---
title: "21 décembre 2012 · Régime particulier, petite entreprise · Tribunal de première instance de Hasselt"
description: "Régime particulier, petite entreprise, paiement de l'impôt, exonération, autre exemption. Tribunal de première instance de Hasselt (Belgique), 21 décembre 2012."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/regime-particulier-petite-entreprise-paiement-tribunal-hasselt-2012-12-21-574d"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Régime particulier, petite entreprise, paiement de l'impôt, exonération · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Hasselt

**Date**

21 décembre 2012

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

101 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Hasselt du 21.12.2012

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER A, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN**

INZAKE A.R. nr. **11/1504/A** :

**L. P.**, autohandelaar, …, ….

Eiser, vertegenwoordigd door mr. **D. J.** loco mr. **G. P.**, advocaat te …, ….

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN**, in de persoon van de Minister van Financiën; 1000 Brussel, Wetstraat 12.

**ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN**, in de persoon van de rekenplichtige van het Eerste BTW­ontvangkantoor, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 41-43-45.

**verweerder,**

vertegenwoordigd door mr. **O. M.** loco mr. **R. F.**, advocaat te …, ….

**VOLGT HET VONNIS :**

Gelet op :

\- het verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 19.12.2003;

\- de besluiten, aanvullende besluiten, syntheseconclusies en stukken van verweerder;

\- de conclusies, syntheseconclusies en stukken van eiser.

## I. FEITEN EN VOORGAANDEN

Eiser is ingevolge de door hem uitgeoefende activiteit van autohandelaar geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder BTW-nummer … en is derhalve onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering daarvan genomen besluiten.

Op 20.09.2002 en 17.10.2003 onderwierp **J.-P. B.**, verificateur bij een fiscaal bestuur van de FOD Financiën, ter beschikking gesteld aan de BBI verbonden aan de 3e inspectie Hasselt, eiser aan een BTW-controle voor de periode 01.01.2000 tot en met 31.12.2002.

Bij nazicht van de voorgelegde boekhouding en bescheiden stelde de controleambtenaar vast dat er door eiser inbreuken zouden gepleegd zijn op [art. 58, § 4 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-58) met betrekking tot de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge voor tweedehandse goederen.

Eiser zou een veertiental tweedehandse personenwagens verkocht hebben met toepassing van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge, niettegenstaande niet alle voorwaarden tot toepassing van deze regeling met betrekking tot de herkomst van de goederen nageleefd werden.

Deze vaststellingen leidden tot een proces-verbaal van 04.11.2003 waarin gesteld werd dat eiser de hierna volgende bedragen verschuldigd is :

\- … euro aan BTW;

\- … euro aan geldboete in toepassing van art. 70, § 1 W.BTW en verminderd tot 10 % overeenkomstig het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele geldboeten op het stuk van de BTW, tabel G, eerste afdeling, rubriek IV;

\- wettelijke intresten overeenkomstig art. 91, § 1 W.BTW aan 0,8 % per maand vanaf 21.01.2003: pro memorie

(zie stuk 4, bundel eiser).

Op 24.11.2003 werd er tegen eiser een dwangbevel uitgevaardigd, gesteund op het proces-verbaal van 04.11.2003. Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 27.11.2003 (zie stuk 1, bundel verweerder).

In dit dwangbevel werden de voormelde bedragen gevorderd alsook moratoire intresten over de nog verschuldigde geldboeten vanaf de eerste kennisgeving of betekening van het dwangbevel in toepassing van art. 91, § 4 W.BTW alsmede de vervolgingskosten.

Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 19.12.2003 werd door eiser bij deze rechtbank verzet aangetekend tegen het dwangbevel van 24.11.2003.

