---
title: "1er juin 2010 · Régime particulier, petite entreprise · Cour d&#x27;appel de Gand"
description: "Régime particulier, petite entreprise, disposition pénale, amende administrative, poursuite, instance. Cour d'appel de Gand (Belgique), 1er juin 2010."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/regime-particulier-petite-entreprise-disposition-cour-appel-gand-2010-06-01-2fc7"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Régime particulier, petite entreprise, disposition pénale, amende administrative, poursuite · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Gand

**Date**

1er juin 2010

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

66 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 01.06.2010

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Hof van beroep te Gent - 5be kamer – terechtzitting van 01-06-2010**

Nr. **2009/AR/916**

in de zaak van :

**R. EISCB NV**, met maatschappelijke zetel te …, …; ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer …,

**appellante,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **C. B.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, en in de persoon van de e.a. Inspecteur van het BTW­Ontvangkantoor te Brugge, wiens kantoren gevestigd zijn te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat 4,

**geïntimeerde,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **N. F.** loco mr. **V. D. P. J.**, advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

1\. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 10.1.2008 dagvaardde de appellante de geïntimeerde voor de Rechtbank van Eerste Aanleg·te Brugge teneinde uitspraak te horen doen over haar verzet tegen het dwangbevel (RCIV nr. …) uitgevaardigd door **D. L. B.**, e.a. inspecteur a.i. van het BTW-ontvangkantoor te Brugge op 29.11.2007, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door **W. K.**, eerstaanwezend inspecteur-diensthoofd, aangewezen door de gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde, op 3.12.2007.

In dit dwangbevel werd opgenomen als schuld ten laste van de appellante … EUR aan BTW + … EUR geldboete krachtens [artikel 70, § 1 BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70), hetzij samen … EUR in totaal, vermeerderd met de intrest van 0,80 % per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21.1.2006, de moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboete die loopt vanaf de kennisgeving/betekening van het dwangbevel ingevolge [artikel 91, § 4 BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91), de vervolgingskosten.

Voor de eerste rechter vorderde de appellante dat zou gezegd worden voor recht dat het vermelde dwangbevel nietig is omdat de erin vervatte vordering van de geïntimeerde niet gegrond is en het daarin gevorderde bedrag ten titel van rechten en boeten niet verschuldigd is. Verder vorderde de appellante dat ook het proces-verbaal van 26.11.2007 waaruit de BTW-schuld resulteert nietig en van nul en generlei waarde zou worden verklaard.

Bij vonnis van 8.12.2008 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, vierde kamer, werd de vordering van de appellante toelaatbaar doch ongegrond verklaard. De appellante werd veroordeeld tot de kosten.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Gent op 6.4.2009 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vermelde vonnis.

Het blijkt niet dat dit vonnis werd betekend of dat de appellante er in zou hebben berust.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

Met haar hoger beroep streeft de appellante de vernietiging van het bestreden vonnis na en vordert zij de toewijzing van haar reeds hoger aangehaalde vordering.

De geïntimeerde vordert dat het hoger beroep ongegrond zou worden verklaard.

2\. De hoger vermelde BTW-schuld heeft betrekking op de periode 1.1.2004 - 31.12.2005.

In het proces-verbaal dd. 26.11.2007 van ambtenaren van het controlecentrum van het AOIF te Oostende (stuk 1 van de geïntimeerde) werd onder meer vastgesteld dat :

\- de contante ontvangsten globaal per dag per BTW-tarief van 6 % en 21 % opgenomen worden in een dagontvangstenboek aan de hand van een Z-totaal van een kasregister; een detail van de aard en de hoeveelheid van de gerealiseerde contante verkopen kan niet worden voorgelegd; op de vraag van de controlerende ambtenaren of geen verdere details of rapporten van de gerealiseerde verkopen door het kasregistersysteem konden worden gegenereerd en voorgelegd, antwoordde de zaakvoerder van de appellante : "De klant krijgt een ticket met een detail van de aangekochte goederen, een dubbel daarvan heb ik niet. Ik weet niet welke rapporten allemaal kunnen worden gegenereerd maar meer details uit het verleden kunnen niet opgevraagd worden aangezien alles per dag wordt gewist".

