---
title: "Refus du droit à déduction, Factures fictives · Tribunal de première instance de Gand, 2 février 2026, 24/1043/A"
description: "Refus du droit à déduction, Factures fictives, Fraude, facture fictive. Tribunal de première instance de Gand (Belgique), 2 février 2026, 24/1043/A."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/refus-droit-deduction-factures-fictives-tribunal-gand-2026-02-45ab"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Refus du droit à déduction, Factures fictives, Fraude · Refus du droit à déduction - Factures fictives - Fraude

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Gand

**Numéro de rôle**

24/1043/A

**Date**

2 février 2026

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

269 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance Gand du 02.02.2026 (24/1043/A)

FIN 503-15-23/021308

## Résumé

Non fourni

**Texte intégral**

*Uniquement disponible dans la langue du jugement*

### Corps de la décision

**RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG OOST-VLAANDEREN,**

**afdeling GENT**

## FISCAAL — ZESDE BURGERLIJKE KAMER

## OPENBARE TERECHTZITTING VAN 2 FEBRUARI 2026

**23/1043/A**

**In de zaak van :**

cie1, KBO ..., met zetel te 9050 Gent, ...,

eisende partij, hebbende als raadsman mr. DE MEYERE LUC, advocaat te 9000 Gent, Koning Albertlaan 165;

**Tegen**:

De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën — Stafdienst Logistiek - Koning Albert Il laan 33 bus 971 te 1030 Brussel, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Algemene Administratie van de Bijzondere belastinginspectie, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal van de Bijzondere Belastinginspectie Gewestelijke Directie Gent, met kantoren te 9050 Gent (Ledeberg), Zuiderpoort, Gaston Crommenlaan 6 bus 803, KBO 0308.357.159,

verwerende partij, voor wie optreden mevrouw D.M. en de heer J.D.B., beiden attaché bij een fiscaal bestuur;

Beslist de rechtbank als volgt:

## 1. Rechtspleging

De rechtbank hoorde op de openbare terechtzitting van 5 januari 2026 partijen in hun argumenten. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam zij de zaak in beraad.

De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in.

De rechtbank heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

## 2. Vorderingen van de partijen

2.1. Eiseres vordert in syntheseconclusie het volgende :

Huidige vordering in rechte van concluante overeenkomstig artikel 569, eerste lid, 32° Ger.W. ontvankelijk en gegrond te verklaren en derhalve:

\- Te zeggen voor recht dat de vordering inzake btw, opgenomen in het vervangend proces-verbaal van taxatie inzake btw d.d. 10 juli 2023 (met kenmerk GNT/18/0107), die werd opgenomen in het innings- en invorderingsregister op 21 augustus 2023, uitvoerbaar verklaard op 23 augustus 2023 onder artikelnummer 500275659828 en die werd bevestigd in de beslissing over administratief bezwaar d.d. 21 maart 2024 met kenmerk 503-1523/021308 en RCIV-nummer 500/2756/59828 betreffende de gecontroleerde periode 01/01-2014 —31/12/2020, meer de boete en de interesten, niet verschuldigd is, gelet op :

\- een schending van [artikel 84ter Btw-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84ter) (eerste middel, in hoofdorde);

\- het gebrek aan bewijs van bedrieglijk opzet of het oogmerk te schaden, waardoor artikel 81bis, §1, lid 2, 4' Btw-wetboek is geschonden (tweede middel, in ondergeschikte orde);

\- het feit dat de 7-jarige termijn van artikel 81bis, §1, lid 2, 4' Btw-wetboek enkel betrekking kan hebben op de opzettelijk begane overtredingen (derde middel in meer ondergeschikte orde);

\- de naleving van de voorleggingsverplichting (vierde middel in meer ondergeschikte orde);

\- het bewijs van de werkelijke prestaties van de onderaannemers (vijfde middel, in meer ondergeschikte orde);

\- de terechte uitoefening van het recht op teruggaaf en gebrek aan schending van [artikel 19, §1 btw-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-19) (zesde middel, in meer ondergeschikte orde);

\- het gebrek aan bewijs van bedrieglijk opzet of het oogmerk te schaden met betrekking tot de opgelegde proportionele boete, minstens zijn de proportionele boetes onevenredig (zevende middel, in uiterst ondergeschikte orde);

\- de schending van het non bis in idem-beginsel (achtste middel\` in uiterst ondergeschikte orde);

\- het feit dat er geen sprake is van een derde overtreding m.b.t. de niet-proportionele boetes (negende middel, in uiterst ondergeschikte orde);

\- de schending van de motiveringsverplichting bij het opleggen van de administratieve sanctie (tiende middel, in uiterst ondergeschikte orde);

De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, daarin inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding ten belope van 23.546,51 EUR (voor in geld waardeerbare zaken boven 1.000.000,01 EUR), in toepassing van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en het uitvoeringsbesluit van 26 oktober 2007, evenals de bijdrage aan het Fonds voor juridische tweedelijnsbestand, in toepassing van de wet van 29 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand en het uitvoeringsbesluit van 26 april 2017, alsook tot de eventuele rolrechten (art. 269/1 VI. W. Reg.).

Tenslotte de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde belastingen, verhogingen en nalatigheidsintresten met inbegrip van de daarop, overeenkomstig [artikel 91 btw-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) verschuldigde moratoriumintresten.

2.2. Verweerder vordert in synthesebesluiten het volgende :

\- De vordering van eiseres ontvankelijk te verklaren, doch als ongegrond af te wijzen;

\- Het uitvoerbaar verklaard innings- en invorderingsregister en meer bepaald de fiscale schuld met RCIV nr. 500/2756/59828, en het proces-verbaal van taxatie d.d. 10 juli 2023 lastens eiseres geldig te verklaren en te bevestigen voor de volgende daarin gevorderde bedragen:

· € 454.845,24 aan verschuldigde btw

· € 924.690,00 aan proportionele en niet-proportionele geldboetes

· Interesten te berekenen vanaf 21 januari 2021

\- Eiseres te veroordelen tot de kosten van het geding, inclusief de toepasselijke rechtsplegingsvergoeding van € 23.546,51 (voor in geld waardeerbare zaken boven € 1.000.000,01).

## 3. Relevante feiten en procedurevoorgaanden

3.1. Eiseres werd opgericht bij notariële akte van 28 augustus 2014 en is als BTW-belastingplichtige geïdentificeerd onder het BTW-nummer .... Zij houdt zich volgens haar statuten onder meer bezig met het plaatsen van tapijten en standen op expo's en beurzen. Voor de plaatsing van de tapijten en standen doet eiseres, naast eigen personeel, in belangrijke mate een beroep op onderaannemers.

3.2. Bij e-mailbericht van 5 oktober 2021 werd door de Inspectie BBI Brugge een afspraak bevestigd voor een plaatsbezoek op 15 oktober 2021 om 10:00 u. Gevraagd wordt om van de jaren 2014 tot en met 2020 een aantal stukken klaar te leggen (stuk 2 verweerder). Bij het plaatsbezoek op 15 oktober 2021 wordt een P.V. van retentie opgemaakt met vermelding van de boeken en stukken die worden behouden ter inzage (stuk 3 verweerder).

Op 20 oktober 2021 wordt verder een P.V. van vaststellingen opgemaakt (stuk 4 verweerder). Daarbij wordt een verklaring opgenomen van de zaakvoerder M.C. die meldt dat een deel van de gevraagde stukken verloren ging naar aanleiding van de verhuis in de periode 2017-2018. Verder wordt door de zaakvoerder M.C. uitleg gedaan over de verdeling van de taken binnen eiseres tussen hemzelf en zijn broer H.C.. Gemeld wordt dat met prijzen per m2 wordt gewerkt en soms vaste prijzen voor een opdracht.

Uitleg wordt gedaan over het gebruik van de tapijten, met vermelding van hun belangrijkste klant en leveranciers. Er werd naar aanleiding van het onderzoek blijkbaar ook gevraagd om kasten te openen in de beroepsruimte. De stukken die zich daarin bevonden werden eveneens meegenomen. Verder was er een demonstratie van een bankbiljettenmachine, waarbij werd vastgesteld dat de heer M.C., om de werking ervan te illustreren, gebruik maakte van een pakje bankbiljetten van 50,00 en 100,00 EUR die zich in zijn broekzak bevonden. Daarbij werd verklaard dat er geen kluis is om de biljetten te bewaren en ook geen kasdagboek. De kas zou in zijn broekzak zitten.

Op 18 november 2021 wordt door eiseres een verklaring van afstand van de verlopen tijd der verjaring ondertekend met betrekking tot de handelingen van het kalenderjaar 2014 (stuk 5 verweerder).

Op 7 juni 2022 wordt aangetekend een kennisgeving tot toepassing van de 7-jarige termijn inzake BTW overgemaakt aan eiseres (stuk 6 verweerder). Gemeld wordt dat het onderzoek en eventuele rechtzettingen zal slaan op de jaren 2015 tot en met 2020. Verwezen wordt naar eerdere regularisatieopgaves en de ondertekende afstand van de verjaring. Als motivering voor het vermoeden van belastingontduiking, verwijst verweerder naar de afwezigheid van bepaalde stukken in de boekhouding van eiseres zoals het kasdagboek, het dagontvangstenboek, de tabel bedrijfsmiddelen, Verwezen wordt verder naar de afwezigheid van stukken voor bepaalde periodes en onregelmatige facturatie betreffende onderaannemers die de verschuldigde BTW nooit betaalden. Verder wordt gewezen op de cash-betaling van de facturen die telkens onder de 3.000,00 EUR waren om niet te vallen onder de witwaswetgeving. Volgens verweerder zijn er indicaties dat de prestaties zoals vermeld op de facturen niet verricht werden.

3.3. Op 14 juni 2022 wordt een uitgebreide regularisatieopgave overgemaakt aan eiseres (stuk 7 verweerder) die betrekking heeft op de jaren 2014 tot en met 2020. Op basis van haar onderzoek en vaststellingen, is verweerder van oordeel dat BTW verschuldigd is van 416.347,44 EUR en een boete van 200 % of 832.690,00 EUR, meer de interesten. Na inzage van het dossier door de raadsman van eiseres (stuk 8 verweerder) volgt op 21 november 2022 een P.V. van taxatie (stuk 9 verweerder). In het P.V. is sprake van verschuldigde BTW ten bedrage van 304,500,10 EUR, een proportionele boete van 200 % of 609.000,00 EUR en forfaitaire boetes ten bedrage van 15.000,00 EUR, telkens te verhogen met de interesten.

Bij aangetekend schrijven van 3 april 2023 wordt het uitgebreide niet-akkoord van eiseres met het P.V. meegedeeld, met bijvoeging van stukken (stuk 10 verweerder).

Bij aangetekend schrijven van 10 juli 2023 wordt een vervangend P.V. van taxatie aan eiseres overgemaakt (stuk 11 verweerder). Ditmaal is er sprake van een verschuldigde BTW ten bedrage van 454.845,21 EUR, een proportionele boete van 200 % of 909.690,00 EUR en forfaitaire boetes ten bedrage van 15.000,00 EUR, telkens te verhogen met de interesten. In opvolging hiervan wordt op 24 augustus 2023 een innings- en invorderingsbericht BTW aan eiseres overgemaakt waarbij de betaling wordt gevorderd van artikel 500275659828 voor een bedrag van 1.484.551,70 EUR (stuk 12 verweerder).

Bij aangetekend schrijven van 4 oktober 2023 wordt opnieuw het niet-akkoord van eiseres met het vervangend P.V. meegedeeld (stuk 13 verweerder).

Bij beslissing van 21 maart 2024 wordt het niet-akkoord van eiseres (bezwaarschrift) afgewezen (stuk 14 eiseres).

3.4. Bij verzoekschrift van 15 april 2024, neergelegd ter griffie op 15 april 2024, maakte eiseres de vordering aanhangig bij deze rechtbank.

## 4. Beoordeling

4.1. Ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Aangezien de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid vaststelt, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, is de vordering ontvankelijk.

4.2. Ten gronde

Met betrekking tot de procedure (toepassing 7-jarige termijn)

4.2.1. Schending van artikel 84ter BTW-Wb (7-jarige verjaringstermijn)

4.2.1.1. Op 7 juni 2022 werd een kennisgeving tot toepassing van de 7-jarige verjaringstermijn aan eiseres overgemaakt. Daarbij moet volgens artikel 84ter BTW-Wb. schriftelijk en nauwkeurig kennis worden gegeven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestaan in de betreffende periode. Daarbij moet, aldus nog eiseres, zowel het materieel als het intentionele element aanwezig zijn.

