---
title: "18 février 2003 · Remboursement de la taxe, poursuite · Tribunal de première instance de Bruges"
description: "Remboursement de la taxe, poursuite. Tribunal de première instance de Bruges (Belgique), 18 février 2003."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/remboursement-taxe-poursuite-tribunal-bruges-2003-02-18-01dc"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Remboursement de la taxe, poursuite · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruges

**Date**

18 février 2003

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

83 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 18.02.2003

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND :**

in de zaak AR nr. **01/0611/A**

van

**de NV B. T. I.**, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk onder nummer …, met BTW-nummer BE ….

**eiseres,**

vertegenwoordigd door meester **P. D. L.**, advocaat te ….

**tegen :**

**de BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de heer e.a. Inspecteur van het 1ste BTW-Ontvangkantoor Kortrijk, waarvan de burelen gevestigd zijn te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat nr.3 1,

**verweerder,**

vertegenwoordigd door meester **F. W.**, advocaat te …

---

## I. PROCEDURE

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 21 januari 2003, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de in beraad.

De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :

1\. de gedinginleidende dagvaarding met verzet tegen het dwangbevel van 19 januari 2000;

2\. de conclusie voor verweerder van 18 mei 2001;

3\. de conclusie voor eiseres van 25 oktober 2001;

4\. de conclusie voor verweerder van 27 februari 2002·en

5\. de conclusie voor eiseres van 20 september 2002.

Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.

## II DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

### 1. De feiten die relevant zijn voor het geschil

Na een bedrijfsbrand sloot eiseres op 17 maart 1995, omwille van haar zeer hachelijke financiële situatie, dadingen af met haar belangrijkste leveranciers De dading bestond erin dat die leveranciers 40 % van de openstaande schulden van eiseres kwijtscholden en dat het saldo onmiddellijk zou betaald worden.

Terwijl (minstens bepaalde) van die leveranciers voor het kwijtgescholden bedrag een kredietnota opmaakten, was eiseres van oordeel dat dit niet inbegrepen was in de dading. Eiseres heeft dus de BTW op de kwijtgescholden schulden niet tegen geboekt.

Na onderzoek heeft verweerder op 20 september 1999 een proces-verbaal opgemaakt te nadele van eiseres. Daarin werd over de periode van 1 januari 1995 tot 31 december 1996 een schuld aan de Schatkist vastgesteld van 26.827,63 euro BTW en 2.677,25 euro boete, vermeerderd met de wettelijke interesten.

Daarop volgde een dwangbevel (RCIV-nummer …) dat op 19 januari 2000 uitvoerbaar werd verklaard en op 27 januari 2000 aan eiseres met een deurwaardersexploot werd betekend.

Met haar dagvaarding van 22 februari 2001 stelde eiseres haar huidige vordering in.

### 2. De standpunten en vorderingen van de partijen

**Eiseres** vordert dat de rechtbank de vordering vervat in het dwangbevel van 19 januari 2000 zou nietig verklaren.

Eiseres vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten.

**Verweerder** vordert dat de vordering van eiseres door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond en dat eiseres zou verwezen worden in de gerecht.skosten.

## III. BEOORDELING

### 1. De ontvankelijkheid van de vordering

Verweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering ontvankelijk.

### 2. De grond van de vordering

#### *2.1. Stelling van eiseres*

Volgens eiseres was de vordering van verweerder verjaard ingevolge de 3-jarige verjaringstermijn uit de artikelen 54 e.v. van de wet van 15 maart 1999. De invordering zou dan ook strijdig zijn met de regels van behoorlijk bestuur en strijdig zijn met de wet op de motivering van bestuurshandelingen.

Ten gronde stelt eiseres dat de dading inhield dat er 60 % van de openstaande schulden werd betaald en dat dit tot slot van de rekening was zodat de leveranciers geen (bijkomende) teruggave meer konden bekomen van de BTW. Verweerder zou die overeenkomst moeten erkennen.

