---
title: "Registre de perception et recouvrement · Tribunal de première instance de Hasselt, 13 octobre 2022"
description: "Registre de perception et recouvrement. Tribunal de première instance de Hasselt (Belgique), 13 octobre 2022."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/registre-perception-recouvrement-justification-dette-tribunal-hasselt-2022-10-13-c5b5"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Registre de perception et recouvrement · Taxe sur la valeur ajoutée - Registre de perception et recouvrement – Justification de la dette fiscale portée à la connaissance du redevable - délai

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Hasselt

**Date**

13 octobre 2022

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

**Sens lu par le SPF**

favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

110 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du tribunal de première instance de Hasselt du 13.10.2022

WF 711-15-21/000435

\[Favorable à l’Etat belge\]

*Taxe sur la valeur ajoutée - Registre de perception et recouvrement – Justification de la dette fiscale portée à la connaissance du redevable – délai*

Voir aussi [Arrêt de la cour d'appel d'Anvers du 17.03.2026 (2022/AR/1704](https://juriel.be/fr/jurisprudence/article-85-1er-alinea-code-cour-appel-anvers-2026-03-17-31ed)) et [Arrêt n° 146/2024 de la Cour constitutionnelle du 28 novembre 2024 (Rôle 8165)](https://juriel.be/fr/jurisprudence/dette-fiscale-perception-reprise-registre-cour-constitutionnelle-bruxelles-2024-11-28-d883)

## Dispositions légales

[Article 85 du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85)

## Résumé

## 1. Les faits et les antécédents de procédure

L'administration fiscale a effectué un contrôle de la comptabilité de la demanderesse concernant la période courant du 1 er janvier 2017 au 30 juin 2019. Dans le cadre de ce contrôle, des négociations ont eu lieu entre l'administration et l'avocat de la demanderesse le 23 novembre 2020 et le 1 er décembre 2020. Celles-ci n'ont pas abouti à un accord.

Le 10 décembre 2020, l'administration a dressé un procès-verbal pour la période courant du 1 er janvier 2017 au 31 décembre 2017. Ce procès-verbal a été communiqué à la demanderesse par lettre recommandée datée du même jour. Dans cette lettre recommandée, l'administration a précisé que cette lettre constituait une notification de la justification de la dette fiscale portée à la connaissance du redevable au sens de l'[article 85, § 1er, troisième alinéa du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85). La même lettre indiquait également qu'en raison de la prescription imminente de la dette fiscale constatée dans le procès-verbal, les droits du Trésor étaient considérés en péril au sens de l'[article 85, § 1er, troisième alinéa, du code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85).

La dette de TVA susmentionnée a ensuite été inscrite au registre de perception et recouvrement (inscription le 15 décembre 2020 et registre rendu exécutoire le 16 décembre 2020).

## 2. Le jugement du tribunal de première instance

L’assujettie estime que l'administration n’a pas respecté le délai d'un mois prévu à l'[article 85 § 1er, troisième alinéa du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85). Selon l’assujettie, ce délai ne peut pas être raccourci en raison d'une prescription imminente due à la négligence de l'administration. De même, l'article 346 du CIR prévoit que l'expiration des délais d’imposition n'est pas un cas dans lequel les droits du trésor public sont en péril.

Il ressort du texte de l'[article 85 § 1er, troisième alinéa, du code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85) que le délai d'un mois ne doit pas être respecté si les droits du trésor public sont en péril. Le texte légal n'exclut nullement la situation où les droits du trésor sont en péril par une prescription imminente.

Ainsi, en l’espèce l'administration a correctement appliqué l'[article 85 § 1er, troisième alinéa, du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85) puisqu'il y avait effectivement une prescription imminente.

Il ne semble pas que l'administration ait abusé de la possibilité d'invoquer l'[article 85 § 1er, troisième alinéa, du code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85). En effet, le 23 novembre 2020 et le 1 er décembre 2020 se tenaient encore des négociations entre l'administration et l'avocat de la demanderesse, ce qui constitue une explication raisonnable de la raison pour laquelle l'administration n’a pas attendu pour rédiger le procès-verbal car il restait moins d'un mois avant l'expiration du délai de prescription.