In de kennisgeving wordt verwezen naar het gebrek aan een kasdagboek, een dagontvangstenboek, een tabel van bedrijfsmiddelen, een register van teruggaves en een inventarisboek. Dit zijn, aldus eiseres, wel vermeende miskenningen van de verplichtingen van het BTW-Wb., doch kunnen niet gelden als een vermoeden dat deze overtredingen wetens en willen werden gedaan om zich aan de BTW te onttrekken. In de kennisgeving zouden de elementen niet precies beschreven zijn die wijzen op inbreuken begaan met een bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden. Daarbij heeft eiseres erop gewezen dat stukken verloren zijn gegaan door de verhuis. Er werden volgens eiseres ten andere wel bepaalde stukken voorgelegd waaruit de echtheid van de facturen blijkt, zodat daaruit geen vermoeden van belastingontduiking kan worden afgeleid.

Verder wordt verwezen naar de zogezegde onregelmatige facturatie van de onderaannemers die hun BTW-verplichtingen niet zouden zijn nagekomen. Deze vaststellingen hebben volgens eiseres betrekking op de onderaannemers en niet op concluante zelf. Ook het gegeven dat de aankoopfacturen net onder de 3.000,00 EUR lagen, zou er niet op wijzen dat er sprake is van belastingontduiking. Het louter verwijzen naar zogenaamde nalatigheden is niet voldoende om aan te geven waarop er bedrieglijk opzet zou zijn.

Eiseres is van oordeel dat in de kennisgeving niet op een nauwkeurige wijze de vermoedens van belastingontduiking worden vermeld. Bijgevolg is de kennisgeving niet op een correcte wijze gebeurd en is de vordering verjaard voor de jaren 2016, 2017 en 2018 wegens schending van artikel 84ter BTW-Wb.

4.2.1.2. Verweerder wijst er op dat artikel 84ter BTW-Wb. niet vereist dat in de kennisgeving wordt aangetoond dat er sprake is van belastingontduiking. Het volstaat dat de vermoedens van belastingontduiking nauwkeurig in de kennisgeving worden vermeld, zonder dat het bewijs al objectief moet zijn geleverd. Verweerder verwijst dienaangaande naar het arrest van het Hof van Cassatie van 16 juni 2023 ([F.21.0181.N](https://juriel.be/fr/jurisprudence/prescription-delai-cas-fraude-notification-cassation-bruxelles-2023-06-16-fcdb) en [F.21.0187.N](https://juriel.be/fr/jurisprudence/prescription-delai-cas-fraude-notification-cassation-bruxelles-2023-06-16-fcdb), www.juportal.be).

Volgens verweerder werd eiseres in de kennisgeving wel degelijk op een nauwkeurige wijze in kennis gesteld van de vermoedens van belastingontduiking. Vervolgens somt verweerder deze vermoedens nog eens op, beginnende met de vaststellingen in verband met de onregelmatige inkomende facturen van de onderaannemers en het feit dat deze de verschuldigde BTW nooit betaalden en telkens failliet gingen na een adreswijziging. De facturen voldeden niet aan de vereiste formele en materiële voorwaarden. Verder wordt onder meer gewezen op het feit dat alle bedragen van de cash betaalde facturen net onder de 3.000,00 EUR bleven om niet te vallen onder de anti-witwasregeling. Verder wordt verwezen naar de diverse ontbrekende boekhoudkundige stukken en het feit dat veel cashbetalingen werden gedaan.

Verweerder is van oordeel dat niet louter verwezen wordt naar zogenaamde nalatigheden. Volgens verweerder is er geen schending van artikel 84ter BTW-Wb. zodat de vordering voor de jaren 2016, 2017 en 2018 niet verjaard is.

4.2.1.3. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 84ter BTW-Wb. moet enkel op een nauwkeurige wijze kennis worden gegeven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen de belastingplichtige bestaan. Daarbij moeten deze vermoedens in de kennisgeving zelf vermeld worden. Het volstaat niet dat in de kennisgeving verwezen wordt naar stukken of P.V.'s die niet in bijlage worden bijgevoegd, zoals de regularisatieopgave van 1 oktober 2019 of nog een P.V. van 5 november 2019, ook werden deze stukken mogelijk eerder al aan eiseres meegedeeld. Verder kan ook alleen rekening gehouden worden met de vermeldingen zoals opgenomen in de kennisgeving zelf en niet met eventuele toevoegingen of verduidelijkingen die later gebeurden.

De kennisgeving moet volgens artikel 84ter BTW-Wb. enkel de rechtzetting voorafgaan. Het feit dat er reeds onderzoeken plaatsvonden naar aanleiding van het plaatsbezoek van 15 oktober 2021 voor de jaren 2014 en volgende, is derhalve zonder belang. Hetgeen naar aanleiding van dit onderzoek werd vastgesteld (bijlagen 1 en 2 bij de kennisgeving) kan dan ook nuttig gebruikt worden als vermoeden van belastingontduiking.

De rechtbank is van oordeel dat in de kennisgeving van 7 juni 2022 (stuk 6 verweerder) verweerder eiseres voorafgaandelijk, schriftelijk en op nauwkeurige wijze in kennis stelt van de vermoedens van belastingontduiking die tegen haar bestaan in de betreffende periode. Gewezen wordt op de ontbrekende boekhoudstukken waardoor het niet mogelijk is de vele cash-verrichtingen te controleren. Voor de jaren 2014 en 2015 ontbreken de stukken volledig, evenals voor bepaalde latere kwartalen. Alhoewel een aantal vaststellingen inderdaad betrekking hebben op de situatie van de onderaannemers en dus niet op eiseres, kan dit evenwel aanwijzingen van belastingontduiking opleveren in hoofde van eiseres gelet op het feit dat voor een belangrijk deel van de omzet op deze onderaannemers een beroep wordt gedaan. En dit over de volledige periode waarop de kennisgeving betrekking heeft, waarbij de betalingen telkens gebeuren door middel van cashgelden waarvan de herkomst en aanwending niet kan warden nagegaan bij gebrek aan de nodige boekhoudstukken. Dit geldt nog des te meer doordat de facturen van de onderaannemers diverse anomalieën vertonen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat door de kennisgeving van 7 juni 2022 op een geldige wijze artikel 84ter BTW-Wb. werd nageleefd, zodat de vordering voor de jaren 2016, 2017 en 2018 niet wegens een miskenning van de betrokken bepaling, verjaard is.

4.2.2. Schending van artikel 81bis § 1, lid 2, 4° W.BTW (bewijs bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden)

4.2.2.1. Eiseres merkt op dat indien het voor de kennisgeving overeenkomstig artikel 84ter BTW-Wb. volstaat dat er vermoedens van belastingontduiking zijn, voor de toepassing van de verlengde verjaringstermijn van 7 jaar, de belastingontduiking ook effectief bewezen moet zijn. Dit in de zin van een overtreding van één van de bepalingen van het BTW-Wb. of van de uitvoeringsbesluiten ervan, begaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden. Ter zake is een bijzonder opzet vereist. Daarbij moet, aldus nog eiseres, het materieel en het intentioneel element bewezen zijn. Overtredingen die slechts hun oorsprong vinden in nalatigheid, materiële vergissingen en te goeder trouw begane onjuistheden, komen niet in aanmerking. Verweerder moet het bijzonder opzet bewijzen.

Eiseres is van oordeel dat verweerder niet slaagt in haar bewijslast. Verwezen wordt naar het niet voorleggen van de boekhouding en/of bewijsstukken. Eiseres stelt dat een deel van de boekhoudkundige stukken verloren ging door een verhuis. Ondertussen werd evenwel getracht deze stukken alsnog aan te leveren zodat enkel nog bepaalde stukken ontbreken. Verweerder motiveerde niet dat er sprake is van bedrieglijk opzet doordat de stukken niet werden voorgelegd.

Verder wordt verwezen naar de inkomende facturen van de onderaannemers. Deze facturen zouden niet alle vermeldingen bevatten die ze zouden moeten bevatten. Daarbij kunnen deze onjuiste vermeldingen evenwel volgens eiseres, verwijzende naar rechtspraak, geen medeplichtigheid of kennis van de kant van eiseres aantonen en niet de aanwezigheid aantonen van bedrieglijk opzet in hoofde van eiseres. Ook het feit dat de bedragen van de aankoopfacturen net onder de 3.000,00 EUR blijven, zou volgens eiseres niet betekenen dat er sprake is van belastingontduiking.

Gevolg dat er niet aangetoond is dat er sprake is van belastingontduiking, houdt in dat de verjaringstermijn niet kan worden verlengd tot 7 jaar op grond van artikel 81bis § 1, lid 2, 4° BTW-Wb. Gevolg is dat de vordering met betrekking tot de jaren 2016, 2017 en 2018 verjaard is.

4.2.2.2. Verweerder verwijst voor het bewijs van het bedrieglijk opzet naar het (vervangend) P.V. van taxatie van 10 juli 2023 (stuk 11 verweerder) waarin wordt aangetoond dat er sprake is van bedrieglijk opzet of van het oogmerk om te schaden. Daarbij wordt geargumenteerd dat eiseres facturen in haar boekhouding heeft opgenomen waarvoor geen daadwerkelijke prestaties geleverd werden en die derhalve als fictieve facturen aangemerkt moeten worden. Door deze facturen in haar boekhouding op te nemen en de daarop vermelde BTW in aftrek te brengen, heeft eiseres, aldus nog verweerder, onrechtmatig gebruik gemaakt van het recht op aftrek om zo op kunstmatige wijze het bedrag van de aftrekbare BTW te verhogen.

Voor wat het ontbreken van de stukken betreft, stelt verweerder dat de verhuis geen afdoende verklaring betreft voor het ontbreken van de stukken van 2O19. De verhuis vond immers plaats in de periode 2017-2018. Verder bevindt de zetel van eiseres zich sinds 2014 ongewijzigd op hetzelfde adres. Verder had eiseres de ontbrekende stukken volgens verweerder wel degelijk terug kunnen samenstellen.

Verder is verweerder van oordeel dat eiseres wel degelijk haar leveranciers (onderaannemers) kan aanspreken op hun tekortkomingen. Eiseres draagt zelf de verantwoordelijk voor de juistheid en betrouwbaarheid van de documenten die zij in haar boekhouding opneemt en voorlegt aan de administratie ter verantwoording van de BTW-aftrek. Verweerder wijst op het feit dat de facturen van alle onderaannemers vage omschrijvingen bevatten, telkens een bedrag van net onder de 3.000,00 EUR vermelden en allemaal cash werden betaald. Dit wijst, aldus nog verweerder, op een frauduleus opgezet systeem waarbij onderaannemers — die later allemaal failliet gaan — facturen opstellen zonder concrete prestatieomschrijving en waarbij eiseres er niet in slaagt de werkelijkheid van de gefactureerde prestaties aan te tonen.

Op basis van deze motivering is volgens verweerder wel degelijk het bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden aangetoond waarbij inbreuken werden gepleegd op de BTW-wetgeving. Met als gevolg dat overeenkomstig artikel 81bis § 1, tweede lid, 40 BTW-Wb. de 7-jarige termijn van toepassing is, zodat de vordering voor de jaren 2016 tot en met 2018 niet verjaard is.

4.2.2.3. Artikel 81bis § 1 BTW-Wb. bepaalt dat er verjaring is van de voldoening van de belasting, van de nalatigheidsinteresten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het 3de kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, nalatigheidsinteresten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan. Artikel 81bis § 1, tweede lid, 4° bepaalt dat in afwijking van het eerste lid, er evenwel verjaring is na het verstrijken van het 7de kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan wanneer de overtreding bedoeld in de artikelen 70 en 71 begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden.

Op 18 november 2021 werd door de zaakvoerder van eiseres een afstand van verjaring getekend met betrekking tot de verschuldigde btw, geldboeten en interesten met betrekking tot de handelingen van het kalenderjaar 2014.

Zoals partijen opmerken, moet voor de toepassing van de termijn van 7 jaar, aangetoond worden dat de overtredingen bedoeld in de artikelen 70 en 71 BTW-Wb. begaan werden met bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden. Bedoeld zijn onder meer de overtreding van de verplichting de belasting te voldoen of nog het op onrechtmatige of ongeoorloofde wijze in aftrek brengen van de belasting. Het bewijs moet worden geleverd door verweerder. Daarbij houdt het 'bedrieglijk opzet' in dat de overtreding werd begaan met de bedoeling zichzelf of een derde een onrechtmatig voordeel te verschaffen. Van 'oogmerk om te schaden' is sprake indien de overtreding wordt begaan met de wil om nadeel te berokkenen, zelfs zonder dat de belastingplichtige enig voordeel uit de handeling haalt. Partijen zijn het eens over de bewijslast van verweerder en over de inhoud van de begrippen 'bedrieglijk opzet' en 'oogmerk om te schaden'.

