---
title: "Régime particulier, poursuite · Tribunal de première instance de Bruges, 6 février 2013"
description: "Régime particulier, poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor. Tribunal de première instance de Bruges (Belgique), 6 février 2013."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/regime-particulier-poursuite-instance-droits-tribunal-bruges-2013-02-06-8a4c"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Régime particulier, poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruges

**Date**

6 février 2013

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

97 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruges du 06.02.2013

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :**

**In de zaak 12/277/A** Rep. nr. 2013/1490

de heer **L. T.**, bediende, wonende te …, …,

**eiser,**

voor wie optreedt Meester **K. G.**, advocaat met kantoor te …, …,

**tegen :**

**De FOD FINANCIËN**, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, sector BTW, vertegenwoordigd door de heer **M. T.**, waarnemend Directeur van de BTW te Brugge, met kantoor te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4, in de persoon van de e.a. inspecteur van het 1 e BTW-Ontvangkantoor te Kortrijk,

**verweerder,**

voor wie is opgetreden mevrouw **M.-C. S.**, inspecteur bij een fiscaal bestuur, met burelen gevestigd te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4,

## I. RECHTSPLEGING

Gelet op het fiscaal verzoekschrift gedeponeerd ter griffie de dato 1 februari 2012.

De rechtbank nam kennis van het dossier der rechtspleging en van de door partijen neergelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen ter openbare terechtzitting de dato 16 januari 2013.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden in acht genomen.

## ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS DER ZAAK

**2.1.** Eiser was ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW­registratienummer BE … voor de economische activiteit van exploitant van overige sportinstallaties en -accomodaties vanaf 31 augustus 1993.

Hij was derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 23 oktober 2000 werd door een ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën verbonden aan het eerste BTW-kantoor Torhout bij eiser een controle van de boekhouding aangekondigd met betrekking tot de periode van 1 januari 1996 tot en met 25 mei 1998, dit teneinde de BTW-administratie toe te laten de juiste toepassing van de BTW-wetgeving, reglementering en heffing van de BTW-wetgeving in zijn hoofde te kunnen nagaan.

Op de door verweerder voorgestelde datum van 7 november 2000 werd geen toegang, noch inzage in de boekhouding verleend.

Uit inlichtingen bleek dat eiser op 25 mei 1998 vertrokken was naar de Dominicaanse Republiek met adres ….

Er werd door verweerder inzage genomen van het dossier dat betreffende eiser bij de directe belastingen berust.

Door **S. V.**, verificateur bij de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen verbonden aan het eerste controlekantoor van de BTW te Torhout werd op 5 april 2001 een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiser begane overtredingen werden geacteerd.

Op 9 april 2001 werd op basis van dit proces-verbaal door **A. B.** eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur van het eerste BTW-ontvangkantoor te Kortrijk een dwangbevel uitgevaardigd.

Voormeld dwangbevel werd op 10 april 2009 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door **B. M.**, eerstaanwezend inspecteur a.i. der derde BTW-controle te Kortrijk.

Op 12 april 2001 werd voormeld dwangbevel bij toepassing van artikel 85, § 3 W.BTW bij gerechtsdeurwaarderexploot betekend.

Voormeld dwangbevel werd op 15 februari 2006 en op 25 juni 2010 herbetekend.

Op 1 februari 2012 legde eiser een fiscaal verzoekschrift ter griffie dezer rechtbank neer.

**2.2.** Eiser vraagt dat : het verzet ontvankelijk en gegrond verklaard wordt en erop recht doende, het bestreden dwangbevel vernietigd wordt en verweerder veroordeeld wordt tot teruggave van al hetgeen op basis van dit vernietigd dwangbevel werd ingehouden of ingevorderd, verhoogd met de wettelijke intresten vanaf de inleidingen dat verweerder veroordeeld wordt tot de gedingkosten begroot op 1.210,00 euro rechtsplegingsvergoeding.

**2.3.** Verweerder vraagt dat : het fiscaal verzoekschrift ontvankelijk doch ongegrond verklaard wordt en eiser veroordeeld wordt tot de gedingkosten.

## III. BEOORDELING

### 3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder werpt geen middelen op die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden.

Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou dienen op te werpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

### 3.2. nopens de grond

#### 3.2.1. nopens de betekening van de dwangbevelen en de verjaring

**a.** Luidens [artikel 81, eerste lid van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-81), zoals het op het geschil van toepassing is, verjaart de rechtsvordering tot voldoening van de belasting, van de intresten en van de administratieve geldboeten, door verloop van vijf jaar te rekenen vanaf de dag waarop zij is ontstaan.