Selon la Cour, la comparaison avec l'article 346 du CIR n'est pas valable. Dans le cadre de la TVA, l'objectif de la justification préalable est de s'assurer que l’assujetti soit au courant de la motivation de la taxe afin qu'il dispose des informations nécessaires pour introduire un éventuel recours juridique.

Le devoir d'information a été rempli à légard de la demanderesse puisque la justification a été communiquée. En l'espèce, la dette a été inscrite au registre de perception et recouvrement en moins d'un mois mais il n'apparaît pas que cela ait affecté les droits de la défense de l’assujettie. La demanderesse disposait de voies de recours.

En outre, le requérant avait déjà déposé le 17 décembre 2020, soit 7 jours après la communication du procès-verbal, une requête concernant un certain nombre d'aspects substantiels du procès-verbal.

## Observations

La partie adverse a déposé un recours en appel.

**Texte du jugement**

***Le jugement est publié uniquement dans la langue originale***

### Corps de la décision

## Rechtbank van eerste aanleg LIMBURG, Afdeling Hasselt, sectie burgerlijk,11A kamer

Eindvonnis van 13/10/2022

Rol: 21/861/A

IN ZAKE:

**M. BV.** met zetel te …, ondernemingsnummer 087…56

\- eiseres -

Tijdens de zitting van 15.09.2022 vertegenwoordigd door Mr. H. V., advocaat te … .

**tegen**:

**DE BELGISCHE STAAT**, FOD Financiën (ondernemingsnummer Belgische staat 0252.796.351 en ondernemingsnummer FOD Financiën 0308.357.159), in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de adviseur-generaal centrumdirecteur van het KMO Centrum Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43, postbus 106.

\- verweerder -

Tijdens de zitting van 15.09.2022 vertegenwoordigd door zijn gevolmachtigde mevrouw X, financieel deskundige bij een fiscaal bestuur, verbonden aan de afdeling expertise van het KMO-Centrum Hasselt.

## I. PROCEDURE

De zaak werd ingeleid via een verzoekschrift op tegenspraak in fiscale zaken neergelegd op 10 mei 2021.

Met toepassing van artikel 747 Gerechtelijk Wetboek werden conclusietermijnen bepaald en een pleitdatum vastgelegd.

Beide partijen hebben conclusies neergelegd.

Verweerder heeft een bundel met overtuigingsstukken neergelegd.

De zaak werd behandeld op de openbare zitting van 15 september 2022 waarop de advocaat van eiseres en de gevolmachtigde van verweerder hebben gepleit.

De Wet van 15 juni 1935 inzake het gebruik van talen in gerechtszaken - in het bijzonder de artikelen 2, 30 tot en met 37 en 41 - werd nageleefd.

## ll. SAMENVATTING VAN DE FEITEN

Eiseres M. bv is btw-belastingplichtige.

De belastingadministratie voerde een controle uit bij eiseres over de btw en de directe belastingen en dit voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 30 juni 2019.

In het kader van deze controle waren er contacten tussen de administratie en eiseres in de loop van 2020. Op 23 november 2020 en 1 december 2020 waren er nog gesprekken tussen de administratie en de advocaat van eiseres. Dit leidde niet tot een akkoord.

De administratie stelde op 10 december 2020 een proces-verbaal op voor de periode van 1 januari 2017 tot 31 december 2017. Daarin werd gesteld dat eiseres onterecht btw in aftrek had gebracht, wat volgens de administratie leidde tot 5.189,94 euro aan verschuldigde btw en 510,00 euro boete (en verschuldigde intresten). Dit proces-verbaal werd via een aantekende brief van dezelfde dag (10 december 2020) meegedeeld aan eiseres.

In die aangetekende brief van 10 december 2020 stelde de administratie dat de brief gold als kennisgeving van de verantwoording van de belastingschuld in de zin van [artikel 85 §1 derde lid Btw-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85). In die aangetekende brief werd ook vermeld dat gelet op de nakende verjaring van de belastingschuld opgenomen in het proces-verbaal, de rechten van de schatkist geacht werden in het gedrang te komen zoals bedoeld in [artikel 85 §1 derde lid Btw­ Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85). Er werd gesteld dat de administratie er bijgevolg niet toe was gehouden om aan eiseres de verantwoording van de belastingschuld uiterlijk een maand voor de opname van die schuld in het innings- en invorderingsregister ter kennis te brengen.