\- niet alle leveringsbons van na de verklaring van 26.2.2004 van de zaakvoerder van de appellante (zie hierboven) konden worden voorgelegd;

\- volgens de balansen en jaarrekeningen blijkt de beginvoorraad verpakkingen per 1.1.2004, 1.1.2005, en de eindvoorraad verpakkingen per 31.12.2005 … EUR te zijn; de voorraad wordt geschat;

\- de aankopen van de goederen onderworpen aan het BTW-tarief van 21 % zijn aanzienlijk hoger dan de verkopen onderworpen aan dit tarief, dit zowel voor het jaar 2004 als voor het jaar 2005; dit kon door de zaakvoerder niet worden verklaard, terwijl hij stelt te weten dat op het einde van het jaar vergissingen kunnen voorkomen wegens de drukte, maar hij een detail van de aangegeven verkopen van 21 % niet meer kan geven.

Deze gegevens leiden tot het besluit dat de administratie terecht de boekhouding van de appellante heeft verworpen als niet bewijskrachtig, nu zij onvoldoende controleerbaar is. Deze controleerbaarheid is een essentiële vereiste opdat de boekhouding zou kunnen aanvaard worden als voldoende bewijskrachtig om de juiste toepassing van de BTW en de controle ervan te kunnen verzekeren, wat de bedoeling is van de boekhouding zoals uitdrukkelijk blijkt uit de bepaling van [artikel 14, § 1 van het KB nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-14-28ed) van 29.12.1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde. Daaraan moet worden toegevoegd dat artikel 15, § 2 van dit KB nr. 1 uitdrukkelijk vereist dat de inschrijvingen met betrekking tot de boekhouding zouden gesteund zijn op verantwoordingsstukken die gedateerd zijn en waarvan naargelang het geval een origineel exemplaar of een dubbel dient te worden bewaard. De artikelen [60](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-60) en [61](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-61) BTW-wetboek voorzien bovendien in de verplichting tot bewaring van de stukken.

Zo de hierna aangehaalde vaststellingen in het proces-verbaal van 26.2.2004 noodzakelijkerwijze maar betrekking kunnen hebben op een klein deel van de thans in geschil zijnde gecontroleerde periode (1.1.2004 tot 31.12.2005), nl. op de periode 1.1.2004 tot 26.2.2004, is dit evenwel niet zo voor de vaststellingen gedaan in het proces-verbaal van 26.11.2007. Dit proces-verbaal heeft het uitdrukkelijk over de "vaststellingen gedaan bij nazicht van de voorgelegde boekhouding op 8 januari 2007" (p. 3 van het proces-verbaal), terwijl bij de aanvang van het proces-verbaal ook wordt vermeld dat controle wordt gedaan met betrekking tot de periode van 1 januari 2004 tot 31 december 2005, en terwijl uit het verhaal van vaststellingen blijkt dat onder meer gewag gemaakt wordt van omzet voor de periode van 01.01.2004 - 31.12.2004 en 01.01.2005 - 31.12.2005, de voorraad op 1.1.2004, 1.1.2005 en 31.12.2005, de brutowinstmarges over de periodes O 1.01.2004 - 31.12.2004 en 01.01.2005 - 31.12.2005, e.d. meer. Er kan dan ook geen twijfel over bestaan dat de vaststellingen in het proces-verbaal van 26.11.2007 (stuk 1 van de geïntimeerde) betrekking hebben op de periode 1.1.2004 tot 31.12.2005.

Waar de door de appellante voorgelegde boekhouding niet toeliet het detail van de verkopen met particulieren na te gaan, was controle hierop niet mogelijk. Het door de appellante aangehaalde afdrukken van dagelijkse rapporten per personeelslid (dat volgens de conclusie van de appellante ook slechts globale cijfers weergeeft, en geen details) is niet van aard hieraan te verhelpen. Het feit dat de appellante over een zekere. vrijheid beschikt in verband met de wijze waarop zij haar boekhouding voeren kan, stelt haar er evenwel niet van vrij een boekhouding voor te leggen die controleerbaar is, wat hier duidelijk niet het geval is geweest. In dit verband moet worden opgemerkt dat, zo het kasregistersysteem dit niet mogelijk zou maken (wat volgens het proces-verbaal van 26.11.2007, bijlage 4 bij het stuk 1 van de geïntimeerde hier nochtans wel mogelijk blijkt te zijn), het aan de appellante behoort een systeem aan te wenden, dat zij in zekere mate zelf kiest, maar dat leidt tot een controleerbare boekhouding, en zij zich niet kan verschuilen achter eventuele beperkingen van het door haar gehanteerde systeem, of nog het onvoldoende aanwenden door de appellante van de mogelijkheden van het gehanteerde systeem. Hierbij ziet men ook niet in hoe de door de appellante ingeroepen controle van een ander vroeger kassaregistersysteem zou kunnen inhouden dat het later gebruikte, andere systeem bewijskrachtig zou zijn.

