerechtskosten te dragen.

### Dispositif

## OM DEZE REDENEN

### DE BESLAGRECHTER

rechtdoende op tegenspraak ;

verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond in de mate zoals hierna bepaald;

verklaart de inhouding van 19 september 2001 onwettig en nietig;

veroordeelt de BELGISCHE STAAT om binnen vierentwintig uur na de uitspraak van het te wijzen vonnis vrijwillig opheffing te verlenen van de inhouding;

zegt voor recht dat bij gebrek aan vrijwillige opheffing binnen de gestelde termijn het vonnis als opheffing zal gelden en dat na betekening ervan aan de derde beslagene, deze met het gelegde beslag geen rekening meer mag houden en het ingehouden BTW-tegoed terstond moet teruggeven.

Veroordeelt de BELGISCHE STAAT tot betaling van de intresten op het terug te geven bedrag, berekend aan 0,8 % per maand vanaf 1 oktober 2001 tot op datum van volledige terugbetaling van het ingehouden tegoed;

Veroordeelt de BELGISCHE STAAT bovendien tot de gerechtskoten, begroot als volgt :

voor de NV **D.** :

dagvaarding en rolstelling … fr.

rechtsplegingsvergoeding beslagrechter … fr

voor de BELGISCHE STAAT :

rechtsplegingsvergoeding beslagrechter … fr

wijst de NV **C. AND T. D.** van het anders en meer gevorderde af.

Aldus gewezen in de openbare zitting van de vijftiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven d.d. 18 december 2001, door **G. S.**, beslagrechter, bijgestaan door **C. J.**, e.a. adjunct-griffier.

**C. J.** **G. S.**

## Textes cités

2

[AR no 4 art. 8/1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-article-86c6) 8 occurrences

[6e directive 77/388 art. 18](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-18) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Retenue, Crédit impôt, crédit d'impôt](https://juriel.be/fr/jurisprudence/retenue-credit-impot-cour-appel-gand-2000-11-28-1939) 2 dispositions communes

[Remboursement de la taxe](https://juriel.be/fr/jurisprudence/remboursement-taxe-cour-appel-gand-2001-12-04-36cf) 2 dispositions communes

[Recouvrement, Crédit TVA, Retenue, Conditions](https://juriel.be/fr/jurisprudence/recouvrement-credit-tva-retenue-conditions-cour-appel-gand-2001-12-21-6984) 2 dispositions communes

[Droit à déduction de l’impôt, remboursement de la taxe](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-impot-remboursement-taxe-tribunal-gand-2001-06-12-90ed) 2 dispositions communes

[Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-conditions-formelles-materielles-tribunal-2023-05-19-3638) 1 dispositions communes

[Transport, Créances, Refus de déduction de TVA](https://juriel.be/fr/jurisprudence/transport-creances-refus-deduction-tva-tribunal-2026-03-02-5220) 1 dispositions communes

[Indices de fraude, Relevé de régularisation, Procès-verbal](https://juriel.be/fr/jurisprudence/indices-fraude-releve-regularisation-proces-tribunal-nivelles-2024-01-08-9601) 1 dispositions communes

[Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-conditions-formelles-materielles-tribunal-mons-2022-05-20-9967) 1 dispositions communes