De bovenvermelde btw-schuld werden vervolgens opgenomen in het innings- en invorderingsregister (opgemaakt op 15 december 2020, uitvoerbaar verklaard op 16 december 2020).

Op 17 december 2020 diende eiseres een bezwaar in tegen het proces-verbaal van 10 december 2020. Dit bezwaar werd afgewezen in een beslissing van 6 mei 2021.

Over de periode van 1 januari 2018 tot 30 juni 2019 werd op 31 mei 2019 een correctieopgave ondertekend. Deze periode en deze correctieopgave maken geen deel uit van het geschil waar de huidige procedure over gaat.

## III. DE VORDERINGEN

Eiseres M. bv vraagt om:

het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

het proces-verbaal d.d. 10 december 2020 en de schuld opgenomen in het innings- en invorderingsregister onder artikel 500235266907 voor een bedrag van 5.189,94 euro btw plus 510,00 euro boete en intresten sedert 27 juli 2019 nietig te verklaren;

te verklaren dat de vordering van de administratie verjaard is;

de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van dit dwangbevel werden geïnd, verhoogd met de wettelijke intresten;

de Belgische staat te veroordelen tot de kosten van het geding.

Verweerder de Belgische staat vraagt om:

het verzoekschrift ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;

voor recht te zeggen dat het proces-verbaal d.d. 10 december 2020 en de schuld opgenomen in het innings- en invorderingsregister onder artikel 500235266907, niet nietig zijn;

voor recht te zeggen dat er geen sprake kan zijn van een terugbetaling van de reeds geïnde bedragen;

eiseres te veroordelen tot de kosten

## IV. BEOORDELING DOOR DE RECHTBANK

### *A.* *Ontvankelijkheid*

De ontvankelijkheid van de vordering van eiseres wordt niet betwist.

De rechtbank bemerkt geen gronden van onontvankelijkheid die zij zelf moet opwerpen. De vordering is ontvankelijk.

### *B.* *Grond van de zaak*

[Artikel 85 §1 Btw-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85), gewijzigd door artikel 9 van de Wet van 26 november 2018 (tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde wat de automatisering van de uitvoerbare titel inzake de belasting over de toegevoegde waarde betreft), bepaalt:

*§1 Bij niet-betaling van de belastingschuld bestaande uit de belasting, interesten, fiscale geldboeten en toebehoren, wordt deze opgenomen in een innings- en invorderingsregister, die de uitvoerbare titel vormt voor de invordering van de belastingschuld en deze concretiseert.*

*De belastingschuld kan het voorwerp uitmaken van verbeterende innings- en invorderingsregisters in het geval van een latere wijziging, om welke reden dan ook, van de bedragen opgenomen in het innings-en invorderingsregister overeenkomstig het eerste lid.*

*De verantwoording van de belastingschuld moet* *uiterlijk een maand voor de opname* *ervan in een innings- en invorderingsregister bedoeld in het eerste of tweede lid,* *ter kennis van de belastingschuldige worden gebracht* *,* *behalve indien de rechten van de Schatkist in het gedrang komen**. In dat laatste geval moet zij ten laatste op het ogenblik dat de belastingschuld in een innings- en invorderingsregister wordt opgenomen aan de belastingschuldige ter kennis worden gebracht. Indien de belastingschuldige geen gekende woonplaats in België of in het buitenland heeft, wordt deze verantwoording verstuurd naar de procureur des Konings te Brussel.*

In de Memorie van Toelichting van de bovenvermelde Wet van 26 november 2018 wordt gesteld, (Parl.St., Kamer 2017-2018, nr. 54-3277/001, p. 7-9 e.v.):

