---
title: "Registre de perception et recouvrement, Titre exécutoire · Cour d&#x27;appel de Gand, 12 mars 2024"
description: "Registre de perception et recouvrement, Titre exécutoire, Droit à déduction. Cour d'appel de Gand (Belgique), 12 mars 2024."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/registre-perception-recouvrement-titre-executoire-cour-appel-gand-2024-03-12-1183"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Registre de perception et recouvrement, Titre exécutoire

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Gand

**Date**

12 mars 2024

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

**Sens lu par le SPF**

mixte

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

463 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'appel de Gand du 12.03.2024

WF 709-15-21/002746

\[Partiellement favorable à l'administration\]

*Taxe sur la valeur ajoutée - Registre de perception et recouvrement - Titre exécutoire - Droit à déduction - Utilisation à des fins privées ou à des fins autres que l'activité économique - Preuve - Valeur probante - Taux - Taux réduit de TVA de 6 % - Démolition et reconstruction de bâtiments – Abus de droit*

## Dispositions légales

Articles [1er , §10](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-1), [45, §1 et 85](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) du Code de la TVA

[Article 1er de l'arrêté royal n° 20](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-20-juillet-fixant-taux-taxe-valeur-b38e#ar20-art1) du 20 juillet 1970 - Rubrique XXXVII du tableau A

## Résumé

## 1. Les faits et les antécédents de procédure

L’assujettie est identifiée à la TVA pour l'activité de développement de projets de constructions résidentielles. Lors d'un contrôle portant sur la période du 8 mars 2017 au 31 décembre 2018, des infractions au régime de déduction et des infractions concernant le taux applicable ont été constatées. Celles-ci ont été consignées dans un procès-verbal daté du 10 novembre 2020. Ce procès-verbal a été notifié le 12 novembre 2020. La dette fiscale a été inscrite au registre de perception et recouvrement le 15 décembre 2020.

Au moyen d’une requête datée du 29 décembre 2020, l’assujettie a saisi le tribunal de première instance de Flandre-Orientale, division Gand, d’une demande contestant la dette fiscale susmentionnée.

Le tribunal de première instance a jugé que la demande était recevable et partiellement fondée. L'État belge a fait appel de ce jugement et l’assujettie a introduit un appel incident.

## 2. L'arrêt de la cour d'appel

## (a) En ce qui concerne la nullité de l'inscription au registre de perception et recouvrement

La cour juge que la dette fiscale a été inscrite prématurément au registre de perception et recouvrement. Le délai d'attente d'un mois prévu à l'article 85, §1er,, du Code de la TVA n'a pas été respecté, de sorte que ce titre exécutoire doit être annulé. L'amende n’est, dès lors, pas due.

## (b) En ce qui concerne le droit à déduction

L’assujettie a déduit la TVA grevant des frais d'arpentage et de lotissement de terrains dont elle n'était pas propriétaire. La Cour arrive à la conclusion que ces frais étaient néanmoins déductibles car ils entraient dans le cadre de l'activité économique de l’assujettie. L'avantage dont bénéficie le propriétaire du terrain découle des prestations de services prestées dans l'intérêt de l’assujettie et est, en ce sens, secondaire.

En ce qui concerne un certain nombre de véhicules, de motocyclettes, de bicyclettes et d’autres dépenses, la Cour juge que le caractère professionnel n'est pas prouvé et que la déduction a été rejetée à juste titre.

## (c) En ce qui l’application du taux réduit

La Cour arrive à la conclusion que l’intention commune des parties ressort de la chronologie des opérations, à savoir la construction par l'assujetti d'une habitation neuve sur un terrain qui a été subdivisé, le cas échéant, aux frais de l'assujettie, en vue de la construction d'une habitation neuve au profit du maître d’œuvre.

Du point de vue de la TVA, les opérations susmentionnées doivent être considérées comme une seule opération qui, dans son ensemble, ne consiste pas en la démolition et la reconstruction d'une habitation, mais en la livraison d'une nouvelle habitation à laquelle le taux réduit de 6 % ne s'applique pas.

## (d) En ce qui concerne l’abus de droit

La cour juge que l'abus de droit fiscal est prouvé dans cette affaire. Il ressort clairement de la chronologie des opérations que l'intention commune des parties était la livraison d'une maison nouvellement construite. Elles ont structuré et divisé artificiellement les opérations afin de pouvoir appliquer le taux réduit de TVA.

**Texte de l’arrêt**

***L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale***

### Corps de la décision

**Hof van beroep Gent, vijfde kamer, fiscale zaken**

Arrest van 12 /03/2024

Rol: 2022/AR/1807

In de zaak van:

**BELGISCHE STAAT/FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN,** 0N 0308.357.159,

Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur-(Gewestelijk) Directeur Centrum KMO Aalst, met burelen te 9100 SINT-NIKLAAS, Driekoningenstraat 4,

*appellant,*

*hebbende als raadsman mr. B. T., advocaat te ... en mr. D. C., advocaat te ...*

tegen

**L. W. BV,** 0N 067...34,

met zetel te ...,

*geïntimeerde,*

*hebbende als raadsman mr. L. T., advocaat te ...*

wijst het hof het volgend arrest:

## 1. De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift neergelegd op 21 oktober 2022 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zesde kamer, op 30 mei 2022 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 21/24/A, waarvan niet blijkt dat het werd betekend.

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 9 januari 2024, waarna het debat werd gesloten.. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

## 2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

De geïntimeerde is voor btw-doeleinden geregistreerd voor de activiteit van' ontwikkeling van residentiële bouwprojecten.

Volgend op een controle in hoofde van de geïntimeerde op de toepassing van de btw-reglementering voor de periode van 8 maart 2017 tot en met 31 december 2018, beperkt tot 'kosten dossier en verlaagd tarief 6%', werd op 10 november 2020 een proces-verbaal van taxatie opgemaakt ten laste van de geïntimeerde. Daarin werden de volgende inbreuken opgenomen:

\- inbreuken op de aftrekregeling (voor een totaal bedrag aan btw van 2.125,85 euro) aangezien de geïntimeerde kosten in aftrek bracht van verkochte onroerende goederen die verkocht werden met registratierecht, waarvan de administratie stelde dat deze kosten niet zijn gebruikt voor de in artikel 45, §1, 1° tot 5° bedoelde handelingen;

\- inbreuken op de aftrekregeling (voor een totaal bedrag aan btw van 73,06 euro) aangezien ten onrechte de btw op een factuur in aftrek werd genomen die niet werd uitgereikt aan de geïntimeerde;

\- inbreuken op de aftrekregeling (voor een totaal bedrag aan btw van 1.306,70 euro) aangezien werd vastgesteld dat er meerdere voertuigen per gebruiker waren en niet kon worden aangetoond dat de handelingen volledig voor doeleinden van de economische activiteit waren bestemd;

\- inbreuken op de aftrekregeling (voor een totaal bedrag van 236,84 euro) aangezien ten onrechte de aftrekbeperking tot 50% opgenomen in [artikel 45, §2 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) niet werd toegepast op het voertuig H. met nummerplaat ...;

\- inbreuken op de toepassing van het verlaagd tarief van 6% (voor een totaal bedrag aan btw van 80.284,69 euro) aangezien werd vastgesteld dat voor een aantal verkopen niet werd voldaan aan de voorwaarden gesteld in tabel A, rubriek XXXVII (afbraak en heropbouw van gebouwen in stadsgebieden).

Een verschuldigde btw van 84.026,69 euro en een proportionele geldboete van telkens 10% (8.400,00 euro) werden verschuldigd geacht, meer intresten vanaf 21 januari 2019. Dit proces-verbaal werd aan de geïntimeerde betekend op 12 november 2020 in toepassing van [artikel 85, §1, derde lid WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85).

Aan de geïntimeerde werd een betaalbericht verstuurd bij brief van 24 november 2020. Op 15 december 2020 werd de btw-schuld opgenomen in het innings- en invorderingsregister onder het schuldnummer 500...83 en uitvoerbaar verklaard op 16 december 2020. Dit werd aan de geïntimeerde betekend op 16 december 2020.

Met een verzoekschrift neergelegd op 29 december 2020 stelde de geïntimeerde haar vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. In het vonnis van 30 mei 2022 oordeelde de zesde kamer van deze rechtbank om:

*-* *de vordering van eiseres ontvankelijk en (deels) gegrond te verklaren in volgende mate: de administratieve verminderde geldboete te behouden rekening houdende met de rechtzettingen (randnummers 2.15, 2.25, 2.28. en 2.39.),*

*-* *de herberekening te bevelen van de bedragen opgenomen in het proces-verbaal van 10 november 2020 (alsook de btw-invordering aan te passen) overeenkomstig het bepaalde in de randnummers 2.15, 2.25, 2.28. en 22.39.;*

*voor het overige de btw-invordering met RCIV-nummer 500...83 te bevestigen; de terugbetaling te bevelen van alle op grond van voormelde navordering ten onrechte geïnde sommen, vermeerderd met de moratoriumintrest;*

*-* *de vordering van eiseres voor het overige ongegrond te verklaren;*

*-* *te zeggen voor recht dat iedere partij zijn eigen kosten draagt, in hoofde van eiseres te*

*begroten op de kosten voor het bijdragefonds voor een bedrag van 20,00 EUR en in hoofde van verweerster te begroten op 00,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.*

Het is tegen dat vonnis dat de appellant hoger beroep heeft ingesteld.

## 3. De vorderingen van de partijen

### 3.1. De vordering van de appellant

De appellant vraagt in hoger beroep aan het hof om:

** *het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren ;*

** *het bestreden vonnis te vernietigen voor zover het verlaagde tarief werd toegestaan voor de oprichting van de onroerende goederen gelegen te ..., de inbreuk op* [*artikel 1, §10 van het Btw-Wetboek*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-1) *en voor zover het de geïntimeerde ontlast van haar aansprakelijkheid bij de toepassing van de bepalingen opgenomen in rubriek XXXVII van Tabel A van het koninklijk besluit nummer 20 van 20 juli 1970;*

** *Voor het overige het vonnis a quo te bevestigen;*

** *de geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van de verzoeker te begroten als volgt :*

** *rolrecht hoger beroep : P.M.*

** *rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep : 7.000,00 EUR*

### 3.2. De vordering van de geïntimeerde

De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:

*Het hoger beroep van appellante af te wijzen als ontvankelijk doch ongegrond.*

*Het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen dd. 30 mei 2022 (AR nr. 21/24/A), afdeling Gent gedeeltelijk te bevestigen, zo nodig na een substitutie van motieven, en gedeeltelijk te vernietigen, en het incidenteel beroep van concluante ontvankelijk en gegrond te verklaren.*

*De BTW-schuld met betrekking tot de periode vanaf 8 maart 2017 t.e.m. 31 maart 2018 zoals deze blijkt uit het proces-verbaal dd. 10 november 2020, volgens betaalbericht dd. 24 november 2020 met artikelnummer 500...83, voor een bedrag in hoofdsom van 84.026,69 EUR aan nagevorderde BTW, vermeerderd met een proportionele boete van 8.400,00 EUR die werd opgelegd in toepassing van de artikelen 70, §§ 1 en ibis en 84, lid 3 WBTW ju. het KB/WBTW nr. 41, voor een totaalbedrag in hoofdsom en boetes van 92.426,69 EUR, en zoals opgenomen in een innings- en invorderingsregister dd. 15 december 2020 onder het artikelnummer 500...83, uitvoerbaar verklaard dd. 16 december 2020, met verzending van het innings- en invorderingsbericht op dezelfde datum, te vernietigen, dit in zoverre:*

*-* *de aftrek wordt verworpen van een bedrag van 2.125,85 EUR aan BTW (punt 1 van het proces-verbaal dd. 10 november 2020). Op dit punt wordt een incidenteel beroep ingesteld tegen het vonnis van de eerste rechter;*

*-* *de aftrek van de BTW wordt verworpen ter zake de facturen opgenomen onder deel 111.2.8 van onderhavig verzoekschrift, voor een totaalbedrag van 1.065,15 EUR (punt III van het proces-verbaal dd. 10 november 2020). Op dit punt wordt een incidenteel beroep ingesteld tegen het vonnis van de eerste rechter;*

*-* *er een navordering van BTW plaatsvindt wegens het vermeendelijk ten onrechte toepassen van het in rubriek XXXVII van Tabel A van de bijlagen bij het KB/WBTW nr. 20 bedoelde tarief van 6%, dit voor een bedrag van 78.859,69 EUR (punt V van het proces-verbaal dd. 10 november 2020. Het betreft het bedrag van 80.284,69 EUR, onder aftrek van een bedrag van 1.425,00 EUR verbonden aan de commissie opgenomen in factuur nr. 9/2018). Op dit punt verzoekt concluante het vonnis van de eerste rechter te willen bevestigen, zo nodig na een substitutie van motieven;*

*-* *er een proportionele geldboete ten bedrage van 8.400,00 EUR werd opgelegd. Op dit punt wordt een incidenteel beroep ingesteld tegen het vonnis van de eerste rechter.*

*Voor zover als nodig, de volgende prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen:*

> *"Verzet het rechtszekerheidsbeginsel zich tegen een nationale praktijk die de toepassing van een verlaagd BTW-tarief van 6% voor de afbraak en heropbouw van woningen in bepaalde gebieden, regeling opgenomen in artikel 1, 2**e* *lid, a) en rubriek XXXV11 van tabel A van de bijlagen bij het KB/WBTW nr. 20 en aangenomen in uitvoering van punt 10 van bijlage 111 bij de Richtlijn 2006/112/EG, afhankelijk stelt van de voorwaarde dat het afgebroken gebouw een "significant" gebouw betreft, al dan niet in verhouding tot de heropgebouwde woning, hoewel deze voorwaarde niet opgenomen is in de betrokken regelgeving, en evenmin afgeleid kan worden uit de eraan ten grondslag liggende doelstelling?"*

*Appellante te horen veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding begroot langs de zijde van concluante op 6.000,00 EUR voor de eerste aanleg en op 7.000,00 EUR voor onderhavige aanleg, onder voorbehoud van indexatie, en tot de terugbetaling van de bijdrage aan het begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand ten bedrage van 20,00 EUR*

*voor de procedure voor de eerste rechter. Ook op dit punt wordt een incidenteel beroep ingesteld tegen het vonnis van de eerste rechter.*

## 4. De betwistingen en hun beoordeling

### 4.1. Omtrent de opname in het innings- en invorderingsregister

4.1.1. Op grond van [artikel 85, §1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85) wordt bij niet-betaling van de belastingschuld (bestaande uit de belasting, nalatigheidsinteresten, fiscale geldboeten en toebehoren) deze opgenomen in een innings- en invorderingsregister, die de uitvoerbare titel vormt voor de invordering van de belastingschuld en deze concretiseert. Krachtens het derde lid van [artikel 85, §1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85) moet *"De verantwoording van de belastingschuld uiterlijk een maand voor de opname ervan in een innings- en invorderingsregister (...), ter kennis van de belastingschuldige worden gebracht, behalve indien de rechten van de Schatkist in het gedrang komen. In dat laatste geval moet zij ten laatste op het ogenblik dat de belastingschuld in een innings- en invorderingsregister wordt opgenomen aan de belastingschuldige ter kennis worden gebracht. (...)"* Op grond van het zesde lid van [artikel 85, §1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85) is de datum van kennisgeving de derde werkdag volgend op de datum waarop de verantwoording van de belastingschuld werd afgegeven aan de aanbieder van de universele postdienst.