Volgens eiseres beroept verweerder zich ten onrechte op artikel 77, § 1, 7 W.BTW omdat er geen sprake van zou zijn dat een schuldvordering geheel of ten dele verloren is gegaan. Volgens haar gaat de vergelijking met het gerechtelijk akkoord niet op omdat het hier over een overeenkomst (dading) gaat, zodat de leveranciers de mogelijkheid hadden om niet te contracteren. Aan de leveranciers die een kredietnota opmaakten, had verweerder volgens eiseres dan ook de teruggave moeten weigeren.

Subsidiair stelt eiseres dat niet alle leveranciers een kredietnota hebben opgemaakt. Sommigen zouden slechts intern een kredietnota hebben opgemaakt maar die niet hebben doorgestuurd aan eiseres. Zij vordert dan ook dat het dwangbevel slechts uitwerking zou mogen hebben voor het gedeelte waarvoor de leveranciers werkelijk een kredietnota hebben opgemaakt.

#### *2.2. Stelling van verweerder*

Verweerder stelt dat de artikelen 54 e.v. van de wet van 15 maart 1999 niet toepasselijk zijn vermits het hier niet gaat om een vordering tot teruggave maar om een invordering van verschuldigde BTW, boeten en interesten.

De wetswijziging door de artikelen 52 en 53 van de genoemde wet, zijn volgens verweerder ingevolge de overgangsbepaling van artikel 97, 7 de lid van die wet evenmin toepasselijk. De toepasselijke tekst van de verjaring (oud art. 81) voorzag een verjaring van 5 jaar waardoor de oudste vordering volgens verweerder pas op 20 februari 2000 verjaarde terwijl er al stuiting was door het dwangbevel van 27 januari 2000.

Ten gronde voert verweerder aan dat de leveranciers in toepassing van artikel 77, § 1, 7 W.BTW recht op teruggave hadden en ingevolge artikel 79 W.BTW een verbeterend stuk (kredietnota) moesten uitreiken. Indien dat niet gebeurt, dan wordt volgens verweerder het neutraliteitsprincipe van de BTW geschonden. De BTW wordt immers door de leverancier gestort aan de Schatkist, maar eiseres heeft die BTW niet betaald. Dat zijn volgens verweerder geen 'normale omstandigheden' zodat er geen toepassing kan gemaakt worden van de administratieve toegeving om geen kredietnota op te maken. Die toegeving zou slechts ingegeven zijn door het neutraliteitsbeginsel en dat zou slechts toepasselijk zijn wanneer de geleverde goederen recht geven op een integrale aftrek.

Volgens verweerder kan eiseres niet stellen dat de dadingsovereenkomsten zo duidelijk waren vermits er bepaalde leveranciers zijn die ze anders geïnterpreteerd hebben als eiseres en wel kredietnota's hebben uitgereikt. Verweerder stelt vast dat in het voorstel aan de schuldeisers nergens sprake Is van de BTW en dat van hen dus niet kon verwacht worden dat zij een grotere inspanning deden dan een kwijtschelding van 40 % door ook nog de volledige BTW ten laste te nemen. Eiseres had er zich naar het oordeel van verweerder dan ook niet laconiek kunnen van afmaken door de kredietnota's eenvoudig terug te sturen. Hij meent dat eiseres de betwisting over de interpretatie van de dadingen eerst aan de rechtbank had moeten voorleggen.

Verweerder betwist dat er leveranciers zouden zijn die alleen intern een kredietnota hebben opgemaakt en deze niet aan eiseres zouden opgestuurd hebben. Hij laat ook gelden dat het dwangbevel niet alleen betrekking heeft op kredietnota's die op de kwijtschelding van schuld betrekking hebben, maar ook op gewone kortingen. Met zijn stuk 7 voegt hij alle stukken bij waaruit moet blijken op welke kredietnota's de betreffende schuld die het voorwerp uitmaakte van het betwiste dwangbevel, betrekking heeft.