*Artikel 85, § 1, derde en vierde lid, nieuw, voegt in het Wetboek de verplichting in om een maand voor de opname van de schuld in een innings- en invorderingsregister de elementen die de fiscale schuld staven aan de belastingschuldige mee te delen. De mededeling van deze verantwoordingselementen gebeurt in het kader van de uitdrukkelijke motivering van het innings- en invorderingsregister en bestaat uit de kennisgeving van de overwegingen in rechte en in feite die als grondslag dienen van het innings- en invorderingsregister.*

*Ter herinnering, inzake het administratief dwangbevel aanvaardt de rechtspraak unaniem dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen integraal van toepassing is op de inzake btw uitgevaardigde dwangbevelen, zodat de belastingschuldige kan kennisnemen van de oorzaak van de sommen die van hem worden gevorderd en om, in voorkomend geval, rechtsmiddelen in te stellen.*

*In antwoord op een parlementaire vraag heeft de minister van Financiën het volgende verduidelijkt: "Inzake btw geldt als algemene regel dat de motieven in de akte zelf worden uiteengezet, vermits de motivering in beginsel deel uitmaakt van de eigenlijke beslissing. Bijgevolg is het dwangbevel steeds in rechte en in feite gemotiveerd, waardoor wordt beantwoord aan de vereisten van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Bovendien vormt het proces­ verbaal één geheel met het dwangbevel en vult het aan, zodat de belastingplichtige de gegrondheid van zijn schuldvordering kan verifiëren." (Vraag nr. 1283 van de heer de CL/PPELE van 11 mei 2001, Bull. V. en A., Senaat, 2001-2002, nr. 2-44, blz. 2277).*

*Aangezien het innings- en invorderingsregister, dat in de plaats wordt gesteld van het dwangbevel, op geautomatiseerde wijze zal worden opgemaakt en de inhoud noodgedwongen wordt ingeperkt, werd het nuttig geacht om in het Wetboek de verplichting in te voegen om voorafgaand aan de opname van de fiscale schuld in een innings- en invorderingsregister, de overwegingen in rechte en in feite - met andere woorden de verantwoording - van de fiscale schuld en het bedrag ervan mee te delen. Deze verplichting geldt ongeacht of een bedrag in een gewoon innings- en invorderingsregister of een verbeterend innings- en invorderingsregister wordt opgenomen. Indien de belastingschuldige geen gekende woonplaats in België of in het buitenland heeft, wordt de verantwoording van de belastingschuld verstuurd naar de procureur des Konings te Brussel. Net als het innings- en invorderingsbericht (zie artikel 85, § 3, tweede en derde lid, nieuw, van het Wetboek), kan de verantwoording van de belastingschuld bovendien, mits de uitdrukkelijke toestemming van de belastingschuldige, hem ter kennis worden gebracht op elektronische wijze. In dat geval geldt de terbeschikkingstelling op elektronische wijze als rechtsgeldige kennisgeving van de verantwoording van de belastingschuld.*

*Aan deze verplichting wordt voldaan wanneer het voorwerp en de grondslag van de fiscale schuld die door de administratie werden vastgesteld, op enigerlei ogenblik ter kennis worden gebracht aan de belastingschuldige, maar uiterlijk een maand voor de opname van de fiscale schuld in een innings- en invorderingsregister.*

*Er wordt evenwel een uitzondering gemaakt op de regel van de anterioriteit in het geval dat de rechten van de Schatkist in het gedrang komen.* *In dat geval kunnen de elementen die de fiscale schuld staven gelijktijdig met de opname in een innings- en invorderingsregister worden medegedeeld.* *De rechten van de Schatkist kunnen in gevaar zijn wanneer de fiscale schuld dreigt te verjaren of wanneer uit feitelijke elementen blijkt dat de betaling van de belastingschuld wordt bedreigd* *door redenen te wijten aan de belastingschuldige,* *zoals het geschokt zijn van het krediet, de staking van betaling of een aanstaand vertrek naar het buitenland. Dit kan ook het geval zijn bij de tussenkomst van een reorganisatieplan, een faillissement, of wanneer uit verschillende elementen blijkt dat de belastingschuldige zich onvermogend maakt. De uitzondering op de regel van de anterioriteit, dat wil zeggen op het naleven van een termijn van een maand tussen de verzending van de verantwoording van de belastingschuld en de opname van deze schuld in een innings- en invorderingsregister*, *moet dus op een restrictieve manier worden toegepast.*