De vordering van eiser strekt ertoe :

\- in hoofdorde: het proces-verbaal van 04.11.2003 en het dwangbevel van 24.11.2003 nietig te verklaren;

\- in ondergeschikte orde te beslissen dat de margeregeling correct werd toegepast;

\- in meest ondergeschikte orde te beslissen dat eiser recht heeft op aftrek van BTW op de aankoopfacturen van de kwestieuze auto's.

## II. BEOORDELING

### 1. Ontvankelijkheid

Er worden door verweerder geen middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

### 2. Ten gronde

#### 2.1. Met betrekking tot de nietigheid van het proces-verbaal en van het dwangbevel

Eiser is van oordeel dat het dwangbevel gebaseerd is op ongeoorloofde afleidingen, vermoedens en interpretaties in het proces-verbaal. De administratie bewijst nergens niet dat de betrokken voertuigen niet onder de margeregeling zaten en voldoet haar bewijslast terzake niet. Derhalve dient het proces-verbaal en het dwangbevel nietig te worden verklaard.

De argumentatie van verweerder betreft de gegrondheid van de BTW-vordering; zodat deze al dienen onderzocht te worden.

#### 2.2. Met betrekking tot de toepassing van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge

De betwisting tussen partijen betreft de vraag of eiser terecht krachtens art. 58, § 4 W.BTW toepassing heeft gemaakt bij de verkoop van een 14-tal wagens in de jaren 2000 t.e.m. 2002 van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge gerealiseerd door hem als belastingplichtige wederverkoper op de door hem verrichte verkopen van tweedehandse voertuigen.

Krachtens deze bepaling is een bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge gerealiseerd door de belastingplichtige wederverkopers van toepassing op de door hen verrichte leveringen van tweedehandse voertuigen.

De toepassing van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge is aan een aantal voorwaarden onderworpen die betrekking hebben op :

\- de aard van de goederen;

\- de hoedanigheid van de verkoper;

\- de hoedanigheid van de vorige eigenaar.

Enkel gebruikte goederen komen in aanmerking voor deze regeling, zoals in casu tweedehandse personenauto's.

Tussen partijen bestaat er geen betwisting over de hoedanigheid van eiser ten aanzien van deze regeling, dit wil zeggen, over het feit dat eiser een belastingplichtige wederverkoper is die in beginsel op deze regeling een beroep kan doen (zie art. 58, § 4, 1° W.BTW).

De bijzondere regeling kan enkel worden toegepast indien de door de belastingplichtige geleverde goederen, noodzakelijkerwijze zijnde gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten hem binnen de Europese Gemeenschap zijn geleverd :

\- door een niet-belastingplichtige, of;

\- door een andere belastingplichtige, voor zover de levering van het goed door deze andere belastingplichtige krachtens art. 44, § 2, 13° W.BTW is vrijgesteld, of;

\- door een andere belastingplichtige, voor zover de levering van het goed door deze andere belastingplichtige is vrijgesteld krachtens art. 56, § 2 W.BTW en het een bedrijfsmiddel betreft, of;

\- door een andere belastingplichtige wederverkoper, voor zover de levering van het goed door deze andere belastingplichtige wederverkoper overeenkomstig de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge onderworpen is geweest aan de belasting.

De bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge is niet van toepassing op de door een belastingplichtige wederverkoper verrichte leveringen van goederen die hem binnen de Gemeenschap zijn geleverd door personen die bij de aankoop, de intracommunautaire verwerving of de invoer van goederen, de vrijstelling van belasting hebben genoten krachtens art. 42 W.BTW of die hebben genoten van de teruggaaf van de belasting krachtens art. 77, § 2 W.BTW.

Krachtens art. 54, § 4, 12° W.BTW worden de leveringen van de goederen waarop de belastingheffing krachtens de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge in beginsel van toepassing is, voor dewelke de voorwaarden en de modaliteiten die voor de toepassing van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge zijn, niet nageleefd worden, geacht te zijn verricht onder de normale regeling van de belasting. Wanneer de voorwaarden derhalve niet nageleefd zijn, geldt een weerlegbaar wettelijk vermoeden van belastingheffing over die leveringen onder de gewone, normale regeling der BTW.

