---
title: "7 mai 2010 · Remboursement de la taxe · Tribunal de première instance de Bruxelles"
description: "Remboursement de la taxe. Tribunal de première instance de Bruxelles (Belgique), 7 mai 2010."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/remboursement-taxe-tribunal-bruxelles-2010-05-07-2b0f"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Remboursement de la taxe · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruxelles

**Date**

7 mai 2010

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

137 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruxelles du 07.05.2010

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL - BESLAGKAMER**

Nr.·AR **2009/14834/A**

*-* *Derdenverzet fiscaal bewarend derdenbeslag – territoriale bevoegdheid - artikel 632 Ger. W. - BTW - fiscale schuldvergelijking - vereiste van artikel 1289 B.W.*

*-* *op tegenspraak*

*-* *eind beslissing*

In zake van :

**De vennootschap naar buitenlands recht H. P. AG**, met maatschappelijke zetel te … (Zwitserland), … en aldaar gekend onder BTW-nummer … en in Duitsland gekend onder BTW-nummer DE …

**eiseres,**

vertegenwoordigd door Mter **G.** in vervanging van Mter **J. R.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**1.** **De BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de Minister van de Federale Overheidsdienst Financiën, Sector BTW, in de persoon van de heer Eerstaanwezend Inspecteur van het BTW-ontvangkantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50 bus 3107

**eerste verweerder,**

vertegenwoordigd door Mter. **A. D.**, advocaat te …, …

**2.** **NV M. L. EN A. V. D.**, KBO nr. …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …

**tweede verweerster,**

vertegenwoordigd door Mter. **E. G.**, advocaat te …, …

---

In deze zaak in beraad genomen op 16 april 2010 spreekt de beslagrechter te Brussel volgende beschikking uit.

Hierbij werd rekening gehouden met de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van rechtspleging, onder meer :

\- de inleidende dagvaarding betekend aan eerste verweerder op 2 december 2009 bij exploot van **L. I.**, gerechtsdeurwaarder verblijvende te …, en betekend aan tweede verweerster op 3 december 2009 bij exploot van **M C.**, gerechtsdeurwaarder verblijvende te …;

\- de beschikking gewezen in toepassing van art. 747 Ger. W. op 18 december 2009;

\- de eerste besluiten, neergelegd ter griffie op 19 februari 2010, en het bundel met stukken, neergelegd ter zitting van 16 april 2010, namens eiseres;

\- de besluiten, neergelegd ter griffie op 22 januari 2010, de synthesebesluiten, neergelegd ter griffie op 5 maart 2010, en het bundel met stukken, neergelegd ter zitting van 16 april 2010, namens eerste verweerder;

\- de conclusie, neergelegd ter griffie op 5 februari 2010, en het bundel met stukken, neergelegd ter zitting van 16 april 2010, namens tweede verweerster;

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals gewijzigd, werden in acht genomen.

De zaak werd gepleit tijdens de openbare zitting van 16 april 2010.

De debatten werden gesloten en de zaak werd in beraad genomen.

---

## *1. DE FEITEN EN DE PROCEDUREVOORGAANDEN*

De belangrijkste feiten en procedurevoorgaanden, relevant voor de beoordeling van huidige zaak en zoals zij uit de procedurestukken en de door partijen neergelegde stukken blijken, kunnen als volgt samengevat worden :

**H. P.** AG, huidige eiseres is een Zwitserse onderneming die voor BTW-doeleinden niet via een individueel BTW-identificatienummer in België geregistreerd is.

Voor handelingen in België verricht bedoeld in [artikel 2, § 1 eerste lid, 1° van het KB nr. 31](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-31-article-e409) van 2 april 2002 laat zij zich vertegenwoordigen door **M. L. & A. V. D.** NV, tweede verweerster, die optreedt als ‘vooraf erkend persoon’ zoals voorzien in voormeld KB en eiseres in België vertegenwoordigd onder een globaal BTW-identificatienummer.

Onder dit globaal identificatienummer vertegenwoordigt tweede verweerster ook nog andere niet in België gevestigde en niet geïdentificeerde belastingplichtigen.