*Zoals in het verleden kunnen deze overwegingen in rechte en in feite (verantwoording van de fiscale schuld) worden opgenomen hetzij in het proces-verbaal (toepassing van artikel 59, § 1, van het Wetboek), hetzij in de beslissing van de aanslag van ambtswege (toepassing van de artikelen 66 en 67 van het Wetboek), hetzij in de bijzondere rekening (toepassing van* [*artikel 8 van het koninklijk besluit nr. 24*](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-24-decembre-paiement-taxe-valeur-ajoutee-6f3f#ar24-art8) *van 29 december 1992 met betrekking tot de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, ter uitvoering van de artikelen 52, 53, 53ter, 53octies, 53nonies, 54, 58, 70 en 91 van het Wetboek), of nog in enig ander document, zoals een regularisatiebeslissing, waarin de ambtenaren van de administratie bevoegd voor de belasting over de toegevoegde waarde aan de belastingschuldigen het bestaan van een fiscale schuld meedelen.*

*De regel voorzien in artikel 85, § 1, derde lid, nieuw, is niet van toepassing in het geval van een ambtelijke aanslag. Artikel 67, tweede lid, van het Wetboek en* [*artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 9*](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-9-taxation-office-matiere-taxe-valeur-9e6e#ar9-art1) *van 12 maart 1970 met betrekking tot de ambtelijke aanslag inzake belasting over de toegevoegde waarde voorzien reeds in de kennisgeving van het bedrag en de verantwoording van de belasting aan de belastingschuldige een maand voor de ambtelijke aanslag.*

*De verplichting tot verantwoording die uitdrukkelijk is opgenomen in de teksten, maakt evenwel niet het voorwerp uit van de vestigingsprocedure van fiscale schulden, maar dient te worden geïnterpreteerd in het licht van de bestaande rechtspraak over de uitdrukkelijke motivering van de uitvoerbare titel. Ter zake moet worden benadrukt dat, volgens het Hof van Cassatie: "De feitelijke gegevens van het administratief onderzoek waaruit blijkt op welke wijze het bestuur in kennis werd gesteld van het belastbare feit en zodus over welke bewijsmiddelen het beschikt, behoren niet tot het gebied van de motivering van het dwangbevel, zijnde de juridische en feitelijke overwegingen die ten grondslag liggen aan de belastingschuld, maar tot de bewijsvoering van de fiscale schuld. De wet motivering bestuurshandelingen noch enige andere wettelijke bepaling staan eraan in de weg dat na het opstellen van een dwangbevel met betrekking tot een bepaalde belastingschuld, het bestuur nieuwe juridische argumenten en feitelijke gegevens aanvoert. Die argumenten en gegevens kunnen worden aangevoerd ter ondersteuning van hetgeen in het dwangbevel reeds is vastgesteld en vermeld met betrekking tot diezelfde belastingschuld." (zie* [*Cass. 20 maart 2008*](https://juriel.be/fr/jurisprudence/contrainte-defaut-paiement-taxe-acte-cassation-bruxelles-2008-03-20-280d)*, A.R. nr. F.07 0016.N; zie ook Cass. 1 december 2005, A.R. nr. C.03 0354.N).*

*Bijgevolg belet niets de administratie om nieuwe juridische argumenten en feitelijke gegevens in te roepen tot bewijs van de fiscale schuld en ter ondersteuning van de verantwoording die voordien reeds aan de belastingschuldige ter kennis werd gebracht krachtens het voorgestelde artikel 85, § 1, derde lid.*

Uit de tekst van [artikel 85 §1 derde lid Btw-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85) blijkt dat de termijn van 1 maand niet gerespecteerd moet worden indien de rechten van de schatkist in het gedrang komen. De wettekst sluit geenszins de situatie uit waarin de rechten van de schatkist in het gedrang zijn gekomen door dreigende verjaring.

