---
title: "Remboursement de la taxe, poursuite · Cour d&#x27;appel d&#x27;Anvers, 19 juin 2007"
description: "Remboursement de la taxe, poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor. Cour d'appel d'Anvers (Belgique), 19 juin 2007."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/remboursement-taxe-poursuite-instance-droits-cour-appel-anvers-2007-06-19-233b"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Remboursement de la taxe, poursuite, instance · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Anvers

**Date**

19 juin 2007

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

61 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 19.06.2007

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :**

Zitting van 19/6/2007

In zake : **2006/AR/2590**

**Meester K P.**, advocaat te …, …, q.q. curator van het faillissement van **L. O.** Ltd. Bv, KNO …, met zetel te …, …, …, voorheen met inrichting te …, …, hiertoe aangesteld bij vonnis van 10 april 2003;

**appellant,**

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 20 juni 2006;

vertegenwoordigd door Meester K. Patroons, voornoemd;

**tegen :**

**de BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, op benaarstiging van de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-controlekantoor te Antwerpen 9, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4, bus 4;

**geïntimeerde,**

vertegenwoordigd door Meester **L. A.**, advocaat te …, …;

---

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het eensluidend afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak tussen partijen gewezen op 20 juni 2006 door de Dertiende B Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, en waartegen een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van dit Hof op 12 september 2006;

Gehoord partijen in hun middelen en conclusies;

## 1. Feiten, retroacten, eis en verweer in hoger beroep

**1.1.** De vennootschap **L. O.** (ASIA) Ltd werd bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen van 10 april 2003 in staat van faillissement verklaard. Mr. **K. P.**, appellant q.q., werd hierbij als curator van dit faillissement aangesteld.

**1.2.** Met betrekking tot de aanslagjaren 2000, 2001 en 2002 had **L. O.** (ASIA) Ltd uit hoofde van bedrijfsvoorheffing en belasting op niet-inwoners, verhoogd met interesten en kosten, op datum van 15 juni 2005 een totale schuld van … EUR ten aanzien van de administratie der directe belastingen.

Ingevolge controle door het BTW-controlekantoor te Antwerpen 9 van de boekhouding van **L. O.** (ASIA) Ltd na faillissement verklaring werd het BTW-tegoed van de gefailleerde voor de periode van 31 juli 2002 tot 31 oktober 2002 teruggebracht tot … EUR.

Appellant q.q. zond op 27 oktober 2003 de door hem akkoordverklaring terug en verzocht hierbij de administratie om het voormeld tegoed op de faillissement rekening te storten.

Bij brief van 22 december 2003 deelde het BTW-ontvangkantoor Antwerpen 1 aan appellant q.q. mede dat er geen vordering wordt gesteld in het faillissement.

Bij brieven van 19 april 2004, 3 maart 2004, 15 juni 2004, 13 juli 2004,28 september 2004 en 19 oktober 2004 drong appellant q.q. aan op terugbetaling van het BTW-tegoed.

Met verwijzing naar de verschillende brieven van appellant q.q. drong de rechter-commissaris van het faillissement, m.n. de heer **W. T.**, bij brief van 3 november 2004 bij de BTW-controle Antwerpen 7 aan om ten spoedigste tot de terugbetaling van het tegoed over te gaan, zodat tot afsluiting van het faillissement zou kunnen worden overgegaan.

Op geen enkele van de voormelde brieven werd blijkbaar gereageerd door de administratie, zodat appellant q.q. nog een herinneringsbrief diende te zenden op 1 maart 2005.

Het Ontvangkantoor Gent Buitenland zond uiteindelijk op 15 juni 2005 aan de BTW-controle Antwerpen 9 een brief, waarbij met verwijzing naar artikel 334 van de Programmawet van 27 december 2004 om betaling van belastingen ten bedrage van … EUR met het aan **L. O.** (ASlA) Ltd verschuldigd BTW-tegoed werd verzocht.