Artikel 83, eerste lid, van datzelfde wetboek, zoals het van toepassing is, bepaalt dat zowel ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de teruggave van de belasting, de intresten en de administratieve geldboeten, de verjaring gestuit wordt op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Een nieuwe verjaring, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, wordt in dat geval verkregen vijf jaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring, indien geen rechtsgeding hangend is.

Artikel 58, § 2, van dat wetboek, bepaalt met name dat de kennisgeving van het dwangbevel, dat uitgevaardigd wordt door de met invordering belaste ambtenaar, de verjaring stuit van de invordering van de belasting van de belasting en van zijn toebehoren en de belastingplichtige in staat stelt verzet te doen tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel, op de wijze bepaald in artikel 89.

Krachtens artikel 89, tweede lid, kan de tenuitvoerlegging van het dwangbevel slechts worden gestuit bij door de belastingplichtige gedaan en met redenen omkleed verzet met dagvaarding.

Luidens artikel 2251 van het Burgerlijk Wetboek loopt de verjaring tegen alle personen, behalve tegen hen voor wie de wet uitzondering maakt.

Uit die bepalingen, die samen gelezen moeten worden om de verjaringsregeling inzake belasting over de toegevoegde waarde te bepalen, kan worden afgeleid dat het dwangbevel, enerzijds, de titel van belastingheffing is waarin de belastingschuld geconcretiseerd wordt bij gebrek aan spontane en onvoorwaardelijke betaling van de verschuldigde belasting, en, anderzijds, de akte is die geldt als uitvoerbare titel, die nodig is voor de invordering van die belastingschuld.

Het dwangbevel, dat ter kennis wordt gebracht van degene die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, is een van de wijzen is waarop de verjaring in de zin van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek kan worden gestuit. De verjaring is, behoudens een nieuwe stuiting van de verjaring, tegen de Staat verkregen vijf jaar na de kennisgeving van het dwangbevel, tenzij een rechtsgeding hangend is. Dit rechtsgeding kan bestaan in het verzet van de belastingplichtige, dat de opschorting van de uitvoerbare kracht van het dwangbevel tot gevolg heeft, en waaruit volgt dat de verjaring tijdens de gehele duur ervan, tegen de Staat niet is verkregen *(Cass. (1° k.) AR* [*C.06.0433.F*](https://juriel.be/fr/jurisprudence/contrainte-opposition-instance-justice-cassation-bruxelles-2008-10-16-e223) *16 oktober 2008, FJF 2009, afl. 2, 218, JLMB 2010, afl. 4, 148, Pas. 2008, alf. 10, 2236, conclusie advocaat-generaal A. HENKES, RGCF 2009, afl. 2, 133, noot F. STEVENANT MEEUS, 'L'opposition à contrainte formée par un assejeti à la TVA est-elle une instance en justice visée à l'*[*article 83, alinéa 1er, du Code de la TVA*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-83) *?', (RGCF 2009, afl. 2, 136-140), Rec. gén.enr.not. 2009, alf. 3, 100, noot A. CULOT, TFR 2009, alf. 358, 283, noot B. VANERMEN, 'Verzet tegen dwangbevel schorst de verjaring ook voor oude BTW-schulden', (TFR 2009, afl. 358, 286-288))*.

**b.** Artikel 40 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt :

> "Ten aanzien van hen die in België geen gekende woonplaats, verblijfplaats, of gekozen woonplaats hebben, stuurt de gerechtsdeurwaarder bij een ter post aangetekende brief het afschrift van de akte aan hun woonplaats of aan hun verblijfplaats in het buitenland en met de luchtpost indien de plaats van bestemming niet in een aangrenzend land ligt, onverminderd enige andere wijze van toezending overeengekomen tussen België en het land waar zij hun woon- of verblijfplaats hebben. De betekening wordt geacht te zijn verricht door de afgifte van de akte aan de postdienst tegen ontvangstbewijs in de vormen die in dit artikel worden bepaald.
>
> Heeft betrokkene in België noch in het buitenland een gekende woonplaats, verblijfplaats, noch gekozen woonplaats, dan wordt de betekening gedaan aan de procureur des Konings in wiens rechtsgebied de rechter die van de vordering kennis moet nemen of heeft genomen, zitting houdt; is of wordt er geen vordering voor de rechter gebracht, dan geschiedt de betekening aan de procureur des Konings in wiens rechtsgebied de rechter die van de vordering kennis moet nemen of heeft genomen, zitting houdt; is of wordt er geen vordering voor de rechter gebracht, dan geschiedt de betekening aan de procureur des Konings in wiens rechtsgebied de verzoeker zijn woonplaats heeft of, indien hij geen woonplaats in België heeft, aan de procureur des Konings te Brussel.
>
> De betekeningen mogen altijd aan de persoon worden gedaan, indien deze in België wordt aangetroffen.
>
> De betekening in het buitenland of aan de procureur des Konings is ongedaan indien de partij op wier verzoek ze verricht is, de woonplaats of de verblijfplaats of de gekozen woonplaats van degene aan wie betekend wordt, in België of, in voorkomend geval in het buitenland, kende."