De geïntimeerde stelt dat artikel. [85](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85) WBTW werd geschonden aangezien de btw-schuld vroegtijdig werd opgenomen in het innings- en invorderingsregister. Zij dringt aan op de nietigverklaring van de uitvoerbare titel. De appellant werpt op dat de rechten van de Schatkist in het gedrang waren, als gevolg waarvan de uitzondering op de regel dat van de verantwoording van de belastingschuld moet worden kennis gegeven uiterlijk één maand voor de opname ervan in het innings- en invorderingsregister, van toepassing is.

4.1.2. De geïntimeerde moet worden gevolgd. De verantwoording van de belastingschuld werd ter kennis gebracht middels het proces-verbaal dat werd opgemaakt op 10 december 2020 en aan de geïntimeerde werd betekend op (donderdag) 12 november 2020. De begeleidende brief bij dit proces-verbaal vermeldt uitdrukkelijk dat deze geldt als kennisgeving van de verantwoording van de belastingschuld in de zin van [artikel 85, §1, derde lid WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85). Op grond van het zesde lid van [artikel 85, §1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85) is de datum van kennisgeving van deze verantwoording (dinsdag) 17 november 2020. De belastingschuld werd opgenomen in het innings- en invorderingsregister op 15 december 2020, dit is vóór het verstrijken van de termijn van een maand vanaf de kennisgeving van de verantwoording.

De uitzondering op de regel dat van de verantwoording van de belastingschuld moet worden kennis gegeven uiterlijk één maand voor de opname ervan in het innings- en invorderingsregister, is niet van toepassing. De verjaringstermijn met betrekking tot de belastingschuld voor 2017 verstreek immers slechts op 31 december 2020. Er is geen enkele reden waarom de opname op (dinsdag) 15 december 2020 moest plaatsvinden en niet kon wachten tot (donderdag) 17 december 2020. Evenmin werd van de verantwoording van de belastingschuld in de zin van [artikel 85, §1, derde lid WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85) kennis gegeven in de correctieopgave van 13 oktober 2020, die uitdrukkelijk vermeldt (slechts) een voorstel tot rechtzetting te betreffen. De verantwoording van het bestaan van de belastingschuld werd opgenomen in het proces-verbaal, dat overigens afwijkt van de correctieopgave, en waarvan de begeleidende brief aan de geïntimeerde uitdrukkelijk vermeldt dat deze geldt als kennisgeving van de verantwoording van de belastingschuld in de zin van [artikel 85, §1, derde lid WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85).

De belastingschuld werd vroegtijdig opgenomen in het innings- en invorderingsregister. De wachttermijn van een maand opgenomen in [artikel 85, §1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85) werd niet nageleefd, als gevolg waarvan deze uitvoerbare titel onder schuldnummer 500...83 dient te worden nietig verklaard. De wet laat niet toe deze inbreuk ongedaan te maken door een afweging te maken van de mate waarin de belangen van de geïntimeerde werden geschaad.

Het incidenteel hoger beroep is op dit punt gegrond.

4.1.3. De fiscale wet raakt de openbare orde. Behoudens wanneer de administratieve akte ' noodzakelijk is voor de totstandkoming van de belastingschuld, dient de rechter bijgevolg, ongeacht de nietigheid van de administratieve akte, zelf in feite en in rechte te beslissen over het bestaan van de belastingschuld wanneer hij daartoe wordt uitgenodigd door de vorderingen die door de partijen worden gesteld. Het hof moet om die reden zelf het bestaan en het bedrag van de btw-schuld bepalen.

Voor de totstandkoming van de administratieve geldboete die wordt opgelegd op grond van [artikel 70, §1 en §1bis WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) is de administratieve beslissing waarmee deze geldboete wordt opgelegd, noodzakelijk. Gelet op de nietigheid van de opname in het innings- en invorderingsregister kan het hof aldus niet zelf oordelen over het verschuldigd zijn van de administratieve geldboete (zie ook Cass. 29 januari 2021, AR [F.18.0169.N](https://juriel.be/fr/jurisprudence/amende-motivation-contrainte-nullite-caractere-cassation-bruxelles-2021-01-29-2184), op juportal.be). De nietigheid van de opname in het innings- en invorderingsregister heeft tot gevolg dat de geldboete niet verschuldigd is.

### 4.2. Ten gronde: omtrent het bestaan en het bedrag van de btw-schuld

#### *4.2.1. Ten aanzien van punt I van het proces-verbaal*

4.2.1.1. Door de administratie werd op een tiental aankoopfacturen die betrekking hebben op opmetings- en verkavelingswerkzaamheden de aftrek van btw beperkt. Zij stelt dat deze kosten werden gemaakt met het oog op de verkoop van gronden die werden verkocht met toepassing van het registratierecht en dus geen betrekking hebben op goederen of diensten die door de geïntimeerde werden gebruikt voor het verrichten van belastbare handelingen in de zin van [artikel 45, §1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45).

De geïntimeerde betwist dit en stelt dat deze kosten niet werden gemaakt om gronden te kunnen verkopen, maar wel om haar in staat te stellen haar aannemersactiviteiten te kunnen ontwikkelen.

4.2.1.2. Krachtens [artikel 45, §1, 1° WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is, de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in aftrek brengen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen. Het recht op btw-aftrek vormt een fundamenteel beginsel van het gemeenschappelijke btw-stelsel en is een integrerend deel van de btw-regeling dat in beginsel niet kan worden beperkt (zie o.m. HvJ 18 oktober 2018, *V.,* [C-153/17](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-153-17-arret), r.o. 39).

Opdat de belastingplichtige recht op aftrek van de voorbelasting kan hebben en de omvang van dat recht kan worden bepaald, dient er volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in beginsel een rechtstreeks en onmiddellijk verband te bestaan tussen een bepaalde handeling in een eerder stadium en een of meer handelingen in een later stadium waarvoor recht op aftrek bestaat. Het recht op aftrek van de btw over in een eerder stadium verworven goederen en diensten vooronderstelt immers dat de voor de verwerving gedane uitgaven zijn opgenomen in de prijs van de belaste handelingen in een later stadium waarvoor recht op aftrek bestaat (zie o.m. HvJ 24 januari 2019, *M. S.,* [C-165/17](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-165-17-arret), r.o. 30). De belastingplichtige heeft niettemin eveneens recht op aftrek, ook al bestaat er geen rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen een bepaalde handeling in een eerder stadium en een of meer handelingen in een later stadium waarvoor recht op aftrek bestaat, wanneer de kosten voor de betrokken diensten deel uitmaken van diens algemene kosten en als zodanig zijn opgenomen in de prijs van de door hem geleverde goederen of verrichte diensten. Tussen dergelijke kosten en het geheel van alle economische activiteiten van de belastingplichtige bestaat er immers een rechtstreeks en onmiddellijk verband (zie o.m. HvJ 14 september 2017, *l.,* [C-132/16](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-132-16-arret), r.o. 29).

De omstandigheid dat een belastingplichtige uitgaven doet deels voor een door een derde verrichte handeling in plaats van voor zijn eigen belaste handelingen, heeft tot gevolg dat het noodzakelijke rechtstreekse en onmiddellijke verband tussen de verwerving van de diensten in een eerder stadium en de handeling in een later stadium gedeeltelijk wordt verbroken, als gevolg waarvan de belastingplichtige de daarover betaalde btw niet integraal kan aftrekken. Een belastingplichtige mag immers slechts de btw betaald voor de te zijnen behoeve door andere belastingplichtigen verrichte diensten aftrekken van de door hem verschuldigde belasting indien die diensten worden gebruikt voor zijn eigen belaste handelingen. Het gedeelte van de uitgaven dat geen verband houdt met de handelingen van de belastingplichtige maar met die van een derde kan geen dergelijk recht op aftrek doen ontstaan. (zie o.m. HvJ 25 maart 2021, *V. A.,* [C-405/19](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-405-19-arret))

Als het bestaan van een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de aan de belastingplichtige verleende diensten en zijn economische activiteit vaststaat, kan de omstandigheid dat die diensten ook ten goede komen aan een derde niet rechtvaardigen dat het op die diensten betrekking hebbende recht op aftrek aan de belastingplichtige wordt ontzegt, op voorwaarde evenwel dat het voordeel dat de derde uit die dienstverrichting put, ondergeschikt is aan de behoeften van de belastingplichtige. Om als ondergeschikt te kunnen worden aangemerkt, moet het voordeel dat de derde geniet, voortvloeien uit een dienst die wordt verricht in het eigen belang van de belastingplichtige.

4.2.1.3. De betwiste in aftrek genomen btw betreft btw op 10 facturen voor het opmeten en het in plan brengen van verschillende onroerende goederen in het kader van een verkavelingsaanvraag en prekadastratie.

De geïntimeerde stelt terecht dat er een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen het opmeten en in plan brengen van de onroerende goederen voor doeleinden van de verkavelingsaanvraag en prekadastratie, enerzijds, en de door de geïntimeerde in een later stadium verrichte aannemingsdiensten, anderzijds. Deze aannemingsdiensten betreffen de bouw van een woning op een perceel en deze zouden onmogelijk zijn geweest zonder verkavelingsaanvraag en prekadastratie waarvoor de opmeting en in plan brengen van de onroerende goederen noodzakelijkerwijze werden verricht. Deze diensten waren dan ook noodzakelijk want zonder deze diensten had de geïntimeerde haar eigen economische activiteit niet kunnen uitoefenen. Deze diensten zijn verricht om het de geïntimeerde mogelijk te maken de door haar voorziene vastgoedprojecten te verwezenlijken (zie ook beoordeling onder randnummer 4.2.3 hierna). Dat deze kosten aan de geïntimeerde werden gefactureerd zonder dat zij eigenaar was van de percelen, is niet opvallend te noemen aangezien deze kosten volledig kaderen in de uitoefening van de economische activiteiten van de geïntimeerde en aldus in haar eigen belang werden gemaakt. Dat zij geen eigenaar was van de percelen grond waarop zij bouwde, doet hieraan geen afbreuk.

Dat deze diensten noodzakelijk waren om de onroerende goederen onder registratierechten te verkopen, is niet aannemelijk aangezien deze onroerende goederen ook zonder de kwestieuze diensten van opmeting en in plan brengen konden worden verkocht. Deze diensten werden verricht met het oog op de bouw van een woning op de percelen en werden aldus verricht ten behoeve van de economische activiteiten van de geïntimeerde. Zoals de geïntimeerde stelt, is het aannemelijk dat de kostprijs van deze diensten deel uitmaakt van de prijs aangerekend door de geïntimeerde aan de bouwheer voor de aannemingsprestaties. Het is daarbij niet vereist dat deze kosten rechtstreeks worden doorgerekend. Deze kosten kunnen ook vervat zijn in de gefactureerde kostprijs van het geheel van de belaste handelingen gesteld door de geïntimeerde waarvan de geïntimeerde in haar stukken 64-68 facturen voorlegt.

De appellant stelt dat uit de notariële verkoopaktes blijkt dat deze kosten werden doorgerekend bij de notariële verkoop van de gronden, waarvan de geïntimeerde niet de eigenaar was. Uit het stuk 7 (verkoopsakte grond ...) blijkt evenwel niet dat de aan de koper doorgerekende kosten de door de landmeter aan de geïntimeerde aangerekende kosten betreffen. Evenmin blijken de kosten waarvan sprake in de stukken 11 en 15 (bundel administratie) kosten te betreffen die zijn opgenomen in de aan de geïntimeerde gerichte facturen waarvan de btw-aftrek wordt verworpen. In het dossier bevinden zich geen stukken waaruit blijkt dat de kosten waarvan sprake in de stukken 11 en 15 (bundel administratie) aan de geïntimeerde werden gefactureerd. Op basis hiervan kan aldus niet worden aangenomen dat de kosten voor opmeting en verkaveling werden doorgerekend aan de koper van de grond.

Het rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de aan de geïntimeerde verleende diensten en haar economische activiteit staat vast. Het feit dat voormelde diensten ook ten goede komen aan de grondeigenaar kan niet rechtvaardigen dat het op die diensten betrekking hebbende recht op aftrek aan de geïntimeerde wordt ontzegd. Het voordeel dat de grondeigenaar uit de diensten van opmeting en in plan brengen van de onroerende goederen voor doeleinden van de verkavelingsaanvraag en prekadastratie put, is immers ondergeschikt aan de behoeften van de geïntimeerde. De geïntimeerde kan haar economische activiteiten niet ontwikkelen zonder voormelde diensten; de grondeigenaar kan zijn grond wel verkopen zonder voormelde diensten. Het voordeel dat de grondeigenaar geniet, vloeit voort uit de diensten die worden verricht in het eigen belang van de geïntimeerde en is in die zin ondergeschikt. Deze omstandigheid kan niet tot gevolg hebben dat de omvang van het recht op btw-aftrek van de geïntimeerde wordt beperkt.