#### *2.3. Beoordeling*

**2.3.1.** Verjaring

Terecht laat verweerder gelden dat eiseres zich ten onrechte beroept op de artikelen 54 e.v. van de Wet van 15 maart 1999 vermits deze gaat over de teruggave van BTW enz , terwijl de vordering hier betrekking heeft op een invordering door verweerder jegens eiseres.

Verder moet verweerder ook gevolgd worden in zijn stelling dat nog het oude artikel 81 W.BTW toepasselijk is. De betreffende vorderingen tot voldoening van BTW, boeten en interesten zijn immers alle ontstaan vóór 1 januari 1999. Nu eiseres een maandaangever was en de oudst mogelijke schuld - die in januari 1995 zou zijn ontstaan - de BTW opeisbaar maakte vanaf de BTW­aangifte van 20 februari 1995, verliep de verjaringstermijn van 5 jaar ten vroegste op 20 februari 2000. De betekening van het dwangbevel op 27 januari 2000 heeft tijdig de verjaring gestuit.

Er is dus geen verjaring.

**2.3.2.** Ten gronde

**2.3.2.1.** Voorafgaand: omvang van de betwisting

De rechtbank stelt voor de duidelijkheid vast dal uit het stuk 7 van verweerder blijkt dat het bestreden dwangbevel (en het daaraan voorafgaand proces-verbaal van 19 januari 2000) beperkt zijn tot kredietnota's die door leveranciers van eiseres daadwerkelijk werden opgemaakt. De optelling van alle BTW-bedragen op die kredietnota's (171.291 + 250.808 + 2.229 + 95.496 + 117.881 + 6.592 + 2.580 + 2.110 + 5.252 + 3.757 + 170.292 + 82.300 + 57.473 + 81.446 + 12.236 + 1.353 + 19.128 frank) geeft als resultaat 1.082.224 frank (26.827,63 euro). Dat komt exact overeen met het bedrag dat in het proces-verbaal van 19 januari 2000 als verschuldigde BTW werd vermeld.

Een aantal van die kredietnota's blijken wel niets met de dadingen te maken te hebben. Over deze kredietnota's voert eiseres geen betwisting zodat de vordering in die mate alvast ongegrond is.

**2.3.2.2.** Draagwijdte en gevolgen van de dadingen

Het voorstel van eiseres dat tot de dadingen met de betreffende leveranciers geleid heeft, hield een kwijtschelding in van 40 % van de openstaande vorderingen' (Computerized Telefax Message van 11 maart 1995 verstuurd door eiseres).

Over de BTW staat niets vermeld.

De vraag is of een dergelijke kwijtschelding voor de leveranciers het recht op teruggaven van BTW deed ontstaan (in welk geval het hun plicht was om een verbeterend stuk op te stellen).

Artikel 77, § 1, 7 W.BTW voorziet in teruggave indien de schuldvordering geheel of gedeeltelijk verloren is gegaan. Het staat vast dat de dading voor elk van de schuldeisers tot gevolg had dat hun schuldvordering voor 40 % definitief verloren ging. Het is overigens een essentieel kenmerk van een dading dat zij een definitieve regeling (door wederzijdse toegevingen) met zich brengt. Door te stellen dat het contractueel karakter van de oorzaak van het verlies, de analogie met het gerechtelijk akkoord en het faillissement verhindert, wil eiseres een voorwaarde toevoegen aan artikel 77, § 1, 7 W.BTW die deze wetsbepaling niet bevat en ook niet impliceert.

Overigens is een vrijwillige toegeving op de prijs geen beletsel voor het recht van teruggave van BTW vermits artikel 77, § 1, 2 W.BTW - waarnaar terecht in het proces-verbaal van 19 januari 2000 verwezen wordt - dat recht verleent ingeval aan de medecontractant een prijsvermindering wordt toegestaan.