Uit voormelde wetsbepaling mag niet worden afgeleid dat de persoon op wiens verzoek de betekening geschiedt, de verplichting zou hebben om in alle stadia van de procedure bij bevolkingsdiensten of bij het rijksregister van de fysieke personen na te gaan of de toestand nog steeds ongewijzigd bleef sinds het ogenblik waarop de betrokkenen geen woonst- of verblijfplaats had of dat hij uit de bevolkingsregisters geschrapt werd *(A. SMETS, Artikel 40 Ger. W., in Gerechtelijk recht, Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak van rechtsleer, 2007, Deel I, Hfdst. VII, Ger. W., Art. 39 Ger. W. - Art. 41 Ger. W., nr. 4 p. 33; vgl. Cass. AR P.93.1140.F, 15 december 1993, Arr. Cass. 1993, 1070, Bull. 1993, 1071, Pass. 1993 (verkort), I, 1071, R. Cass. 1994, 25, noot R. DE CORTE, K. SEYEN, 'De adressering van de procespartijen en de betekening', (R. Cass. 1994, 21-24), RW 1993-94, 1458)*.

De betekening aan de procureur des Konings is aldus regelmatig, als de rechter vaststelt dat de woonplaats van degene aan wie betekend wordt in België of in het buitenland niet bekend was en dat zulks aan diens eigen nalatigheid te wijten was *(Cass., 22 mei 1980, Arr. Cass., 1979-80, 1178, Pas., 1980, I, 1168)*.

De aan de procureur des Konings gedane betekening zal dan ook niet ongedaan zijn, wanneer de rechter op grond van feitelijke gegevens oordeelt dat de partij op wiens verzoek de betekening wordt gedaan wegens de eigen nalatigheid van de geadresseerde diens woonplaats niet kende op het ogenblik van de betekening *(vgl. Cass. (2e k.) AR P.00.1110.F, 13 december 2000, Arr. Cass. 2000, afl. 10, 1976, Bull. 2000, afl. 12, 1930; Cass. AR P.93.1511.N, 3 januari 1995, Arr. Cass. 1995, 3 A.J.T. 1995-96, 142, Bull. 1995, 3, Pass. 1995, I, 3, noot M.D.S.)*.

**c.** Uit de door partijen voorgelegde stukken dient te worden vastgesteld dat :

\- het op 9 april 2001 door verweerder uitgevaardigde dwangbevel op 12 april 2001 betekend is geworden bij gerechtsdeurwaarderexploot van gerechtsdeurwaarder **J. v. N. S.** gevestigd te …, … aan eiser op het adres … en een afschrift van onderhavig exploot aan de procureur des Konings van het gerechtelijk arrondissement Kortrijk werd ter hand gesteld.

\- het op 9 april 2001- uitgevaardigde dwangbevel aan eiser bij exploot van gerechtsdeurwaarder **J. v. N. S.** met standplaats te … bij gebrek aan gekende woon- of verblijfplaats noch in België, noch in het buitenland, herbetekend werd aan de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk en dit op 15 februari 2006.

\- het op 9 april 2001 uitgevaardigde dwangbevel aan eiser bij exploot van gerechtsdeurwaarder **J. v. N. S.** met standplaats te … bij gebrek aan gekende woon- of verblijfplaats noch in België, noch in het buitenland herbetekend werd aan de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk en dit op 25 juni 2010.

\- eiser zich op 25 mei 1998 heeft laten afschrijven uit het aders …, … om te worden ingeschreven op het adres ….