**1.3.** Bij dagvaarding betekend op 6 juni 2005 vordert appellant q.q. de veroordeling van de BELGISCHE STAAT, geïntimeerde om de som van … EUR te betalen, te vermeerderen met de interesten voorzien in artikel 76, § 1, eerste lid, en [artikel 91, § 3, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) aan 0,8 % per maand vanaf 31 maart 2003, en de kosten van het geding.

**1.4.** Het bestreden vonnis uitgesproken op 20 juni 2006 stelt vooreerst vast dat de schuldvordering van de administratie der directe belastingen inzake bedrijfsvoorheffing en belasting niet-inwoners niet wordt betwist. De eerste rechter oordeelt verder dat artikel 334 van de Programmawet van 27 december 2004 geen beperkingen inhoudt nopens het moment waarop het recht op teruggave van de belastingplichtige is ontstaan. Het feit dat het BTW-tegoed reeds bestond vóór de inwerkingtreding van de Programmawet van 27 december 2004 op 1 januari 2005 doet aan het recht van de administratie om deze sommen aan te rekenen geen afbreuk.

Hetzelfde geldt voor het feit dat de administratie de sommen overeenkomstig de Achtste richtlijn reeds eerder had moeten terugbetalen. De door appellant q.q. ingeroepen beginselen van behoorlijk bestuur kunnen geen afbreuk doen aan de klare en duidelijke bewoordingen van de wet. Het bestreden vonnis besluit dan ook dat de administratie terecht tot aanrekening van het BTW-tegoed overging en verklaart de vordering ongegrond.

**1.5.** Tegen deze beslissing heeft appellant q.q. hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 12 september 2006.

**1.6.** In dit verzoekschrift en in conclusie neergelegd op 13 februari 2007 stelt appellant q.q. dat geïntimeerde het BTW-tegoed volgens de Achtste EU-richtlijn binnen de zes maanden had dienen terug te betalen en dat artikel 334 van de Programmawet van 27 december 2004 nooit de bedoeling kan hebben gehad om in het verleden door de fiscus gepleegde onregelmatigheden post factum te regulariseren. Appellant q.q. beroept zich op de beginselen van behoorlijk bestuur en het adagium "*nemo auditur*" om te stellen dat geïntimeerde zich niet mag beroepen op zijn eigen foutief en onwettelijk gedrag. Appellant q.q. besluit dan ook tot de vernietiging van het bestreden vonnis en de toewijzing van zijn oorspronkelijke vordering.

**1.7.** Geïntimeerde beaamt zijnerzijds in zijn op 18 december 2006 en 16 april 2007 neergelegde conclusies de redengeving van het bestreden vonnis en besluit dan ook tot de ongegrondheid van het hoger beroep en dienvolgens de bevestiging van het bestreden vonnis.

## 2. Beoordeling

Artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004 bepaalt :

> “Elke som die aan een belastingschuldige moet worden teruggegeven of betaald in het kader van de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake de inkomstenbelastingen en de ermee gelijkgestelde belastingen, de belasting over de toegevoegde waarde of krachtens de bepalingen van het burgerlijk recht met betrekking tot de onverschuldigde betaling, kan door de bevoegde ambtenaar zonder formaliteit worden aangewend ter betaling van de door deze belastingschuldige verschuldigde voorheffingen, inkomstenbelastingen en ermee gelijkgestelde belastingen, de belasting over de toegevoegde waarde, in hoofdsom, opcentiemen en verhogingen, fiscale of administratieve geldboeten, interesten en kosten, wanneer deze laatste niet of niet meer worden betwist.
>
> Het voorgaande lid blijft van toepassing in geval van beslag, overdracht, samenloop of een insolvabiliteitsprocedure”.

Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004 blijkt dat de wetgever een maatregel heeft willen nemen om de fiscale achterstand te doen verdwijnen en dat hij meer bepaald heeft willen voorkomen dat belastingkredieten worden terugbetaald aan een belastingschuldige die voor een andere belasting nog schuldenaar is van de belastingadministratie (*Parl. St.*, Kamer, 2004-2005, DOC 51-1437/001, DOC 51-1438/001, p. 212). De wetgever heeft dus voorzien in een wettelijke schuldvergelijking die afwijkt van de regel van de gelijkheid van de schuldeisers zoals die met name is bepaald in artikel 1298 van het Burgerlijk Wetboek of in artikel 17, 2°, van de faillissementswet van 8 augustus 1997 (*Parl. St.*, Kamer, 2004-2005, DOC 51-1437/027, pp. 37 en 38).

Uit de parlementaire voorbereiding van de programmawet van 27 december 2004 blijkt overigens meer in het algemeen dat de wetgever rekening heeft willen houden met de problemen als gevolg van de chronische fiscale schuldenlast en het tegelijk mogelijk heeft willen maken de invordering van de belasting voor onbepaalde tijd uit te stellen, wanneer de belastingplichtige te goeder trouw handelt en niet meer erin slaagt zijn schuld te betalen, en “te pogen minstens een gedeelte van de schuld terug te vorderen” (*Parl. St.*, Senaat, 2004-2005, nr. 3-966/4, pp. 23-24).

Om dat doel te bereiken, heeft de wetgever met name, met artikel 332 van de programmawet, in titel VII, hoofdstuk VIII van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 eén afdeling IVbis “Onbeperkt uitstel van de invordering van directe belastingen” ingevoegd.

Door te voorzien in een mechanisme van wettelijke schuldvergelijking wijkt artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004 af van de regel van de gelijkheid van de schuldeisers die zich bevinden in een toestand van samenloop, zoals die met name is bepaald in artikel 17, 2°, van de faillissementswet van 8 augustus 1997.

Dat verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk de hoedanigheid van de schuldeiser, die in het ene geval de Schatkist is, en die in het andere geval een andere schuldeiser is.

De maatregel is in verhouding met de beoogde doelstellingen : aangezien de opbrengst van de belasting wordt aangewend voor overheidsuitgaven die gericht zijn op het algemeen belang, moet worden aangenomen dat kan worden afgeweken van de regels van het gemeen recht inzake schuldvergelijking.

Het mechanisme van de wettelijke schuldvergelijking is ten slotte geen onevenredige maatregel die de situatie van de andere schuldeisers aantast, gelet op de doelstellingen die erin bestaan de fiscale achterstand weg te werken en de invorderingsprocedure doeltreffender te maken, doelstellingen die de wetgever overigens ertoe brengen het onbeperkte uitstel van de invordering van sommige belastingen mogelijk te maken.

De evolutie van het insolventierecht en van het zekerhedenrecht heeft het aantal mechanismen doen toenemen die, in afwijking van het beginsel van gelijkheid van de schuldeisers, aan de laatstgenoemden de mogelijkheid bieden zich in te dekken tegen het risico van insolventie van hun schuldenaars.

Artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004 schendt derhalve de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet (Arbitragehof nr. 54/2006, 19 april 2006 (prejudiciële vraag), *A.A.* 2006, 655, *B.S.* 26 september 2006 (uittreksel), 50078, *J.T.* 2006, 701, met noot F. GEORGES, "De la constitutionnalité de la possibilité pour le fisc de procéder à une compensation à son profit nonobstant la survenance d'une situation de concours", (*J.T.* 2006, 702-703), *J.L.M.B.* 2006, 1032, noot, *RABG* 2006, 1300, met noot P. LAUWERS, "inhouding van belastingtegoeden", (*RABG* 2006, 1304-1313), *R.G.C.F.* 2006 (samenvatting H. LOUVEAUX), 241; Arbitragehof nr. 107/2006, 21 juni 2006 (prejudiciële vraag) *A.A.* 2006, 1295, *B.S.* 15 september 2006 (uittreksel), 47116, *F.J.F.* 2006, 879, *R.G.C.F.* 2006 (samenvatting H. LOUVEAUX), 245, *R.W.* 2006-07, 1193, noot).