Ook in zoverre de appellante een schending van het vertrouwensbeginsel inroept kan zij niet gevolgd worden.

Uit het proces-verbaal van 26.2.2004 van de ambtenaren van de inspectie plaatselijke opsporingen van de AOIF te Oostende (bijlage bij stuk 1 van de geïntimeerde) blijkt dat werd vastgesteld dat :

\- de leveringsbons niet de juiste identiteit vermelden, noch het BTW­identificatienummer van de klant;

\- bepaalde uitgaande facturen niet tijdig worden uitgereikt;

\- bepaalde uitgaande facturen niet gedetailleerd zijn en de verantwoordingsstukken (o.a. kastickets) niet kunnen voorgelegd worden;

\- op bepaalde uitgaande facturen geen uitsplitsing gemaakt wordt tussen de maatstaf van heffing en de verschillende tarieven van de verschuldigde BTW.

In ditzelfde proces-verbaal is een verklaring opgenomen van de zaakvoerder van de appellante waarin hij stelt dat hij "vanaf heden en in de toekomst rekening zal houden met de gedane vaststellingen en opmerkingen en rekening houden met de wettelijk voorgeschreven normen i.v.m. het opmaken en uitreiken van uitgaande leveringsbons en uitgaande facturen".

Zowel uit deze vaststellingen als uit de verklaring van de zaakvoerder van de appellante blijkt dat enkel opmerkingen werden gemaakt met betrekking tot het opmaken van uitgaande leveringsbons en uitgaande facturen. Uit niets kan worden afgeleid dat bij de controle van 27.2.2004 ook controle werd gedaan op het kassaregistersysteem en/of de wijze waarop dit gebruikt werd, en dat de administratie op een of andere wijze impliciet of expliciet haar akkoord te kennen gaf met de door de appellante gevoerde werkwijze. Dat de werkwijze van de appellante in de jaren 2004 en 2005 gedurende "meerdere jaren" werd aanvaard door de administratie is dan ook niet aangetoond. Ten overvloede dient te worden gepreciseerd dat de burger ook niet kan verwachten dat de administratie tegen de wettelijke regels in, over de jaren heen een onregelmatige boekhouding als bewijskrachtig zou blijven beschouwen (vergelijk met Cass. 10.12.2009, rolnr. F.08.0038.N, vindplaats http://jurejuridat.just.fgov.be ).

In het proces-verbaal van 26.11.2007 (stuk 1 van de geïntimeerde) wordt ook vastgesteld dat niet alle leveringsbonnen konden worden voorgelegd. Deze vaststelling heeft evident slechts betrekking op andere klanten dan particulieren. Zoals vele handelaars werkt de appellante blijkbaar met leveringsbons (niet te verwarren met bestelbons), wat blijkt uit de vaststelling dat niet alle leveringsbons konden worden voorgelegd, d.i. voor de ene levering wel, voor de andere niet. Daar dergelijke leveringsbons normalerwijze tot doel hebben het bewijs te leveren van de levering, en ook andere gegevens kunnen bevatten die een nuttige bewijsfunctie kunnen vervullen inzake van het verschuldigd zijn van de BTW, zijn dit stukken die konden bijdragen tot de controleerbaarheid en betrouwbaarheid van de boekhouding van de appellante. In deze zin is de opmerking van de administratie terecht. Dit houdt evenwel niet in dat de administratie enkel op grond van het niet voorleggen van bepaalde leveringsbons de boekhouding verwerpt.