De bewijslast van het vervuld zijn van de voorwaarden waaronder de margeregeling kan worden toegepast rust op de belastingplichtige, hetgeen wordt bevestigd door het bestaan van het weerlegbaar wettelijk vermoeden zoals voorzien in art. 58, § 4, 12° W.BTW.

De bijzondere voorwaarden waaronder de bijzondere regeling van BTW-heffing op de winstmarge van toepassing kan zijn, zijn opgenomen in het KB BTW nr. 53 van 25 december 1992 met betrekking tot de bijzondere regeling van de belastingheffing over de winstmarge voor gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten (B.S., 30 december 1994).

Zo moet de belastingplichtige die tegelijk goederen levert onder de normale regeling van belastingheffing en onder de margeregeling, de boekingen betreffende de margeregeling afzonderlijk in zijn boekhouding bijhouden.

In de BTW-Aanschrijving nr. 2 van 2 januari 1995 heeft de BTW-administratie een aantal voorwaarden opgenomen die de belastingplichtige toelaat het bewijs te leveren dat hij rechtsgeldig toepassing heeft gemaakt van de belastingheffing op de winstmarge op zijn levering van gebruikte goederen, in het bijzonder tweedehandse vervoersmiddelen, zoals eiser verhandelt.

Krachtens deze aanschrijving dient de belastingplichtige wederverkoper in het bezit te zijn van een factuur uitgereikt door zijn leverancier wederverkoper, zonder vermelding van de belasting maar voorzien van een formulering waaruit blijkt dat de winstmargeregeling werd toegepast.

Verder schrijft deze aanschrijving voor dat de belastingplichtige wederverkoper van zijn leverancier een origineel attest moet krijgen op het ogenblik van de levering en uitgaande van de oorspronkelijke verkoper - vorige gebruiker en waarvan het model door de BTW-administratie is vastgelegd. In dit attest moet de verkoper - vorige gebruiker van het voertuig bevestigen dat hij geen enkel recht op aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de belasting heeft kunnen uitoefenen bij de aankoop, intracommunautaire verwerving of invoer van het vervoermiddel.

Verder moet hij een kopie van het inschrijvingsbewijs van het vervoermiddel bewaren in de gevallen waar overeenkomstig de reglementering betreffende de inschrijving van de motorvoertuigen een inschrijvingsbewijs vereist is.

Hij moet tevens een aankoopregister bijhouden met de aankopen van de tweedehandse vervoermiddelen, evenals een vergelijkingsregister. Hij moet de tweedehandse vervoermiddelen die hij verkoopt, individualiseren.

De belastingplichtige wederverkoper moet zowel het attest als het inschrijvingsbewijs van het voertuig bewaren.

Indien de belastingplichtige deze stukken niet kan voorleggen, kan hij door alle middelen van recht aantonen dat hij ertoe gerechtigd was de levering te verrichten met toepassing van de belastingheffing over de winstmarge. In ieder geval rust dan op hem de bewijslast dat de wettelijke voorwaarden tot toepassing voldaan zijn (zie art. 58, § 4, 12° W.BTW). Slaagt hij daar niet in, dan wordt de levering geacht plaats te vinden onder de normale regeling van heffing van de BTW..

In deze zaak houdt verweerder voor dat eiser niet op afdoende wijze bewijst dat hij voor de verkopen van tweedehandse vervoermiddelen in 2000 t.e.m. 2002 terecht een toepassing heeft gemaakt van de BTW-belastingheffing over de winstmarge voor die verkopen. Het gaat om de verkopen opgenomen in het proces-verbaal van 04.11.2003, lastens eiser opgesteld (zie stuk 4, bundel eiser).