In de hierboven geciteerde Memorie van Toelichting wordt een dreigende verjaring integendeel uitdrukkelijk vermeld als een van de mogelijke oorzaken van het in gedrang komen van de rechten van de schatkist.

Het was dus duidelijk de bedoeling van de wetgever dat ook een dreigende verjaring (met als gevolg het in het gedrang komen van de rechten van de schatkist) een mogelijke geldige reden is om af te wijken van het principe van de termijn van 1 maand.

De administratie heeft [artikel 85 §1 derde lid Btw-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85) in dit geval dus correct toegepast, nu er inderdaad sprake was van dreigende verjaring.

Er blijkt niet dat de administratie misbruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om een beroep te doen [artikel 85 §1 derde lid Btw-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85). Op 23 november 2020 en 1 december 2020 was er immers nog overleg tussen de administratie en de advocaat van eiseres, wat een redelijke verklaring is waarom de administratie gewacht heeft met het opstellen van het proces-verbaal tot minder dan een maand voorafgaand aan het verstrijken van de verjaringstermijn.

Eiseres verwijst naar artikel 346 Wetboek Inkomstenbelastingen, dat bepaalt

*Indien ze meent de inkomsten en andere gegevens te moeten wijzigen welke de belastingplichtige heeft vermeld in een aangifte die voldoet aan de vorm- en termijnvereisten van de artikelen 307 tot 311 of van ter uitvoering van artikel 312 genomen bepalingen, dan wel schriftelijk heeft erkend, stelt de administratie hem bij een ter post aangetekende brief in kennis van de inkomsten en andere gegevens die zij voornemens is in de plaats te stellen van die welke zijn aangegeven of schriftelijk erkend, en vermeldt zij de redenen die naar haar oordeel de wijziging rechtvaardigen.*

*Wanneer de administratie gebruik maakt van het bewijsmiddel bedoeld in artikel 342,*

*§ 1, eerste lid, deelt zij op dezelfde wijze het bedrag mede van de winst of baten van drie soortgelijke belastingplichtigen, alsmede de gegevens die nodig zijn voor het verhoudingsgewijs bepalen van de winst of baten van de betrokken belastingplichtige.*

*Binnen de termijn van een maand* *te rekenen van de derde werkdag volgend op de verzending van dat bericht, welke termijn wegens wettige redenen kan worden* *verlengd, kan de belastingplichtige schriftelijk zijn opmerkingen inbrengen: de aanslag mag niet worden gevestigd voor die, eventueel verlengde, termijn verstreken is, behoudens indien de belastingplichtige met de wijziging van zijn aangifte schriftelijk instemt of indien de rechten van de Schatkist in gevaar verkeren wegens een andere oorzaak dan het verstrijken van de aanslagtermijn**.*

*(...)*

*Ten laatste de dag van de vestiging van de aanslag, stelt de administratie de belastingplichtige schriftelijk in kennis van de opmerkingen die hij heeft gemaakt overeenkomstig het derde lid van dit artikel, en waarmee zij geen rekening heeft gehouden, met vermelding van de motieven die haar beslissing rechtvaardigen.*

De rechtbank kan echter enkel maar vaststellen dat in het kader van artikel 346 WIB92 de wetgever het verstrijken van de termijn (in het geval van artikel 346 WIB92 de aanslagtermijn, niet de verjaringstermijn) wel uitdrukkelijk heeft uitgesloten als een geval dat de rechten van de schatkist in gevaar brengt. Dat is niet gebeurd bij de invoering van [artikel 85 §1 derde lid Btw-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85) (integendeel, zoals reeds aangeven wordt in de Memorie van Toelichting een dreigende verjaring net wel aangehaald als voorbeeld van een geval dat de rechten van de schatkist in het gedrang brengt).

Dit is een duidelijke keuze van de wetgever.

Er blijkt niet dat er reden is om hierover een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Artikel 346 WIB92 (dat kadert in de vestiging van de belasting) voorziet immers in een recht van de belastingplichtige om te antwoorden op het bericht van wijziging. De termijn van 1 maand is bedoeld om de belastingplichtige te laten antwoorden. En indien de belastingplichtige van dat recht gebruik maakt, dan moet de belastingadministratie vervolgens standpunt innemen over dit antwoord voordat de belasting wordt gevestigd.

