---
title: "13 décembre 2021 · Régime particulier d&#x27;imposition de la marge bénéficiaire applicable aux véhicules d’occasion · Tribunal de première instance de Bruxelles"
description: "Régime particulier d'imposition de la marge bénéficiaire applicable aux véhicules. Tribunal de première instance de Bruxelles (Belgique), 13 décembre 2021."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/regime-particulier-imposition-marge-beneficiaire-tribunal-bruxelles-2021-12-13-302c"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Régime particulier d'imposition de la marge bénéficiaire applicable aux véhicules d’occasion

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruxelles

**Date**

13 décembre 2021

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

**Sens lu par le SPF**

favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

112 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruxelles du 13.12.2021

WF 701-15-20/005047

\[Favorable à l’Etat belge\]

*Taxe sur la valeur ajoutée - Régime particulier d'imposition de la marge bénéficiaire applicable aux véhicules d’occasion – Assujetti-revendeur*

## Dispositions légales

[Article 58, §4, 1°, du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-58)

## Résumé

1) Les faits et les antécédents de procédure

Après avoir effectué un contrôle, l'administration de la TVA a dressé un procès-verbal le 7 août 2019. Il y est notamment consigné que l’assujettie a vendu un véhicule Jaguar en 2016 dans le cadre du régime de la marge bénéficiaire applicable aux véhicules d’occasion alors qu'elle n'est pas un assujetti-revendeur. L’assujettie a déposé une requête auprès du tribunal en opposition au registre de perception et recouvrement.

2) Le jugement rendu en première instance

*1.* *Violation de l’article58, § 4, 1°, du Code de la TVA*

Il existe un litige entre les parties sur la question de savoir si l'assujettie peut être considérée comme un assujetti-revendeur et relève ainsi des conditions d'application du régime particulier de la TVA, conformément à l'[art. 58, §4, 1° du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-58), qui dispose : « on entend par assujetti-revendeur, l'assujetti qui, dans le cadre de son activité économique, achète ou affecte aux besoins de son entreprise ou importe, en vue de leur revente, des biens d'occasion, des objets d'art, de collection ou d'antiquité… »

Cette disposition est une transposition presque littérale de l'[article 311, §1er, 5° de la directive 2006/112/CE](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-311). Il ressort de la jurisprudence européenne que, comme le soutient à juste titre l'assujettie, il n'est pas nécessaire que la revente soit l'activité principale de l'entreprise souhaitant se prévaloir du régime particulier en matière de TVA. Toutefois, à la lumière de la finalité de ce régime particulier en matière de TVA, qui est notamment d' « éviter la double imposition de la taxe et les distorsions de concurrence entre assujettis », il est requis que la revente fasse partie de l’exercice normal des activités commerciales de la société et que la finalité de procéder à la revente existe au moment de l'achat.

Il ressort des pièces présentées que l’assujettie est un bureau d’ingénieurs (bureau d’ingénierie). Il ressort également qu'une vente de véhicule a été constatée lors de l’année 2016, à savoir la vente du véhicule Jaguar faisant en l’espèce l'objet du litige. L'assujettie ne démontre pas que le commerce de véhicules (d'occasion) relève de son activité commerciale normale ou qu'il concerne une activité secondaire subordonnée à l'activité normale, à savoir un bureau d’ingénieurs. Dès lors elle n'est donc pas un assujetti-revendeur.

*2.* *Violation des principes de sécurité juridique et de la confiance légitime*

Le principe de sécurité juridique aurait été enfreint car avant 2016 plusieurs opérations ont été réalisées sous le régime particulier d'imposition de la marge bénéficiaire, sans qu’aucune remarque n’ai été émise par l'administration de la TVA. Sur la base des pièces présentées, il apparaît « seulement plausible » qu'avant 2016, trois ventes aient été réalisées en application des dispositions de ce régime spécial en matière de TVA, à savoir en 2007, 2008 et 2010.