Vastgesteld wordt dat als dusdanig niet op een algemene wijze door verweerder wordt aangetoond dat er bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden aanwezig is in hoofde van belastingplichtige. Verweerder verwijst dienaangaande naar bladzijde 46, bovenaan van het P.V. van 10 juli 2023 (stuk 11 verweerder), waarin wordt verwezen naar de motivering zoals opgenomen bij de proportionele boetes onder rubriek F van het betrokken P.V. (p. 47). Daarin wordt een overzicht gegeven van 'niet-limitatief opgesomde elementen op basis waarvan de aanwezigheid van bedrieglijk opzet wordt afgeleid. Hierbij moet onmiddellijk opgemerkt worden dat vanzelfsprekend geen rekening kan warden gehouden met elementen die niet vermeld worden. Het feit dat de lijst van elementen zoals door verweerder opgegeven 'niet limitatief' is, is dan ook niet relevant. Verder wordt vastgesteld dat een groot aantal onregelmatigheden worden opgesomd, zijnde mogelijk het bewijs van materiële elementen bestaande uit een schending van een bepaling van het BTW-Wb. of de in uitvoering ervan genomen besluiten, doch waarbij wordt nagelaten het vereiste intentioneel element dat juist bestaat uit het bedrieglijk opzet aan te tonen. Het loutere feit dat bepaalde verplichtingen niet warden nagekomen of dat bepaalde boekhoudkundige stukken niet worden bijgehouden, houdt op zich niet in dat dit dan ook met bedrieglijk opzet gebeurt.

Het is mogelijk dat alle tekortkomingen samen in hoofde van eiseres leiden tot de conclusie van bedrieglijk opzet en de aanwezigheid van het vereist intentioneel element doordat daaruit blijkt dat op een structurele wijze de BTW-verplichtingen niet worden voldaan of dat de ontduiking van de belasting mogelijk werd gemaakt (cfr. [art. 1, laatste lid K.B. nr. 41](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958#ar41-art1) van 30 januari 1987) en dit over een periode van meerdere jaren. Ook dan moet evenwel nagegaan worden of de concrete vorderingen van verweerder verband houden met deze structurele tekortkomingen.

Verder zijn er elementen die op zich wijzen op de aanwezigheid van het vereiste materieel en intentioneel element zoals het boeken en/of opmaken van onregelmatige en/of valse facturen. Waarbij dan wel door verweerder moet aangetoond worden dat deze feiten of elementen op zich bewezen zijn.

Gelet op het voorgaande moet besloten worden dat niet op een algemene wijze kan beoordeeld worden of een deel van de vordering van verweerder al dan niet verjaard is omwille van de aan-/afwezigheid van het bewijs, in het algemeen, van het vereiste bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden. Hieronder bij de bespreking van de diverse vorderingen zal dan ook telkens nagegaan worden of het vereiste bewijs geleverd is.

4.2.3. BTW-vordering in 7-jarige termijn enkel betrekking op opzettelijk begane overtredingen

4.2.3.1. Eiseres stelt dat de BTW-vordering, voor zover deze betrekking heeft op feiten na de termijn van drie jaar, slechts betrekking kan hebben op overtredingen waarvoor het bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden bewezen is. De BTW-vordering kan enkel betrekking hebben op met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden begane overtredingen en dus niet, aldus nog eiseres, op de totaliteit van de begane overtredingen. Eiseres verwijst dienaangaande naar de rechtspraak van het Hof van Cassatie inzake directe belastingen waarbij in dezelfde zin werd geoordeeld (Cass. 23 maart 2023, rolnr. F.21.0126.N, www.juportal.be). De vordering moet dan ook beperkt worden tot de overtredingen die begaan zijn met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden.

4.2.3.2. Verweerder is van oordeel dat zonder meer blijkt dat eiseres de weerhouden overtredingen heeft begaan met het opzet belasting te ontduiken of met het oogmerk te schaden. Het is volgens verweerder aan de rechtbank om hierover te oordelen.

4.2.3.3. Zoals hiervoor reeds werd aangegeven, is het aangewezen om van de vordering van verweerder per onderdeel (zie verder) na te kijken, in de mate dat de vordering betrekking heeft op jaren waarvoor de verlengde verjaringstermijn wordt toegepast, of het vereiste bijzonder opzet, bestaande uit het overtreden van een bepaling van het BTW-WB. of ter uitvoering ervan genomen besluiten met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, aanwezig is.

Het zijn immers enkel voor vorderingen m.b.t. overtredingen, zoals eiseres terecht opmerkt en waarvoor de aangehaalde rechtspraak van het Hof van Cassatie eveneens geldt voor de overtredingen inzake BTW, die begaan zijn met bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden, dat de verlengde verjaringstermijn van toepassing is.

Met betrekking tot de vordering ten gronde

4.2.4. Niet-naleving van voorleggingsverplichting

4.2.4.1. De aftrek van de BTW van een aantal facturen wordt verworpen om de reden dat de boekhoudkundige stukken niet werden voorgelegd zodat de correcte toepassing van de BTW-regelgeving niet kon worden gecontroleerd. Eiseres stelt evenwel de nodige inspanningen te hebben geleverd om de betrokken stukken alsnog bij te brengen. De aankoopdagboeken worden wel voorgelegd (stukken 1 tot en met 5 eiseres). Daarbij gaat het, aldus eiseres, om facturen van leveranciers die vaak terugkomen. De BTW met betrekking tot deze facturen kan volgens eiseres niet zomaar verworpen worden. Het gaat ter zake om een bedrag van 46.316,05 EUR BTW zoals opgenomen in tabel 1 van het P.V. van 10 juli 2023 (p. 19/54; stuk 11 verweerder; zie ook p. 8 synthesebesluiten verweerder).

Verder is er de BTW van facturen die geheel of gedeeltelijk verworpen wordt omdat verweerder van oordeel is dat het gaat om goederen of diensten die geheel of gedeeltelijk voor privé-doeleinden worden gebruikt. Het gaat om een bedrag van in totaal 15.601,12 EUR zoals opgenomen in de tabellen 2a (2018¬2019) en 2b (2020) van het P.V. van 10 juli 2023 (p. 20-24/54; stuk 11 verweerder; zie ook p. 9-13 synthesebesluiten verweerder). Eiseres is van oordeel dat het wel degelijk gaat om goederen of diensten die betrekking hebben op de uitoefening van haar economische activiteit. Dit is het geval voor de kosten in verband met de personenwagens en voor de telefoonkosten. Daarbij is de administratie aldus eiseres in het bezit van het detail van een aantal facturen van cie2. Verder worden goederen aangekocht bij cie3, aangewend voor het kantoor. Ook van de brandstofkosten moet, ondanks de afwezigheid van de facturen of het detail ervan, worden aangenomen dat deze gediend hebben voor de beroepsverplaatsingen.

4.2.4.2. Om de aftrek van de BTW te kunnen uitoefenen, moet eiseres in het bezit zijn van een factuur uitgereikt overeenkomstig de artikelen 53 § en 53decies § 2 van het BTW-Wb. waarop de vermeldingen voorkomen zoals bepaald in [artikel 5 §1 KB nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-c6ca) van 29 december 1992. Het is aan eiseres om te bewijzen dat aan de voorwaarden is voldaan. Meer bepaald dat de facturen voldoen aan de formele voorwaarden en verder dat de goederen en diensten waarop ze betrekking hebben daadwerkelijk geleverd zijn en beroepsmatig zijn aangewend. Eiseres voldoet volgens verweerder niet aan deze bewijslast.

Voor de facturen vermeld in tabel 1 werd in strijd met artikel 60 BTW-Wb. nagelaten om de facturen voor te leggen. Omdat geen verantwoordingsstukken werden voorgelegd, wordt de aftrek van de betrokken BTW aldus verweerder terecht verworpen. Eiseres toont niet aan dat aan de formele en materiële voorwaarden is voldaan. Door enkel te verwijzen naar de aankoopdagboeken, wordt dit bewijs niet geleverd. De melding van eiseres dat stukken zouden zijn kwijtgeraakt naar aanleiding van de verhuis, die volgens de verklaringen van eiseres zelf plaatsvond in 2017-2018, kan niet tot gevolg hebben dat ook voor 2019 de stukken niet kunnen worden voorgelegd.

Ook voor de goederen en diensten opgenomen in tabel 2a en 2b slaagt eiseres er volgens verweerder niet in om aan te tonen dat deze daadwerkelijk bestemd waren voor de economische activiteit. Daarbij overloopt verweerder de kosten van de leasingmaatschappij voor de auto's, de telefoonkosten, facturen van cie3 en ten slotte de brandstofkosten.

4.2.4.3. Zoals hiervoor werd opgemerkt, moet voor de begane overtredingen telkens worden nagegaan of deze werden begaan met bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden indien de vordering betrekking heeft op handelingen gesteld in de verlengde verjaringstermijn. In casu gaat het om BTW die door eiseres in aftrek werd gebracht, terwijl ofwel geen regelmatige facturen werden voorgelegd, ofwel omdat het gefactureerde goederen en diensten betreft waarvan niet aangetoond is dat deze geheel of gedeeltelijk werden bestemd voor de economische activiteit.

De rechtbank is van oordeel dat het hier gaat om tekortkomingen waarvan door verweerder niet aangetoond is dat deze werden gesteld door eiseres met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden. Gelet op het feit dat het gaat om de aftrek van BTW, waarvoor door eiseres moet worden aangetoond dat aan de voorwaarden is voldaan, was het in haar eigen belang om ter zake het nodige te doen. Niet ingezien wordt dan dat zij met bedrieglijk opzet zou hebben gehandeld door ter zake niet het nodige bewijs te leveren of om daartoe een poging te doen. Het loutere feit dat door afwezigheid van stukken of van een afdoende detail of verantwoording van bepaalde uitgaven, niet aan de voorwaarden voor de aftrek is voldaan, houdt op zich niet in dat er sprake is van bedrieglijk opzet in hoofde van eiseres. Het gaat ter zake ook niet om een structureel handelen gelet op het feit dat het niet voorleggen van de stukken, slechts op een bepaalde periode betrekking heeft (tabel 1), waarbij eiseres wel nog over de aankoopdagboeken beschikt, en verder dat het onvoldoende detail dat werd verstrekt van de kosten (tabellen 2a en 2b), slechts op enkele dezelfde terugkerende kosten betrekking heeft. De aanwezigheid van bedrieglijk opzet in hoofde van eiseres volgt niet louter uit de aanwezigheid van de feiten zelf.

Doordat aldus de verlengde termijn van 7 jaar niet van toepassing is op deze wijzigingen, wordt ten onrechte een vordering ingesteld met betrekking tot de zogezegde ten onrechte in aftrek gebrachte BTW met betrekking tot de jaren 2014 tot en met 2019. Dit gelet op het feit dat het (vervangende) P.V, waarin de vordering werd opgenomen dateert van 10 juli 2023 en het Innings- en Invorderingsbericht onder artikel 500275659828 uitvoerbaar werd verklaard op 21 augustus 2023 en ter kennis gesteld bij zending van 24 augustus 2023 (stuk 12 verweerder).

Concreet houdt dit in dat de vordering voor een bedrag van 46.316,05 EUR, opgenomen in tabel 1 zoals hiervoor vermeld, niet invorderbaar is wegens verjaring. Hetzelfde geldt voor de bedragen opgenomen in tabel 2a zoals hiervoor vermeld, voor een bedrag van 12.663,07 EUR en die betrekking hebben op de kalenderjaren 2018 en 2019. Ook ten belope van dat bedrag is de vordering van verweerder verjaard.