Meer bepaald blijkt uit nazicht dat met betrekking tot de in het proces-verbaal vermelde tweedehands voertuigen, afkomstig van Duitsland die door eiser verder werden verkocht met toepassing van de winstmargeregeling dat :

\- de voorgelegde "BTW-verklaringen" en/of "Inkoopverklaringen/Attesten SBBW" ondertekend werden door de voorafgaande Nederlandse leverancier, in casu TCI cv en **F. S.**, die principieel wel recht op aftrek hebben en dus niet beschouwd kunnen worden als een in art. 58, § 4, 2° W.BTW bedoelde persoon, deze verklaringen bezitten dan ook niet de waarde van het attest bedoeld in nr. 72 van de [aanschrijving nr. 2 van 02.01.1995](https://juriel.be/fr/circulaires/2-1995-moyen-transport-occasion-f498), aangezien ze niet ondertekend werden door de persoon die het voertuig bezat in het finale verbruik stadium;

\- de inschrijvingsbewijzen op naam stonden van Duitse bedrijven, waarvan eveneens niet kan aangenomen worden dat zij de voertuigen bezaten in het finale verbruik stadium en bij de verkrijging ervan geen BTW-aftrek hebben uitgeoefend;

\- de firma TCI cv was niet geldig voor BTW-doeleinden geïdentificeerd in Nederland op het ogenblik van de verkopen aan eiser en dit sedert 10 juni 1999;

\- een Nederlandse leverancier (**F. S.**) verwijst op zijn facturen naar de wetgeving uit Duitsland.

Voor al de verkopen opgenomen in het proces-verbaal van 04.11.2003 gaat het om tweedehandse auto's die aan eiser zijn geleverd door autohandelaars, te weten TCI cv en **F. S.**, zoals blijkt uit de briefhoofden van de facturen die zij hebben uitgereikt en waarop zij melding maken van hun BTW-nummer. Deze leveranciers die principieel wel recht hebben op aftrek van BTW als BTW-belastingplichtige maken zelf attesten op waarin zij eenvoudig attesteren geen aftrek van BTW genoten te hebben en dat in verband met de levering aan eiser geen BTW verschuldigd is.

In tegenstelling tot hetgeen eiser voorhoudt kan hij thans dan ook niet volhouden dat hij het bewijs van aankoop van de door hem geleverde tweedehandse voertuigen overeenkomstig art. 58, § 4, 2° W.BTW levert onder de voorwaarden gesteld in de Aanschrijving nr. 2.

Derhalve treedt voor deze verkopen het weerlegbaar vermoeden van art. 54, § 4, 12° W.BTW in werking dat stelt dat in principe de wederverkoop had dienen te geschieden onder toepassing van de normale BTW-regeling, tenzij eiser alsnog aantoont dat de tweedehandse voertuigen hem geleverd werden door een wederverkoper die zelf voor de aankoop van de auto's, hetzij de intracommunautaire verwerving of de invoer, geen enkel recht op aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de belasting heeft kunnen uitoefenen.

Verder werd vastgesteld dat de voorgelegde attesten/inkoopverklaringen in tegenspraak zijn met de inschrijvings- en doorhalingsbewijzen omdat uit deze laatste bleek dat ofwel de laatste gebruikers van de wagens principieel als belastingplichtige met recht op aftrek te beschouwen vennootschappen waren ofwel omdat er gebruik werd gemaakt van valse inschrijvings- en doorhalingsbewijzen.

Ook de facturen vertonen gebreken. Ofwel waren ze opgesteld door een firma die op dat ogenblik geen activiteit meer had TCI cv heeft slechts een activiteit gehad van 05.02.1999 tot 10.06.1999 ofwel omdat blijkt dat de wagens wel afkomstig waren van personen met een recht op aftrek.

Een geheel van met elkaar overeenstemmende documenten moet worden overlegd om aan te tonen dat het voertuig afkomstig is van een bij art. 58, § 4, eerste lid, 2° W.BTW bedoelde leverancier, hetgeen in casu niet het geval is.