En principe, l’assujettie ne peut pas anticiper ses actes sur la base d’attentes fondées sur une pratique illégale et partir du postulat erroné que l'administration est tenue de respecter le principe de la confiance légitime dans tous les cas, et ce même en opposition à la loi. Le fait que l'administration n'ait formulé aucune remarque concernant la TVA pour ces années ne fait pas naître une confiance légitime qu'aucune TVA ne sera réclamée pour l'année 2016.

## Remarque

L’assujettie a acquiescé au jugement

**Texte du jugement**

***Le jugement est publié uniquement dans la langue originale***

### Corps de la décision

**Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, 7 de Kamer**

Vonnis van 13 december 2021

Rol: 2020/175/A

In de zaak van:

De **GCV VKC**, met zetel te ..., met ondernemingsnummer 042...20, eiseres, vertegenwoordigd door mr. ... advocaat met kantoor te ....

**Tegen:**

De **BELGISCHE STAAT, KBO F.O.D. Financiën** 0308.357.159, de Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op verzoek van de Adviseur-generaal, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, FOD Financiën - KMO, Centrum KMO Brussel 1, met kantoor te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50, bus 3404, verweerder, voor wie verschijnt de heer X, inspecteur.

In deze zaak, in beraad genomen op 29 november 2021, wordt door de rechtbank volgend vonnis uitgesproken:

## I. PROCEDURE

De rechtbank heeft onder meer kennis genomen van:

• het verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 10 januari 2020,

• de beschikking overeenkomstig artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek van 21 februari 2020,

• de syntheseconclusie voor eiseres, neergelegd ter griffie op 22 juni 2021,

• de syntheseconclusie voor verweerder, elektronisch neergelegd op 22 oktober 2021,

• de stukken van de partijen.

De raadsman van eiseres en de vertegenwoordiger van verweerder werden gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 29 november 2021, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen.

Conform artikel 748bis van het Gerechtelijk Wetboek wordt enkel rekening gehouden met de laatste conclusies van de partijen.

## ll. FEITEN

De vordering van de GCV VKC (hierna: eiseres) heeft betrekking op een Innings- en invorderingsbericht inzake btw van 11 december 2019 waarbij de volgende belastingschuld wordt ingevorderd ten aanzien van eiseres (in het bericht staat als totale belasting aangegeven: 3.822,00 euro):

• BTW: 2.776,00 euro

• Administratieve geldboete: 270,00 euro

• Intrest: 775,00 euro

3.821,00 euro

De belasting wordt ingevorderd naar aanleiding van een controle in de periode september 2018 en juni 2019.

Na de controle stelt de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, KMO Brussel 1, Controle 3 (hierna verweerder) op 7 augustus 2019 een proces-verbaal op voor de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016. Er wordt onder meer overwogen dat eiseres een voertuig Jaguar MK Il heeft verkocht onder de bijzondere regeling van belastingheffing over de marge terwijl zij geen belastingplichtige wederverkoper is. Als verschuldigde btw op de verkoopprijs van 16.000,00 euro wordt 2.776,86 euro vermeld in het proces-verbaal.

Op 20 augustus 2019 wordt een betaalbericht verstuurd naar eiseres.

Eiseres laat op 26 augustus 2019 weten dat zij niet akkoord is met de inhoud van het proces-verbaal.

Op 11 december 2019 wordt de belasting ingevorderd via een innings- en invorderingsbericht.

Op 10 januari 2020 legt eiseres een fiscaal verzoekschrift neer.

## III. VORDERINGEN

Eiseres vordert het volgende in haar syntheseconclusie:

> "Het verzoekschrift toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond te verklaren.
>
> Derhalve,
>
> bevestigen dat de winstmargeregeling van toepassing is;
>
> bevestigen dat er geen bijkomende btw, boeten en nalatigheidsinteresten verschuldigd zijn door concluante.
>
> Verweerster te veroordelen in alle kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding te bepalen op 780,00 euro.(...)"

Verweerder vraagt de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en haar te veroordelen tot de kosten van het geding.