Gelijkaardige opmerkingen gelden voor wat betreft de voorraad verpakkingen. Op grond van het artikel 42 van het KB van 30.1.2001 tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen kan het systeem van een zogenaamde "ijzeren voorraad" wel aangenomen worden, en mag meer bepaald het klein materieel evenals de grond- en hulpstoffen die bestendig worden hernieuwd en waarvan de aanschaffingswaarde te verwaarlozen is in verhouding tot het balanstotaal, op het actief worden opgenomen voor een vast bedrag indien de hoeveelheid, de waarde en de samenstelling ervan niet aanmerkelijk veranderen van het ene boekjaar tot het andere, in welk geval de prijs voor de hernieuwing van deze bestanddelen wordt opgenomen onder de bedrijfskosten (zie deze bepaling; zie ook in die zin Com.IB. nrs. 24/90 en 24/106). Weliswaar kan er aan getwijfeld worden dat aan deze voorwaarden is voldaan, nu volgens de bewering van de appellante in conclusie de voorraad eind 2008 niet … EUR zou bedragen maar slechts … EUR (p. 34 van de laatste conclusie van de appellante voor dit Hof) en dit niet wijst op een niet aanmerkelijke verandering van het ene boekjaar tot het andere, doch te dezen moet vooral opnieuw worden opgemerkt dat de juiste gegevens met betrekking tot de wijzigingen in de voorraad konden bijdragen tot de controleerbaarheid en betrouwbaárheid van de boekhouding van de appellante. Dit houdt evenwel niet in dat de administratie enkel op grond van het hanteren van een "ijzeren voorraad" de boekhouding verwerpt. Terecht merkt de geïntimeerde op dat het aantal verbruikte verpakkingen een aanwijzing inhoudt voor de te realiseren omzet van bereide gerechten.

Voor wat betreft het gegeven dat de aankopen van de goederen onderworpen aan het BTW-tarief van 21 % aanzienlijk hoger zijn dan de verkopen onderworpen aan dit tarief, dit zowel voor het jaar 2004 als voor het jaar 2005, stelt de appellante nu dat er hiervoor een eenvoudige verklaring is. Nochtans moet worden opgemerkt dat deze eenvoudige verklaring door de zaakvoerder van de appellante niet geopperd werd ten tijde van deze vaststellingen, maar hij enkel stelde dat hij geen verklaring had voor het verschijnsel maar wel wist dat in de drukke eindejaarsperiode vergissingen kunnen voorkomen. De door de appellante thans in de procedure uitgewerkte verklaring zou te vinden zijn in de verkoop van bereide gerechten. Terecht wijst de geïntimeerde op de hiaten in de redenering van de appellante met betrekking tot de bereide gerechten, en meer bepaald op het feit dat tal van producten verwerkt in de bereide schotels (zalm, heilbot, surimi) aangekocht worden aan 6 % en niet aan 21 %, of nog dat niet alle bereidingen met krab, kreeft en oesters onderworpen zijn aan het tarief van 6 % (zoals bereidingen waarbij deze in schaal en schelp worden verkocht, zoals in zeevruchtenschotels en zo genaamde kreeft "à la nage"). De geïntimeerde wijst er ook terecht op dat het becijferd voorbeeld gegeven door de appellante onder punt 106 van haar laatste conclusie in strijd met het wettelijk tarief voorziet dat voor de verkoop van zeevruchten (vrije vertaling uit het Frans van "fruits de mer") het BTW-tarief van 6 % geldt, terwijl hieronder normalerwijze zich schaal- en schelpdieren bevinden die niet ontdaan zijn van de schelp, en in die mate moesten verkocht worden aan 21 %. De theoretische, onjuiste uitleg die de appellante poogt te geven voor de door de administratie aangemerkte anomalie, dient dan ook te worden verworpen. Hierbij moet opnieuw worden opgemerkt dat de appellante duidelijkheid kon verschaffen door een daaromtrent duidelijke en gedetailleerde boekhouding te voeren, des te meer aangewezen gezien de verschillen in BTW-tarifering van de door de appellante verkochte producten.

3\. Na verwerping van de boekhouding van de appellante, heeft de administratie de omzet van de appellante herberekend op basis van de forfaitaire regeling inzake BTW voor kleinhandelaars in vis (forfait nr. 14).

Een wettelijk forfaitaire vaststelling van de grondslag van de aanslag in een bepaalde sector is een feitelijk gegeven waarop de administratie, als er geen

regelmatige boekhouding wordt voorgelegd, kan steunen en dat kan gelden als een vermoeden in de zin van art. 59, § 1, W.BTW. (vergelijk met [Cass. 13.12.2007](https://juriel.be/fr/jurisprudence/moyens-preuve-presomptions-bases-forfaitaires-cassation-bruxelles-2007-12-13-604b), Pas. 2007, nr. 631, p. 2285).