Anderzijds, duidt de spreuk "*Nemo auditur propriam turpitudinem allegans*" op elke grond van niet-ontvankelijkheid tegengeworpen aan een gedingpartij, die niet zuiver in de schoenen staat en daarom de hulp van de rechter onwaardig is (W. VAN GERVEN, *Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Algemeen Deel*, Antwerpen-Utrecht, Standaard Wetenschappelijke Uitgeverij, 1969, nr. 132 p. 424). De toepassing van de rechtsspreuk is dus facultatief. Het uiteindelijk criterium voor de al dan niet toepassing ervan is de doelmatige bescherming van de maatschappij (W. VAN GERVEN, *Beginselen van Belgisch Privaatrecht. Algemeen Deel*, Antwerpen-Utrecht, Standaard Wetenschappelijke Uitgeverij, 1969, nr. 132 p. 421). De adagia *"Nemo auditur propriam turpituinem allegans” en "In pari causa turpitudinis cessat repetitio"* zijn geen dwingende wettelijke bepalingen zijn (Cass., 5 september 1996, *A.C.*, 1996, 291, *Pas.*, 1996, I, 291).

Noch de beginselen van behoorlijk bestuur noch het adagium *"Nemo auditur propriam turpituinem allegans”* die door appellant q.q. worden ingeroepen mogen afbreuk doen aan de toepassing van een duidelijke wet, die bovendien grondwetconform is.

Het hoger beroep faalt derhalve zo in feite als in rechte.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF**,

Recht doende op **tegenspraak**,

Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond;

Bevestigt derhalve het bestreden vonnis en veroordeelt appellant q.q. tot de kosten in hoger beroep, begroot aan de zijde van geïntimeerde op … euro (… EUR) voor rechtsplegingsvergoeding hoger beroep;

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het **HOF VAN BEROEP** te ANTWERPEN van **NEGENTIEN JUNI TWEEDUIZENDENZEVEN**,

waar aanwezig waren :

**R. T.**, Voorzitter;

**D. W.** en **S. B.**, Raadsheren;

**A. V. L.**, Griffier.

**A. V. L.** **S. B.** **D. W.** **R. T.**

## Textes cités

1

[CTVA art. 91](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Location, Location d’un moyen de transport](https://juriel.be/fr/jurisprudence/location-moyen-transport-localisation-prestation-cour-appel-bruxelles-2021-05-19-0215) 1 dispositions communes

[Faillite d'un cocontractant, Droit à la restitution](https://juriel.be/fr/jurisprudence/faillite-cocontractant-droit-restitution-perte-cassation-bruxelles-2024-06-20-053d) 1 dispositions communes

[Taux réduit, Fourniture de nourriture et boissons](https://juriel.be/fr/jurisprudence/taux-reduit-fourniture-nourriture-boissons-cour-appel-liege-2021-02-19-0689) 1 dispositions communes

[TVA -Impôt des personnes physiques -Article 4bis du Code d'instruction criminelle -Action](https://juriel.be/fr/jurisprudence/tva-impot-personnes-physiques-article-cour-appel-anvers-2025-04-24-09f5) 1 dispositions communes

[Compte spécial, Paiement tardif, Amendes proportionnelles, amende fiscale proportionnelle](https://juriel.be/fr/jurisprudence/compte-special-paiement-tardif-amendes-tribunal-gand-2026-02-26-0be6) 1 dispositions communes

[Carrousel TVA, Participation, Refus de déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/carrousel-tva-participation-refus-deduction-cour-appel-bruxelles-2020-09-10-0c67) 1 dispositions communes

[Taux réduit, Immeubles neufs, Travaux immobiliers, Travaux de construction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/taux-reduit-immeubles-neufs-travaux-tribunal-bruxelles-2023-05-31-0d52) 1 dispositions communes

[Reconstitution du chiffres d’affaires, Preuve par présomptions](https://juriel.be/fr/jurisprudence/reconstitution-chiffres-affaires-preuve-presomptions-cour-appel-bruxelles-2023-02-0e22) 1 dispositions communes