## IV. BEOORDELING

### *Ontvankelijkheid*

Er is tussen de partijen geen betwisting over de ontvankelijkheid van de vordering. Er zijn geen ambtshalve op te werpen gronden tot niet-ontvankelijkheid voorhanden.

De vordering is ontvankelijk.

### *Ten gronde*

Eerste middel - schending van [artikel 58, §4 BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-58)

Volgens eiseres moet zij beschouwd worden als een wederverkoper en valt de verkoop van het collectievoertuig in 2016 onder de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge voor gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten als bedoeld in [artikel 58, §4 BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-58). Eiseres stelt dat de argumenten van verweerder, in het bijzonder wat betreft haar statuten en de boekhoudkundige verwerking van het voertuig, niet kunnen worden bijgetreden.

[Artikel 58, §4 BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-58) bevat een bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge gerealiseerd door belastingplichtige wederverkopers op door hen verrichte leveringen van gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten.

Tussen de partijen bestaat betwisting over de vraag of eiseres als een belastingplichtige wederverkoper kan worden beschouwd, en dus binnen de voorwaarden valt voor de toepassing van de bijzondere btw-regeling.

Het bewijsrisico dat aan de toepassingsvoorwaarden van de bijzondere btw-regeling is voldaan, ligt bij de belastingplichtige (vgl. Cass. AR F.15.0050.N, 20 januari 2017).

[Artikel 54, §4, 1° BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-54) bepaalt:

> *"als belastingplichtige wederverkoper wordt aangemerkt de belastingplichtige die in het kader van zijn economische activiteit gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen of antiquiteiten koopt, voor bedrijfsdoeleinden bestemt of invoert met het oog op wederverkoop, ongeacht of die belastingplichtige optreedt voor eigen rekening dan wel, ingevolge een overeenkomst tot aan- of verkoop in commissie, voor rekening van een derde;".*

Deze bepaling is een bijna letterlijke omzetting van [artikel 311, §1, 5° van de Richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-311) - dat op zijn beurt een bijna letterlijke overname is van artikel 26bis, A, e) van de (opgeheven) Richtlijn 77/388/EEG van 17 mei 1977 zoals ingevoegd bij artikel 1, §3 van de Richtlijn 94/5/EG van 14 februari 1994 -, dat bepaalt:

*'"belastingplichtige wederverkoper': elke belastingplichtige die in het kader van zijn economische activiteit gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen of antiquiteiten koopt, voor bedrijfsdoeleinden bestemt dan wel invoert met het oog op wederverkoop, ongeacht of deze belastingplichtige handelt voor eigen rekening dan wel, ingevolge een overeenkomst tot aan- of verkoop in commissie, voor rekening van een derde;"*

Bij de bepaling van de draagwijdte van een bepaling van het Unierecht moet rekening worden gehouden met zowel de bewoordingen en de context als met de doelstellingen van die bepaling. Voorts is het van belang dat de bijzondere regeling afwijkt van de algemene regeling en bijgevolg enkel mag worden toegepast voor zover dit ter verwezenlijking van de doelstelling ervan noodzakelijk is (vgl. HvJ nr. [C-203/10](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-203-10-arret), 3 maart 2011).

Overweging nr. 51 van de Richtlijn 2006/112/EG overweegt het volgende over het doel van de bijzondere btw-regeling:

> *"Er dient een communautaire belastingregeling te worden vastgesteld die van toepassing is op het gebied van gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, antiquiteiten en voorwerpen voor verzamelingen, en die erop gericht is dubbele heffing van de belasting en verstoring van de mededinging tussen belastingplichtigen te vermijden."*