\- de gerechtsdeurwaardersexploten de dato 15 februari 2006 en 25 juni 2010 als laatst gekende woonplaats van eiser het adres vermelden : …, …, aangevuld met de vermelding: thans zonder gekende woon- of verblijfplaats.

**d.** Eiser betwist de rechtsgeldigheid van het betekende dwangbevel de dato 12 april 2001 alsmede van de herbetekeningen de dato 15 februari 2006 en 25 juni 2010.

**e.** Aangaande het gerechtsdeurwaardersexploot betekend op 12 april 2001 blijkt uit vorenstaande vaststellingen dat eiser gedomicilieerd was te …, …, zodat het op deze datum betekend exploot rechtsgeldig is.

Eiser blijft immers in gebreke te bewijzen dat hij, zoals hij voorhoudt, in de maand december 2000 reeds zou verhuisd zijn naar het adres …, … en indien dit zo zou zijn, dat verweerder hiervan kennis zou gehad hebben.

Dit blijkt uit geen der overlegde stukken.

Het feit dat verweerder op het ogenblik van de herbetekeningen van het dwangbevel zijnde op 15 februari 2006 en op 25 juni 2010 kennis had van het nieuwe adres van eiser toont geenszins aan dat eiser in december 2000 zou verhuisd zijn noch dat verweerder hiervan op 12 april 2001 kennis zou gehad hebben.

Het gerechtsdeurwaardersexploot betekend op 12 april 2001 heeft stuitende werking.

f. Aangaande de herbetekeningen van het dwangbevel uitgevaardigd op 9 april 2001 bij gerechtsdeurwaardersexploten van 15 februari 2006 en 12 april 2010 aan de procureur des Konings van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk bij gebrek aan gekende woon- of verblijfplaats noch in België noch in het buitenland van eiser, stelt de rechtbank vast dat deze herbetekeningen om navolgende redenen niet rechtsgeldig gebeurden.

Uit de voorgelegde stukken blijkt dat verweerder op de hoogte was van de verhuis van eiser sedert 25 mei 1998 naar de … op het adres ….

Uit de gerechtsdeurwaardersexploten de dato 15 februari 2006 en 12 april 2010 blijkt dat verweerder alsdan kennis had van het nieuwe adres van eiser in de … : ….

Nu verweerder op de hoogte was van de adreswijziging van eiser naar het adres … diende verweerder bij twijfel over de juistheid van dit adres desaangaande opzoekingen middels het rijksregister te laten verrichten minstens diende verweerder de nodige opsporingen te laten verrichten om de woonplaats van eiser te achterhalen, temeer nu uit de overlegde stukken blijkt dat verweerder het mailadres van eiser kende (stuk 1 bundel eiser).

Verweerder toont niet aan opzoekingen omtrent de juistheid van het kwestieuze adres van eiser in de … verricht te hebben.

De betekening in de terhandstelling van het afschrift van het exploot aan de procureur des Konings is slechts toegelaten wanneer alle nodige opsporingen gedaan zijn om de woonplaats, de verblijfplaats of de gekozen woonplaats van de geadresseerde te achterhalen.

De betekening aan de procureur des Konings is geen loutere mogelijkheid : wie de woonplaats, verblijfplaats of gekozen woonplaats van de geadresseerde in België of in het buitenland kent moet daar betekenen, zoniet is de betekening ongedaan. *(J. Laensens, K. Broeckx, D. Scheers, P. Thiriar, Handboek gerechtelijk recht, tweede editie, uitg. lntersentia 2008, p. 349 n° 718)*.

Nu komt vast te staan dat verweerder het juiste adres van eiser in de … kende, diende aldaar betekend te worden.

**g.** Verweerder kan niet gevolgd worden waar hij stelt dat geen nietigheid kan worden uitgesproken nu eiser verzet heeft kunnen aantekenen tegen het dwangbevel van 9 april 2001 zodat het normdoel bereikt is.

Rekening houdende met het normdoel zoals bepaalt bij artikel 867 Ger. W., kan - ook al is de betekening naar de vorm onregelmatig - geen nietigheid worden uitgesproken wanneer zij het doel heeft bereikt dat de wet ermee beoogt, namelijk aan eiser een afschrift van de akte te bezorgen en hem de mogelijkheid te geven zijn verweermiddelen uiteen te zetten. *(Cass. 19 april 2001, R.W. 2003-'04, 660)*.

