---
title: "28 janvier 2009 · Remboursement de la taxe, poursuite · Tribunal de première instance de Hasselt"
description: "Remboursement de la taxe, poursuite, disposition pénale, amende administrative, instance. Tribunal de première instance de Hasselt (Belgique), 28 janvier 2009."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/remboursement-taxe-poursuite-disposition-penale-tribunal-hasselt-2009-01-28-50bd"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Remboursement de la taxe, poursuite, disposition pénale, amende administrative · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Hasselt

**Date**

28 janvier 2009

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

83 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Hasselt du 28.01.2009

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**DE BURGERLDKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER A, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :**

IN ZAKE A.R. nr. **07/1706/A**

S. BVBA, met maatschappelijke zetel te …, …, KBO nr. ….

**eiseres,**

vertegenwoordigd door mr. **S. B.**, advocaat te …, ….

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN**, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.

**ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN**, in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het tweede BTW-ontvangkantoor, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Thonissenlaan 20.

Verweerder, vertegenwoordigd door mr. **R. F.**, advocaat te …, ….

**VOLGT HET VONNIS :**

Gelet op :

\- het exploot van gerechtsdeurwaarder **P. W.**, plaatsvervanger van gerechtsdeurwaarder **X. C.** te … van 20.07.2007;

\- de conclusies, syntheseconclusies, definitieve syntheseconclusies en stukken van verweerder;

\- de besluiten, tweede besluiten en stukken van eiseres.

## I. FEITEN EN VOORGAANDEN

Eiseres, rechtsopvolger van de BVBA **O. J.**, is ingevolge de door haar uitgeoefende activiteit "onderhoud en reiniging van centrale verwarming en de verkoop van nieuwe tanks" geregistreerd als BTW-belastingplichtige (BTW-nummer …) en zodoende onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering daarvan genomen besluiten.

Na een voorafgaandelijke verwittiging heeft de heer **J. M.**, adjunct-fiscaal deskundige bij de Administratie van de BTW, registratie en domeinen, verbonden aan het controlekantoor van de BTW te Houthalen op 08.02.2005, ter plaatse op de maatschappelijke zetel van eiseres een BTW-controle doorgevoerd over de periode van 01.01.1998 tot 31.12.2003. Het betrof een beperkte controle die werd uitgevoerd naar aanleiding van gegevens verstrekt door de Administratie der douane en accijnzen m.b.t. de identiteit van de Luxemburgse vennootschap SA **E. B. S.** (**EBS**).

Bij nazicht van de gegevens m.b.t. de verkoop van een voertuig lichte vracht Mercedes 112 CDI aan de Luxemburgse vennootschap SA **EBS**, bleek volgens de administratie dat de voorwaarden voor de toepassing van vrijstelling van de levering van BTW zoals omschreven in art. 39bis, eerste lid, 1° W.BTW niet waren voldaan.

Op 09.02.2005 werd aan eiseres een correctieopgave overgemaakt waarin zij werd verzocht akkoord te gaan met een regularisatie van een bedrag van … euro aan BTW en een proportionele boete van … euro en intresten (zie stuk 1, bundel overtuigingsstukken verweerder).

Bij brief van 08.03.2005 verklaarde eiseres zich niet akkoord met de vooropgestelde regularisatie enerzijds omwille van de verjaring van de vordering en anderzijds omwille van het feit dat zij van oordeel was dat zij de echtheid van de uitvoer kan aantonen (zie stuk 2, bundel overtuigingsstukken eiseres).

Bij brief van 15.03.2008 stelde de administratie dat de zevenjarige verjaringstermijn van art. 81bis, § 1, derde lid, 3° W.BTW van toepassing is en dat er niet is aangetoond dat het voertuig vervoerd werd naar een andere lidstaat van de EG (zie stuk 3, bundel overtuigingsstukken eiseres).

Bij brief van 24.03.2005 werd er namens eiseres gesteld dat zij niet akkoord kon gaan met het standpunt van de administratie (zie stuk 4, bundel overtuigingsstukken eiseres).

Verweerder herhaalde zijn standpunt bij brief van 15.02.2006 (zie stuk 5, bundel overtuigingsstukken eiseres).