Aan tweede verweerster werd een proces-verbaal overgemaakt opgesteld op 17 en/of 22 september 2009 waaruit ernstige vermoedens zouden blijken dat de BTW-aangiftes die werden ingediend door tweede verweerster voor rekening van een aantal firma's in Frankrijk en Italië onjuist zouden zijn en een belastingschuld in het vooruitzicht zouden stellen.

Ingevolge akte van inhouding van 28 september 2009 werd door eerste verweerder op basis van het voormelde proces-verbaal op het saldo van de rekening-courant ten belope van 305.516,99 euro bewarend beslag gelegd.

De fondsen die werden ingehouden betreffen volgens eiseres integraal BTW-tegoeden waarop zij recht heeft en die zij dient terug te vragen via tweede verweerster als zijnde haar aansprakelijke vertegenwoordiger.

Bij dagvaardingexploot van 2 december 2009 betekend op verzoek van eiseres aan eerste verweerder en tweede verweerster werd derdenverzet aangetekend tegen bewarend beslag met verzoek tot opheffing van dit beslag, ter inleiding van het huidig geding.

## *2. HET VOORWERP VAN DE VORDERINGEN EN HET VERWEER*

**1.1.** De vordering van **H. P.** AG, eiseres, zoals uitgebreid en geherformuleerd bij besluiten, strekt er voornamelijk toe :

\- het bewarend beslag onder derden zijnde de inhouding van het belastingtegoed ten bedrage van 305.516,99 euro (thans 317.100,83 euro) gelegd middels akte van inhouding van 28 september 2009 op te heffen;

\- minstens te horen zeggen voor recht dat uitsluitend eiseres gerechtigd is op de teruggaaf van het BTW-tegoed en dat zij de enige is die hierop enig recht kan laten gelden;

\- eerste verweerder te horen veroordelen om binnen de 24 uur na de uitspraak van het te wijzen vonnis vrijwillig op heffing te verlenen van het beslag;

\- eerste verweerder te horen veroordelen tot de betaling van een dwangsom per dag vertraging vanaf de tussen te komen beschikking tot de effectieve opheffing van het beslag;

\- te zeggen dat bij gebreke aan vrijwillige opheffing binnen de gestelde termijn, de beschikking als opheffing van het beslag zal gelden;

\- eerste verweerder te veroordelen tot betaling van alle kosten van het beslag en van de opheffing, alsook de kosten van het geding, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding, begroot op 7.000 euro;

\- het te wijzen vonnis uitvoerbaar bij voorraad te horen verklaren, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder borgstelling en met uitsluiting van kantonnement;

1.2. Het verweer van de BELGISCHE STAAT, eerste verweerder strekt ertoe de vordering van eiseres ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en haar te veroordelen tot de kosten van het geding, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding, begroot op 7.000 euro.

**1.3.** **M. L. & A. V. D. NV**, tweede verweerster, besluit tot de gegrondverklaring van de vordering van eiseres en vraagt eerste verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding begroot op 1.200 euro.

## *3. DE BEOORDELING*

### *3.1. de territoriale bevoegdheid*

De territoriale bevoegdheid van de beslag rechter raakt de openbare orde en dient bijgevolge ambtshalve te worden onderzocht.

Op grond van artikel 633 Ger. W. is inzake beslag onder derden de rechter van de woonplaats van de beslagen schuldenaar bevoegd.

Tweede verweerster ten laste van wie de inhouding gebeurde is gevestigd te ….

Nu de inhouding gebeurde op grond van artikel KB nr. 4 van 29 december 1969 zoals gewijzigd bij KB van 29 december 1992 in uitvoering van artikel 76, § 1, 3 de lid BTW-wetboek is voor de territoriale bevoegdheid niet artikel 633 Ger. W., maar wel artikel 632 Ger. W. bepalend, gezien volgens het cassatiearrest van 16 december 2005 geschillen aangaande dergelijke inhoudingen die gelden als bewarend beslag onder derden geen vorderingen inzake bewarend beslag zijn in de zin van artikel 633 Ger. W..