Aan het Hof van Justitie\_werd in 2004 de vraag gesteld of een belastingplichtige die in het kader van zijn normale bedrijfsvoering voertuigen verkoopt die hij tweedehands heeft gekocht om deze voor zijn leaseactiviteiten te gebruiken, kan worden aangemerkt als 'belastingplichtige wederverkoper' in de zin van (het ondertussen opgeheven) [artikel 26bis van de Richtlijn 77/388/EEG](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-26bis). Het Hof van Justitie heeft hier in een arrest van 8 december 2005 onder meer het volgende over geoordeeld (zie: HvJ nr. [C-280/04](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-280-04-arret), 8 december 2005, Jyske Finans, overwegingen 27 en volgende):

*"42 In deze omstandigheden moet* [*artikel 26 bis van de Zesde richtlijn*](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-26bis)*, gelet op de doe/stellingen ervan, aldus worden uitgelegd dat dit een onderneming die gebruikte voertuigen least, niet uitsluit van de categorie van belastingplichtige wederverkopers, daar de wederverkoop deel uitmaakt van de normale bedrijfsuitoefening van die onderneming en het doel van de wederverkoop ten tijde van de aankoop bestaat, ook al zijn haar activiteiten met betrekking tot wederverkoop secundair aan haar leaseactiviteiten.*

*(..,)*

*44 Gelet op het voorgaande dient de tweede vraag aldus te worden beantwoord dat* [*artikel 26 bis, A, sub e, van de Zesde richtlijn*](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-26bis) *aldus moet worden uitgelegd dat een onderneming die in het kader van haar normale bedrijfsactiviteiten voertuigen doorverkoopt die zij tweedehands had gekocht voor haar leaseactiviteiten, waarbij de wederverkoop ten tijde van de aanschaffing van het gebruikte goed niet het voornaamste doel maar een aan de leasing ondergeschikt secundair doel was, kan worden aangemerkt als “ belastingplichtige wederverkoper" in de zin van dit artikel. “*

Hieruit volgt, zoals eiseres ook terecht aanvoert, dat het niet noodzakelijk is dat de wederverkoop de hoofdactiviteit is van de onderneming die beroep wenst te doen op de bijzondere btw-regeling.

Evenwel is in het licht van het doel van de bijzondere btw-regeling - namelijk dubbele heffing van de belasting en verstoring van de mededinging tussen belastingplichtigen vermijden - vereist dat "(...) de wederverkoop deel uitmaakt van de normale bedrijfsuitoefening van de onderneming en het doel van de wederverkoop ten tijde van de aankoop bestaat".

Uit de voorgelegde gegevens en de uiteenzetting van de partijen ter zitting blijkt dat eiseres een ingenieursbureau is.

Voorts blijkt dat eiseres in het jaar 2016 één verkoop van een voertuig heeft gedaan, namelijk de verkoop van het voertuig Jaguar dat ter betwisting staat in deze zaak. Het betreft de verkoop aan de CV Racing Box, een verbonden vennootschap, wat onder meer blijkt uit het feit dat de zaakvoerder van eiseres eveneens zaakvoerder is van de CV Racing Box en deze vennootschap haar maatschappelijke zetel had/heeft op het woonadres van de zaakvoerder van eiseres (zie de bijlagen bij de stukken 2 en 9 van eiseres). Ter zitting bevestigt eiseres dat de CV Racing Box kan worden beschouwd als een verbonden vennootschap.

Het blijkt niet dat eiseres daarna of in de jaren die 2016 voorafgaan enige aan- of verkoop van een voertuig heeft gedaan als bedoeld in [artikel 58, §4 BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-58).

In haar bezwaarschrift stelt eiseres dat zij "(...) de bijkomende activiteit autohandel" uitoefent (zie bladzijde 1 van stuk 6 van eiseres). Evenwel maakt zij dit in geen enkel opzicht aannemelijk met concrete overtuigingsstukken, en nog minder maakt zij aannemelijk dat de handel in (tweedehands) voertuigen binnen haar normale bedrijfsvoering valt of dat het een (secundaire) activiteit betreft die ondergeschikt is aan de normale activiteit, namelijk ingenieursbureau.

De verkoop van een voertuig in de belastbare periode 2016 valt dan ook niet onder de normale bedrijfsactiviteiten van eisers.