Voor wat de bedragen betreft die opgenomen zijn in tabel 2b en die betrekking hebben op het kalenderjaar 2020, is de vordering van verweerder niet verjaard. Hiervoor moet het bedrieglijk opzet in hoofde van eiseres niet worden aangetoond. De betrokken facturen zijn opgenomen onder stuk 16 van verweerder. Uit de tabel blijkt dat verweerder voor bepaalde van de facturen rekening heeft gehouden met een gebruik voor de economische activiteit zoals de leasingkosten van de Audi Q7. Dit gebeurt evenwel niet op een consequente wijze zoals bijvoorbeeld de inkomende factuur nr. 48 waarvan de BTW dan weer volledig wordt verworpen. Indien een aanwending voor de economische activiteit wordt aanvaard voor het voertuig, dan moet ook aanvaard worden dat de BTW met betrekking tot brandstofkosten die hiermee verband houden minstens gedeeltelijk aftrekbaar zijn. Het is dan ook willekeurig om de brandstofkosten geheel te verwerpen. Hetzelfde voor de kosten van cie2 waarbij het duidelijk is dat deze gefactureerd worden aan eiseres en de factuur aan alle voorwaarden voldoet. Het is willekeurig deze kosten zonder meer volledig te verwerpen terwijl eiseres deze kosten zonder twijfel aanwendt in haar economische activiteit.

De aftrek van de BTW m.b.t. de volgende kosten kunnen niet aanvaard worden omdat uit de omschrijving blijkt dat ze niet op de economische activiteit betrekking hebben :

\- inkomende factuur 2 van cie3 (hartslagmeter) : 15,45 EUR;

\- inkomende factuur 53 van cie4 (niet aan eiseres gericht) : 6,22 EUR; - inkomende factuur 71 van cie3 (apple watch) : 44,95 EUR;

\- inkomende facturen nrs. 166, 167, 168 en 178 (cie5-facturen die geen betrekking hebben op eiseres) : 66,70 EUR.

In totaal gaat het om een bedrag van 133,32 EUR. Verder is de rechtbank van oordeel dat voor de overige facturen globaal genomen de helft van de BTW in aftrek moet worden aanvaard of 1.402,37 EUR, en er bijgevolg slechts een bedrag van 1.535,68 EUR te verwerpen is zodat de vordering van verweerder voor dit bedrag gerechtvaardigd is.

4.2.5. Valse/fictieve facturen

4.2.5.1. Eiseres stelt dat zij volgens verweerder wist of had moeten weten dat de onderaannemers de verschuldigde BTW nooit zouden betalen. Derhalve wordt zij, aldus nog eiseres, verantwoordelijk geacht voor de handelingen van de onderaannemers. Het is evenwel niet aan eiseres om er op toe te zien dat de onderaannemers klantenlistings en BTW-aangiftes indienen. Eiseres verwijst in dit verband naar rechtspraak van het Europees Hof van Justitie waarin wordt gesteld dat het niet aan de belastingplichtige is om zijn leveranciers te controleren. Eiseres stelt dat niet bewezen is dat de onderaannemers hun verplichtingen niet nakwamen. Zolang dit niet het geval is en getracht wordt de onderaannemers aansprakelijk te stellen, kan eiseres niet ten laste gelegd worden dat zij wist of had moeten weten dat zij hun verplichtingen niet zouden nakomen. Indien al zou vaststaan dat de onderaannemers overtredingen zouden hebben begaan, dan kunnen deze volgens eiseres, bij gebreke van bewijs van fraude in hoofde van eiseres zelf, haar niet ten laste gelegd warden. Eiseres verwijst in dit verband ook naar een arrest van het hof van beroep te Brussel van 8 januari 2014. Daarbij werd gewezen op het feit dat de administratie het nodige onderzoek moet doen, terwijl de belastingplichtige zelf geen enkele onderzoeksbevoegdheid heeft.

Eiseres stelt dat op het moment dat zij met de onderaannemers contracteerde, zij administratief in orde waren. Daarbij werd alles gedaan wat mogelijk was om na te gaan of het betrouwbare onderaannemers zijn. Ook tijdens de duur van de overeenkomst kon eiseres bij gebreke aan onderzoeksbevoegdheid niet weten dat zij niet voldeden aan hun BTW-verplichtingen. Sommige onderaannemers gingen pas later failliet, terwijl zij hun werk voor eiseres wel zouden hebben verricht zodat eiseres zich daarbij geen vragen diende te stellen. Het is op het moment dat de werken voor haar verricht werden, dat de vraag moet worden gesteld of eiseres wist of had moeten weten dat de onderaannemers hun verplichtingen niet zouden nakomen. Dit werd pas duidelijk naar aanleiding van haar eigen controle door verweerder.

Het feit dat verweerder opmerkingen heeft over de facturen van de onderaannemers kan volgens eiseres geen argument zijn om de BTW in haren hoofde te verwerpen. Verwezen wordt naar de sjablonen die in excel aangeboden worden en die tot gevolg hebben dat de onderaannemers gelijkaardige facturen hebben De verwijzing van verweerder naar het arrest van het hof van beroep te Gent van 17 september 2024 in verband met het jaar 2017 zou niet opgaan omdat de voorliggende feiten anders zouden zijn.

De hoogte van de facturen, die zelden een bedrag van 3.000,00 zou overschrijden, zou evenmin impliceren, aldus nog eiseres, dat het gaat om onregelmatige facturen en dat de echtheid, het bedrag en het beroepsmatig karakter ervan niet bewezen zou zijn. Indien de materiële voorwaarden vervuld zijn, dan moet de aftrek van de voorbelasting aanvaard worden, ook wanneer de belastingplichtige niet voldoet aan bepaalde formele voorwaarden. Aan het recht op aftrek mogen geen bijkomende voorwaarden gesteld warden. Zelfs indien er onregelmatigheden zijn inzake de factuur, is er een recht op aftrek indien voldaan is aan de materiële voorwaarden.

Verweerder over-loopt per onderaannemer de onregelmatigheden, waarop eiseres het volgende antwoordt.

cie6 zou volgens verweerder geen diensten voor eiseres verricht hebben zoals blijkt uit een onderzoek bij de Bulgaarse belastingdienst. Eiseres verwijst naar het uittreksel uit VIES (stuk 6 eiseres) en de verklaring van de zaakvoerder van de betrokken vennootschap. De factuur van cie7 zou reeds verworpen zijn omdat deze niet zou zijn voorgelegd (tabel 1) zodat de BTW ervan niet nog eens kan worden verworpen. Verweerder verwijst naar het e-mailverkeer en de verwantschap (familiebanden) tussen de vennootschappen. Het gsm-nummer vermeld op de facturen van cie8 zou niet meer geldig zijn. Volgens eiseres toont dit niet aan dat er geen werkelijke prestaties geleverd werden. Verder zou de vennootschap nog niet opgericht zijn op het ogenblik dat de diensten werden verricht. Volgens eiseres kunnen handelingen gesteld worden voor ondernemingen in oprichting. Tot slot zijn er de facturen van cie9 waarvan de facturen niet in een chronologische volgorde bij eiseres werden opgenomen. Ook dit betekent volgens eiseres niet dat er geen werkelijke prestaties tegenover zouden staan.

Door middel van excel-files (stukken 8 — 13 eiseres) tracht eiseres aan te tonen dat de facturen van de onderaannemers werkelijke prestaties vertegenwoordigen. Per jaar wordt een vergelijking gemaakt tussen de inkomende en uitgaande facturen. Daarbij warden de uren van de onderaannemers, de zaakvoerder en het personeel van eiseres opgenomen. De onderaannemers geven hun uren door en factureren dit aan eiseres, die vervolgens factureert aan haar klanten voor het geleverde materiaal en de geleverde diensten.

Per jaar geeft eiseres een overzicht waarna gekomen wordt tot een totaal aantal gepresteerde uren van de onderaannemers, het personeel en de zaakvoerders en het bedrag dat hier tegenover staat. Zo wordt een gemiddeld uurtarief bekomen. Verder wordt ook rekening gehouden met de gegevens van de sociale balans waarin de uren van het personeel opgenomen zijn. Rekening wordt gehouden, voor bepaalde jaren, met een fulltime tewerkstelling van de zaakvoerders. Op basis van deze gegevens die worden verstrekt voor de jaren 2016, 2018, 2019 en 2020, blijkt dat het uurtarief van de onderaannemers over de jaren ongeveer gelijk bleef en rekening houdende met de overige werkuren van personeel en zaakvoerders, het gemiddeld uurtarief eveneens in dezelfde orde blijft. Voor de jaren 2019 en 2020 hebben de zaakvoerders niet meegewerkt op de beurzen.

Eiseres besluit dat de facturen van de onderaannemers voldoen aan de materiële voorwaarden. Op basis van de overzichten blijkt verder dat wanneer de inkomende facturen gezet worden tegenover de uitgaande facturen, er niet anders kan worden geoordeeld dan dat de facturen werkelijke prestaties betreffen, gelet op het beperkt aantal gepresteerde uren van het personeel van eiseres zelf en de prestaties bijgevolg niet mogelijk zouden zijn zonder een beroep te doen op de onderaannemers. De BTW moet dan ook in aftrek worden aanvaard.

4.2.5.2. Verweerder is van oordeel dat ten onrechte de BTW van facturen van leveranciers in aftrek werd genomen. Het betreffen voornamelijk facturen van onderaannemers. Verder gaat het eveneens over facturen van brandstofleverancier cie10 en een factuur van cie11. Verweerder is van oordeel dat de in de boekhouding van eiseres opgenomen bedragen, geen tegenprestaties vormen van werkelijk bestaande en oprechte handelingen die effectief ten behoeve van de economische activiteit worden gebruikt. De formele en materiële voorwaarden voor de aftrek zijn niet vervuld. Volgens verweerder wist eiseres of moest eiseres weten dat de verschuldigde BTW niet werd gestort met de bedoeling de belasting te ontduiken.

Verweerder wijst op de vage omschrijvingen van de facturen. Dit kadert volgens verweerder in een frauduleus systeem waarbij onderaannemers vage facturen opstellen die eiseres in kosten boekt zonder dat de werkelijkheid van de gefactureerde bedragen kan worden aangetoond. Daarbij is eiseres volgens verweerder wel degelijk zelf verantwoordelijk voor de correctheid en waarachtigheid van de documenten die zij in haar boekhouding opneemt en als verantwoordingsstuk voor de aftrek van de BTW opneemt. Daarbij staat het volgens verweerder vast dat de betrokken facturen niet voldoen aan de vereisten gesteld in de BTW-wetgeving. Verweerder somt daarbij een aantal elementen op waaruit dit blijkt en die niet weerlegd worden door eiseres. Zoals het feit dat de waarachtigheid van de prestaties niet kan worden geleverd, de afwezigheid van communicatie, offertes of bestelbonnen, het ontbreken van noodzakelijke en wettelijk verplichte vermeldingen op de facturen, de onmogelijkheid om verband te leggen met de uitgaande facturen, het gebrek aan bewijs, door de afwezigheid van een kasboek, van de betaling van de facturen die allemaal cash zouden zijn voldaan, ... Op basis van deze elementen werd reeds in het verleden door de rechtbank en het hof van beroep te Gent beslist dat de werkelijkheid van de prestaties niet aangetoond is.

Verweerder is niet overtuigd van het excel-overzicht dat door eiseres werd voorgelegd en waarbij een vergelijking werd gemaakt tussen de inkomende en uitgaande facturen en waaruit zou moeten blijken dat de door de onderaannemers gefactureerde bedragen overeenstemmen met daadwerkelijk geleverde prestaties. Verweerder heeft bedenkingen bij de door eiseres opgegeven cijfers. Volgens verweerder werden voor alle aanslagjaren de door de zaakvoerders gepresteerde uren willekeurig en in functie van het resultaat ingevuld. In bepaalde jaren zouden zij meegewerkt hebben en in andere weer niet. De reden zou zijn dat anders het aan de klanten doorgerekende uurtarief lager zou zijn dan het uurtarief van de onderaannemers. Daarbij fluctueert het uurtarief aanzienlijk over de jaren heen en kent het na 2018 een daling van 8,00 EUR. Verder stelt verweerder dat het overzicht van 2016 foutief is omdat ten onrechte geen rekening werd gehouden met een bedrag van 143.188,83 EUR dat betrekking heeft op prestaties die in 2016 werden geleverd en dus in het excel-overzicht had moeten worden opgenomen. Voor 2020 werden dan weer bepaalde uren volgens verweerder ten onrechte niet meegerekend zoals de 1.265 gefactureerde uren door S.A. en dit voor een bedrag van 26.565,00 EUR. Verweerder is van oordeel dat aan de hand van de excel-overzichten de werkelijkheid van de door de onderaannemers gefactureerde prestaties niet wordt aangetoond.

Verweerder gaat verder ook over tot specifieke opmerkingen betreffende een aantal onderaannemers.