\- Cass. 16 december 2005, A.R.[F.05.0004.F](https://juriel.be/fr/jurisprudence/retenue-valant-saisie-arret-conservatoire-cassation-bruxelles-2005-12-16-f9d9), www.cass.be ;

Gezien de BTW in kwestie wordt geïnd door het BTW-controlekantoor CKBB te Brussel, is op grond van artikel 632 Ger. W. de beslagrechter te Brussel territoriaal bevoegd.

### *3.2. regelmatigheid en rechtmatigheid van de inhouding*

Eiseres en tweede verweerster stellen dat eerste verweerder geen rechtsgrond heeft om het BTW-tegoed waarvan niet ernstig kan worden betwist dat het aan eiseres toekomt, in te houden op grond van in het vooruitzicht gestelde belastingschulden verschuldigd door tweede verweerster als 'vooraf erkende persoon' van andere buitenlandse belastingplichtigen.

Eerste verweerder van haar kant stelt dat krachtens het principe van de indeplaatsstelling zoals vervat in artikel 2, § 3 van het KB nummer 31 de 'vooraf erkende persoon' in de plaats van de belastingplichtigen komt die hij vertegenwoordigt.

Dit betekent dat de in het vooruitzicht gestelde belastingschulden ten laste zijn van tweede verweerster in haar hoedanigheid van 'vooraf erkende persoon' of aansprakelijke vertegenwoordiger.

Anderzijds komt ook het BTW-tegoed op de rekening-courant toe aan tweede verweerster in haar hoedanigheid van 'vooraf erkende persoon' en kan eiseres hierop geen rechten laten gelden nu zij zelf geen teruggaaf kan bekomen van de belasting die werd geheven onder het globale BTW-identificiatienummer.

De inhouding van de BTW gebeurde op grond van artikel 8, par. 3, 5° van het KB van 29 december 1969 zoals gewijzigd door het KB van 29 december 1992;

De inhoudingsmaatregelen moeten de bevoegde belastingautoriteiten in staat stellen voor teruggave vatbare BTW-bedragen bij wijze van bewarende maatregel in te houden wanneer vermoedens van belastingfraude bestaan of wanneer de belastingautoriteiten een BTW-schuldvordering laten gelden die niet voortvloeit uit de aangiften van de belastingplichtige en die deze betwist.

Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft de inhoudingsprocedure zoals bepaald bij KB nr. 4 getoetst aan de bepalingen van de Zesde Richtlijn evenals aan de algemene rechtsprincipes eigen aan het Europees recht en meer bepaald werd [art. 18, lid 4 van de Zesde Richtlijn](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-18) onderzocht. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft ter zake geoordeeld dat de inhoudingsmaatregel buiten het toepassingsgebied van de Zesde Richtlijn valt.

Het Hof verwijst naar het evenredigheidsbeginsel dat moet gerespecteerd worden wanneer lidstaten maatregelen nemen om BTW-tegoeden in te houden. De nationale rechter dient te oordelen of de maatregelen en de toepassing ervan door de bevoegde administratie evenredig zijn.

De spoedeisendheid en de noodzaak van de inhouding dient als zodanig onderzocht te worden.

Overeenkomstig de rechtspraak van het Arbitragehof, onder meer het arrest van 7 juli 1998 (BS 29 september 1998), loopt de controletaak van de beslagrechter inzake de inhouding van BTW-tegoeden zoals bedoeld in het KB nr. 4 gelijk met zijn beslissingsmacht bij de beoordeling van betwistingen die betrekking hebben op de gemeenrechtelijke bewarende beslagen zowel wat de rechtmatigheid als de regelmatigheid betreft.

Het wettelijk vermoeden van spoedeisendheid zoals bepaald in art. 8.1, § 3, lid 4 KB nr. 4 dat de administratie ontslaat van ieder bewijs, moet ingevolge de rechtspraak van het Arbitragehof geïnterpreteerd worden als een weerlegbaar vermoeden.