Het incidenteel hoger beroep is ook op dit punt gegrond.

#### *4.2.2. Ten aanzien van punt III van het proces-verbaal*

4.2.2.1. Krachtens [artikel 45, §1, 1° WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is, de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in aftrek brengen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen. Er dient volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in beginsel een rechtstreeks en onmiddellijk verband te bestaan tussen een bepaalde handeling in een eerder stadium en een of meer handelingen in een later stadium waarvoor recht op aftrek bestaat. In de mate dat de goederen en diensten worden gebruikt voor privédoeleinden of voor andere doeleinden dan deze van zijn economische activiteit, is het recht op aftrek uitgesloten. De bewijslast dat de goederen en diensten worden gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen rust op de belastingplichtige.

De administratie verwerpt terecht de aftrek van btw op facturen met betrekking tot diverse voertuigen. Uit het dossier blijkt immers het volgende:

\- zaakvoerders J. L. en C. B. hebben elk:

•een wagen (M. stationwagen en H. T. die elk ten belope van 50% in aftrek werden genomen, desgevallend na correctie) ter beschikking, alsook

•elk een moto (aankoop 25 augustus 2017 bij B. P., ten belope van 30% in aftrek genomen, en aankoop 31 augustus 2017 bij B., ten belope van 10% in aftrek genomen, na regularisatie), en

•elk een fiets (aankoop 14 april 2017 bij R. bvba en aankoop 23 maart 2018 bij F. M., die elk ten belope van 30% in aftrek werden genomen);

zoon B. L. heeft een moto D. ter beschikking, die ten belope van 50% in aftrek werd genomen.

De administratie heeft het beroepsmatig gebruik van de beide voertuigen en de moto Ducati aanvaard. De aftrek van de overige twee moto's en twee fietsen werd verworpen.

Het is niet zomaar aannemelijk dat elk van deze zeven voertuigen werkelijk ten belope van het aangegeven percentage werd gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen door de geïntimeerde. De stelling van de geïntimeerde dat *"Er (...) geen enkele reden \[is\] om dit beroepsmatig gebruik in twijfel te gaan trekken"* doet afbreuk aan de op haar rustende bewijslast. Zij moet middels positieve, objectieve en controleerbare stukken dan wel vermoedens aantonen dat elk van deze zeven voertuigen werkelijk ten belope van het aangegeven percentage werd gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen door de geïntimeerde. Dit bewijs wordt niet geleverd door te verwijzen naar de zelf doorgevoerde beperking van het recht op aftrek.

De geïntimeerde verwijst naar twee verklaringen van leveranciers. De ene leverancier (bouwonderneming M.) verklaart dat J. L. en B. L. zich verplaatsen met de moto naar de werfbezoeken en naar afspraken op bureel te S.. De andere leverancier (B.) bevestigt dat hij B. meestal met de moto op pad ziet en J. nog maar een 3-tal keer, maar dat hij die meestal niet ziet op een werf. Deze verklaringen zeggen niets over het gebruik van de fietsen en over het gebruik van de derde moto, waarvan het beroepsmatig gebruik (zelfs niet ten belope van de opgegeven percentages) dus niet wordt aangetoond. Wat de moto betreft die werd gebruikt door J. L., kan uit deze enkele verklaringen niet worden afgeleid dat deze moto voor 30% dan wel 10% werd gebruikt voor beroepsdoeleinden. Bij het gebruik van meerdere voertuigen per gebruiker dient op een objectieve en controleerbare manier (de mate van) het beroepsmatig gebruik te worden aangetoond.

4.2.2.2. Wat de aftrek van de twee mobiele navigatietoestellen betreft, toont de geïntimeerde evenmin aan dat deze beide mobiele toestellen beroepsmatig worden gebruikt. De administratie heeft het beroepsmatig gebruik van één mobiel navigatietoestel aanvaard. Dat deze mobiele navigatietoestellen samenhangen met de voertuigen, wordt niet aangetoond en wordt door de geïntimeerde zelf tegengesproken waar zij stelt dat de mobiele navigatietoestellen ook worden gebruikt voor het vaststellen van afstanden tussen de plaats waar de economische activiteit wordt uitgeoefend en nuttige locaties. Dat de mobiele toestellen performanter zouden zijn dan de toestellen die zich in de voertuigen bevinden, wordt niet aangetoond. De bewering omtrent het gebruik van deze mobiele navigatietoestellen wordt evenmin aangetoond en is niet zomaar aannemelijk. De geïntimeerde toont niet aan dat zij recht heeft op een hogere aftrek van btw dan degene die de administratie heeft aanvaard.

4.2.2.3. Het hof stelt vast dat de administratie het recht op aftrek van btw op een kleiner bedrag aanvaardt, met name op de aankoop van een dweiltoestel (64,04 euro). De administratie aanvaardt eveneens dat er ten onrechte tweemaal aftrek werd verworpen op de factuur L. M (73,06 euro). Hierover bestaat geen betwisting meer. De eerste rechter heeft hiervoor reeds een rechtzetting doorgevoerd.

De overige verworpen in aftrek genomen btw wordt niet betwist door de geïntimeerde.

Dit middel van de geïntimeerde werd door de eerste rechter terecht afgewezen. Het incidenteel beroep is op dit punt dan ook ongegrond.

#### *4.2.3. Ten aanzien van punt V van het proces-verbaal*

4.2.3.1. De administratie stelt dat de geïntimeerde met betrekking tot een aantal projecten ten onrechte toepassing heeft gemaakt van de regeling inzake afbraak en heropbouw in stadsgebieden opgenomen in rubriek XXXVII van tabel A van de bijlage bij het KB/WBTW nr. 20, krachtens dewelke het verlaagd tarief van 6% van toepassing is op de werken in onroerende staat die tot voorwerp hebben de afbraak en de daarmee gepaard gaande heropbouw van een woning. Als voorwaarde wordt o.m. gesteld dat de handelingen betrekking moeten hebben op een woning die, na de uitvoering van de werken, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk als privéwoning wordt gebruikt, en die in een grootstedelijk gebied is gelegen.

Het verlaagd btw-tarief van 6% kan van toepassing zijn in het geval de afbraakwerken het afbreken van een gebouw betreffen, zijnde ieder bouwwerk dat vast met de grond is verbonden ([artikel 1, §9, 1° WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-1)). De omstandigheid dat de nieuwe woning niet wordt opgericht op exact dezelfde plaats als het oude gebouw is geen beletsel voor de toepassing van het verlaagde btw-tarief. Niet om het even welk bouwwerk komt in aanmerking. Het af te breken gebouw dient een significante omvang te hebben en met het oog op duurzaamheid te zijn opgetrokken. De geïntimeerde stelt ten onrechte dat de administratie geen gebruik kan maken van de voorwaarde dat het af te breken gebouw een significante omvang moet hebben, aangezien dit pas werd opgenomen in een Circulaire van 25 februari 2021. Zoals blijkt uit deze Circulaire, is de voorwaarde dat het om een gebouw met een significante omvang moet gaan, overgenomen uit de parlementaire voorbereiding (zie o.m. Vr. en Antw. *Kamer,* nr. 13883, 23 juni 2009, Arens) en wordt het op dezelfde manier toegepast zoals dat reeds het geval was vóór de inwerkingtreding van de Circulaire. Dit is een criterium dat reeds langere tijd bekend was en dat bovendien ligt besloten in de aard en de doelstellingen van de regelgeving. Van een *contra legem* interpretatie van de wettekst is geen enkele sprake. Dat niet om het even welk te slopen gebouw van aard is om het gunstregime van het verlaagd btw-tarief toe te passen, ligt besloten in de aard en de doelstellingen van de regelgeving en is geenszins onvoorzienbaar of dubbelzinnig te noemen. Bij de invoering van dit verlaagd tarief bij programmawet van 27 december 2006 was het de bedoeling de leegstand en onbewoonbaarheid van woningen aan te pakken, en de vernieuwing van deze onroerende goederen te stimuleren. Het spreekt voor zich dat dan ook niet elke af te breken constructie in aanmerking komt. Dat de beperking tot woningen gelegen in bepaalde stadkernen werd opgeheven, doet hieraan geen afbreuk. De betrokken navordering betreft de jaren 2017 en 2018, wanneer dit criterium reeds lange tijd kenbaar was. Van een schending van het rechtszekerheidsbeginsel in hoofde van de, geïntimeerde is geen sprake. Het hof ziet geen reden om hieromtrent een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie.

4.2.3.2. Wat de projecten te G. (...) en O. (…) betreft, blijkt uit de stukken dat het te slopen gebouw telkens een garage betrof (de garage te O. was opgetrokken uit houtpanelen). Dat deze constructie een significante omvang had, wordt niet aangetoond. Het tegendeel kan worden afgeleid uit de voorlegde foto's (stukken 58 en 59, bundel geïntimeerde) en uit de benaming van de constructie als garage. Ten overvloede, het feit dat de garageconstructie niet was vermeld in de notariële omschrijving, toont ook aan dat het om een niet-significant gebouw ging dat niet was opgenomen in de kadastrale bescheiden. Aan de wettelijke voorwaarden voor toepassing van het verlaagd tarief is voor de beide projecten aldus niet voldaan.

Bovendien wijst de administratie er terecht op dat moet worden onderzocht of de levering van de onroerende zaak en de sloop en heropbouw van de gebouwen moeten worden aangemerkt als twee onderscheiden en zelfstandige handelingen, die afzonderlijk moeten worden beoordeeld, dan wel als één samengestelde handeling (nl. de levering van een nieuw gebouw) die uit verschillende elementen bestaat (zie ook arrest EHJ van 19 november 2009, *D. B.,* [C-461/08](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-461-08-arret)). In bepaalde omstandigheden moeten immers verschillende formeel onderscheiden handelingen, die afzonderlijk worden verricht en zodoende ieder als zodanig tot belastingheffing of tot vrijstelling kunnen leiden, worden beschouwd als één enkele handeling, wanneer zij niet zelfstandig zijn. Dit is in het bijzonder het geval wanneer twee of meer elementen of handelingen die de belastingplichtige levert aan of verricht voor de klant, zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij objectief gezien één enkele ondeelbare economische handeling vormen, waarvan splitsing kunstmatig zou zijn. Daarbij dient rekening te worden gehouden met eventueel door de verkoper van de onroerende zaak verrichte bijkomende prestaties.

De administratie stelt dat er sprake is van een verkoop op plan, nl. de levering van een onroerend goed gevolgd door afbraak-heropbouw die, voor de toepassing van de btw, één handeling betreft die de levering van een vastgoed in zijn toekomstige staat van afwerking tot voorwerp heeft. Volgens de administratie zijn de levering gevolgd door afbraak-heropbouw ondeelbaar verbonden met elkaar, heeft de opsplitsing in twee handelingen (nl. verkoop gevolgd door een aannemingscontract) een kunstmatig karakter en beantwoordt deze niet aan de economische werkelijkheid noch aan de bedoeling van de partijen.

Uit het dossier blijkt het volgende met betrekking tot het project R...: op 28 maart 2017 werd een aannemingscontract tot sloop en heropbouw gesloten tussen de geïntimeerde en bouwheer A.-A., voor het oprichten van een bebouwing op een perceel bouwgrond dat toen nog moest worden opgesplitst in twee loten;

\- uit de notariële akte blijkt dat de verkavelingsvergunning werd afgeleverd door de stad D. op 6 november 2017 en dat het verkavelingsplan werd opgemaakt op 24 november 2017;

\- het attest 6% afbraak en heropbouw werd op 24 november 2017 ondertekend door bouwheer A.-A., en werd pas op 11 april 2018 ontvangen door de FOD Financiën;

\- de aanvraag tot omgevingsvergunning werd ingediend door bouwheer A. op 31 december 2017;

\- bij notariële akte van 19 februari 2018 kocht bouwheer A.-A. het lot 1 van de heer H. B.;

\- de omgevingsvergunning werd afgeleverd door de stad D. op 19 maart 2018.

Uit het dossier blijkt het volgende met betrekking tot het project …:

\- op 20 januari 2017 werd een aannemingscontract tot oprichting van een woning gesloten tussen de geïntimeerde en bouwheer D.-W., voor het oprichten van een bebouwing op een perceel bouwgrond;

\- bij notariële akte van 20 april 2017 kocht bouwheer D.-W. de bouwgrond van de heer T.;

\- de aanvraag tot omgevingsvergunning werd ingediend door bouwheer W. op 15 mei 2017;

\- de omgevingsvergunning werd afgeleverd door de stad D. op 18 september 2017;

\- in oktober 2017 werd een verklaring 6% afbraak en heropbouw ondertekend.

Uit dit chronologisch overzicht blijkt duidelijk het gemeenschappelijk opzet van de partijen, nl. de oprichting van een nieuwbouwwoning door de geïntimeerde op een perceel dat desgevallend werd verkaveld op kosten van de geïntimeerde met de bedoeling er een nieuwbouwwoning op te richten ten behoeve van de bouwheer. Voorafgaand aan de aankoop van het perceel door de bouwheer werd reeds een aannemingsovereenkomst gesloten tussen de geïntimeerde en de bouwheer. Voor het project R... werd het btw-attest ondertekend door de bouwheer voorafgaand aan de notariële akte van aankoop en de aanvraag tot omgevingsvergunning, waaruit het gemeenschappelijk opzet met de aanneming duidelijk blijkt. Voor het project H. werd het project geadverteerd op de website van de geïntimeerde als een *"op te richten nieuwbouw woning HOB! Een unieke kans voor het oprichten van een nieuwbouw woning aan een BTW tarief van 6%! (Mogelijk omwille van de BTW-regeling voor "sloop en heropbouw") In samenwerking met bouwpromotor (...) Er kan ook gekozen worden voor een aankoop als "winddicht"— ruwbouw (...)",* wat de verkoop op plan bevestigt. Deze handelingen hadden als economisch doel de levering van nieuwbouwwoningen. De afbraak van de op het perceel staande constructie kadert binnen dit opzet van de partijen. De bouwheren hebben een nieuwbouwwoning op plan aangekocht, wat wordt bevestigd door de advertentie op de website van de geïntimeerde. In deze omstandigheden zou het volstrekt kunstmatig zijn om te oordelen dat de bouwheren eerst de af te breken constructie en het erbij horende perceel hebben verworven, en pas daarna de aannemingsdiensten voor sloop en heropbouw.