Tevergeefs verwijst eiseres in dat verband naar drie facturen met betrekking tot verkopen van voertuigen in 2007, 2008 en 2010. Deze facturen hebben (opnieuw) slechts betrekking op één verkoop per jaar. De facturen zijn bovendien te oud om na te gaan of handel in (tweedehands) voertuigen kadert binnen de normale bedrijfsvoering van eiseres in het licht van de belastbare periode (2016).

Op basis van deze elementen staat het vast dat eiseres in de belaste periode niet kan worden beschouwd als een belastingplichtige wederverkoper als bedoeld in [artikel 58, §4 BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-58).

Het middel is ongegrond.

Tweede middel - schending van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel

Volgens eiseres heeft verweerder het rechtszekerheidsbeginsel geschonden omdat zij sinds 1985 actief is als autohandelaar, tientallen transacties werden uitgevoerd onder de bijzondere btw-regeling en nooit enige opmerking is gemaakt door de Btw-administratie.

Eiseres maakt op basis van de voorgelegde stukken slechts aannemelijk dat zij vóór 2016 drie verkopen heeft uitgevoerd met toepassing van de bijzondere btw-regeling, namelijk in 2007, 2008 en 2010. Uit het feit dat verweerder voor deze jaren geen opmerkingen heeft gemaakt over de btw kan eiseres niet het gewettigd vertrouwen putten dat verweerder de btw niet zou navorderen voor het jaar 2016. Verweerder stelt in dit verband terecht dat niet blijkt dat is teruggekomen op een eerder ingenomen standpunt.

Overigens mag eiseres in beginsel niet voorgaan op verwachtingen die gegrond zijn op een onwettige praktijk. Het middel vertrekt van het verkeerde uitganspunt dat verweerder in alle gevallen verplicht zou zijn het vertrouwensbeginsel te eerbiedigen, ook tegen de wet in (vgl. Cass. AR F.14.0105.N, 10 maart 2016; Cass. AR F.11.0150.N, 15 februari 2013).

Voor zover als nodig stelt de rechtbank vast dat eiseres evenmin aannemelijk maakt dat niet voldaan zou zijn aan de vereisten van het Europese beginsel van rechtszekerheid, namelijk dat rechtsregels duidelijk en nauwkeurig zijn, en de gevolgen ervan voorzienbaar zijn, in het bijzonder wanneer zij nadelige gevolge kunnen hebben voor particulieren of ondernemingen (vgl. HvJ nr. [C-318/10](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-318-10-arret), 5 juli 2012, Siat), en dat er in die context sprake zou zijn van een schending van het rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank stelt vast dat de bijzondere btw-regeling in dit concrete geval, mede gelet op het arrest van het Hof van Justitie van 8 december 2005, voldoende voorzienbaar is zoals vereist door het Europese beginsel van rechtszekerheid.

Het tweede middel is ongegrond.

Derde middel - berekening btw

Voor zover het derde middel uitgaat van het (verkeerde) uitgangspunt dat de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge als bedoeld in [artikel 58, §4 BTW­ Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-58) van toepassing is, is dit middel eveneens ongegrond.

Voor zover eiseres zich in het kader van het derde middel beroept op het neutraliteitbeginsel stelt de rechtbank vast dat het aan de nationale rechter toekomt de bepalingen van nationaal recht gemeenschapsrechtconform uit te leggen en toe te passen en, wanneer een dergelijke gemeenschapsrechtconforme uitlegging onmogelijk is, waar het gaat om verdragsbepalingen die voor particulieren rechten doen ontstaan welke zij in rechte geldend kunnen maken en welke de nationale rechter dient te handhaven, elke daarmee strijdige bepaling van nationaal recht buiten toepassing te laten (vgl. HvJ nr. [C-208/05](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-208-05-arret), 11 januari 2007, ITC lnnovative Technology Center GmbH). Uit de bespreking van het eerste en het tweede middel volgt dat de bepalingen van het nationaal recht met betrekking tot de bijzondere btw-regeling gelijklopen met de bepalingen van het gemeenschapsrecht en deze op correcte wijze zijn toegepast door verweerder. Het betreft hierbij de vaststelling dat niet voldaan is aan een materiële voorwaarde van de bijzondere btw-regeling, en dus niet louter een formele voorwaarde. Het feit dat eiseres het"(...) collectievoertuig altijd als een margeregelingsvoertuig \[heeft\] beschouwd" doet hieraan geen afbreuk.