De inhouding geldt als een bewarend beslag onder derden tot het geschil definitief wordt beëindigd op administratieve wijze of bij wijze van een kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest. De beslagrechter moet in alle stadia van de procedure de inhouding kunnen opheffen indien hij de urgentie en de noodzaak van de inhouding niet voldoende bewezen acht en indiende vaststellingen in de processen-verbaal van de administratie niet overtuigend zijn of indien de belastingplichtige bereid is een andere zekerheid in de plaats te stellen die voor hem minder nadelig is.

De BTW-plichtige moet zich daarbij kunnen verweren tegen het bewarend beslag waaraan zijn BTW-tegoeden door de inhouding zijn onderworpen.

Het behoort dus tot de taak van de beslagrechter te toetsen of de schuldvordering van de administratie, hoewel betwist, prima facie een zekere en vaststaande schuld uitmaakt in de zin van artikel 1415 Ger. W., en inzonderheid of de bewijselementen of aanwijzingen van fraude aangevoerd in de processen-verbaal van de BTW-administratie de inhoudingsmaatregel kunnen rechtvaardigen, rekening houdend met de omstandigheden van de zaak, de noodzaak om de belangen van de Schatkist te beschermen en de noodzakelijke proportionaliteit tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel.

\- [Cass. 3 januari 2003](https://juriel.be/fr/jurisprudence/opposition-contrainte-droit-interjeter-appel-cassation-bruxelles-2003-01-03-8f50), Arr. Cass., 2003, 9;

Dit betekent dat de belastingschuldige voor de beslagrechter het vermoeden kan weerleggen dat er sprake is van hoogdringendheid of betwisten dat de BTW-schuld een zekere en vaststaande schuld is als bedoeld in artikel 1415 Ger. W..

Uit de voorgelegde stukken blijkt dat :

\- de inhouding door eerste verweerder, het BTW-ontvangkantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen, ten laste van tweede verweerster, zijnde de vooraf erkende persoon of aansprakelijke vertegenwoordiger zoals bedoeld in het KB nr. 31 van 2 april 2002, die als beslagen schuldenaar wordt aangeduid, gebeurde ten belope van een bedrag van 305.516,99 euro;

\- dit bedrag van 305.516,99 euro betrekking heeft op een tegoed, zijnde het saldo van de rekening-courant op datum van 31 juli 2009 waarvoor een aanvraag tot terugbetaling gebeurde door tweede verweerster;

\- op het eerste zicht deze tegoeden toekomen aan tweede verweerster in haar hoedanigheid van aansprakelijke vertegenwoordiger van eiseres;

\- de ernstige vermoedens/bewijzen op basis waarvan de BTW-administratie een belastingschuld in het vooruitzicht stelt, blijken uit het PV van 17 of 22 september 2009, dat ter kennis werd gebracht van de tweede verweerster bij aangetekende brief van 23 september 2009;

\- uit dit Proces-Verbaal blijkt dat deze vermoedens/bewijzen op basis waarvan een belastingschuld in het vooruitzicht werd gesteld betrekking hebben op andere firma's dan eiseres, namelijk een Italiaanse en twee Franse firma's, waarvoor tweede verweerster eveneens optreedt als aansprakelijke vertegenwoordiger;

De vraag die zich bijgevolg stelt is of eerste verweerder BTW-schulden die betrekking hebben op bepaalde buitenlandse belastingplichtigen, waarvoor een 'vooraf erkende persoon' als aansprakelijke vertegenwoordiger optreedt, kunnen verrekend worden met tegoeden die betrekking hebben op andere buitenlandse belastingplichtigen, waarvoor diezelfde 'vooraf erkende persoon' als aansprakelijke vertegenwoordiger optreedt.

Eerste verweerder betwist niet dat zij weet op welke buitenlandse belastingplichtigen de BTW-schulden die zij int en de BTW-tegoeden die zij uitbetaald en waarvoor tweede verweerster optreedt, betrekking hebben.

Zij stelt echter dat de vooraf erkende persoon of aansprakelijke vertegenwoordiger ten aanzien van haar gehouden is om de BTW-schulden te voldoen alsook de rechthebbende op eventuele teruggaven in toepassing van artikel 2, § 3 van het KB nummer 31 van 2 april 2002.