Voor wat onderaannemer cie6 betreft wordt volgens verweerder niet aangetoond door eiseres dat door deze onderneming prestaties voor eiseres werden geleverd. Dat uit het VIES-attest blijkt dat er een geldig BTW-nummer was, toont dit niet aan. Verweerder verwijst naar het onderzoek van de Bulgaarse administratie (p. 17-19 synthesebesluiten verweerder). Ook de verklaring op eer van de zaakvoerder van cie6 levert volgens verweerder geen bewijs en is niet bewijskrachtig.

Voor wat de facturen van cie7 betreft, is verweerder van oordeel dat, in tegenstelling tot wat eiseres stelt, niet aangetoond is dat de aftrek van de BTW van een bepaalde factuur tweemaal verworpen werd. Ook al was de zaakvoerder van de betrokken vennootschap de broer van de zaakvoerders van eiseres, dan houdt dit niet in dat de werkelijkheid van de verrichte prestaties niet moet warden aangetoond. Verder wordt verwezen naar de vaststellingen van verweerder in verband met de facturen van de cie7 (p. 19-20 synthesebesluiten verweerder) (vage factuuromschrijvingen, niet opgenomen in BTW-klantenlisting, uit de e-mailberichten zou blijken dat er facturaties gebeurden op basis van financiële transacties zonder dat er handelingen tegenover staan, faillissement van de vennootschap, ...),

Verder is het zo dat niet enkel wegens het vermelden van een niet langer actief gsm-nummer (facturen cie8) of wegens de niet-chronologische boeking van facturen (facturen cie9), tot het besluit gekomen werd door verweerder dat de facturen niet waarachtig zijn. Verweerder verwijst ook hier naar de vaststellingen die zij deed in verband met de facturen (p. 20 e.v. synthesebesluiten verweerder) (steeds zelfde omschrijving facturen, steeds zelfde aantal uren, steeds cash betaald, andere statutair doel dan verrichte prestaties, niet opname facturen in de klantenlisting, fouten op facturen i.v.m. vermelding adres, dezelfde typefout die op facturen van verschillende onderaannemers voorkomen, vermelding ongeldig bankrekeningnummer, dezelfde adressen voor verschillende vennootschappen, telkens het faillissement van de vennootschappen, prestaties nadat onderneming werd stopgezet, ...). Voor ieder van de onderaannemers somt verweerder op een gedetailleerde wijze op welke de vaststellingen zijn op basis waarvan geoordeeld wordt waarom de gefactureerde bedragen niet overeenstemmen met werkelijke prestaties. Verweerder stelt dat het gaat om fictieve facturen waardoor, door deze facturen in haar boekhouding op te nemen, onrechtmatige BTW-aftrekken werden gecreëerd om zo het bedrag aan aftrekbare BTW te vergroten. De BTW-aftrek i.v.m. de facturen van de onderaannemers werd dan ook volgens verweerder terecht geweigerd volgens artikel 45 § 1 BTW-Wb.

Verder stelt verweerder dat voor het kalenderjaar 2017 aankoopfacturen van cie10 door eiseres in haar boekhouding werden opgenomen voor een bedrag van 14.442,39 EUR aan aftrekbare BTW (p. 26 e.v. synthesebesluiten verweerder). Ook met betrekking tot deze facturen heeft verweerder een aantal opmerkingen. Niet aangetoond zou zijn dat deze facturen betaald werden. De opvolger van de cie10 zou dit hebben nagekeken en zou bevestigen dat eiseres niet voorkomt in het klantenbestand en dat de betrokken facturen afwijken van de normale lay-out, rubrieken en factuurnummering. Op grond hiervan besluit verweerder dat het eveneens gaat om fictieve facturen teneinde op die wijze ten onrechte een BTW-aftrek te creëren zodat terecht het recht op aftrek ervan geweigerd werd. Dit geldt tot slot volgens verweerder ook voor de factuur van 2019 van cie11, met een aftrekbare BTW van 42,00 EUR (p. 28 synthesebesluiten verweerder). Het op deze factuur vermelde BTW-nummer is onvolledig en de factuur heeft dezelfde lay-out als de factuur van eiseres. Verder wordt de factuur niet opgenomen in de BTW-aangifte van cie11.

Verweerder beklemtoont dat er tussen de verschillende facturen van de leveranciers veel gelijkenissen zijn. Dit geldt niet enkel voor de lay-out van de facturen. Zo worden op facturen van onafhankelijke onderaannemers dezelfde lay-outfouten terug gevonden (vermelding van 'p' in tekst) evenals dezelfde printerstrepen hetgeen verder gaat dan het louter gebruiken van een zelfde lay-out. Verder is een cashbetaling, aldus nog verweerder, op zich geoorloofd. In casu kunnen de cashbetalingen door eiseres evenwel op geen enkele wijze geverifieerd worden. Er wordt geen kasboek door eiseres bijgehouden. Er is volgens verweerder dan ook geen enkel aanwijsbaar en controleerbaar gegeven dat aannemelijk maakt dat over de betrokken periode cashbetalingen van omzeggens 2.000.000,00 EUR hebben plaatsgevonden.

4.2.5.3. Voor wat de vraag betreft of de BTW m.b.t. de facturen van de onderaannemers, zoals opgenomen in de vordering van verweerder, al dan niet aftrekbaar is, stelt de rechtbank vast dat zij over deze problematiek reeds uitspraak deed in het vonnis van 20 september 2022 (gekend onder rolnr. 21/424/A; stuk 17 verweerder) tussen dezelfde partijen, met betrekking tot facturen van onderaannemers gericht aan eiseres tijdens het kalenderjaar

2017\. Daarbij werd de aftrek van de BTW verworpen op basis van de volgende argumentatie

"4.1.

Op grond van [artikel 45, §1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is terzake van de door hem verrichte leveringen en diensten, de voorbelasting geheven op de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in aftrek brengen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van in de wet opgesomde handelingen.

Om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen ten aanzien van de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten moet de belastingplichtige, op grond van [artikel 3, §1 van KB nr. 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-article-historique-e9dd) van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling van de belasting over de toegevoegde waarde, in het bezit zijn van een factuur uitgereikt overeenkomstig de artikelen 53, §2 en 53octies WBTB, waarop de vermeldingen voorkomen bedoeld in [artikel 5, §1 van KB nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-c6ca) met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde. Artikel 5 van dit KB nr. 1 bepaalt dat de factuur onder meer moet vermelden, de gegevens die nodig zijn om de handeling te determineren en om het tarief van de verschuldigde belasting vast te stellen, inzonderheid de gebruikelijke benaming van de geleverde goederen en van de verstrekte diensten en hun hoeveelheid alsook het voorwerp van de diensten.

De rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie is in die zin gevestigd dat het niet naleven van de formele voorwaarden de aftrek van btw niet kan verhinderen indien de belastingadministratie beschikt over de nodige gegevens om vast te stellen dat is voldaan aan de materiële voorwaarden (zie bvb. HvJ, dd. 11.12.2014, [C-590/13](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-590-13-arret), inzake ldexx Laboratories Italia Sri tegen Agenzia delle Entrate (Italia), cijfers 30 e.v. en meer bepaald cijfer 40, vindplaats h ttp://curia. europa. eu).

De bewijslast van het bestaan van het recht op aftrek van voorbelasting berust bij de belastingplichtige die de aftrek vordert. De werkelijkheid en het bedrag van een uitgave kunnen in principe bewezen worden aan de hand van een regelmatig in de boekhouding opgenomen inkomende, regelmatige factuur. Wanneer er evenwel gefundeerde twijfels bestaan nopens de gegrondheid van het beweerde aftrekrecht, kan de administratie van de belastingplichtige vragen dat hij aantoont dat de facturatie beantwoordt aan werkelijke leveringen of diensten die hij gebruikt (heeft) voor het verrichten van effectief belaste handelingen (vgl. Antwerpen 27 mei 2008, FJF 2010/4, met verwijzing naar L.V., Aftrek en teruggaaf van BTW, Intersentia Rechtswetenschappen, Antwerpen-Groningen, 1998, p. 350, nr. 439).

4.2.

Uit de conclusies van eiseres komt naar voor dat zij een activiteit voerde inzake het plaatsen van tapijten en/of standen op beurzen en daartoe beroep deed op onderaannemers, waaronder bv cie13, bv lpsum CNC en bv cie15. Het zijn de facturen die eiseres van deze onderaannemers ontving, waarvan de belastingadministratie de btw-aftrek weigert.

De rechtbank stelt vast wat volgt:

De 41 facturen uitgaande van bv cie13 dragen identiek dezelfde omschrijving van gepresteerde handelingen, met name de opbouw van modulaire standen 'plaatsen van tapijten in regie 23u'. Al deze facturen bedragen tussen de 2.500,00 EUR en 3.000,01 EUR. Op geen enkele factuur wordt vermeld voor welk evenement of voor welke beurs, voor welk bedrijf of door hoeveel arbeiders de stand werd opgebouwd. Evenmin staat ook maar iets vermeld over de aard van de opgebouwde stand.

Op de 72 facturen uitgaande van bv Ipsum CNC worden de gepresteerde handelingen omschreven, ofwel als 'plaatsen op beurzen van tapijten', ofwel als 'plaatsen van standen op beurzen'. Al deze facturen bedragen tussen de 2.900,00 EUR en 3.000,01 EUR. Op geen enkele factuur wordt vermeld voor welk evenement of voor welke beurs, voor welk bedrijf of door hoeveel arbeiders tapijten of stand werden opgebouwd. Evenmin werd ook maar iets vermeld over de aard van de opgebouwde stand of de geplaatste tapijten.

De 50 facturen uitgaande van bv cie15 identiek dezelfde omschrijving van gepresteerde handelingen dragen, met name 'plaatsen van standen en tapijten op beurzen'. Al deze facturen betreffen een factuurbedrag tussen 2.900,00 EUR en 3.000,00 EUR (op een viertal facturen na waarvan het factuurbedrag wat lager is). Op geen enkele factuur wordt vermeld voor welk evenement, voor welk bedrijf of door hoeveel arbeiders de stand werd opgebouwd. Evenmin staat ook maar iets vermeld over de aard van de opgebouwde stand of de geplaatste tapijten.

Mede gelet op de frequentie von de facturatie en de afwezigheid van begeleidende kadercontracten of documenten, is het de rechtbank werkelijk een raadsel hoe deze algemene factuurvermeldingen eiseres hebben toegelaten om (i) op te volgen welke concrete prestaties welke onderaannemer voor haar leverde — en dus mocht factureren — en om (ii) op een correcte wijze de aan haar gefactureerde bedragen door te rekenen aan haar eigen klanten. In de administratieve beslissing wordt daarover ook gesteld — en het tegendeel wordt niet bewezen door eiseres — dat de facturen niet getinkt kunnen warden aan enige uitgaande handeling zoals bedoeld in [artikel 45, §1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45). De stelling van eiseres dat zij, gelet op haar omzet, niet anders kon dan werk uitbesteden aan onderaannemers omdat zij slecht 3,2 WE in dienst had, volstaat niet als dergelijk bewijs.

Naast de uiterste beknoptheid in de omschrijving van de gepresteerde diensten, volt op dat de facturen allemaal om en bij de 3.000,00 EUR bedragen en dat voor geen enkele factuur een betalingsbewijs voorligt. De betalingen zouden contant zijn gedaan, maar eiseres legt geen kasboek voor, noch enige kwitanties.

Geen van de onderaannemers heeft de aan eiseres gefactureerde bedragen aangegeven in hun btw-aangifte of afgedragen aan de Belgische Schatkist. Elk van de betrokken onderaannemers is inmiddels failliet verklaard.

De verklaringen op eer vanwege de drie onderaannemers, die eiseres bijbrengt, zijn niet bewijskrachtig en niet van aard om de hierboven vastgestelde onregelmatigheden te 'zuiveren'.

De verwijzing naar boekjaar 2016 of naar een controle inzake vennootschapsbelasting waarbij de facturen niet verworpen werden, is naast de kwestie. Eiseres toont niet aan dat de belastingadministratie die zich over haar aangifte in de vennootschapsbelasting heeft gebogen, zich uitgesproken heeft over de aftrek von de voorbelasting inzake de betwiste facturen. Zij kon hieruit dan ook geen rechten putten.

Op basis van bovenstaande overwegingen oordeelt de rechtbank dat verweerder de aftrek van de voorbelasting inzake de betwiste facturen terecht geweigerd heeft. Immers, eiseres is niet in het bezit van regelmatige aan haar uitgereikte facturen die de vermeldingen bevatten zoals voorgeschreven door artikel 5, §1 (in het bijzonder, 6°) van KB nr. 1. en slaagt er niet in om, tegen deze onregelmatigheden in, de werkelijkheid te bewijzen van de aan haar geleverde prestaties.