Vermits eiser niet ten gevolge van de kwestieuze herbetekeningen van het dwangbevel uitgevaardigd op 9 april 2001 in de mogelijkheid werd gesteld verzet aan te tekenen en zijn verweer uiteen te zetten daar hem middels deze herbetekeningen de dato 15 februari 2006 en 25 juni 2010 geen afschrift van de akte werd bezorgd, werd het normdoel dat de wet ermee beoogt niet bereikt.

**h.** De herbetekeningen van het dwangbevel uitgevaardigd op 9 april 2001 gedaan middels gerechtsdeurwaardersexploten betekend aan de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk de dato 15 februari 2006 en de dato 25 juni 2010 gebeurden niet rechtsgeldig, en dienen ongedaan verklaard te worden zodat deze voormelde gerechtsdeurwaardersexploten betekend op 15 februari 2006 en 25 juni 2010 geen stuitende werking hebben zodat de BTW-vordering die het voorwerp uitmaakt van het op 9 april 2001 uitgevaardigde dwangbevel verjaard is.

De fiscale vordering mist grondslag.

#### 3.2.2. nopens de overige grieven

De overige grieven van eiser dienen niet te worden onderzocht nu het eventueel gegrond verklaren ervan niet kan leiden tot een ruimer voordeel voor eiser.

### 3.3. nopens de kosten

Verweerder wordt in het ongelijk gesteld en dient overeenkomstig artikel 1017, 1° lid Ger. W de gerechtskosten te dragen.

De gerechtskosten belopen het basisbedrag der geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding ad. 1.210,00 euro, zoals door eiser gevorderd.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Wijzende in eerste aanleg en op **tegenspraak**.

Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend.

Verklaart de fiscale vordering ontvankelijk en gegrond.

Verklaart het bestreden dwangbevel uitgevaardigd op 9 april 2011 oninvorderbaar wegens verjaring.

Veroordeelt verweerder tot teruggave van al hetgeen op basis van het dwangbevel uitgevaardigd op 9 april 2001 werd ingehouden of ingevorderd vermeerderd met de wettelijke intresten.

Veroordeelt verweerder tot de gedingkosten in zijn hoofde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en in hoofde van eiser begroot op 1.210,00 euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op **woensdag zes februari tweeduizend en dertien**.

Aanwezig zijn :

**H. A.**, alleenrechtsprekend rechter;

**L. N.**, griffier.

**N. L.** **A. H.**

## Textes cités

2

[CTVA art. 81](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-81) 1 occurrence

[CTVA art. 83](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-83) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Validité de la contrainte, Motivation adéquate](https://juriel.be/fr/jurisprudence/validite-contrainte-motivation-adequate-reference-cour-appel-liege-2022-09-14-234b) 2 dispositions communes

[Prescription, intérêt de retard, désistement d'instance](https://juriel.be/fr/jurisprudence/prescription-interet-retard-desistement-instance-tribunal-bruges-2025-04-08-53a3) 2 dispositions communes

[Déclaration d’accord, renonciation à l’action, Prescription, Intérêts de retard](https://juriel.be/fr/jurisprudence/declaration-accord-renonciation-action-prescription-cour-appel-2026-01-27-c906) 2 dispositions communes

[Redevable de la créance fiscale, Prescription](https://juriel.be/fr/jurisprudence/redevable-creance-fiscale-prescription-operation-cour-appel-anvers-2024-03-05-e9b2) 2 dispositions communes

[Recouvrement, délais, prescriptions, déclarations irrégulières, déductions irrégulières, éléments probants](https://juriel.be/fr/jurisprudence/recouvrement-delais-prescriptions-declarations-irregulieres-cassation-bruxelles-2012-04-27-0c37) 2 dispositions communes

[Prescription Contrainte, Assujetti à la TVA](https://juriel.be/fr/jurisprudence/prescription-contrainte-assujetti-tva-recouvrement-tribunal-gand-2007-01-17-7e6b) 2 dispositions communes

[Retenue, Prescription, Saisie-arrêt conservatoire, Créance du débiteur, procédure, poursuite](https://juriel.be/fr/jurisprudence/retenue-prescription-saisie-arret-conservatoire-cassation-bruxelles-2013-10-25-b27a) 2 dispositions communes

[Interruption de la prescription](https://juriel.be/fr/jurisprudence/interruption-prescription-renonciation-temps-couru-cassation-bruxelles-2009-04-02-ece2) 2 dispositions communes