Er is geen sprake van enige schending van het neutraliteitsbeginsel. Het middel is ongegrond.

### *Conclusie*

De vordering is ongegrond.

## V. KOSTEN

Eiseres is in het ongelijk gesteld en wordt veroordeeld tot de kosten van het geding. Verweerder wordt niet bijgestaan door een advocaat en kan bijgevolg geen aanspraak maken op een rechtsplegingsvergoeding.

Huidige zaak betreft een fiscaal geschil zodat in toepassing van artikel 279/1 en 162, 4° W.Reg. geen rolrechten verschuldigd zijn (Punt Il Cire. nr. 2019/C/26 van 15 februari 2019 betreffende de hervorming van de rolrechten).

### Dispositif

## Vl. BESLISSING

De rechtbank,

Gelet op artikel 4 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, In eerste aanleg en op tegenspraak,

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond,

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, aan de zijde van verweerder niet verder te begroten.

Deze beslissing is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 7de kamer van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, op 13 december 2021.

waar aanwezig waren en zitting namen:

Ondertekeningen

## Textes cités

9

[CTVA art. 58](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-58) 9 occurrences

[6e directive 77/388 art. 26bis](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-26bis) 3 occurrences

[directive TVA 2006/112 art. 311](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-311) 2 occurrences

[CTVA art. 54](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-54) 1 occurrence

directive 94/5 art. 1 1 occurrence

[C-203/10, arrêt du 3 mars 2011](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-203-10-arret) 1 occurrence

[C-208/05, arrêt du 11 janvier 2007](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-208-05-arret) 1 occurrence

[C-280/04, arrêt du 8 décembre 2005](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-280-04-arret) 1 occurrence

[C-318/10, arrêt du 5 juillet 2012](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-318-10-arret) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Livraison intracommunautaire, Exportation, Chiffre d’affaires, Preuve](https://juriel.be/fr/jurisprudence/livraison-intracommunautaire-exportation-chiffre-affaires-cour-appel-anvers-2020-12-15-ba33) 2 dispositions communes

[Intérêts, Système d’imputation, Taux d'intérêt](https://juriel.be/fr/jurisprudence/interets-systeme-imputation-taux-interet-cassation-bruxelles-2023-03-24-d52e) 2 dispositions communes

[Régime de la marge bénéficiaire, Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/regime-marge-beneficiaire-droit-deduction-tribunal-louvain-2020-11-06-2232) 2 dispositions communes

[Régime de la marge bénéficiaire pour les véhicules d'occasion](https://juriel.be/fr/jurisprudence/regime-marge-beneficiaire-vehicules-occasion-cassation-bruxelles-2014-10-57b2) 2 dispositions communes

[Droit à déduction, Charge de la preuve](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-charge-preuve-chiffre-tribunal-bruxelles-2025-04-23-0903) 1 dispositions communes

[Droit à déduction, Délai préfix, Forclusion, Prescription](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-delai-prefix-forclusion-tribunal-liege-2022-04-25-0b11) 1 dispositions communes

[Amende fiscale, Proportionnalité de l’amende fiscale](https://juriel.be/fr/jurisprudence/amende-fiscale-proportionnalite-reduction-diminution-cassation-bruxelles-2022-09-23-1884) 1 dispositions communes

[Régime de la marge, Arrêté du Régent](https://juriel.be/fr/jurisprudence/regime-marge-regent-imposition-tribunal-mons-2023-09-26-1b11) 1 dispositions communes