De vordering van eiseres is niet gegrond."

Het betrokken vonnis werd bevestigd in het arrest van het hof van beroep te Gent van 17 september 2024 (rolnr. 2023/A/576; stuk 48 verweerder). Het hof van beroep motiveert de verwerping van de aftrek van de BTW m.b.t. de betrokken facturen als volgt

"De betwisting heeft uitsluitend betrekking op de vraag of de appellante, anders dan wat de geintimeerde stelt, recht heeft op aftrek van de btw die ze heeft afgetrokken in 2017 op basis van facturen uitgereikt door cie13, cie14 en cie15.

Het hof kan nochtans slechts vaststellen dat de eerste rechter met reden de vordering van de appellante integraal heeft afgewezen.

De geïntimeerde roept immers terecht in dat de betreffende facturen niet voldoen aan de voorschriften voorzien in [artikel 5, §1 van KB nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-c6ca), meer bepaald wat betreft de vermeldingen die op uitgaande facturen moeten staan bepaald onder de subnummers 5° en 6° van dat artikel die daar als volgt worden omschreven:

5° de datum waarop het belastbare feit voor de levering van de goederen of de dienstverrichting heeft plaatsgevonden of de datum van de ontvangst van de prijs of een deel ervan, voor zover die datum vastgesteld is en verschilt van de uitreikingsdatum van de factuur;

6° de gegevens die nodig zijn om de handeling te determineren en om het tarief van de belasting vast te stellen, inzonderheid de gebruikelijke benaming van de geleverde goederen en van de verstrekte diensten en hun hoeveelheid alsook het voorwerp van de diensten.

Op alle 40 facturen uitgereikt door cie13 in 2017 (stuk 7 geint.) staat

telkens dezelfde tekst, namelijk:

uitgevoerde werken

opbouw von modulaire standen

platen van tapijten in regie 23u.

Er is enkel een datum van facturatie vermeld, geen andere datum.

De bedragen zijn niet altijd gelijk, maar liggen tussen 2.500 en 3.000 euro (2x

iets meer don 2.500 euro en voor de rest enkele euro minder dan 3.000 euro

of exact 3.000 euro).

Op elk van de facturen stoat dat ze 'cash voldaan' zijn.

Samen goat het om een bedrag van 117.131,20 euro waarvan 20.328,47 euro

btw.

Op alle 71 facturen uitgereikt door cie14 in 2017 (stuk 8 gein t.) staat telkens dezelfde tekst, namelijk:

Plaatsen op beurzen van tapijten.

De bedragen zijn berekend door het vermelden van het uurloontarief van 22,00 euro en een 'aantal uren'; die bedragen variëren tussen 2.941,51 euro en 2.988,10 euro.

Er staat telkens vermeld in drukletters: FACTUUR VOLDAAN, gevolgd door een onleesbare handtekening (met krullen).

Samen gaat het om een bedrag van 213.965,06 euro waarvan 37.134,56 euro btw.

Op alle 50 facturen uitgereikt door cie15 in 2017 (stuk 9 geint.) staat telkens dezelfde tekst, namelijk:

Plaatsen van standen en tapijten op beurzen.

De bedragen zijn berekend door het vermelden van het uurloontarief van 22,00 euro en een aantal uren'; die bedragen variëren tussen 2.342,56 euro en 2.988,10 euro.

Er staat telkens vermeld in drukletters: FACTUUR VOLDAAN, gevolgd door een onleesbare handtekening (met krullen).

Samen gaat het om een bedrag van 146.193,08 euro waarvan 25.372,38 euro btw.

Zoals de geintimeerde met reden stelt, zijn dergelijke vage, steeds in dezelfde woorden terugkerende weergaven van de gepresteerde diensten te beperkt om een verband te kunnen leggen met uitgaande handelingen. Het mag dan waar zijn dat er staat dat het om het plaatsen van tapijten (op beurzen) gaat, maar nooit is vermeld wanneer dat gebeurde en waar (op welke beurs?).

Zelfs al gaat het kennelijk om prestaties per uur, dan nog wordt nergens vermeld door hoeveel personen die, eventueel verspreid over hoeveel dagen, geleverd werden, wat nochtans ook een minimale controle zou toelaten om de werkelijkheid en de aard van de prestaties te kunnen onderbouwen en het verband met de activiteit en dus de omzet van de appellante te controleren. Al te gemakkelijk stelt de appellante dat het niet hoar fout is dat haar leveranciers een zeer beperkte omschrijving van de verleende dienst gaven; zeker in de omstandigheden, zoals hier, waarin de afnemer herhaaldelijk facturen van een leverancier ontvangt, dan is het onzorgvuldig om kritiekloos facturen te aanvaarden die onvoldoende gedetailleerd zijn. Overigens zal een voorzichtige belastingplichtige voor elke factuur waakzaam zijn wat betreft de gebruikte omschrijving van de geleverde goederen of verstrekte diensten door zijn leverancier, precies om zijn recht op aftrek van btw (maar ook als beroepskost in de inkomstenbelastingen - - art, 49 W1892) te vrijwaren. Dat zal des te meer gelden wanneer het bewijs van omkaderende feiten ontbreekt en/of moeilijk leverbaar is. De appellante blijkt hier duidelijk in gebreke.

Waar er reden kan zijn om het recht van aftrek niet absoluut uit te sluiten wegens tekortkomingen in de vormvereisten voor facturen, is het vastgestelde gebrek aan omschrijving van de gefactureerde prestatie hier nochtans een cruciaal gegeven. Dat is met name het geval omdat de contractuele band met de betreffende drie bedrijven niet op enig geschrift is gesteund; er ligt geen enkel ander controleerbaar gegeven voor dat zou toelaten de werkelijkheid van de gefactureerde prestaties te objectiveren, geen contract maar zelfs geen e-mails of briefwisseling, geen offertes, geen afspraken rond wie waar op welke plaats wat moest uitvoeren (in onderaanneming).

Zelfs de betaling van de betreffende facturen is niet geobjectiveerd. Er is in dat verband niets meer dan de vermelding op de facturen dat ze cash voldaan zijn en de inschrijving van de facturen in de boekhouding van de appellante. Het is onbetwist dat de appellante geen kasboek bijhield en dat er geen andere boekhoudkundige weergave was van de cashverrichtingen. Waar het kasgeld vandaan kwam is dus niet duidelijk. De appellante beperkt zich ertoe te stellen dat voor de betaling ofwel geld van de bankrekening werd gehaald, ofwel dat haar zaakvoerders de betaling deden en voor die verrichting een boeking op rekening-courant werd uitgevoerd. Het hof stelt evenwel geen bewijs vast van dergelijke geldstromen. Uit de jaarrekening voor het boekjaar 2017 die in stukken van de geïntimeerde voorkomt (zijn stuk 10) kunnen geen gegevens over bewegingen op rekening-courant worden afgeleid; in rubriek 9500 is vermeld dat de vennootschap een vordering op de zaakvoerders heeft (van 90.774 euro). In rubriek 41 'overige vorderingen' (waar een subrubriek 416/4163 voor de vorderingen op rekening-courant zou kunnen staan) is een bedrag van 91.341 euro geboekt. Dat kan met elkaar overeenstemmen maar het bewijst allerminst dat de zaakvoerders cashgelden voorschoten aan leveranciers. De appellante legt geen gegevens voor met betrekking tot een rekening-courant. in die omstandigheden is dus zelfs de betaling niet objectief controleerbaar, waardoor de werkelijkheid van de prestaties ook niet op die manier ondersteund wordt.

Het is overigens merkwaardig dat alle facturen uitgereikt zijn voor bedragen tussen 2.500,00 en 3.000,00 euro en dat het soms om meerdere facturen per dag gaat. Niet zonder reden laat de geintimeerde in dat verband opmerken dat het om cashbetalingen zou gaan waarvoor de witwaswetgeving in de periode een grens van precies 3.000,00 euro voor cashbetalingen toeliet.

Daar komt bij dat geen van de drie 'leveranciers/onderaannemers' ooit de appellante als afnemer heeft vermeld in enige btw-aangifte: de betrokken belastingplichtigen komen niet voor als leveranciers in de listing op naam van de appellante voor het betrokken jaar. De 'leveranciers' hebben de btw die op de betrokken facturen vermeld staat dus op geen enkele manier aangegeven.

Zelfs al is het juist dat een afnemer in de regel niet kan weten of zijn leverancier de btw heeft aangegeven, dan is dat gebrek aan aangifte, bovendien door alle drie haar 'onderaannemers', een gegeven dat minstens van aard is om het gebrek aan onderliggende prestaties aannemelijk te maken: het feit dat de btw door de leveranciers we! zou zijn aangegeven, zou al niet noodzakelijk volstaan hebben om het vereiste bewijs te leveren, maar hier is zelfs die aangifte niet gebeurd, laat staan de betaling aan de Schatkist.

De geïntimeerde wijst ook terecht op het feit dat de drie onderaannemers vennootschappen zijn die voor de btw niet geregistreerd waren voor activiteiten met betrekking tot het plaatsen van standen op beurzen, plaatsen van tapijten, opbouw van modulaire standen, enz. waarvoor de appellante werkvolk in onderaanneming kan nodig hebben gehad.

De gekende activiteit van de cie13 was immers 'transport goederenvervoer, overige posterijen en koeriers; de gekende activiteit van cie14 was 'Elektrotechnische installatiewerken aan gebouwen' en de gekende activiteit van cie15 was 'overige posterijen en koeriers'. Dok dat zijn vaststellingen die eerder tegenaanwijzingen zijn voor de werkelijkheid van de gefactureerde prestaties.

Deze vaststellingen volstaan om tot verwerping van het recht op aftrek van de betreffende btw te besluiten. De overwegingen van de appellante met betrekking tot de nood aan extra werkkrachten en het verband met drukkere periodes worden niet alleen afdoende door geintimeerde in conclusies weerlegd aan de hand van cijfers die uit stukken blijken en het hof treedt de analyse en conclusies van de geïntimeerde in dat verband zoals uiteengezet op de pagina's 14 tot 19 van zijn syntheseconclusies van 29 april 2024 volledig bij. Bovendien kunnen die overwegingen van de appellante sowieso niet afdoende steun bieden om het bewijs te leveren dat de facturen op werkelijk geleverde prestaties betrekking hebben.

Hoger is vastgesteld dat er geen stukken voorliggen die toestaan een geldstroom voor de betalingen te traceren. Daar waar de appellante met haar stuk 3 zegt een verband te leggen tussen de betreffende inkomende facturen en haar uitgaande facturen (om te bewijzen dat ze de onderaanneming nodig had om a! haar werk gedaan te krijgen, zeker in de drukste maanden), kan het hof slechts vaststellen dat er — bij gebrek aan bewezen geldstroom voor de betaling van die inkomende facturen – geen verband kan worden gelegd met inkomsten uit de door de appellante uitgereikte facturen. Zoals de geïntimeerde terecht stelt, toont de appellante niet aan dat zij enige contante ontvangsten had waarmee ze contante betalingen kon doen. Aangezien de appellante niets meer doet don beweren dat ze het contante geld van een rekening betaalde of dat een zaakvoerder betaalde waarna diens vordering in rekening-courant zou zijn geboekt, maar daarvan geen enkel bewijs voorlegt (zie hoger al), is het op zijn minst niet bewezen dat er tegenover eventuele prestaties die op de betwiste inkomende facturen staan, omzet stoat die in de boekhouding van de appellante werd verwerkt.

Het hoger beroep is dan ook ongegrond."