Artikel 2, § 3 van dit KB stelt :

*'De vooraf erkende persoon bedoeld in § 1, eerste lid, wordt in de plaats gesteld van zijn lastgever ten aanzien van alle rechten die aan laatstgenoemde zijn verleend of van alle verplichtingen die hem zijn opgelegd door of ter uitvoering van dit Wetboek voor de handelingen die hij verricht of die hem hier te lande worden verstrekt onder het globale BTW-identificiatienummer.'*

Tweede verweerster is als lasthebber met zijn lastgever hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belastingen, intresten en geldboeten verschuldigd krachtens het BTW-wetboek.

Volgens eerste verweerder houdt dit in dat aangezien de aansprakelijk vertegenwoordiger ten aanzien van haar zowel belastingschuldige is als rechthebbende op de teruggaaf, er een inhouding kan gebeuren.

Deze vooraf erkende persoon of aansprakelijke vertegenwoordiger kan dan wel hoofdelijk gehouden zijn tot betaling van de belastingschulden, doch hij is niet de belastingplichtige zelf nu het KB nr. 31 van 2 april 2002, waarnaar alle partijen verwijzen uitdrukkelijk melding maakt van de niet in België gevestigde belastingplichtige of de buitenlandse belastingplichtige enerzijds en de vooraf erkende persoon of aansprakelijke vertegenwoordiger anderzijds.

Het is echter niet omdat de aansprakelijke vertegenwoordiger rechtstreeks kan worden aangesproken tot betaling van de belastingschuld van de buitenlandse belastingplichtige dat er automatisch inhoudingen kunnen gebeuren op bedragen die deze aansprakelijke vertegenwoordiger kan innen voor rekening van zijn buitenlandse belastingplichtige.

Vooreerst volgt uit het KB nr. 31 dat de rechtsverhouding buitenlandse belastingplichtige en vooraf erkende persoon of aansprakelijke vertegenwoordiger een lastgeving betreft.

De lasthebber dient alles wat hij krachtens het mandaat verkreeg over te dragen aan de lastgever, gezien de lasthebber ontvangt voor rekening van de lastgever in toepassing van artikel 1993 B.W..

De lasthebber ontvangt dus niet voor eigen rekening. Op een belastingteruggave is hij bijgevolg slechts rechthebbende in zijn hoedanigheid van lasthebber en niet in eigen naam.

De inhouding die eerste verweerder als bewarende maatregel heeft doorgevoerd, heeft tot doel later te kunnen overgaan tot verrekening met een opeisbare belastingschuld wat dient te worden beschouwd als een vorm van fiscale schuldvergelijking.

In toepassing van artikel 334 van de Programmawet van 27 december 2004 en het KB nr. 4 van 29 december 1969 zoals gewijzigd door het KB van 29 december 1992 met betrekking tot teruggaven inzake BTW beschikt de belastingadministratie over een verruimde mogelijkheid tot verrekening.

Het is echter niet omdat er voor de fiscale schuldvergelijking een bijzondere regeling is uitgewerkt, dat de in het gemene recht gestelde vereisten voor schuldvergelijking komen te vervallen.

\- DE THEIJE M. noot onder Rb. Brussel, 13 mei 2005, R.W. 2005-2006, p. 1070-1071;

Schuldvergelijking vereist immers dat twee personen wederkerig elkaars schuldenaar zijn in toepassing van artikel 1289 B.W.

Dit betekent niet enkel dat twee vorderingen over en weer moeten bestaan tussen dezelfde personen, doch dienen die personen zich bovendien in eigen naam verbonden hebben.

De bij wederzijdse vorderingen en dus ook schulden betrokken personen moeten niet alleen dezelfde zijn maar moeten bovendien in een zelfde hoedanigheid zijn opgetreden.

\- VAN GERVEN W., Verbintenissenrecht, Acco, 2006, p. 632;

De aansprakelijk vertegenwoordiger is weliswaar hoofdelijk en dus persoonlijk gehouden tot betaling van de BTW-schulden, doch is niet persoonlijk rechthebbende op de teruggave waarmee de belastingschulden dreigen te worden verrekend.