Vanuit het oogpunt van de btw dienen voormelde handelingen als één handeling te worden beschouwd die, als geheel, niet de afbraak en heropbouw van een woning betreffen, doch wel de levering van een nieuwbouwwoning waarop het verlaagd tarief van 6% niet van toepassing is.

Aan de wettelijke voorwaarden voor toepassing van het verlaagd tarief is voor de beide projecten niet voldaan. De wettelijke voorwaarden werden klaarblijkelijk of ontegenzeglijk (cfr. Van Dale-woordenboek) niet nageleefd. De aanwezigheid op het aangekochte perceel grond van een af te breken constructie die dienst doet als garage kan bezwaarlijk het recht openen op toepassing van het verlaagd tarief van 6% voor de afbraak en de daarmee gepaard gaande heropbouw van een woning. Dit was zichtbaar zowel voor de aannemer als voor de afnemer van de diensten. Bovendien is de kunstmatige opsplitsing van de handelingen gedaan met het oog op het bekomen van het verlaagd tarief van 6%, niettegenstaande deze handelingen als economisch doel de levering van nieuwbouwwoningen hadden. Dit was het gemeenschappelijk opzet van zowel de geïntimeerde als de bouwheren. De uitzondering voorzien in Tabel A, Rubriek XXXVII, 6° van het KB nr. 20 is niet van toepassing. Lastens de geïntimeerde kan de bijkomend verschuldigde btw worden nagevorderd.

4.2.3.3. Wat de projecten te G. (...) betreft, blijkt uit de voorgelegde foto (stuk 57, bundel geïntimeerde), bevestigd door de stedenbouwkundige vergunning, afdoende dat het af te breken gebouw een significante omvang had. Het betrof een woning, dit geheel in lijn met de doelstellingen van het verlaagd tarief. Het feit dat de notariële aktes het voorwerp van de koop omschreven als een perceel bouwgrond, bewijst niet dat het af te breken gebouw op het ogenblik van de koop reeds was afgebroken door de vorige verkoper. Dit wordt tegengesproken door de latere datum van de omgevingsvergunning alsook door de stukken 20 en 50 neergelegd door de geïntimeerde waaruit blijkt dat de te slopen woning op datum van notariële aankoop nog aanwezig was op het perceel, en zou kunnen worden verklaard door de opsplitsing van de percelen als gevolg waarvan de kadastrale omschrijving reeds was aangepast gelet op het doel van de verkavelingsvergunning en bijhorende opsplitsing.

Het is evenwel zo dat onderzocht moet worden of de levering van de onroerende zaak en de sloop en heropbouw van de gebouwen moeten worden aangemerkt als twee onderscheiden en zelfstandige handelingen, die afzonderlijk moeten worden beoordeeld, dan wel als één samengestelde handeling (nl. de levering van een nieuw gebouw) die uit verschillende elementen bestaat (zie ook arrest EHJ van 19 november 2009, *D. B.,* [C-461/08](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-461-08-arret)). In bepaalde omstandigheden moeten immers verschillende formeel onderscheiden handelingen, die afzonderlijk worden verricht en zodoende ieder als zodanig tot belastingheffing of tot vrijstelling kunnen leiden, worden beschouwd als één enkele handeling, wanneer zij niet zelfstandig zijn. Dit is in het bijzonder het geval wanneer twee of meer elementen of handelingen die de belastingplichtige levert aan of verricht voor de klant, zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij objectief gezien één enkele ondeelbare economische handeling vormen, waarvan splitsing kunstmatig zou zijn. Daarbij dient rekening te worden gehouden met eventueel door de verkoper van de onroerende zaak verrichte bijkomende prestaties.

De administratie stelt dat er sprake is van een verkoop op plan, nl. de levering van een onroerend goed gevolgd door afbraak-heropbouw die, voor de toepassing van de btw, één handeling betreft die de levering van een vastgoed in zijn toekomstige staat van afwerking tot voorwerp heeft. Volgens de administratie zijn de levering gevolgd door afbraak-heropbouw ondeelbaar verbonden met elkaar, heeft de opsplitsing in twee handelingen (nl. verkoop gevolgd door een aannemingscontract) een kunstmatig karakter en beantwoordt deze niet aan de economische werkelijkheid noch aan de bedoeling van de partijen.

Uit het dossier blijkt het volgende met betrekking tot het project ...:

\- op 10 november 2017 werd een aannemingscontract tot sloop en heropbouw gesloten tussen de geïntimeerde en bouwheer S.-P., voor het oprichten van een bebouwing op een perceel bouwgrond dat toen nog moest worden opgesplitst in twee loten;

\- uit de notariële akte blijkt dat de verkavelingsvergunning werd afgeleverd door de stad D. op 6 november 2017 en dat het verkavelingsplan werd opgemaakt op 22 december 2017;

\- bij notariële akte van 15 maart 2018 kocht bouwheer S.-P. het lot 1 van de heer J. L., zaakvoerder van de geïntimeerde, die het ganse perceel zelf had aangekocht bij notariële akte van 19 april 2017;

de aanvraag tot omgevingsvergunning werd ingediend door bouwheer S.-P. op 23 april 2018;

de omgevingsvergunning werd afgeleverd door de stad D. op 28 mei 2018;

\- het attest 6% afbraak en heropbouw werd op 1 juni 2018 ondertekend.

Uit het dossier blijkt het volgende met betrekking tot het project ...:

\- op 12 maart 2017 werd een aannemingscontract tot sloop en heropbouw gesloten tussen de geïntimeerde en bouwheer D.-S., voor het oprichten van een bebouwing op een perceel bouwgrond dat toen nog moest worden opgesplitst in twee loten;

\- uit de notariële akte blijkt dat de verkavelingsvergunning werd afgeleverd door de stad D. op 6 november 2017 en dat het verkavelingsplan werd opgemaakt op 22 december 2017;

\- bij notariële akte van 15 maart 2018 kocht bouwheer D.-S. het lot 2 van de heer J. L., zaakvoerder van de geïntimeerde, die het ganse perceel zelf had aangekocht bij notariële akte van 19 april 2017;

\- de aanvraag tot omgevingsvergunning werd ingediend door bouwheer D.-S. op 23 april 2018;

\- de omgevingsvergunning werd afgeleverd door de stad D. op 28 mei 2018;

\- het attest 6% afbraak en heropbouw werd op 11 juni 2018 ondertekend.

Uit dit chronologisch overzicht blijkt duidelijk het gemeenschappelijk opzet van de verkoper(s), nl. de oprichting van een nieuwbouwwoning door de geïntimeerde op een perceel dat de zaakvoerder van de geïntimeerde had aangekocht met de bedoeling dit perceel te verkavelen en er twee nieuwbouwwoningen op te richten ten behoeve van de respectievelijke bouwheren. Reeds voorafgaand aan de aankoop van het perceel door de zaakvoerder van de geïntimeerde werd een aannemingsovereenkomst gesloten met een bouwheer voor het project .... De aannemingscontracten' werden afgesloten voorafgaand aan of rond de datum van de verkavelingsvergunning en voorafgaand aan de opsplitsing zelf. Deze handelingen hadden als economisch doel de levering van twee nieuwbouwwoningen. De afbraak van de op het door de zaakvoerder van de geïntimeerde aangekochte perceel staande woning kadert binnen dit opzet van de verkoper(s). De beide bouwheren hebben een nieuwbouwwoning op plan aangekocht, wat ook duidelijk blijkt uit het gelijktijdig chronologisch verloop van de beide projecten vanaf de notariële akte. In deze omstandigheden zou het volstrekt kunstmatig zijn om te oordelen dat de bouwheren van de zaakvoerder van de geïntimeerde eerst (een deel in) het af te breken gebouw en het erbij horende perceel hebben verworven, en pas daarna de aannemingsdiensten voor sloop en heropbouw.

Vanuit het oogpunt van de btw dienen voormelde handelingen als één handeling te worden beschouwd die, als geheel, niet de afbraak en heropbouw van een woning betreffen, doch wel de levering van een nieuwbouwwoning waarop het verlaagd tarief van 6% niet van toepassing is.

Ten overvloede kan de administratie ook worden gevolgd waar zij stelt dat er sprake is van fiscaal misbruik. Uit voormeld chronologisch overzicht blijkt duidelijk het gemeenschappelijk opzet van de partijen, m.n. de levering van een nieuwbouwwoning. Zij hebben de handelingen zo gestructureerd en kunstmatig opgesplitst teneinde toepassing te kunnen maken van het verlaagd btw-tarief van 6% (wat overigens ook blijkt uit de wijze waarop de geïntimeerde reclame maakt, nl. voor de verkoop van nieuwbouwwoningen aan het tarief van 6%). Het feit dat voor het project ... de aannemingsovereenkomst werd gesloten alvorens de zaakvoerder van de geïntimeerde zelf eigenaar werd van het perceel, is tekenend. De toekenning van het verlaagd tarief van 6% voor handelingen binnen deze constellatie is strijdig met de doelstellingen van dit verlaagd tarief die de afbraak en heropbouw van woningen wil stimuleren door eigenaars een fiscale stimulans te geven voor de vernieuwing van hun onroerend goed. Het valt niet binnen de doelstellingen van de wetgever om elke (levering van een) nieuwbouw te onderwerpen aan het verlaagd tarief. De opsplitsing in verschillende handelingen is zuiver kunstmatig en houdt geen verband met de concrete economische realiteit. De opsplitsing is alleen gebeurd teneinde een fiscaal voordeel te verkrijgen, m.n. de toepassing van een verlaagd btw-tarief, in strijd met de doelstellingen van de reglementering die de toepassing van dit verlaagd btw-tarief niet voorziet voor deze constellatie. Het verweer van de geïntimeerde gaat op dit punt uit van de juridische opsplitsing van de handelingen en kan daarom niet worden gevolgd.

Aan de wettelijke voorwaarden voor toepassing van het verlaagd tarief is voor de beide projecten gelegen aan de ... niet voldaan. De wettelijke voorwaarden werden klaarblijkelijk of ontegenzeglijk (cfr. Van Dale-woordenboek) niet nageleefd. De kunstmatige opsplitsing van de handelingen gesteld door de geïntimeerde en haar zaakvoerder is gedaan met het oog op het bekomen van het verlaagd tarief van 6%, niettegenstaande deze handelingen als economisch doel de levering van twee nieuwbouwwoningen hadden. Dit was het gemeenschappelijk opzet van zowel de geïntimeerde (en haar zaakvoerder) als de bouwheren. De uitzondering voorzien in Tabel A, Rubriek XXXVII, 6° van het KB nr. 20 is niet van toepassing. Lastens de geïntimeerde kan de bijkomend verschuldigde btw worden nagevorderd.

4.2.3.4. De omstandigheid dat de administratie voor een vijfde project (N.) de toepassing van het verlaagd tarief wel heeft aanvaard, rechtvaardigt niet de toekenning van het verlaagd tarief voor voormelde vier projecten aan de geïntimeerde. Aan de wettelijke voorwaarden voor toepassing van het verlaagd tarief is voor deze projecten immers niet voldaan. Van een schending van het neutraliteitsbeginsel is dan ook geen sprake. Of voor dit vijfde project al dan niet voldaan is aan de voorwaarden voor toepassing van het verlaagd tarief is geen voorwerp van dit geschil voor het hof. Het hof kan daarover dan ook geen uitspraak doen.

*4.2.4. Besluit*

Het hof besluit dat het principaal hoger beroep gegrond is. Het incidenteel beroep is deels gegrond. Het bestreden vonnis wordt vernietigd waar het uitspraak doet ten gronde. Het bedrag van de door de geïntimeerde verschuldigde btw bedraagt (84.026,69 - 2.125,85 - 64,04 - 73,06 =) 81.763,74 euro, meer nalatigheidsintresten in toepassing van [artikel 91, §1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) vanaf 21 januari 2019.

## 5. De gerechtskosten

Zowel het principaal hoger beroep als het incidenteel beroep worden, geheel dan wel deels, ingewilligd. De beide partijen zijn elk omtrent een geschilpunt in het ongelijk gesteld. Om die reden past het om de gerechtskosten om te slaan en concreet, rekening houdend met het relatieve belang van de middelen, de appellant te veroordelen tot 1/10 e en de geïntimeerde te veroordelen tot 9/10 e van de gerechtskosten van de beide aanleggen.

Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger. W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt recht op een rechtsplegingsvergoeding.

Vermits de waarde van de vordering, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger. W., zich in de schijf van 100.000,01 tot 250.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van 7.000,00 euro toepasselijk voor de procedure in eerste aanleg en 7.500,00 euro voor de procedure in hoger beroep.

Aangezien de appellant voor de eerste rechter niet werd vertegenwoordigd door een advocaat, is deze niet gerechtigd op een rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in eerste aanleg.