Eiseres gaat in haar argumentatie kennelijk voorbij aan de basisprincipes van het BTW-stelsel. De leverancier is immers op het moment dat hij zijn schuldvordering overmaakt aan de afnemer verplicht een factuur uit te reiken waarin hij het bedrag aan BTW moet opnemen. Die BTW moet hij opnemen als 'ontvanger' namens de Schatkist. 'Zijn' schuldvordering van die leverancier bevat dus in wezen de BTW niet. Staat die leverancier een kwijtschelding toe van 40 %, dan slaat dat in wezen op 40 % van de onderliggende betaling die (zuiver) aan de leverancier toekomt. Maakt die leverancier geen kredietnota op, dan blijft hij aan de Schatkist de BTW verschuldigd op 100 % van de oorspronkelijke schuld. In het systeem dat eiseres voorstelt reikt de leverancier een factuur uit voor (100 + 21 =) 121 en zou de kwijtschelding van 40 % betekenen dat eiseres (121 x 60 % =) 72,6 betaalt. Van die 72,6 moet de leverancier evenwel (als hij geen teruggave vraagt) 21 aan de Schatkist afdragen. Dat houdt in dat de leverancier in wezen slechts (72,6 - 21 =) 51,6 overhoudt. De kwijtschelding bedraagt in dat geval dus geen 40 maar (100 - 51,6 =) 48,4 %. Eiseres die zelf benadrukt dat de overeenkomsten de partijen tot wet strekken, had dus moeten weten dat haar leveranciers zich niet tot 48,4 maar slechts tot 40 % kwijtschelding verbonden hadden. De interpretatie van die leveranciers en deze van verweerder is dan ook de enige die kan verdedigd worden.

Overigens doet het omgekeerde zich ook bij eiseres voor. Zij ontving immers een factuur voor (100 + 21 =) 121, waarvan ze 21 aftrok in haar BTW­aangifte. Daardoor bedroeg haar eigenlijke schuld slechts 100. In het systeem dat zij voorstelt, moet zij evenwel slechts (121 x 60 % =) 72,6 betalen aan de leverancier. Rekening houdend met de aftrek van 21 ten nadele van de Schatkist, bedraagt de uiteindelijke kost voor eiseres slechts (72,6 - 21 =) 51,6. Ook hieruit blijkt dat niet 40 maar 48,4 % van de schuldvordering werd kwijtgescholden.

Uit dit alles moet afgeleid worden dat de leveranciers die met eiseres de betreffende dading sloten, recht hadden op teruggave van BTW. In de mate zij een kredietnota hebben opgemaakt, had verweerder de plicht om in die mate teruggave van BTW te doen. In diezelfde mate was het aan eiseres om de ten onrechte afgetrokken BTW aan verweerder te betalen. De vraag of eiseres die kredietnota's al dan niet ontvangen heeft, is niet relevant. Vooreerst blijkt dat eiseres die kredietnota's toch weigerde en vooral blijkt dat het bestreden dwangbevel alleen betrekking heeft op BTW die door de leveranciers daadwerkelijk krachtens de door hen opgemaakte kredietnota's van de Schatkist gerecupereerd werd.

De vordering van eiseres is in die omstandigheden volledig ongegrond.

### 3. De gerechtskosten

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1 ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, moet de gerechtskosten dragen.

### Dispositif

## IV. UITSPRAAK

**De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.**

**Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk maar wijst ze af als ongegrond.**

De rechtbank verwijst eiseres in de gerechtskosten van deze procedure en stelt die kosten als volgt vast :

aan de zijde van verweerder :

\- rechtsplegingsvergoeding : 334,66 euro

terwijl de kosten aan de zijde van eiseres niet moeten vastgesteld worden vermits ze door haar zelf moeten gedragen worden.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de **vierde kamer** van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op **achttien februari tweeduizend en drie**

De rechtbank is als volgt samengesteld :

**D. V.**, alleenrechtsprekend rechter

**A. V.**, griffier

**A. V.** **D. V.**