De gelden die de belastingadministratie dient terug te betalen, behoren immers niet tot het vermogen van deze tussenpersoon.

De beslagrechter is bijgevolg van oordeel dat niet voldaan is aan de gemeenrechtelijke vereiste inzake schuldvergelijking in toepassing van artikel 1289 B.W., die door de bijzondere regeling inzake fiscale schuldvergelijking onverkort is gelaten.

Het feit dat tweede verweerster in de plaats zou zijn getreden van haar buitenlandse belastingplichtige in toepassing van artikel 2, § 3 van het KB nummer 31 van 2 april 2002 doet hieraan geen afbreuk.

Bovendien voorziet artikel 3 van voormeld KB dat de aansprakelijke vertegenwoordiger voldoende solvabel dient te zijn om de door het wetboek of ter uitvoering ervan aan belastingplichtigen opgelegde verplichtingen na te komen en aanvaarden de belastingplichtige te vertegenwoordigen.

Ten einde deze solvabiliteit te verzekeren kan van de aansprakelijk vertegenwoordiger of de vooraf erkende persoon een zekerheid worden gevraagd tot waarborg waarvan de modaliteiten worden geregeld in voormeld artikel 3.

Inhoudingen kunnen naar het oordeel van de beslagrechter dan ook enkel gebeuren ofwel :

\- op tegoeden waarop de buitenlandse belastingplichtige ten aanzien van wie men een belastingschuld vermoedt, rechthebbende is;

\- op de tegoeden waarop de vooraf erkende persoon of aansprakelijke vertegenwoordiger voor eigen rekening rechthebbende is;

\- op de zekerheden die deze vooraf erkende persoon of aansprakelijke vertegenwoordiger in toepassing van artikel 3 van het KB nummer 31 van 2 april 2002 heeft gesteld;

Het kan bijgevolg niet de bedoeling zijn dat vermoedelijke belastingschulden van bepaalde buitenlandse belastingplichtigen, waartoe de aansprakelijk vertegenwoordiger hoofdelijk gehouden is, zouden worden ingehouden op tegoeden waarvan de belastingadministratie perfect weet dat ze toekomen aan een andere buitenlandse belastingplichtige, ook al worden beiden vertegenwoordigd door eenzelfde aansprakelijk vertegenwoordiger en heeft deze aansprakelijk vertegenwoordiger zich persoonlijk verbonden.

Dit zou indruisen tegen het evenredigheidsbeginsel, nu in dit geval de noodzaak om de belangen van de Schatkist te beschermen, zou gebeuren ten nadele van een niet betwist recht van eiseres om via tweede verweerster teruggave te bekomen van de BTW-tegoeden.

Het aangewende middel is in dit geval niet evenredig met het nagestreefde doel.

De beslag rechter besluit bijgevolg dat de kwestieuze inhouding ingevolge de akte van inhouding van 28 september 2009 onrechtmatig gebeurde.

Nu deze inhouding als bewarend beslag onder derden geldt en het verzet hiertegen gegrond is, dient het beslag te worden opgeheven.

De inhouding gebeurde op een bedrag van 305.516,99 euro. Gezien er geen stukken voorliggen dat een bijkomende som werd ingehouden, is er geen reden om in te gaan op de uitbreiding van vordering van eiseres.

Er is geen reden een dwangsom op te leggen, nu bij gebreke aan vrijwillige vrijgave van de ingehouden gelden, de huidige beschikking als opheffing van het·beslag zal gelden.

### *3.3. de gerechtskosten*

Een dagvaarding in verzet tegen een akte van inhouding die als bewarend beslag onder derden geldt, strekt als dusdanig niet tot veroordeling in betaling van een geldsom, zodat dit geschil dient te worden beschouwd als een geschil dat betrekking heeft op een niet in geld waardeerbare vordering.

In toepassing van artikel 1017, eerste lid Ger. W. wordt eerste verweerder dan ook verwezen in de kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding in hoofde van eiseres, begroot op het basisbedrag van 1.200 € en in hoofde van tweede verweerster, begroot op het basisbedrag op 1.200 euro.