Uit diverse wettelijke bepalingen blijkt dat het de bedoeling is van de wetgever om enkel die belastingplichtigen van de vereenvoudiging ingevolge de forfaitaire regeling te laten genieten voor zover het gaat om kleine ondernemingen die voornamelijk met particulieren handelen aan wie zij geen factuur moeten uitreiken (zo bv. [artikel 56, § 1 BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-56) dat het heeft over kleine ondernemingen; [artikel 1, § 1, 2° KB nr. 2](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-2-novembre-etablissement-bases-forfaitaires-taxation-0384#ar2-art1) d.d. 7.11.1969 met betrekking tot de vaststelling van forfaitaire grondslagen van aanslag voor de belasting over de toegevoegde waarde dat de beroepswerkzaamheid voor ten minste 75 % moet bestaan uit handelingen waarvoor geen verplichting bestaat tot uitreiking van de factuur; artikel 1, § 1, 3° van dit KB nr. 2 dat voorziet dat de jaaromzet niet meer dan … EUR mag bedragen).

In die optiek is het logisch dat het forfait nr.14 de groothandelaars en halfgroothandelaars, die wel facturen moeten uitreiken aan hun klanten niet­ particulieren, van deze forfaitaire regeling uitsluit. Even logisch is het dat grotere ondernemingen (d.i. volgens de grens door de Koning bepaald met een jaaromzet die meer bedraagt dan … EUR) door [artikel 1, § 1, 3° van het KB nr. 2](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-2-novembre-etablissement-bases-forfaitaires-taxation-0384#ar2-art1) van een forfaitaire regeling worden uitgesloten. Deze uitsluitingen vinden hun oorsprong enkel in de hoger aangehaalde bedoeling van de wetgever (regeling voor kleine ondernemingen die voornamelijk met particulieren handelen), en beletten niet dat de in het forfait nr. 14 opgenomen berekeningswijze van de omzet voor kleinhandelaars in vis als feitelijk vermoeden kan aangewend worden voor de berekening van de omzet van de appellante, nu de boekhouding van de appellante terecht werd verworpen. Uit niets kan afgeleid worden dat deze forfaitaire berekeningswijze van de belastbare omzet niet deugdelijk meer zou zijn omdat de omzet van de appellante meer dan … EUR bedraagt of omdat de appellante ook levert aan bedrijven.

Waar de appellante aanvoert dat het forfait nr. 14 op haar niet van toepassing is omdat zij ook groothandelaar is en een jaaromzet heeft van meer dan … EUR, moet worden vastgesteld dat dit te dezen niet belet dat de berekeningswijze in het forfait nr. 14 opgenomen als betrouwbaar feitelijk vermoeden kan worden aangewend voor de berekening van haar omzet bij gebrek aan betrouwbare boekhouding.

De door de appellante gevoerde betwisting over het aandeel van de bereide gerechten in de omzet van de appellante is te dezen nutteloos, gezien de administratie de omzet heeft berekend alsof er geen bereide gerechten waren (zie uitdrukkelijk het proces-verbaal van 26.11.2007, p. 10, stuk 1 van de geïntimeerde). Deze berekeningswijze is ten zeerste in het voordeel van de appellante gezien in het forfait nr. 14 voor bereide gerechten voorzien wordt in een bijkomende door de bereiding voortgebrachte meerwaarde van 25 %, meerwaarde die voor de appellante niet werd toegepast. Er kan dan ook evenmin sprake zijn van willekeur bij het bepalen van de omzet, maar van een voor de appellante zeer voordelige berekeningswijze van de omzet.

De appellante houdt verder voor dat zij na de controle in 2007 haar prijzen heeft verhoogd ten opzichte van de eraan voorafgaande periode (volgens niet bewezen bewering van de appellante, op aanraden van de geïntimeerde), dat deze prijsverhoging tot gevolg zou hebben gehad dat haar omzet is gedaald, dat de administratie uit de verhoging van haar prijzen en winstmarge afleidt dat de stijging van de brutowinstmarge een verhoging van het toepasselijke coëfficiënt tot gevolg heeft, dat de eventuele verhoging van de brutowinstmarge niet zomaar leidt tot een verhoging van de toepasselijke coëfficiënt in de onderzochte periode. Hieruit leidt zij af dat de stelling van de geïntimeerde dat de appellante voor de in betwisting zijnde jaren een grotere omzet zou hebben gehaald niet opgaat en het forfait nr. 14 niet kan toegepast worden.