### Dispositif

## BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak;

Het hof beslist als volgt:

 het principaal hoger beroep van de appellant is ontvankelijk en als volgt gegrond;

 het incidenteel hoger beroep van de geïntimeerde is ontvankelijk en deels gegrond als volgt;

 het bestreden vonnis wordt vernietigd, behoudens waar het uitspraak doet over de ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde;

 het hof doet opnieuw recht ten gronde en verklaart de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde gegrond als volgt:

\- vernietigt de opname in het innings- en invorderingsregister onder schuldnummer 500...83 op datum van 15 december 2020, uitvoerbaar verklaard op 16

december 2020 en betekend aan de geïntimeerde op 16 december 2020, als gevolg waarvan de geldboete niet verschuldigd is;

\- het hof oordeelt zelf in feite en in rechte over het bestaan van de btw-schuld en zegt voor recht dat de geïntimeerde een bedrag aan btw van 81.763,74 euro, meer nalatigheidsintresten in toepassing van [artikel 91, §1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) vanaf 21 januari 2019, verschuldigd is;

 het hof veroordeelt de appellant tot het betalen van de 1/10 e en de geïntimeerde tot het betalen van 9/10' van de gerechtskosten van de beide instanties, vastgesteld als volgt:

\- aan de kant van de appellant:

 bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 24,00 EUR

 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 7.500,00 EUR

\- aan de kant van de geïntimeerde:

 bijdrage begrotingsfonds eerste aanleg: 20,00 EUR

 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 7.000,00 EUR

 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 7.500,00 EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, **VIJFDE KAMER,** recht doende in fiscale zaken, op **12 maart 2024.**

Aanwezig:

F. C., raadsheer, wn. voorzitter, alleenrechtsprekend J. D., griffier

### Décision jointe par le SPF

## Jugement du Tribunal de première instance

***Le jugement est publié uniquement dans la langue originale***

### Rechtbank van eerste aanleg, Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, 6e burgerlijke kamer

**Vonnis van 30.05.2022**

**Rol: 21/24/A**

**In de zaak van:**

**BVBA L. W.,** KBO 067...34, met zetel te ...,

***eisende partij,*** hebbende als raadsman mr. L. T., advocaat te ...;

**Tegen:**

**De BELGISCHE STAAT,** FOD Financiën — Stafdienst Logistiek - Koning Albert II laan 33 bus 971 te 1030 Brussel, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal, Directeur van het KMO Centrum Aalst, met kantoor te 9100 Sint-Niklaas, Driekoningenstraat 4, KBO 0308.357.159,

***verwerende partij,*** voor wie optreedt mevrouw X, attaché bij een fiscaal bestuur;

Beslist de rechtbank als volgt :

## I. DE RECHTSPLEGING

De rechtbank nam kennis van de argumenten van de partijen op de openbare terechtzitting van 2 mei 2022. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam de zaak in beraad. De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in en in het bijzonder het neergelegd gedinginleidende verzoekschrift van 29 december 2020 en de conclusies van partijen.

## II. DE VORDERING

**Eiseres** vordert in \`synthesebesluiten' de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren:

*De BTW-schuld met betrekking tot de periode vanaf 8 maart 2017 t.e.m. 31 maart 2018 zoals deze blijkt uit het proces-verbaal dd. 10 november 2020, volgens betaalbericht dd. 24 november 2020 met artikelnummer 500...83, voor een bedrag in hoofdsom van 84.026,69 EUR aan nagevorderde BTW, vermeerderd met een proportionele boete van 8.400,00 EUR die werd opgelegd in toepassing van de artikelen 70, §§ 1 en ibis en 84, lid 3 WBTW ju. het KB/WBTW nr. 41, voor een totaalbedrag in hoofdsom en boetes van 92.426,69 EUR, en zoals opgenomen in een innings- en invorderingsregister dd. 15 december 2020 onder het artikelnummer 500...83, uitvoerbaar verklaard dd. 16 december 2020, met verzending van het innings- en invorderingsbericht op dezelfde datum, te vernietigen, dit in zoverre:*

*-* *de aftrek wordt verworpen van een bedrag van 2.125,85 EUR aan BTW (punt I van het proces-verbaal dd. 10 november 2020); de aftrek van de BTW wordt verworpen ter zake de facturen opgenomen onder deel IV.B van onderhavig verzoekschrift, voor een totaalbedrag van 1.065,15 EUR (punt III van het proces-verbaal dd. 10 november 2020);*

*-* *er een navordering van BTW plaatsvindt wegens het vermeendelijk ten onrechte toepassen van het in rubriek XXXVII van Tabel A van de bijlagen bij het KB/WBTW nr. 20 bedoelde tarief van 6%, dit voor een bedrag van 78.859,69 EUR (punt V van het proces-verbaal dd. 10 november 2020. Het betreft het bedrag van 80.284,69 EUR, onder aftrek van een bedrag van 1.425,00 EUR verbonden aan de commissie opgenomen in factuur nr. 9/2018);*

*er een proportionele geldboete ten bedrage van 8.400,00 EUR werd opgelegd.*

*- Verweerster te horen veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding begroot langs de zijde van \[eiseres\] op 3.900,00 EUR, onder voorbehoud van indexatie, en de bijdrage aan het fonds voor juridische tweedelijnsbijstand ten bedrage van 20,00 EUR."*

**Verweerster** vordert in synthesebesluiten de vordering ontvankelijk en ongegrond te verklaren en vervolgens:

*De vordering van eiseres af te wijzen behoudens voor factuur 2017168 en factuur 2018229;*

*De verschuldigde btw uit het proces-verbaal van 10 november 2020, zijnde 84.026,69 EUR verminderd met 138,00 EUR en de opgelegde boete op de weerhouden btw te bevestigen;*

*Eiseres tot de kosten te veroordelen."*

## III. RELEVANTE FEITEN EN GESCHIL

1.De bvba L. W., gevestigd te ..., is sinds 8 maart 2017 geregistreerd als btw-plichtige onder het nummer BE067...34 met als economische activiteit de ontwikkeling van residentiële bouwprojecten.

2.Op 10 december 2019 heeft het KMO Centrum Aalst, Controle 12, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9100 Sint-Niklaas, Driekoningenstraat 4, een fiscale controle aangekondigd bij brief voor 28 januari 2020 aan eiseres. Deze controle betreft de toepassing van de btw-reglementering in de periode van 8 maart 2017 tot 31 december 2018.

3\. Op 28 januari 2020 heeft de fiscale ambtenaar zich aangeboden bij Fiduciaire D. M. ..... Daar werd hij ontvangen door mevrouw ..., gevolmachtigd boekhoudster.

4.De fiscale ambtenaar, de heer De Block, heeft gevraagd om op grond van artikel 61, § 1 W.BTW inzage te krijgen in de volledige boekhouding en al de boeken, stukken en bescheiden, die eiseres ingevolge artikel 60 W.BTW moet bewaren.

5.De gedane vaststellingen en inbreuken van de fiscale controle werden opgenomen in een correctieopgave die op 1 oktober 2020 per gewone e-mail werd overgemaakt aan mevrouw ....

Telefonisch werd afgesproken om op 9 oktober 2020 in de kantoren van F. D. M. B. deze correctieopgave te bespreken in het bijzijn van de heer L. (zaakvoerder van eiseres). Deze vergadering werd afgezegd door de heer L., volgens verweerster, aangezien hij aangaf niet akkoord te zijn met de inhoud van de correctieopgave.

6.De correctieopgave werd vervolgens op 13 oktober 2020 per aangetekend

schrijven verstuurd naar de bvba L. W. .

7.In een telefoongesprek met mevrouw D. M. werd nogmaals bevestigd dat de heer L., zaakvoerder van eiseres, de correctieopgave niet voor akkoord wilde ondertekenen.

Daarom werden de vastgestelde overtredingen op 10 november 2020 opgenomen in een proces-verbaal. Dit proces-verbaal werd op 12 november 2020 kennisgegeven aan eiseres (stuk 3 verwerende partij).

8.In dit proces-verbaal werden volgende inbreuken op de btw-wetgeving

vastgesteld:

1) Inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van handelingen die de belastingplichtige niet gebruikt voor het verrichten van in artikel 45, § 1, W.BTW bedoelde handelingen ten belope van 2.125,85 EUR btw.

2) Inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van de verplichting in het bezit te zijn van een regelmatige factuur ten belope van 73,06 EUR btw.

3) Inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van goederen en/of diensten die volledig of gedeeltelijk bestemd zijn voor privédoeleinden of voor andere doeleinden dan die van de economische activiteit ten belope van 1.306,70 EUR btw.

4) Inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van de levering, de invoer en de intracommunautaire verwerving van autovoertuigen en van goederen en diensten met betrekking tot die voertuigen ten belope van 236,84 EUR btw.

5) Inbreuken op artikelen 37 en 38 W.BTW en het KB nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de btw en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven ten belope van 80.284,69 EUR btw.

Totaal verschuldigde btw: 84.026,69 EUR.

Er werd tevens een verminderde proportionele boete opgelegd overeenkomstig artikel 84, derde alinea, W.BTW en overeenkomstig [artikel 1, van het KB nr. 41](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958#ar41-art1) van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde en overeenkomstig tabel G en H van de bijlage bij dit besluit van 8.400,00 EUR.

9.Deze btw-schuld is gekend onder het schuldnummer RCIV 500...83. Voor deze schuld werd op 24 november 2020 een betaalbericht gestuurd naar eiseres.

10\. Op 16 december 2020 werd een innings- en invorderingsbericht verstuurd aan eiseres met de mededeling dat de schuld RCIV nummer 500...83 werd opgenomen in het innings- en invorderingsregister (stuk 5 verwerende partij).

11\. Op 29 december 2020 legde eiseres een verzoekschrift neer ter griffie van deze rechtbank.

## IV. BEOORDELING

### 1. Ontvankelijkheid

Verweerster voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden.

Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt is de vordering ontvankelijk.

### 2. Ten gronde

*Inzake de procedure*

2.1.

Eiseres werpt op dat de verantwoording van de belastingschuld niet uiterlijk een maand voor de opname ervan in een innings- en invorderingsregister aan eiseres ter kennis werd gebracht. Artikel 85 W.BTW werd bijgevolg geschonden, en de uitvoerbare titel van de BTW-schuld, zijnde het innings- en invorderingsregister, dient vernietigd te worden.

2.2.

Artikel 81*bis* §1 W.BTW bepaalt:

Er is verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.

Artikel 85 §1 W.BTW luidt:

> *"Bij niet-betaling van de belastingschuld bestaande uit de belasting, interesten, fiscale geldboeten en toebehoren, wordt deze opgenomen in een innings- en invorderingsregister, die de uitvoerbare titel vormt voor de invordering van de belastingschuld en deze concretiseert.*
>
> *De belastingschuld kan het voorwerp uitmaken van verbeterende innings- en invorderingsregisters in het geval van een latere wijziging, om welke reden dan ook, van de bedragen opgenomen in het innings- en invorderingsregister overeenkomstig het eerste lid.*
>
> *De verantwoording van de belastingschuld moet uiterlijk een maand voor de opname ervan in een innings- en invorderingsregister bedoeld in het eerste of tweede lid, ter kennis van de belastingschuldige worden gebracht, behalve indien de rechten van de Schatkist in het gedrang komen. In dat laatste geval moet zij ten laatste op het ogenblik dat de belastingschuld in een innings-en invorderingsregister wordt opgenomen aan de belastingschuldige ter kennis worden gebracht. Indien de belastingschuldige geen gekende woonplaats in België of in het buitenland heeft, wordt deze verantwoording verstuurd naar de procureur des Konings te Brussel."*

2.3.

De rechtbank merkt op dat de minimumtermijn van een maand niet van toepassing is wanneer de rechten van de Schatkist in het gedrang komen (bijvoorbeeld nakende verjaring, geschokt krediet van de belastingschuldige, staking van betaling, aanstaand vertrek naar het buitenland, faillissement, enz.). In zo'n geval moet de kennisgeving van de verantwoording van de btw-schuld gebeuren ten laatste op het ogenblik van haar opname in een innings-en invorderingsregister.

De kennisgeving van de verantwoording van de btw-schuld gebeurt in het kader van de uitdrukkelijke motivering van het innings- en invorderingsregister en bestaat uit de kennisgeving aan de belastingschuldige van de overwegingen in rechte en in feite — met name het voorwerp en de grondslag — van de in het innings- en invorderingsregister opgenomen btw-schuld.

2.4.

De rechtbank stelt vast dat de overtredingen opgenomen in het proces-verbaal van 10 november 2020 betrekking hebben op de periode van 8 maart 2017 tot 31 december 2018. Deze overtredingen zouden verjaren op 31 december 2020. In het voorliggende geschil waren de rechten van de Schatkist dan wel degelijk in het gedrang in het licht van de nakende verjaring.

Verder stelt de rechtbank vast dat het proces-verbaal op 12 november 2020 ter kennis werd gegeven aan eiseres. De datum van kennisgeving is de derde werkdag volgend op de datum waarop de verantwoording van de btw-schuld werd afgegeven aan de aanbieder van de universele postdienst, in dit geval dus 17 november 2020. Op 24 november 2020 werd een betalingsbericht verstuurd naar eiseres.

2.5.

De rechtbank is van oordeel dat de schuld die op 15 december 2020 werd opgenomen in het innings- en invorderingsregister niet is verjaard omdat de minimumtermijn van een maand niet van toepassing is wanneer de rechten van de Schatkist in het gedrang zijn.

De grief van eiseres is ongegrond.

*Inzake de inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van handelingen die de belastingplichtige niet gebruikt voor het verrichten van in artikel 45, § 1, W.BTW bedoelde handelingen voor een bedrag van 2.125,85 EUR btw (punt I van het proces-verbaal)*

2.6.

Overeenkomstig artikel 45, § 1 W.BTW mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is, in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van:

1° belaste handelingen;

2° handelingen vrijgesteld krachtens de artikelen 39 tot 42;

3° handelingen in het buitenland, waarvoor recht op aftrek zou ontstaan

indien zij in het binnenland zouden plaatsvinden;

4°(..);

5° (...).

Het [artikel 1, van het koninklijk besluit nr. 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c#ar3-art1) van 10 december 1969, bepaalt:

§1. Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 45, §§ *ibis,* 2 en 3, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, brengt de belastingplichtige, onder de voorwaarden gesteld bij de artikelen [2](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c#ar3-art2) tot [4](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c#ar3-art4) van dit besluit, de belasting in aftrek geheven van de goederen en diensten die hij bestemt voor het verrichten van in [artikel 45, §1, 10](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) tot [50](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-50), van het Wetboek bedoelde handelingen.