### 3.4. *de voorlopige tenuitvoerlegging*

Eiseres vordert de uitvoerbaarheid bij voorraad van de huidige beschikking.

Daar de vorderingen voor de beslag rechter ingeleid en behandeld worden *“zoals in kort geding”* in toepassing van artikel 1395, 2 de lid Ger. W., zijn de beslissingen van de beslagrechter, overeenkomstig artikel1039, 1 ste lid Ger. W., van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad.

Deze uitvoerbaarheid dient dus zelfs niet te worden gevraagd, noch dient zij uitdrukkelijk te worden uitgesproken.

\- DIRIX, E. en BROECKX, K., Beslag, in *A.P.R.*, E. STORY-SCIENTA, 2001, nr. 98;

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Rechtsprekende op **tegenspraak**;

Veroordeelt eerste verweerder tot de opheffing van het op 28 september 2009 ingevolge de akte van inhouding op haar verzoek gelegde bewarend beslag onder derden in handen van het BTW-controlekantoor CKBB op het bedrag van 305.516,99 euro, zijnde het saldo op de rekening-courant die deze laatste heeft ten voordele van eiseres en of verweerster en dit binnen de achtenveertig uren na de betekening van huidige beschikking.

Zegt dat huidige beschikking als opheffing van dit bewarend beslag onder derden zal gelden, bij gebreke aan vrijwillige opheffing binnen de gestelde termijn.

Veroordeelt eerste verweerder tot de kosten van huidig geding, in hoofde van hemzelf niet begroot daar ze ten zijne laste blijven en in hoofde van de eiseres begroot op 471,17 euro (dagvaardingskosten) en 1.200 € (rechtsplegingsvergoeding), in hoofde van tweede verweerster begroot op 1.200 euro (rechtsplegingsvergoeding).

Aldus uitgesproken ter openbare terechtzitting van de beslagkamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op **7 mei 2010**

Waar aanwezig waren en zitting namen :

Mevrouw **E. D. B.**, beslagrechter

De heer **J. D. G.**, assistent bij de griffie van deze rechtbank, door de magistraat toegevoegd als griffier, overeenkomstig artikel 329 van het gerechtelijk wetboek, de hoofdgriffier, de griffiers en de adjunct-griffiers verhinderd zijnde

**J. D. G.** **E. D. B.**

## Textes cités

2

[AR no 31 art. 2](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-31-article-e409) 1 occurrence

[6e directive 77/388 art. 18](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-18) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-conditions-formelles-materielles-tribunal-2023-05-19-3638) 1 dispositions communes

[Transport, Créances, Refus de déduction de TVA](https://juriel.be/fr/jurisprudence/transport-creances-refus-deduction-tva-tribunal-2026-03-02-5220) 1 dispositions communes

[Indices de fraude, Relevé de régularisation, Procès-verbal](https://juriel.be/fr/jurisprudence/indices-fraude-releve-regularisation-proces-tribunal-nivelles-2024-01-08-9601) 1 dispositions communes

[Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-conditions-formelles-materielles-tribunal-mons-2022-05-20-9967) 1 dispositions communes

[Factures fictives, fausse facture, fraude](https://juriel.be/fr/jurisprudence/factures-fictives-facture-fausse-fraude-tribunal-liege-2019-12-16-d122) 1 dispositions communes

[Vente à distance, Droit de restitution, Prescription](https://juriel.be/fr/jurisprudence/vente-distance-droit-restitution-prescription-cour-appel-gand-2023-05-02-fc39) 1 dispositions communes

[Amende de 200 %, Impôt sur les sociétés](https://juriel.be/fr/jurisprudence/amende-impot-societes-tribunal-2025-10-13-ffa7) 1 dispositions communes

[Demande de restitution, Formalités et conditions imposées](https://juriel.be/fr/jurisprudence/demande-restitution-formalites-conditions-imposees-cassation-bruxelles-2014-10-31-1f3a) 1 dispositions communes