De rechtbank maakt zich deze argumentatie tot de hare gelet op het feit dat de facturen van de onderaannemers en de feitensituatie voor het jaar 2017, identiek zijn aan die van de jaren 2016 en 2018 tot en met 2020 waarover de betwisting handelt die nu ter beoordeling wordt voorgelegd. De facturen van de betrokken jaren (zie stukken 19 e.v. van verweerder) vertonen telkens de volgende kenmerken :

voor geen enkele factuur zijn er begeleidende documenten zoals kaderovereenkomsten, offertes of nog e-mailberichten (hoe werd afgesproken ?), briefwisseling, afspraken via sms of WhatsApp over waar de prestaties moeten worden geleverd, ...;

\- telkens een vage weergave van de gepresteerde diensten zonder vermelding waar dit gebeurde, wanneer dit gebeurde en voor hoelang en wat er juist concreet gebeurde. Daardoor is er geen mogelijkheid tot het leggen van een verband met uitgaande facturen. Er is ook niet geweten met hoeveel personen er gewerkt werd door de onderaannemers (er is ook nergens sprake van eventuele meldingen bij \`checkinatwork'). Dit heeft tot gevolg dat de werkelijkheid van de verrichte prestaties niet kan worden gecontroleerd;

\- omzeggens alle facturen blijven onder de grens van 3.000,00 EUR en hebben betrekking op hetzelfde aantal uren. Vastgesteld wordt ook dat er facturen op een zelfde dag warden opgesteld, zodat op die wijze de grens van 3.000,00 EUR per factuur niet overschreden wordt. Verder worden de facturen in de meeste gevallen cash betaald zodat de uitsplitsing of beperking van de facturen er op gericht is om niet te vallen onder het verbod van contante betalingen zoals bepaald in de witwaswetgeving. Daarbij komt dat het niet betwist is dat eiseres geen kasboek of dagontvangstenboek bijhield zodat niet nagegaan kan worden waar het cashgeld in hoofde van eiseres vandaan komt en verder ook niet of de gelden effectief werden betaald aan de onderaannemers. Er is geen enkel bewijskrachtig gegeven over de geldstromen zodat ook aan de hand daarvan de werkelijkheid van de geleverde prestaties niet kan worden nagegaan;

\- verder blijkt uit de gegevens van verweerder dat geen enkele van de onderaannemers waarop een beroep werd gedaan, zijn BTW-verplichtingen is nagekomen, geen aangiftes heeft ingediend en evenmin klantenlistings. In bepaalde gevallen hielden zij zich ook bezig met andere activiteiten dan diegene waarvoor zij factureerden;

\- ook gingen omzeggens alle betrokken onderaannemers failliet.

Daarbij komen dan nog de specifieke onvolkomenheden aan de facturen van de onderaannemers die door verweerder worden opgesomd (p. 17-24 synthesebesluiten verweerder). Zoals de informatie van de Bulgaarse belastingdienst in verband met de Bulgaarse onderaannemer cie6 en waaruit blijkt dat deze geen personeel had, geen intracommunautaire leveringen of diensten heeft verricht, een activiteit had in ijzerwaren en bouwmaterialen, ... Facturen met de vermelding van een foutief geschreven adres (facturen cie16) en die werden opgesteld op de nieuwe naam, nog voordat deze naam gewijzigd werd. Verder zijn er terugkerende lay-outfouten (vermelding van \`p' en strepen) die ook terug te vinden is op de facturen uitgaande van onderaannemer cie8. Deze laatste vennootschap heeft een deel facturen opgesteld nog voordat ze werd opgericht, zonder enige melding dat de handelingen werden gesteld voor de vennootschap in oprichting. Er wordt op de facturen van cie8 ook een onvolledig rekeningnummer vermeld. Op de facturen van cie17 is niet opgenomen hoe deze betaald werden en er is ook niets van terug te vinden bij eiseres. Bij Karbeel zelf is eiseres niet opgenomen op de klantenlisting. cie9 is blijkbaar gevestigd op hetzelfde adres als cie16 en de lay-out van de facturen is ook dezelfde, zoals dit ook het geval is met de lay-out van de facturen van cie8. Er zijn blijkbaar geen originelen van de facturen van cie9 S.A. houdt zich normaal bezig met isolatiewerken en ook daar komen steeds weer dezelfde vage omschrijvingen voor, facturen met steeds bedragen van net onder de 3.000,00 EUR, cashbetalingen en uiteindelijk faillietverklaring. Tot slot is er de vennootschap cie18 waarbij blijkbaar een zaakvoerder werd aangeduid die reeds voordien geschrapt werd uit het rijksregister. Verder werd het BTW-nummer geschrapt met ingang van 1 januari 2019, terwijl er in het jaar 2020 nog facturen werden opgesteld.

Uit al deze gegevens blijkt dat de aftrek van de BTW voor de betrokken facturen terecht geweigerd wordt door verweerder, zoals eerder ook reeds beslist werd voor het jaar 2017. Daarbij werd ook beslist dat de werkelijkheid van de prestaties zoals verricht door de onderaannemers niet aangetoond is. De door eiseres aangevoerde argumenten tonen het tegendeel niet aan. Waar het juist is dat eiseres niet verantwoordelijk is en er niet op moet toezien dat de onderaannemers hun BTW-verplichtingen nakomen, blijkt uit de vaststellingen dat iedere onderaannemer waarop eiseres een beroep deed zijn verplichtingen niet nakwam en vervolgens korte tijd nadien failliet ging. Daarbij volgde de ene onderaannemer de andere op, met dezelfde gebreken en dezelfde afloop. Voor wat concreet de opgestelde facturen betreft, blijkt zelfs dat bepaalde onderaannemers gewoonweg de wijze en lay-out (met fouten) van de facturatie van de vorige onderaannemer overnam (zie facturen cie16, cie8 en cie9).

Uit al deze gegevens blijkt dan ook dat het gaat om een structurele en georganiseerde werkwijze waarbij er slechts één constante is en dit is eiseres. Daarbij was eiseres wel degelijk gehouden om de facturen die zij ontving te controleren om na te gaan of de facturen voldoen aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de BTW-aftrek. Zij had de onderaannemers dan ook moeten wijzen op de onvolkomenheden in de facturen en minstens het nodige moeten doen om de werkelijkheid van de verrichte prestaties aan te tonen. Daarbij warden de facturen van de onderaannemers cash betaald terwijl eiseres geen kas- of dagontvangstenboek bijhoudt. Daardoor is de betaalstroom niet te controleren en ook niet of er werkelijk betalingen plaatsvonden. Ter zake wordt door eiseres ook geen enkele toelichting verstrekt over hoe zij in het bezit kwam van de cashgelden.

Eiseres heeft in excel-overzichten getracht om de werkelijkheid van de prestaties aan te tonen tussen de inkomende facturen van de onderaannemers en de uitgaande facturen aan de klanten (stukken 7, 9, 10 en 12 eiseres). Daarbij moet reeds onmiddellijk worden opgemerkt dat daarbij geen verband wordt gelegd met de geldstromen om aan te tonen hoe en wanneer de onderaannemers werden betaald en hoe de klanten betaalden. Verder is het niet duidelijk op welke wijze eiseres de link kan leggen tussen de door de onderaannemers verrichte prestaties met de uitgaande facturen, gelet op de vage omschrijvingen op de facturen van de onderaannemers. Eiseres moet dan minstens aanvullende informatie of stukken hebben aangezien de facturen aan de onderaannemers worden afgerekend op basis van het aantal gepresteerde uren terwijl de facturen aan de klanten worden afgerekend aan de hand van het aantal m2. Bovendien zijn er meer facturen van onderaannemers dan er facturen zijn aan klanten, hetgeen dan meteen vragen doet rijzen over de opsplitsing van de facturen van de onderaannemers. Uit de overzichten blijkt ook duidelijk dat er geen overeenstemming wordt gemaakt tussen de data van de inkomende en de daaraan gekoppelde uitgaande facturen. Daardoor lijken de uitgaande facturen dikwijls te dateren van voor de inkomende facturen. Alhoewel er verondersteld wordt dat het plaatsen van tapijten en het opbouwen van standen bestaat uit standaardverrichtingen waarvan de prijs per uur kan worden bepaald, is er geen overeenstemming gemaakt met de prijs die op basis van deze uren dan aan de klanten wordt aangerekend aangezien dit niet volgens het aantal gewerkte uren gebeurt. Er kan dan ook niet met zekerheid nagegaan worden of de prestaties die worden aangerekend aan de klanten enkel mogelijk waren door een beroep te doen op onderaannemers en zo ja hoeveel. Uit onder meer deze vaststellingen, samen met de door verweerder op het overzicht gemaakte opmerkingen, moet worden besloten dat de excel-overzichten van de verschillende jaren zoals opgemaakt door eiseres, niet het vereiste bewijs leveren van de werkelijkheid van de prestaties van de onderaannemers.

Verder zijn er nog de facturen van de cie10 en cie11 waarvan verweerder eveneens stelt dat de aftrek van de BTW moet worden verworpen. Het gaat daarbij niet om onderaannemers. Van de facturen van cie10, zijnde een brandstofleverancier, heeft verweerder door middel van onderzoek (zie stukken 34 e.v.) aangetoond dat van deze facturen zoals opgenomen door eiseres geen betalingen zijn terug te vinden bij cie10 (stuk 36 verweerder). Verder is eiseres ook niet terug te vinden in het klantenbestand van cie10 en hebben de betrokken facturen aan eiseres een andere structuur voor wat de nummering betreft dan de andere facturen van de betrokken firma. Terecht besliste verweerder dan ook de aftrek van de BTW met betrekking tot deze facturen te verwerpen. Daarbij dient ten andere opgemerkt te warden dat eiseres geen enkel verweer voert tegen de weigering van deze aftrek. Voor wat de factuur van cie11 (stuk 37 verweerder) betreft, wordt door verweerder opgemerkt dat deze factuur van 20 november 2019 dezelfde lay-out heeft als de facturen van eiseres zelf en niet opgenomen is in de BTW-aangifte van cie11. De zaakvoerder van deze vennootschap had familiale banden met de zaakvoerder van eiseres. Het op de factuur vermelde BTW-nummer is te kort. De vennootschap werd failliet verklaard. Gelet op deze gebreken die liggen in de lijn van de facturen van de onderaannemers, doch niet ermee gelijk gesteld kunnen worden, werd ook de aftrek van de BTW m.b.t. deze factuur terecht geweigerd.

Voor de BTW met betrekking tot inbreuk 2, is de rechtbank dan ook van oordeel dat de aftrek terecht door verweerder werd verworpen. Waar aldus beslist wordt dat de aftrek van de BTW van de facturen van de onderaannemers terecht geweigerd werd, moet verder nagegaan warden of verweerder kan gevolgd worden in het standpunt dat ter zake in hoofde van eiseres sprake is van bedrieglijk opzet. Daarbij is de aanwezigheid van bedrieglijk opzet vereist opdat de vordering van verweerder niet verjaard is voor de jaren 2016, 2017, 2018 en 2019.

Voor zoveel als nodig zij opgemerkt dat deze discussie niet aan de orde was voor de betwisting met betrekking het kalenderjaar 2017 waarover deze rechtbank en het hof zich reeds uitspraken (zie hiervoor). Voor aanslagjaar 2017 werd door verweerder een proportionele boete van 10 % opgelegd die werd bevestigd door de rechtbank en in beroep niet betwist werd. Verder was er geen discussie over een mogelijke verjaring.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres er niet in slaagt de werkelijkheid van de prestaties zoals verricht door de onderaannemers aan te tonen. Dit kan mogelijk het gevolg zijn van onwetendheid of een lakse toepassing van de wettelijke verplichtingen, waarbij eiseres pas einde 2019 door het opstellen van het P.V. van 5 november 2019 m.b.t. onder andere de weigering van de aftrek van de BTW van de facturen van onderaannemers voor het jaar 2017 (stuk 40 verweerder), werkelijk besefte dat haar manier van werken niet correct is. Voor het jaar 2020 zijn er veel minder facturen met onderaannemers. Op dat ogenblik kon vanzelfsprekend niets meer gewijzigd worden aan de werkwijze zoals deze van toepassing was voor de jaren 2016, 2018 en 2019. Ook de uitspraken van deze rechtbank en het hof van beroep m.b.t. het kalenderjaar 2017, kwamen er pas in 2022 en 2024.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat de werkwijze van eiseres een dergelijke miskenning vormt van de ter zake geldende bepalingen en verplichtingen en op een dergelijk structurele wijze werd verricht, dat wel degelijk sprake is in hoofde van eiseres van de aanwezigheid van bedrieglijk opzet en het oogmerk om te schaden. Het staat vast dat eiseres aan de basis ligt van alle betrokken verrichtingen. Het gaat daarbij niet om een eenmalige verrichting met een onderaannemer maar om een opgezet systeem over meerdere jaren dat iedere controle vanwege verweerder uitsluit en waarbij de verschillende onderaannemers elkaar opvolgen en na een tijdje weer verdwijnen, gevolgd door een faillissement. Er is geen enkele onderaannemer die langere tijd of meer dan een jaar voor eiseres werkt. Ook dit wijst op een opgezet systeem. Eiseres is daarbij de motor van dit systeem dat, voor wat de geldstromen betreft, steunt op niet controleerbare cashverrichtingen waarbij niet aangetoond wordt, bij afwezigheid van boekhoudkundige stukken zoals een kasboek of een dagontvangstenboek, waar de cashgelden vandaan komen. Dit alles met miskenning van de witwaswetgeving (zie art. 67 Wet van 18 september 2017) omdat het duidelijk is dat de facturatie van de prestaties kunstmatig opgesplitst werd opdat er geen contante betalingen zouden zijn van meer dan 3.000,00 EUR. Door haar werkwijze heeft eiseres derhalve ook de belastingontduiking in hoofde van de onderaannemers mogelijk gemaakt.