Indien de belastingplichtige in de uitoefening van zijn economische activiteit andere handelingen verricht waarvoor geen aanspraak op aftrek bestaat, gedraagt hij zich, voor het vaststellen van de te verrichten aftrek, naar het bepaalde in de artikelen [46](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-46) en [48](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-48) van het Wetboek en 12 tot 21 van dit besluit.

Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dient er, opdat de btw-belastingplichtige recht op aftrek van de voorbelasting kan hebben, een rechtstreekse en onmiddellijke samenhang te bestaan tussen de gemaakte kost en de aan de btw onderworpen uitgeoefende activiteit (H.v.J. 8 juni 2000, nr. [C-98/98](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-98-98-arret), M. B., Rec. p. 1-4177, punt 24; H.v.J. 22 februari 2001, nr. [C-408/98](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-408-98-arret), A. N., Rec. p, 1-1361, punt 26 en H.v.J. 3 maart 2005, nr. [C-32/03](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-32-03-arret), F. H, onuitg. http://eur-lex.europa.eu).

Dit bestemmingsbeginsel zit vervat in art. 45 §1 W.BTW.

2.7.

De rechtbank stelt vast dat eiseres tien aankoopfacturen (opgenomen onder stuk 19 eisende partij) voor een totaalbedrag van 2.125,85 EUR aan btw in aftrek heeft genomen. Deze facturen hebben betrekking op opmetings- en verkavelingswerkzaamheden.

2.8.

Eiseres argumenteert dat de kosten die werden verworpen (opmetingsplannen, verkavelingsplannen enz.) niet werden gedaan om gronden te verkopen maar haar wel in staat te stellen om haar aannemingsactiviteiten te kunnen ontwikkelen. Verder stelt eiseres dat deze kosten werden gedaan om een verkavelingsdossier op te stellen teneinde de hoegrootheid en precieze uitwerking van de uit te voeren aannemingswerkzaamheden uit te voeren.

2.9.

De rechtbank stelt vast dat deze opmetingskosten niet werden doorgerekend aan haar cliënten in het kader van een aannemingsovereenkomst die werd gesloten en die met btw werd gefactureerd maar wel werden doorgerekend bij de notariële verkoop van de gronden, waar eiseres niet de verkoper van was.

Volgens de rechtbank is er op deze manier geen samenhang tussen de gemaakte kosten en de aan de btw onderworpen uitgeoefende activiteit.

De rechtbank deelt dan ook niet de zienswijze van eiseres dat deze kosten werden doorgerekend en dat deze kosten deel uit maken van de prijs die eiseres aan de bouwheren aangerekend heeft. Uit de stukken blijkt echter het tegendeel. In de notariële akten werd de prijs voor opmeting en verkaveling opgenomen (stuk 26 pagina 6; stuk 11 pagina 8 en stuk 15 pagina 10).

2.10.

Voor de rechtbank is het niet aannemelijk dat het dragen van de opmetingskosten en kosten voor opmaak van een verkaveling door eiseres van gronden waar zij geen eigenaar van is, opportuun voor eiseres zou kunnen zijn, indien voorafgaandelijk geen afspraken werden gemaakt met de grondeigenaars omtrent de bouw van woningen door eiseres op die gronden.

Deze werkwijze wijst er volgens de rechtbank op dat het hier een verkoop op plan betreft waarbij reeds vaststond dat de bouw door eiseres diende te gebeuren en de kopers van de grond eigenlijk geen vrije keuze van aannemer hadden.

2.11.

De grief van eiseres is onterecht.

Verweerster heeft dus terecht de aftrek van deze btw verworpen nu diverse gronden betreffende de diverse opmetingen werden verkocht met toepassing van het registratierecht en dus niet werden onderworpen aan de btw.

Verweerster heeft terecht inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van handelingen die de belastingplichtige niet gebruikt voor het verrichten van in artikel 45, § 1, W.BTW opgesomde handelingen vastgesteld voor een bedrag van 2.125,85 EUR btw.

*Inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van goederen en/of diensten die volledig of gedeeltelijk bestemd zijn voor privédoeleinden of voor andere doeleinden dan die van de economische activiteit ten belope van 1.306,70 EUR btw (punt II van het proces-verbaal)*

2.12.

Overeenkomstig artikel 45, § 1 W.BTW mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is, in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van:

1° belaste handelingen;

2° handelingen vrijgesteld krachtens de artikelen 39 tot 42;

3' handelingen in het buitenland, waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland zouden plaatsvinden;

4°(...);

5° (...).

Het [artikel 1, van het koninklijk besluit nr. 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c#ar3-art1) van 10 december 1969, bepaalt:

§1. Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 45, §§ *ibis,* 2 en 3, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, brengt de belastingplichtige, onder de voorwaarden gesteld bij de artikelen [2](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c#ar3-art2) tot [4](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c#ar3-art4) van dit besluit, de belasting in aftrek geheven van de goederen en diensten die hij

bestemt voor het verrichten van in artikel 45, §1, 1° tot 5', van het Wetboek bedoelde handelingen.

Indien de belastingplichtige in de uitoefening van zijn economische activiteit andere handelingen verricht waarvoor geen aanspraak op aftrek bestaat, gedraagt hij zich, voor het vaststellen van de te verrichten aftrek, naar het bepaalde in de artikelen [46](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-46) en [48](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-48) van het Wetboek en 12 tot 21 van dit besluit.

§2. Voor aftrek komt in geen geval in aanmerking de belasting geheven van de goederen en diensten die een belastingplichtige bestemt voor privédoeleinden of voor andere doeleinden dan die van zijn economische activiteit.

Wanneer een goed of een dienst bestemd is om gedeeltelijk voor zulke doeleinden te worden gebruikt, is het recht op aftrek naar verhouding van dat gebruik uitgesloten. Die verhouding dient door de belastingplichtige te worden bepaald onder controle van de administratie.

Sedert 2011 moeten btw-belastingplichtigen die goederen of diensten aankopen en die ze zowel gebruiken voor hun btw-activiteiten als voor andere doeleinden, de btw-aftrek beperken in functie van het beroepsgebruik.

Voor personenwagens bestaan er drie methoden om de verhouding beroeps-/privégebruik vast te stellen: een rittenadministratie, een semi-forfaitaire formule en een forfait van 35%.

2.13.

De fiscale administratie verwerpt de aftrek van btw voor een totaalbedrag van 1.306,70 EUR met betrekking tot diverse aankoopfacturen die verband houden met kosten aan diverse vervoermiddelen van eiseres. Volgens verweerster werd niet aangetoond dat ze worden gebruikt voor doeleinden van de economische activiteit van de belastingplichtige.

2.14.

De rechtbank is van oordeel, op grond van de voorgelegde stukken, dat de aftrek van overige moto's en fietsen terecht werd verworpen. Het beroepskarakter werd niet afdoende aangetoond. Het lijkt er op dat eiseres alle voertuigen, moto's en fietsen inbegrepen, wil aanzien als beroepsmatig.

De rechtbank beschikt niet over afdoende objectieve gegevens om dit beroepsmatig karakter te herzien. Zo heeft verweerster bepaalde aftrekken wel toegestaan betreffende de Mercedes (50%) en de H. (70%) voor de zaakvoerders L. J. en B. C., alsook voor de moto D. voor de zoon L. B.. Eiseres faalt in haar bewijslast.

2.15.

De rechtbank besluit dat verweerster terecht inbreuken heeft vastgesteld op de aftrekregeling ten aanzien van goederen en/of diensten die volledig of gedeeltelijk bestemd zijn voor privédoeleinden of voor andere doeleinden dan die van de economische activiteit ten belope van 1.306,70 EUR btw, behoudens de bedragen 64,04 EUR (btw op dweiltoestel) en 73,06 EUR (factuur L. M met nummer 2017168, werd onterecht tweemaal verworpen).

De grief van eiseres is in zeer beperkte mate gegrond.

*Inzake de inbreuken op artikelen 37 en 38 W.BTW en het KB nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de btw en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven ten belope van 80.284,69 EUR btw (punt V van het proces-verbaal)*

2.16.

De Rubriek XXXVII van Tabel A van het KB nummer 20 van 20 juli 1970, tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, bepaalt:

*"Het verlaagd tarief van 6 pct., is van toepassing op het werk in onroerende staat en de andere handelingen opgesomd in rubriek XXXI, § 3, 3° tot 6°, die tot voorwerp hebben de afbraak en de daarmee gepaard gaande heropbouw ven een woning.*

*Het voordeel van het verlaagd tarief is onderworpen aan het vervullen van de navolgende voorwaarden:*

*1°* *de handelingen moeten betrekking hebben op een woning die, na de uitvoering van de werken, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk als privéwoning wordt gebruikt;*

*2°* *de handelingen moeten betrekking hebben op een woning die gelegen is in één van de grote steden opgesomd in de koninklijke besluiten van 12 augustus 2000, 26 september 2001 en 28 april 2005 ter uitvoering van artikel 3 van de wet van 17 juli 2000 tot bepaling van de voorwaarden waaronder de plaatselijke overheden een financiële bijstand kunnen genieten van de Staat in het kader van het stedelijk beleid;*

*4°* *de bouwheer moet*

*a)* *vooraleer de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig de artikelen* [*22, § 1 en 22bis*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-22) *van het Wetboek, bij het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde van het ambtsgebied waarin het gebouw is gelegen een verklaring indienen. Deze verklaring dient te vermelden dat het gebouw dat hij laat afbreken en heroprichten bedoeld is om hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, als privéwoning te worden gebruikt en dient vergezeld te zijn van een afschrift van:*

*-* *de bouwvergunning;*

*-* *het (de) aannemingscontract(en).*

*b)* *aan de dienstverrichter een afschrift van de verklaring bedoeld onder a) overhandigen.*

*5°* *het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig de artikelen* [*22, § 1 en 22bis*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-22) *van het Wetboek, moet zich voordoen uiterlijk op 31 december van het jaar van de eerste ingebruikneming van het gebouw;*

*6°* *de door de dienst verrichter uitgereikte factuur en het dubbel dat hij bewaart, moeten, op basis van het afschrift bedoeld onder punt 4°, b), hiervoor, melding maken van het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen; behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of klaarblijkelijk niet naleven van onderhavige bepaling, ontlast de verklaring van de afnemer de dienstverrichter van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief.*

*Het verlaagd tarief is in geen geval van toepassing op*

*1° werk in onroerende staat en andere onroerende handelingen die geen*

*betrekking hebben op de eigenlijke woning, zoals bebouwingswerkzaamheden, tuinaanleg en oprichten van afsluitingen;*

*2°* *werk in onroerende staat en andere onroerende handelingen die tot voorwerp hebben de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van zwembaden, sauna's, midget-golfbanen, tennisterreinen en dergelijke installaties;*

*3°* *gehele of gedeeltelijke reiniging van een woning.*

2.17.

De beslissing inzake btw nr. E.T. 120.125 van 13 mei 2014 in verband met de verkoop van een oud gebouw gevolgd door de renovatie of afbraak-heropbouw van dat gebouw — "Nieuw" vastgoed, stelt:

*"De administratie heeft vastgesteld dat bouwpromotoren nieuw vastgoed (appartementen of eengezinswoningen) op de markt brengen met toepassing van het belastingtarief van 6%.*

*Aangezien tabel A van de bijlage bij het Koninklijk Besluit nr. 20 geen bepaling bevat inzake de toepassing van het verlaagd tarief ten aanzien van de levering van nieuw vastgoed - behalve voor de leveringen door bepaalde openbare inrichtingen in het kader van het sociaal beleid op het vlak van de huisvesting - heeft de administratie de juridische constructies onderzocht die bepaalde bouwpromotoren hebben uitgewerkt met het oog op de toepassing van het verlaagd tarief.*

*In algemene zin kunnen ingeval van verkoop van oude gebouwen gevolgd door afbraak-heropbouw of door belangrijke renovatiewerken waardoor het*

*vastgoed voor de toepassing van de btw "nieuw" wordt, twee gevallen worden onderscheiden:*

*-* *ofwel contracteert de koper met één medecontractant voor twee soorten handelingen (aankoop en aannemingscontract);*

*-* *ofwel zijn de verkoper en de onderneming die instaat voor de renovatie of afbraak-heropbouw, twee juridisch onderscheiden personen.*

*Indien de twee handelingen ondeelbaar verbonden zijn met elkaar, heeft de opsplitsing in twee handelingen (verkoop gevolgd door een aannemingscontract) overeenkomstig het arrest van 19 november 2009 in de zaak* [*C-461/08*](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-461-08-arret) *"D. B." van het Hof van Justitie van de Europese Unie een kunstmatig karakter en beantwoordt niet aan de economische werkelijkheid noch aan de bedoeling van de partijen. (stuk 24)*

*Dergelijke leveringen gevolgd door renovatie of afbraak-heropbouw vormen dus, voor de toepassing van de btw, één handeling die de levering van een vastgoed in zijn toekomstige staat van afwerking tot voorwerp heeft (verkoop op plan), ongeacht of er één of meerdere kopers zijn en of het vastgoed al dan niet valt onder het stelsel van de gedwongen mede-eigendom. De levering van dat vastgoed en het bijhorend terrein is dus onderworpen aan het normale belastingtarief, dat thans 21% bedraagt.*

*Bovendien kunnen handelingen als misbruik worden beschouwd volgens het arrest van 21 februari 2008 in de zaak* [*C-425/06*](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-425-06-arret) *"Part services" wanneer het beoogde resultaat een belastingvoordeel is waarvan de toekenning in strijd zou zijn met één of meerdere doelen van de btw-regelgeving en wanneer dat voordeel het wezenlijke doel is van de gekozen contractuele oplossing. (stuk 25)*

*Voor de beoordeling van dat doel wordt rekening gehouden met het louter kunstmatige karakter van de handelingen alsmede met de juridische, economische en/of persoonlijke banden tussen de betrokken ondernemingen. Uit dergelijke elementen kan blijken dat verkrijging van een belastingvoordeel het wezenlijke doel is geweest, ook al hebben daarnaast economische doelen op het vlak van bijvoorbeeld marketing, organisatie en garantie mogelijk een rol gespeeld.*