Vervolgens werden de controleverrichtingen en hun resultaten vastgelegd in een proces-verbaal van 18.09.2006 waarin gesteld werd dat eiseres de hierna volgende bedragen verschuldigd is :

\- … euro aan BTW;

\- … euro aan proportionele geldboete in toepassing van art. 70, § 1 W.BTW een bedrag gelijk aan het dubbel van de verschuldigde belasting;

\- wettelijke intresten aan 0,8 % per maand vanaf 21.01.2004 over de som van … euro overeenkomstig art. 91, § 1 W.BTW

(zie stuk: 2, bundel overtuigingsstukken verweerder).

Op 17.07.2007 werd er tegen eiseres een dwangbevel uitgevaardigd, gesteund op het proces-verbaal van 18.09.2006. Het dwangbevel werd op 18.07.2007 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de e.a. inspecteur van de BTW te Houthalen, aangewezen door de gewestelijke directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Hasselt (zie stuk: 3, bundel overtuigingsstukken verweerder).

Dit dwangbevel werd bij aangetekende brief van 19.07.2007 ter kennis gebracht aan eiseres (zie stuk 4, bundel overtuigingsstukken verweerder).

In dit dwangbevel werden de hoger vermelde bedragen gevorderd alsook de wettelijke intresten over de verschuldigde geldboete vanaf de betekening van het exploot, alsmede de vervolgingskosten.

Bij brief van 03.08.2007 werd er namens eiseres nogmaals gesteld dat er geen sprake was van enige BTW-schuld en dat er substantieel meer BTW-tegoeden werden ingehouden dan de beweerde BTW-schuld (zie stuk 11, bundel overtuigingsstukken eiseres).

Bij exploot van gerechtsdeurwaarder **P. W.**, plaatsvervanger van gerechtsdeurwaarder **X. C.** te Sint-Lambrechts-Woluwe van 20.07.2007 stelde eiseres vervolgens een vordering in rechte in.

## II. BEOORDELING

### 1. Ontvankelijkheid

Er worden door verweerder geen middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

### 2. Ten gronde

#### 2.1. Aangaande de verjaring

De verkoop van het voertuig lichte vracht vond plaats op 21.04.2001.

Eiseres houdt voor dat de vordering van de fiscus verjaard is op grond van art. 81bis, § 1, eerste lid W.BTW.

Krachtens art. 81 W.BTW begint de vordering tot voldoening van de belasting, van de intresten en van de administratieve geldboete te verjaren vanaf de dag waarop deze vordering is ontstaan.

Overeenkomstig art. 81bis, § 1, eerste lid W.BTW is er verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de intresten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van de opeisbaarheid van die belasting, intresten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.

Vermits de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan in 2001 zou de verjaring overeenkomstig art. 81bis, § 1, eerste lid W.BTW intreden op 31.12.2004, behoudens in geval van stuiting of schorsing van de verjaringstermijn.

Het dwangbevel dat dateert van 18.07.2007, werd aan eiseres ter kennis gesteld op 20.07.2007, zijnde ruimschoots na het verstrijken van de verjaringstermijn, zodat de verjaring behouden blijft volgens eiseres.

De administratie beroept zich op art. 81bis, § 1, derde lid W.BTW dat bepaalt dat in afwijking van o.m. hoger vermelde bepalingen, er sprake is van verjaring na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer :

1° een inlichting, een onderzoek of een controle aantoont dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België of dat er onrechtmatige belastingaftrekken werden toegepast en de inlichting werd medegedeeld of verzocht of het onderzoek of de controle werd uitgevoerd of verzocht door, hetzij een andere Lidstaat van de Europese Unie, overeenkomstig de regels daartoe bepaald in dit wetboek of in de regelgeving van deze Unie, hetzij een bevoegde overheid van enig land waarmee België een overeenkomst heeft gesloten tot het vermijden van dubbele belasting, in verband met de belasting waarop die overeenkomst van toepassing is;

2° een rechtsvordering aantoont dat, in België, belastbare handelingen niet werden aangegeven of belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalingen die erop van toepassing zijn;

3° bewijskrachtige gegevens, waarvan de administratie kennis heeft gekregen, aantonen dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België of dat er belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalingen die daarop van toepassing zijn.