Eiser voert verder nog aan dat het vertrouwensbeginsel zou zijn geschonden door de verwerping van de toepassing van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge en door het niet juist toepassen van de Aanschrijving nr. 2 waarin volgens eiser een vaste gedragslijn van de fiscus in terug te vinden is.

De rechtbank is evenwel op grond van het bovenstaande tot het oordeel gekomen dat eiser voor alle in het proces-verbaal van 04.11.2003 opgesomde leveringen niet voldoet aan de voorwaarden van deze Aanschrijving nr. 2 zodat zijn vertrouwen in dat opzicht niet kan geschonden zijn.

Daarenboven verleent deze Aanschrijving nr. 2 op zichzelf geen absoluut recht op toepassing van de margeregeling vermits de wijze van bewijsvoering ook anders dan zoals omschreven in deze Aanschrijving nr. 2 kan geleverd worden.

De overige argumenten van eiser zijn ter zake niet dienend.

De vordering is wat dit punt betreft ongegrond.

#### 2.3 Met betrekking tot het recht op aftrek

De rechtbank is van oordeel dat het recht op aftrek van de BTW kan worden uitgeoefend zo eiser aantoont dat hij zich in de wettelijke omstandigheden bevindt om een recht op teruggave uit te oefenen.

Dit bewijs wordt niet geleverd door eiser.

Deze grief is dan ook ongegrond.

---

Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S., 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art 13 en 14).

Partijen hebben ter zake standpunt ingenomen.

---

De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

### Dispositif

## OM DEZE REDENEN :

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak.

Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de kosten begroot in hoofde van verweerder op … euro rechtsplegingsvergoeding bij gebreke aan vertegenwoordiging door een advocaat.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer A, op het gerechtshof te Hasselt op **21.12.2012**, alwaar aanwezig waren :

Mevrouw **M. C.**, enige rechter, en

De Heer **L. P.**, griffier.

**L. P.** **M. C.**

## Textes cités

1

[CTVA art. 58](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-58) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Droit à déduction, Délai préfix, Forclusion, Prescription](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-delai-prefix-forclusion-tribunal-liege-2022-04-25-0b11) 1 dispositions communes

[Amende fiscale, Proportionnalité de l’amende fiscale](https://juriel.be/fr/jurisprudence/amende-fiscale-proportionnalite-reduction-diminution-cassation-bruxelles-2022-09-23-1884) 1 dispositions communes

[Régime de la marge, Arrêté du Régent](https://juriel.be/fr/jurisprudence/regime-marge-regent-imposition-tribunal-mons-2023-09-26-1b11) 1 dispositions communes

[Régime particulier d'imposition de la marge bénéficiaire applicable aux véhicules d’occasion](https://juriel.be/fr/jurisprudence/regime-particulier-imposition-marge-beneficiaire-tribunal-bruxelles-2021-12-13-302c) 1 dispositions communes

[Régime particulier d'imposition de la marge bénéficiaire applicable aux véhicules d’occasion](https://juriel.be/fr/jurisprudence/regime-particulier-imposition-marge-beneficiaire-cour-appel-bruxelles-2021-11-03-3c9e) 1 dispositions communes

[Régime de la marge, Arrêté du Régent](https://juriel.be/fr/jurisprudence/regime-marge-regent-imposition-beneficiaire-tribunal-2023-09-26-5fcd) 1 dispositions communes

[Régularisation du chiffre d’affaires](https://juriel.be/fr/jurisprudence/regularisation-chiffre-affaires-caractere-non-tribunal-2022-05-25-6165) 1 dispositions communes

[Facture régulière, Régime de la marge bénéficiaire, Preuve](https://juriel.be/fr/jurisprudence/facture-reguliere-regime-marge-beneficiaire-cour-appel-gand-2023-11-28-b627) 1 dispositions communes