*Zo zal de promotor in het eerste geval niet zelden onverdeelde aandelen in het oude gebouw waarvan hij eigenaar is, te koop aanbieden aan klanten die een nieuw appartement wensen, en hierbij aan de klanten opleggen of voorstellen dat hij instaat voor de afbraak-heropbouw of voor de renovatiewerken waardoor de appartementen voor de toepassing van de btw meestal "nieuw" zijn. In dit verband wordt opgemerkt dat de aan de klant verkochte onverdeelde aandelen in het oude gebouw worden berekend rekening houdend met de oppervlakte van het nieuwe appartement waarvan die klant eigenaar is na de werken.*

*Volgens de promotoren zouden die twee overeenkomsten op fiscaal vlak afzonderlijk moeten worden bekeken zodat de verkoop van het oude vastgoed zou moeten worden belast met toepassing van registratierechten terwijl de werken het verlaagd tarief zouden kunnen genieten.*

*Rekening houdend met het feit dat de verkochte onverdeelde aandelen in het oude gebouw overeenstemmen met de oppervlakte van het nieuwe appartement waarvan de klant eigenaar wordt, het materieel niet mogelijk is, inzonderheid wegens de noodwendigheden op technisch vlak van de uit te voeren werken, dat elke koper vrij zijn eigen aannemer kiest voor de uitvoering van de renovatie of afbraak-heropbouw van het oude gebouw, is de administratie daarentegen van oordeel dat de opsplitsing in twee handelingen (verkoop gevolgd door een aannemingscontract) een kunstmatig karakter heeft en niet beantwoordt aan de economische werkelijkheid noch aan de bedoeling van de partijen, en dat de twee handelingen ondeelbaar verbonden zijn met elkaar.*

*Ook in het tweede geval menen de promotoren dat de twee overeenkomsten die opgesteld worden door onderscheiden belastingplichtigen, op fiscaal vlak afzonderlijk zouden moeten worden bekeken zodat de verkoop van het oude vastgoed zou moeten worden belast met toepassing van registratierechten terwijl de renovatiewerken of afbraak-heropbouw het verlaagd tarief zouden kunnen genieten.*

*De administratie is in dit verband van oordeel dat, benevens de mogelijkheid van herkwalificatie van de handeling (vgl. arrest "D. B."), hier in voorkomend geval ook moet worden onderzocht of er, rekening houdend met de geval per geval te onderzoeken feitelijke omstandigheden, geen sprake is van misbruik in de zin van* [*artikel 1, § 10, van het Btw-Wetboek*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-1)*.*

*Wanneer uit de aldus onderzochte omstandigheden blijkt dat de door beide belastingplichtigen voorgestelde overeenkomsten verbonden zijn, dient voornoemde bepaling alsook de jurisprudentie "Part Services" te worden ingeroepen en moet er worden van uitgegaan dat het wezenlijke doel van de splitsing van de handeling over twee belastingplichtigen bestaat in het vermijden van de toepassing van het normale belastingtarief. (...)"*

2.18.

Verweerster vordert een totaalbedrag van 80.284,24 EUR aan btw aangezien er onterecht toepassing werd gemaakt van het verlaagd tarief van 6 % voor werken in onroerende staat overeenkomstig artikel 1, lid 2, a) en tabel A, rubriek XXXVII van de bijlagen bij het KB/W.BTW nr. 20 (Afbraak en heropbouw van gebouwen in stadsgebieden). Volgens verweerster dient er toepassing te worden gemaakt van het gewone tarief van 21% zodat het verschil wordt terug gevorderd.

Volgens eiseres heeft zij daarentegen wel voldaan aan de voorwaarden van tabel A, rubriek XXXVII van de bijlagen bij het KB/W.BTW nr. 20 zodat de navordering onterecht is.

Hieronder worden de verschillende onroerende goederen onder de loep genomen en gaat de rechtbank in op de vraag of deze onroerende goederen al of niet onderworpen zijn aan een btw-tarief van 6% of aan 21%.

*Betreffende het onroerend goed gelegen te G. (D.), ...*

2.19.

Eiseres argumenteert dat er sprake is van een afbraak van een bestaand gebouw, gevolgd door heropbouw. Dit blijkt zowel uit de door de bouwheer bekomen stedenbouwkundige vergunning d.d. 19 maart 2018 (stuk 5 eisende partij) die werd afgeleverd voor 'Het bouwen van een woning na afbraak van een garage' als uit de ‘aannemingsovereenkomst slopen oude constructie en op te richten woning ruwbouwwinddicht' d.d. 28 maart 2017, waarin met betrekking tot het onroerend goed wordt gesteld dat het 'momenteel deel uitmaakt van een bouwgrond met af te breken garagegebouw', en waarin het 'aannemingsbedrag' wordt opgesplitst tussen een bedrag 'voor de sloop van de oude constructie' en een bedrag 'voor de oprichting van de ruwbouw onder dak' (stuk 6 eisende partij).

2.20.

De rechtbank stelt vast dat bij notariële akte op 19 februari 2018 een perceel bouwgrond (lot 1 van een verkaveling van 2 loten) werd aangekocht door de bouwheer. In deze notariële akte is geen sprake van een (af te breken) gebouw op deze grond (stuk 7 verwerende partij).

Op 17 december 2017 werden kosten voor de opmeting en verkaveling van deze grond gefactureerd aan eiseres, alhoewel deze op deze datum geen eigenaar was van deze grond (stuk 8 verwerende partij). Voor de rechtbank wijst dit op een element van verbondenheid tussen de verschillende partijen.

Het btw-attest 6% voor afbraak en heropbouw werd op 24 november 2017 ondertekend door de toekomstige koper van de grond. Deze was op dat ogenblik nog helemaal geen eigenaar van deze grond. Dit attest is dan ook niet ter zake dienend. Het aannemingscontract tussen eiseres en de bouwheer werd opgemaakt en ondertekend op 28 maart 2017 (stuk 10 verwerende partij).

2.21.

De rechtbank is van oordeel dat uit deze chronologie van deze handelingen, zoals verweerster terecht stelt, duidelijk blijkt dat deze handelingen niet voldoen aan de bepalingen voor de toepassing van het verlaagde tarief voor afbraak en heropbouw. Des te meer daar het aannemingscontract en attest al werden opgemaakt vooraleer de bouwheer eigenaar was van de grond. De kosten van opmeting en verkaveling werden gefactureerd aan eiseres, die op dat moment geen eigenaar was. Bovendien is in de akte geen sprake van een af te breken gebouw. Voor de rechtbank is het zeer ongeloofwaardig dat de notaris bij de beschrijving van het verkochte onroerend goed in de notariële

akte geen melding zou hebben gemaakt van enig onroerend goed, bijvoorbeeld woning, dat op de verkochte grond stond.

2.22.

De rechtbank besluit, op grond van de hierboven gemaakte vaststellingen, dat het hier duidelijk een verkoop op plan betreft waarvoor het tarief van 6% niet van toepassing is. Des te meer daar het niet aannemelijk wordt gemaakt door eiseres dat zij kosten voor opmeting en aanmaken van een verkavelingsplan zou dragen indien zij geen zekerheid heeft dat de bouw van het onroerend goed op die welbepaalde grond aan haar zou worden toegewezen.

Eiseres faalt in haar bewijslast. Verweerster heeft terecht het verlaagde btw-tarief niet weerhouden.

*Betreffende het onroerend goed gelegen te G. (D.), ...*

2.23.

Eiseres argumenteert dat zij op 12 maart 2017 een overeenkomst 'slopen oude woning en op te richten woning ruwbouwwinddicht' hebben afgesloten tussen haar en de bouwheer, waarin met betrekking tot het onroerend goed wordt gesteld dat het 'momenteel een af te breken woning' omvat, en waarin het 'aannemingsbedrag' wordt opgesplitst tussen een bedrag 'voor de sloop van de oude woning' en een bedrag 'voor de oprichting van de ruwbouw onder dak' (stuk 8 eisende partij).

De notariële verkoopovereenkomst werd d.d. 15 maart 2018 afgesloten tussen de bouwheer en de heer J. L. (stuk 9 eisende partij). Vervolgens werd op 28 mei 2018 een stedenbouwkundige vergunning afgeleverd voor 'het bouwen van een woning na afbraak van een bestaande woning' (stuk 10 eisende partij).

Door de bouwheer werd op 11 juni 2018 een verklaring afgeleverd waarbij hij bevestigt dat alle voorwaarden voorzien in Rubriek XXXVII van Tabel A van de bijlagen bij het KB/W.BTW nr. 20 vervuld zijn om toepassing te kunnen maken van het btw-tarief van 6 % (stuk 11 eisende partij).

Op het betrokken onroerend goed was dus reeds een gebouw gevestigd dat door eiseres in opdracht van de bouwheer diende te worden afgebroken,

onmiddellijk daarna gevolgd door het oprichten van een ruwbouw van het type halfopen bebouwing.

2.24.

De rechtbank deelt niet de zienswijze van verweerster dat in het voorliggende geval er sprake is van een verkoop op plan. Alhoewel verweerster terecht stelt dat in de notariële akte verleden op 15 maart 2018 de bouwheer (D. M. -S.) een stuk bouwgrond kocht, zijn er ook aanwijzingen om aan te nemen dat er wel degelijk minstens een gedeelte van een onroerend goed moest worden afgebroken.

Zo werd er op 28 mei 2018 een stedenbouwkundige vergunning afgeleverd voor 'het bouwen van een woning na afbraak van een bestaande woning' (stuk 10 eisende partij). Uit een e-mail van eiseres aan de heer D. M. van 2 juni 2018 blijkt, waarin eiseres stelt dat er voor het bouwverlof nog begonnen kan worden met de afbraak en funderingen, dat er minstens een gedeelte van een onroerend goed afwezig was (stuk 22 eisende partij). Dit blijkt eveneens uit de omschrijving op de facturen die aan de bouwheer werden gericht (stuk 49 eisende partij). Hierin wordt verwezen naar het 'slopen van een oude woning en het bouwen van een nieuwe woning ruwbouw onder dak', en bovendien wordt een onderscheid gemaakt tussen enerzijds het aannemingsbedrag afbraak en anderzijds het aannemingsbedrag nieuwbouw.

2.25.

De rechtbank besluit, op grond van de hierboven gemaakte vaststellingen, dat er in dit geval niet kan gesproken worden van een verkoop op plan zodat het tarief van 6% van toepassing is.

De grief van eiseres in deze is gegrond zodat de navordering van de btw onterecht is. Verweerster heeft onterecht het verlaagde btw-tarief van 6% niet weerhouden.

*Betreffende het onroerend goed gelegen te G. (D.), ...*

2.26.

Eiseres argumenteert dat zij op 10 november 2017 een overeenkomst \`slopen oude woning en op te richten woning ruwbouwwinddicht' heeft afgesloten met de bouwheer, waarin met betrekking tot het onroerend goed wordt gesteld dat het 'momenteel een af te breken woning' omvat, en waarin het 'aannemingsbedrag' wordt opgesplitst tussen een bedrag 'voor de sloop van de oude woning' en een bedrag 'voor de oprichting van de ruwbouw onder dak' (stuk 12 eisende partij).

De notariële verkoopovereenkomst werd op 15 maart 2018 afgesloten tussen de bouwheer en de heer J. L. (stuk 13 eisende partij). Vervolgens werd op 28 mei 2018 een stedenbouwkundige vergunning afgeleverd voor \`het bouwen van een woning na afbraak van een bestaande woning'.

Door de bouwheer werd op 1 juni 2018 een verklaring afgeleverd waarbij hij bevestigt dat alle voorwaarden voorzien in Rubriek XXXVII van Tabel A van de bijlagen bij het KB/W.BTW nr. 20 vervuld zijn om toepassing te kunnen maken van het btw-tarief van 6 % (stuk 15 eisende partij).

Op het betrokken onroerend goed was dus reeds een gebouw gevestigd dat door eiseres in opdracht van de bouwheer diende te worden afgebroken, onmiddellijk daarna gevolgd door het oprichten van een ruwbouw van het type halfopen bebouwing.

2.27.

De rechtbank deelt niet de zienswijze van verweerster dat in het voorliggende geval er sprake is van een verkoop op plan. Alhoewel verweerster terecht stelt dat in de notariële akte verleden op 15 maart 2018 de bouwheer (S.-P.) een stuk bouwgrond kocht, zijn er ook aanwijzingen om aan te nemen dat er wel degelijk minstens een gedeelte van een onroerend goed moest worden afgebroken.

Zo werd er op 28 mei 2018 een stedenbouwkundige vergunning afgeleverd voor 'het bouwen van een woning na afbraak van een bestaande woning' (stuk 14 eisende partij). Uit een e-mail van eiseres aan de heer S. R. van 2 juli 2018 blijkt, dat er minstens een gedeelte van een onroerend goed afwezig was en moest worden afgebroken (stuk 20 eisende partij). Dit blijkt eveneens uit de omschrijving op de facturen die aan de bouwheer werden gericht (stuk 50 eisende partij). Hierin wordt verwezen naar het 'slopen van een oude woning en het bouwen van een nieuwe woning ruwbouw onder dak', en bovendien wordt een onderscheid gemaakt tussen enerzijds het aannemingsbedrag afbraak en anderzijds het aannemingsbedrag nieuwbouw.

2.28.

De rechtbank besluit, op grond van de hierboven gemaakte vaststellingen, dat er in dit geval niet kan gesproken worden van een verkoop op plan zodat het tarief van 6% wel degelijk van toepassing is.

*Betreffende het onroerend goed gelegen te O. (D.), H. 2*

2.29.

Eiseres argumenteert dat er sprake is van een afbraak van een bestaand gebouw, gevolgd door de opbouw van een nieuwe woning. Dit blijkt uit de door de bouwheer bekomen stedenbouwkundige vergunning d.d. 18 september 2017 (stuk 16 eisende partij) die werd afgeleverd voor 'Het bouwen van een woning na afbraak van een bestaande bebouwing'. De sloop van de bestaande woning werd door de bouwheer zelf uitgevoerd. Eiseres was niet betrokken bij de verkoop van het te slopen gebouw of bij de sloop van dit gebouw.