De administratie is van oordeel dat in casu art. 81bis, § 1, derde lid W.BTW van toepassing is vermits zij in het bezit was van inlichtingen verkregen uit het buitenland die het bewijs opleveren dat de belastbare handeling niet werd aangegeven. Zij verwijst naar twee brieven van resp. 25.11.2002 en 28.11.2002 van het Ministerie van Financiën. Centrale Eenheid voor administratieve samenwerking met de andere EEG-lidstaten op het gebied van de BTW waarbij het antwoord van de Luxemburgse administratie verstrekt op een vraag van de Belgische administratie i.v.m. SA **EBS**, werd verstrekt (zie stukken 7 en 8, bundel overtuigingsstukken verweerder).

De rechtbank is van oordeel dat de zevenjarige verjaringstermijn zeer restrictief dient te worden toegepast. Het betreft immers een uitzonderingsbepaling aangezien de gewone verjaringstermijn drie jaar bedraagt en deze termijn, in geval van overtreding van de artikelen 70 of71 W.BTW die begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, op vijf jaar is gebracht (zie tevens Rb. Luik, 19 juni 2006, *F.J.F.*,nr. 2007/204; Rb. Luik, 26 februari 2007, *F.J.F.*, nr. 2007/205).

In casu blijkt dat de inlichtingen die de administratie aanwendt om over te kunnen gaan tot toepassing van de zevenjarige termijn, verkregen zijn binnen de gewone driejarige termijn. De administratie heeft evenwel nagelaten om tot invordering over te gaan binnen de gewone driejarige termijn waardoor de verjaringstermijn is verstreken.

De administratie heeft dan ook oneigenlijk beroep gedaan op de zevenjarige termijn van art. 81 bis, § 1, derde lid W.BTW.

De BTW-vordering is derhalve verjaard.

De vordering van eiseres is gegrond.

#### 2.2. Aangaande de vordering tot schadevergoeding uit hoofde van tergend en roekeloos verweer

De vordering van eiseres strekt ertoe verweerder te horen veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van … euro wegens tergend en roekeloos verweer.

Een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding kan slechts worden toegekend bij manifeste kwade trouw van de tegenpartij.·(Zie o.m. Kort. Ged. Kh. Brussel. 20 juni 1990, **T.R.V.**, 1991, 51, noot TILLEMAN, B.; Rb. Brussel 21 november 1990, J.T., 1991, 90).

De vordering wegens tergend en roekeloos verweer is niet gegrond daar uit de debatten en stukken blijkt dat verweerder zijn verweer heeft gevoerd op grond van zijn overtuiging en zeker niet om eiseres te smaden of te benadelen. Bovendien hebben partijen beiden uitvoerig besloten, hetgeen aantoont dat er ernstig over de wederzijdse standpunten en over de vordering debat werd gevoerd.

Zich vergissen omtrent de draagwijdte van zijn rechten of een interpretatie van een wettekst voorstaan die niet door de rechter wordt overgenomen, is niet noodzakelijk een fout en kan niet rechtvaardigen dat een vordering wordt ingesteld wegens tergend en roekeloos geding (Brussel, 12 september 1995, J.T., 1996, 106).

De vordering wegens tergend en roekeloos verweer is dan ook ongegrond.

---

Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S., 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art. 13 en 14).

Partijen ter zake standpunt ingenomen.

In casu wordt de wettigheid van de in het dwangbevel gestelde fiscale vordering betwist.

Deze vordering is in geld waardeerbaar en de rechtbank bemerkt geen enkele reden om af te wijken van het basisbedrag.

---

De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

---

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**De rechtbank**, rechtdoende op **tegenspraak** :

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en in de volgende mate gegrond.

Verklaart het verzet van eiseres tegen het dwangbevel van 17.07.2007 geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 18.07.2007 door de e.a. inspecteur van de BTW te Houthalen, aangewezen door de gewestelijke directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Hasselt gegrond.

Doet dit dwangbevel teniet en zegt voor recht dat eiseres niet gehouden is tot betaling van de hierin gevorderde bedragen.

Beveelt voor zoveel als nodig de terugbetaling van alle bedragen die in uitvoering van dit dwangbevel reeds zouden zijn geïnd of ingehouden, te vermeerderen met de wettelijke intresten.

Veroordeelt verweerder tot ¾ van de kosten van het geding, begroot in hoofde van eiseres op :

\- dagvaardingskosten t.b.v. … euro;

\- rechtsplegingsvergoeding t.b.v. … euro.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer A, op het gerechtshof te Hasselt op **28.01.2009**, alwaar aanwezig waren :

Mevrouw **M. C.**, enige rechter, en

De heer **L. P.**, griffier.

**L. P.** **M. C.**