Dit terwijl de in het kader van de btw het louter gaat om het informeren van de belastingplichtige, waarbij de belasting al is gevestigd (en er om de belasting te vestigen dus niet inhoudelijk moet worden gereageerd op een eventueel antwoord van de belastingplichtige). In het kader van de btw is het de bedoeling om er voor te zorgen dat de belastingplichtige op de hoogte is van de motivering van de belasting, zodat hij/zij beschikt over de nodige informatie om eventueel een rechtsmiddel in te stellen.

Aan die informatieplicht is in het geval van eiseres voldaan, aangezien de motivering werd meegedeeld. De schuld werd in dit geval al minder dan een maand nadien in het innings- en invorderingsregister opgenomen, maar er blijkt niet hoe dit de rechten van verdediging van de belastingplichtige heeft aangetast. Eiseres beschikte over rechtsmiddelen.

Eiseres heeft overigens al op 17 december 2020, zijnde 7 dagen na de mededeling van het proces-verbaal, een bezwaar ingediend over een aantal inhoudelijke aspecten van het proces­ verbaal (en meegedeeld inhoudelijk akkoord te gaan met de andere punten).

De vordering van eiseres is dan ook ongegrond.

## V. KOSTEN VAN DE PROCEDURE

Eiseres werd in het ongelijk gesteld en moet de kosten van de procedure betalen.

### Dispositif

## BESLISSING

De rechtbank beslist in eerste aanleg en op tegenspraak.

De rechtbank verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk maar ongegrond.

De rechtbank veroordeelt eiseres tot betaling van de kosten van de procedure, door de rechtbank voor de Belgische staat vereffend op nul euro.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de llA - kamer, op het gerechtshof te Hasselt, op 13 oktober 2022 alwaar zetelden:

De heer R. M., alleenzetelend rechter, Mevrouw S. B., griffier.

## Textes cités

3

[CTVA art. 85](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85) 15 occurrences

[AR no 24 art. 8](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-24-decembre-paiement-taxe-valeur-ajoutee-6f3f) 1 occurrence

[AR no 9 art. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-9-taxation-office-matiere-taxe-valeur-9e6e) 1 occurrence

## Jurisprudence

1

### Belgique

1

Cour constitutionnelle 28.11.2024

#### [Dette fiscale, Perception](https://juriel.be/fr/jurisprudence/dette-fiscale-perception-reprise-registre-cour-constitutionnelle-bruxelles-2024-11-28-d883)

## Décisions similaires

8

[Reconstitution du chiffres d’affaires, Preuve par présomptions](https://juriel.be/fr/jurisprudence/reconstitution-chiffres-affaires-preuve-presomptions-cour-appel-bruxelles-2023-02-0e22) 1 dispositions communes

[Secteur Horeca, Système de caisse enregistreuse, Absence de détention](https://juriel.be/fr/jurisprudence/secteur-horeca-systeme-caisse-enregistreuse-tribunal-namur-2021-12-08-0e27) 1 dispositions communes

[Prescription](https://juriel.be/fr/jurisprudence/prescription-tribunal-bruxelles-2026-03-04-10c6) 1 dispositions communes

[Registre de perception et recouvrement, Titre exécutoire](https://juriel.be/fr/jurisprudence/registre-perception-recouvrement-titre-executoire-cour-appel-gand-2024-03-12-1183) 1 dispositions communes

[Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-lien-direct-immediat-tribunal-luxembourg-2022-10-12-162a) 1 dispositions communes

[Compte spécial, Conformité au Droit communautaire](https://juriel.be/fr/jurisprudence/compte-special-conformite-droit-communautaire-tribunal-bruxelles-2022-12-21-17dd) 1 dispositions communes

[Droit de déduction, Charge de la preuve](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-charge-preuve-developpement-cour-appel-anvers-2026-01-06-1ac3) 1 dispositions communes

[Droit à déduction, Motivation](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-motivation-tva-amont-cassation-bruxelles-2025-10-23-1e16) 1 dispositions communes