2.30.

De rechtbank stelt vast dat bij notariële akte op 20 april 2017 de bouwheer een stuk bouwgrond kocht. In deze notariële akte is geen sprake van een af te breken gebouw op deze bouwgrond (stuk 19 verwerende partij).

Het aannemingscontract werd reeds op 20 januari 2017 opgemaakt en ondertekend. In het aannemingscontract is geen sprake van een afbraak (stuk 20 verwerende partij). De stedenbouwkundige vergunning werd aangevraagd op 15 mei 2017 (stuk 21 verwerende partij).

Blijkbaar werd op het ogenblik van de fiscale controle op de website van eiseres reclame gemaakt voor het project 'Hunnenberg' en werd aangekondigd dat deze een verkoop betreft van nieuw op te richten woningen aan een 'tarief van 6%' (stuk 22 en 27 verwerende partij).

2.31.

De rechtbank is van oordeel dat uit deze chronologie van deze handelingen, zoals verweerster terecht stelt, duidelijk blijkt dat deze handelingen niet voldoen aan de bepalingen voor de toepassing van het verlaagde tarief voor afbraak en heropbouw. Des te meer daar zowel in het aannemingscontract als in de akte geen sprake was van een af te breken gebouw. In de notariële akte verleden op 20 april 2017 kocht de bouwheer een stuk bouwgrond.

Voor de rechtbank is het zeer ongeloofwaardig dat de notaris bij de beschrijving van het verkochte onroerend goed in de notariële akte geen melding zou hebben gemaakt van enig onroerend goed, bijvoorbeeld woning, dat op de verkochte grond stond.

2.32.

De rechtbank besluit, op grond van de hierboven gemaakte vaststellingen, dat het hier duidelijk een verkoop op plan betreft waarvoor het tarief van 6% niet van toepassing is.

Eiseres faalt in haar bewijslast. Verweerster heeft terecht het verlaagde btw-tarief niet weerhouden.

*Inzake het fiscaal misbruik*

2.33.

Overeenkomstig artikel 1 §10 W.BTW is er sprake van 'misbruik' voor de toepassing van het Wetboek BTW "wanneer de verrichte handelingen resulteren in het verkrijgen van een fiscaal voordeel waarvan de toekenning in strijd is met de doelstelling beoogd in dit Wetboek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en die handelingen in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel hebben".

2.34.

De fiscale administratie kan wel degelijk de bepaling inzake rechtsmisbruik inroepen wanneer de verrichte handeling resulteert in het verkrijgen van een fiscaal voordeel waarvan de toekenning in strijd is met de doelstelling beoogd in het W.BTW. en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en die handeling in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft (art. 1, § 10 W.BTW).

De misbruiken die ertoe leiden dat een belastingvoordeel wordt verkregen zijn trouwens niet beperkt tot deze die een aftrek tot doel hebben. Het kan eveneens gaan om het reduceren van een te betalen bedrag aan belasting. Het herstel van die situatie kan leiden tot het navorderen van de btw die verschuldigd is op de werkelijke transacties die zouden hebben plaatsgevonden als er geen misbruik was geweest.

2.35.

Volgens verweerster is er sprake van misbruik wanneer de volgende twee

voorwaarden zijn vervuld:

\- ten eerste moeten de betrokken handelingen, in weerwil van de formele toepassing van de voorwaarden die worden opgelegd door de desbetreffende bepalingen van de Zesde richtlijn en de nationale wettelijke regeling tot omzetting van deze richtlijn, ertoe leiden dat in strijd met het door deze bepalingen beoogde doel een belastingvoordeel wordt toegekend;

\- ten tweede moet uit een geheel van objectieve factoren blijken dat het wezenlijke doel van de betrokken transacties erin bestaat een belastingvoordeel te verkrijgen.

In het voorliggende geschil bestaat het belastingvoordeel, bekomen ingevolge de als misbruik omschreven handeling (de opsplitsing van de aankoop en de gelijktijdige opdracht tot oprichting van een nieuw gebouw), in de heffing van het btw-tarief van 6% terwijl het W.BTW voor dergelijke transactie enkel het btw-percentage van 21% voorziet.

2.36.

Volgens verweerster is het fiscaal misbruik bewezen omwille van volgende

feitelijkheden:

\- het aannemingscontract werd steeds opgemaakt en ondertekend voorafgaand aan de verkoop van de grond;

\- de kosten voor opmeting en verkavelingsplan werden gedragen door eiseres alhoewel zij hiervan geen eigenaar was, wat wijst op minstens afspraken met de verkoper van de grond;

\- in de notariële verkoopakten werd geen melding gemaakt van enig af te breken gebouw wat op zich heel merkwaardig is daar logischer wijze in een notariële koopakte duidelijk wordt vermeld wat er exact wordt verkocht/gekocht;

\- eiseres maakte op haar website en facebookpagina reclame voor verkoop van nieuwbouwwoningen aan het verlaagde tarief van 6%;

\- de bouwheren kochten grond, waarvan de opmetings- en verkavelingskosten werden gedragen door eiseres en waarvoor reeds reclame voor de verkoop er op van een nieuwbouwwoning aan 6% btw werd gemaakt door eiseres, wat wijst op banden tussen de verkoper van de grond en eiseres en erop wijst dat de bouwheren dienden te bouwen met eiseres als aannemer.

In het voorliggende geschil is volgens verweerster dan wel degelijk sprake van een kunstmatige opsplitsing van de handelingen. Dergelijke leveringen gevolgd door renovatie of afbraak-heropbouw vormen dus, voor de toepassing van de btw, één handeling die de levering van een vastgoed in zijn toekomstige staat van afwerking tot voorwerp heeft (verkoop op plan).

2.37.

De rechtbank stelt volgende feitelijkheden vast:

\- dat de bouwheer telkens de nodige stedenbouwkundige vergunningen inzake afbraak en heropbouw heeft aangevraagd en bekomen (stukken 5, 10, 14 en 16 eisende partij);

\- dat de bouwheer rechtstreeks contracteerde met de aannemer, en geen beroep deed op tussenpersonen voor de coördinatie van de werken, en ook geen afstand deed van al zijn rechten ten behoeve van een dergelijke coördinator;

\- dat de bouwheer zelf de in tabel A, rubriek XXXVII van de bijlagen bij het KB/WBTW nr. 20 bedoelde verklaring indiende;

\- dat de bouwheer zelf de werken opvolgde en ten allen tijde inspraak had in de uit te voeren werkzaamheden (zie bijvoorbeeld de stukken 20 en 22 eisende partij).

2.38.

De rechtbank is van oordeel, op grond van de hierboven gemaakte vaststellingen, dat verweerster niet afdoende een 'samenspanning' tussen de partijen heeft bewezen.

Het bewijs van een samenspanning tussen eiseres en de bouwheer is volgens de rechtbank door verweerster niet afdoende bewezen niettegenstaande er wel degelijk aanwijzingen in deze zin zijn.

In dit verband dient de rechtbank te verwijzen naar de bepalingen van tabel A, rubriek XXXVII, lid 2, 6° van de bijlagen bij het KB/W.BTW nr. 20 die bepalen dat, behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of klaarblijkelijk niet naleven van de wettelijke voorwaarden, de verklaring van de afnemer de dienstverrichter ontlast van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief.

2.39.

Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat in bepaalde gevallen, zoals hierboven beschreven, het btw-tarief van 6% ten onrechte werd toegepast op bepaalde rechtshandelingen is eiseres ontlast van haar aansprakelijkheid vermits verweerster niet afdoende heeft bewezen dat er een 'samenspanning' tussen de partijen is geweest.

*Besluit*

2.40.

Alle meeromvattende en strijdige argumenten worden verworpen als niet ter zake dienend.

Op basis van de hierboven gemaakte overwegingen is de vordering van eiseres gedeeltelijk gegrond en wordt de administratieve verminderde geldboete behouden (daar waar nodig rekening houdende met de rechtzettingen), en dient verweerster rechtzettingen van de btw te doen overeenkomstig het bepaalde in de randnummers 2.15., 2.25, 2.28. en 2.39.

## V. GERECHTSKOSTEN

1.De kosten omvatten in de onderliggende zaak de bijdrage voor de oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand (artikel 1018, 8' van het Gerechtelijk Wetboek) en de rechtsplegingsvergoeding (artikel 1018, 6' juncto artikel 1022 Ger. W.).

In toepassing van de artikelen 279 en 162,4° van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten is geen rolrecht verschuldigd.

2.Wanneer de partijen wederzijds lastens elkaar in het ongelijk werden gesteld, kan de rechtbank de kosten omslaan, zo zij dit raadzaam acht (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek).

Gelet op de bovenstaande beoordeling, waarbij eiseres deels in het gelijk wordt gesteld en deels in het ongelijk, komt het passend voor te zeggen voor recht dat elk van de partijen de eventuele kosten, gevallen aan de eigen zijde, definitief voor eigen rekening zal dragen, derwijze dat partijen uit dien hoofde aan elkaar niets meer verschuldigd zullen zijn.

**OM DEZE REDENEN,**

**BESLIST DE RECHTBANK,** recht doende op tegenspraak,

met inachtneming van de artikelen 2 en 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken:

\- alle meeromvattende en strijdige argumenten te verwerpen als niet ter zake dienend;

\- de vordering van eiseres ontvankelijk en (deels) gegrond te verklaren in volgende mate:

\- de administratieve verminderde geldboete te behouden rekening houdende met de rechtzettingen (randnummers 2.15., 2.25, 2.28. en 2.39.),

\- de herberekening te bevelen van de bedragen opgenomen in het proces-verbaal van 10 november 2020 (alsook de btw-invordering aan te passen) overeenkomstig het bepaalde in de randnummers 2.15., 2.25, 2.28. en 2.39.;

\- voor het overige de btw-invordering met ROIV-nummer 500...83 te bevestigen;

\- de terugbetaling te bevelen van alle op grond van voormelde navordering ten onrechte geïnde sommen, vermeerderd met de moratoriumintrest;

\- de vordering van eiseres voor het overige ongegrond te verklaren;

\- te zeggen voor recht dat iedere partij zijn eigen kosten draagt, in hoofde van eiseres te begroten op de kosten voor het bijdragefonds voor een bedrag van 20,00 EUR en in hoofde van verweerster te begroten op 00,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de **zesde burgerlijke kamer** van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op maandag **30 mei 2022,** waar aanwezig waren : de heer T. L., rechter, voorzitter van deze kamer, bijgestaan door mevrouw T. D. Z., griffier.

## Textes cités

23

[CTVA art. 85](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85) 10 occurrences

[CTVA art. 45](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) 7 occurrences

[CTVA art. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-1) 5 occurrences

[AR no 20 art. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-20-juillet-fixant-taux-taxe-valeur-b38e) 2 occurrences

[AR no 3 art. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c) 2 occurrences

[AR no 3 art. 2](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c) 2 occurrences

[AR no 3 art. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c) 2 occurrences

[CTVA art. 22](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-22) 2 occurrences

[CTVA art. 46](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-46) 2 occurrences

[CTVA art. 48](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-48) 2 occurrences

[CTVA art. 91](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) 2 occurrences

[AR no 41 art. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958) 1 occurrence

[CTVA art. 50](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-50) 1 occurrence

[CTVA art. 70](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) 1 occurrence

[C-461/08, arrêt du 19 novembre 2009](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-461-08-arret) 3 occurrences

[C-132/16, arrêt du 14 septembre 2017](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-132-16-arret) 1 occurrence

[C-153/17, arrêt du 18 octobre 2018](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-153-17-arret) 1 occurrence

[C-165/17, arrêt du 24 janvier 2019](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-165-17-arret) 1 occurrence

[C-32/03, arrêt du 3 mars 2005](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-32-03-arret) 1 occurrence

[C-405/19, arrêt du 1er octobre 2020](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-405-19-arret) 1 occurrence

[C-408/98, arrêt du 22 février 2001](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-408-98-arret) 1 occurrence

[C-425/06, arrêt du 21 février 2008](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-425-06-arret) 1 occurrence

[C-98/98, arrêt du 8 juin 2000](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-98-98-arret) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Nullité du procès-verbal, Droit à déduction, Fraude](https://juriel.be/fr/jurisprudence/nullite-proces-verbal-droit-deduction-cour-appel-gand-2024-03-05-cbc5) 6 dispositions communes

[Validité de la contrainte, Motivation adéquate](https://juriel.be/fr/jurisprudence/validite-contrainte-motivation-adequate-reference-cour-appel-liege-2022-09-14-234b) 5 dispositions communes

[Fraude fiscale, Fausses factures, Indices de fraude](https://juriel.be/fr/jurisprudence/fraude-fiscale-fausses-factures-indices-cour-appel-bruxelles-2022-12-01-3bd0) 5 dispositions communes

[Indices de fraude, Relevé de régularisation, Procès-verbal](https://juriel.be/fr/jurisprudence/indices-fraude-releve-regularisation-proces-tribunal-nivelles-2024-01-08-9601) 5 dispositions communes

[Redevable de la créance fiscale, Prescription](https://juriel.be/fr/jurisprudence/redevable-creance-fiscale-prescription-operation-cour-appel-anvers-2024-03-05-e9b2) 5 dispositions communes

[Formation professionnelle continue, droits et privilèges du Trésor, exonération](https://juriel.be/fr/jurisprudence/formation-professionnelle-continue-droits-privileges-cour-appel-gand-2007-09-11-4e2e) 5 dispositions communes

[Cour d'appel de Gand, 28 mars 2002](https://juriel.be/fr/jurisprudence/cour-appel-gand-2002-03-28-5e4c) 5 dispositions communes

[Paiement de l'impôt, exonération, exportation, opération intracommunautaire, disposition pénale](https://juriel.be/fr/jurisprudence/paiement-impot-exoneration-exportation-operation-tribunal-kortrijk-2000-09-04-856f) 5 dispositions communes