De stellingen die de appellante in dit verband ontwikkelt zijn zeer vaag, niet steeds duidelijk en gesteund op tal van (niet bewezen) veronderstellingen, die een onvoldoende betrouwbare basis verschaffen om aan te nemen dat de omzet van de appellante voor de betwiste jaren niet hoger kan zijn zoals de administratie heeft aangenomen met toepassing van het forfait nr. 14. Het blijft onder meer zo dat de boekhouding van de appellante geen betrouwbaar beeld geeft van de situatie over de in betwisting zijnde jaren, dit om de hoger aangehaalde redenen, en de beweringen van de appellante met betrekking tot de jaren 2004 en 2005 niet afdoende controleerbaar zijn. Het benoemen van een gerechtsdeskundige zoals gevorderd door de appellante zou hier niet baten, nu deze stuiten zou op dezelfde onbetrouwbaarheid van de boekhouding. De appellante toont niet aan dat de berekeningsmethode van het forfait nr. 14 onvoldoende betrouwbaar is om te dienen als feitelijk vermoeden voor de berekening van de omzet.

### Dispositif

**OP DEZE GRONDEN,**

**HET HOF**, rechtdoende op **tegenspraak**,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Ontvangt het hoger beroep, verklaart het ongegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis;

Veroordeelt de appellante tot de kosten van het hoger beroep en begroot deze in hun geheel als volgt :

• aan de zijde van de appellante : op … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep;

• aan de zijde van de geïntimeerde : op … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, **vijfde kamer bis**, recht doende in fiscale zaken, op **EEN JUNI TWEEDUIZEND EN TIEN**.

Aanwezig de Heren :

**G. T.**, Raadsheer, waarnemend voorzitter, alleenrechtsprekend,

**M. V.**, griffier.

**M. V.** **G. T.**

## Textes cités

7

[AR no 2 art. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-2-novembre-etablissement-bases-forfaitaires-taxation-0384) 2 occurrences

[AR no 1 art. 14](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-14-28ed) 1 occurrence

[CTVA art. 56](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-56) 1 occurrence

[CTVA art. 60](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-60) 1 occurrence

[CTVA art. 61](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-61) 1 occurrence

[CTVA art. 70](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) 1 occurrence

[CTVA art. 91](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Moyens de preuve et mesures de contrôle](https://juriel.be/fr/jurisprudence/moyens-preuve-mesures-controle-presentation-cour-appel-gand-2013-10-15-7e58) 5 dispositions communes

[Comptabilité probante, Rejet de la comptabilité, Journal des recettes](https://juriel.be/fr/jurisprudence/comptabilite-probante-rejet-journal-recettes-cour-appel-gand-2013-12-24-8fb3) 5 dispositions communes

[Délai de dépôt d’une réclamation, Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/delai-depot-reclamation-droit-deduction-cour-appel-anvers-2023-03-23-2039) 4 dispositions communes

[Nullité de la contrainte](https://juriel.be/fr/jurisprudence/nullite-contrainte-caractere-ordre-public-cour-appel-anvers-2021-10-15-7803) 4 dispositions communes

[Droit d’accès, visite fiscale, fishing-expedition, droit d'admission, fishing expedition](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-acces-visite-fiscale-fishing-cour-appel-gand-2024-01-16-bc96) 4 dispositions communes

[Secteur Horeca, Système de caisse enregistreuse](https://juriel.be/fr/jurisprudence/secteur-horeca-systeme-caisse-enregistreuse-tribunal-2020-05-13-bd2b) 4 dispositions communes

[Disposition pénale, amende administrative, preuve, mesure de contrôle, poursuite](https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-preuve-cour-appel-anvers-2007-06-16-17fd) 4 dispositions communes

[Sanction en matière de TVA, amende fiscale](https://juriel.be/fr/jurisprudence/sanction-matiere-tva-amende-fiscale-cour-appel-gand-2005-05-10-1d10) 4 dispositions communes