Zoals verweerder heeft aangetoond, vertonen de door de onderaannemers opgemaakte facturen talrijke gebreken en eigenaardigheden die niet alleen tot gevolg hebben dat de aftrek van de BTW moet worden verworpen, maar waardoor eveneens de werkelijkheid van de in rekening gebrachte prestaties zelf in vraag te stellen is. Aan de hand van deze facturen is iedere controle van de werkelijkheid van de prestaties immers onmogelijk (gemaakt). Geen enkel ondersteunend stuk van de gefactureerde prestaties wordt voorgelegd, die er nochtans moeten zijn geweest omdat de onderaannemers toch moesten weten wat en waar ze moesten doen, en geen enkele valabele uitleg wordt verstrekt over de werkwijze. Voor bepaalde van de opgestelde facturen, zoals die van cie10 en cie11 wordt zelfs geen enkel verweer gevoerd door eiseres. Eiseres kan er niet mee volstaan te stellen dat aldus de onderaannemers, en niet zijzelf, in gebreke zijn gebleven. Gelet op de gelijkenissen tussen de facturen van de verschillende onderaannemers, niet enkel voor wat de lay-out betreft, staat het immers vast dat eiseres de inhoud van de facturen minstens mee dicteerde. De excel-overzichten van eiseres tot bewijs van de werkelijkheid van de prestaties vertonen eveneens onvolledigheden en onvolkomenheden, zoals hiervoor aangeduid, zodat daardoor het tegendeel niet wordt aangetoond.

Gelet op deze en de hiervoor reeds aangehaalde elementen, is de rechtbank van oordeel dat er in hoofde van eiseres bedrieglijk opzet en oogmerk om te schaden aanwezig is, met als gevolg dat de vorderingen van verweerder met betrekking tot de jaren 2016 tot en met 2019 niet verjaard zijn. En dat derhalve de vordering van de verweerder, waarbij de aftrek van de BTW in hoofde van eiseres geweigerd werd met betrekking tot de facturen van de onderaannemers en van de facturen van cie10, terecht is (opgesomd in inbreuk 2).

Met betrekking tot de factuur van cie11, die geen factuur is van een onderaannemer, is de rechtbank evenwel van oordeel dat het bedrieglijk opzet niet aangetoond is zodat de vordering met betrekking tot deze factuur van 2019 verjaard is.

4.2.6. Recht van teruggaaf en schending van artikel 19 § 1 W.BTW

4.2.6.1. Het gaat volgens eiseres over de teruggaaf die werd gevraagd van de BTW voor een bedrag van 4.410,00 EUR met betrekking tot een creditnota die werd opgesteld. Het zou gaan om het gratis leveren en plaatsen van een tapijt in de moskee. Verder zou de BTW waarvoor de creditnota werd opgesteld ook niet in de aangifte aangegeven zijn, zodat ten onrechte de verschuldigde BTW erop niet werd voldaan.

Eiseres is van oordeel dat aangezien het een gift betreft voor een goed doel, er geen factuur moest worden opgesteld omdat het geen met BTW belaste handeling betreft.

4.2.6.2. Verweerder stelt dat er wel een creditnota werd gevonden in de boekhouding maar geen oorspronkelijke verkoopfactuur werd opgemaakt waarop de creditnota de correctie moest zijn. Ter zake is volgens verweerder sprake van een schending van artikel 75 BTW-Wb. omdat niet bewezen is dat een feit zich voordeed dat recht verleent op teruggaaf. Verder is er een inbreuk op artikel 19 § 1 BTW-Wb. omdat het gebruik van een tot het bedrijf behorend goed anders dan bedoeld in artikel 45 §lquinquies, voor privédoeleinden van de belastingplichtige of voor zijn personeel, met een verrichting ten bezwarende titel wordt gelijkgesteld. Het gratis leveren en plaatsen van het tapijt is dan ook aan BTW onderworpen zodat dit ten onrechte niet in de aangifte werd vermeld. Eiseres weerlegt het voorgaande niet door louter te stellen dat het ging om een gift. Ook dan blijft de stelling van verweerder van toepassing dat aan de ene kant ten onrechte een teruggaaf werd gevraagd en aan de andere kant ten onrechte de verschuldigde BTW niet werd voldaan over de overeenkomstig artikel 19 § 1 BTW-Wb. belastbare handeling.

4.2.6.3. De rechtbank stelt vast dat het opstellen van de creditnota m.b.t. de zogezegde gift aan de cie12 (moskee) en verder de levering en plaatsing van het tapijt beiden betrekking hebben op het jaar 2018 (zie ook p. 28 en 29 synthesebesluiten verweerder).

Voor de begane overtredingen moet telkens worden nagegaan of deze werden begaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden. In casu gaat het om een teruggaaf en verschuldigdheid van BTW met betrekking tot de levering en plaatsing van tapijten in de moskee, die eiseres blijkbaar bij wijze van gift gratis verrichtte. De uitwerking hiervan is evenwel, zoals verweerder terecht opmerkt, niet correct gebeurd. In principe had ook voor deze verrichting BTW moeten worden afgedragen. Dat bovendien ook nog een creditnota werd opgesteld werd bij eiseres mogelijk ingegeven door de veronderstelling dat hij dan wel de kosten (van het tapijt en werk) in aftrek moest kunnen brengen, hetgeen evenwel ook onjuist is omdat deze wellicht eerder reeds in aftrek gebracht werden.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat het hier gaat om tekortkomingen waarvan door verweerder niet aangetoond is dat deze werden gesteld door eiseres met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden. Het gaat eerder om een nalatigheid of onjuistheid die haar oorsprong vindt in een misvatting over de toepasselijke regels waarin eiseres zich kon vergissen aangezien het ging om een gift aan de moskee, maar niet om een wetens en willens handelen met bedrieglijk opzet waarbij de bepalingen van het BTW-Wb. werden geschonden. Verweerder toont ook niet aan dat deze schendingen werden begaan met bedrieglijk opzet.

Gelet op het feit dat de vordering betrekking heeft op verrichtingen van het jaar 2018 zonder dat aangetoond is dat er ter zake sprake is van bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden, is de vordering van verweerder (derde en vierde inbreuk voor een totaal bedrag van 8.820,00 EUR) verjaard.

Met betrekking tot de belastingverhoging

4.2.7. Opzet om belasting te ontduiken niet bewezen evenredigheidsbeginsel

4.2.7.1. Eiseres stelt dat voor alle inbreuken een proportionele boete van 200 % wordt opgelegd. Dit om de reden dat de overtredingen zouden zijn begaan met het bedrieglijk opzet de belasting te ontduiken of de ontduiking mogelijk te maken.

Voor wat het niet voorleggen van de stukken betreft, die, aldus eiseres verloren raakten bij de verhuis, werd er alles aan gedaan om deze alsnog te verzamelen en voor te leggen. Van het bedrieglijk opzet is daarbij geen sprake. Verder is eiseres van oordeel dat de facturen betrekking hebben op uitgaven in het kader van haar economische activiteit (inbreuk 1). Het feit dat de administratie hier anders over denkt, betekent nog niet dat er sprake is van bedrieglijk opzet. Voor deze inbreuken (inbreuk 1) kan dan ook geen boete van 200 % worden opgelegd. Hetzelfde geldt volgens eiseres voor de zogezegde onregelmatige en/of fictieve facturen (inbreuk 2). Volgens eiseres vertegenwoordigen deze wel degelijk werkelijke prestaties, zodat er ook daar geen bedrieglijk opzet aanwezig is en dus geen boete van 200 % kan worden opgelegd. Tot slot is er ook voor de inbreuken 3 en 4 (m.b.t. gift aan moskee) volgens eiseres geen sprake van bedrieglijk opzet. Het gaat ter zake hoogstens om een vergissing.

Verder is eiseres van oordeel dat gelet op het gebrek aan bewijs van het opzet de belasting te ontduiken en de medewerking van eiseres, het evenredigheidsbeginsel geschonden is. Gelet op de afwezigheid van kwade trouw en het niet aanwezig zijn van het bedrieglijk opzet, verzoekt eiseres de proportionele boete te verminderen tot 10 %.

4.2.7.2. Verweerder verwijst naar de artikelen 70 § 1 en 70 § ibis BTW-Wb. Verder naar artikel 84, derde lid BTW-Wb. dat stelt dat binnen de door de wet gestelde grenzen, de proportionele boetes warden verminderd en meer bepaald naar het K.B. nr. 41 van 30 januari 1987. Daarbij wordt in [artikel 1, tweede lid van het K.B. nr. 41](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958#ar41-art1) bepaald dat de schaal van verminderingen niet van toepassing is ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Verweerder is van oordeel dat er in hoofde van eiseres sprake is van een bewust handelen met het opzet de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. Verwezen wordt naar het P.V. van 10 juli 2023 waarin dit uitvoering zou zijn gemotiveerd (stuk 11, p. 47/54 van verweerder). In haar synthesebesluiten herhaalt verweerder de elementen waaruit het bedrieglijk oogmerk zou blijken. Daarbij haalt verweerder in eerste instantie, het boeken van onregelmatige en valse/fictieve facturen m.b.t. de onderaannemers aan. Daarbij stemmen de gefactureerde prestaties volgens verweerder niet overeen met daadwerkelijk geleverde diensten. Door fictieve facturen in de boekhouding op te nemen, werden onrechtmatige BTW-aftrekken gecreëerd. De cashbetalingen warden verder opgesplitst en beperkt tot maximaal 3.000,00 EUR, hetgeen in strijd is met de witwaswetgeving. Ook van de facturen van cie10 werd aldus verweerder aangetoond dat deze fictief zijn.

Verder verwijst verweerder naar de overige onregelmatigheden die er zouden gebeurd zijn door eiseres. Zoals de gratis levering en plaatsing van tapijt aan de moskee en het opstellen van een creditnota hiervoor. Verder is er het in aftrek brengen van de BTW met betrekking tot goederen en diensten die niet of slechts gedeeltelijk worden aangewend voor de economische activiteit. Verder doordat niet alle wettelijke verplichte boekhoudkundige stukken worden bijgehouden en om de stukken niet te hebben bewaard. Daarbij zou het niet houden van een kasboek en van een dagontvangstenboek een bewuste handeling zijn teneinde de controlemogelijkheden van verweerder te beperken. Verweerder is dan ook van oordeel dat de proportionele boete van 200 % gerechtvaardigd is.

Verweerder wijst er nog op voor wat het niet voorleggen van de boeken betreft, dat de stukken van 2019 niet verloren kunnen zijn gegaan in een verhuis die gebeurde in 2017-2018. Verder is het aldus verweerder duidelijk dat ten onrechte de BTW van bepaalde uitgaven die privé-uitgaven zijn in mindering wordt gebracht.

Voor wat het door eiseres ingeroepen evenredigheidsbeginsel betreft, verwijst verweerder naar het arrest van het Hof van Cassatie van 25 april 2025 ([F.22.0166.N](https://juriel.be/fr/jurisprudence/amende-entreposage-biens-cachette-cassation-bruxelles-2025-04-25-9748), www.juportal.be). Op basis van dit arrest stelt verweerder dat indien er geoordeeld wordt dat de overtredingen werden begaan met bedrieglijk opzet, de opgelegde boete van 200 % niet kan verminderd worden. Buiten de context van een beroep tegen een beslissing over een verzoek tot kwijtschelding op basis van artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831, zou de rechter niet mogen afwijken van het wettelijk minimumtarief van 200 %. Gelet op het feit dat gedurende jaren op een structurele wijze niet werd voldaan aan de BTW-verplichtingen waarbij gebruik gemaakt werd van valse/fictieve facturen, werd de proportionele boete van 200 % aldus verweerder conform de wettelijke bepalingen opgelegd.

4.2.7.3. [Artikel 1, laatste lid van het K.B. nr. 41](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958#ar41-art1) van 30 januari 1987 bepaalt dat de in de tabellen A tot ) van de bijlagen bij dit besluit opgenomen schaal niet van toepassing is ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. Artikel 70 § 1, eerste lid BTW-Wb. bepaalt dat voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete wordt opgelegd gelijk aan het dubbel (200 %) van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Artikel 70 § ibis BTW-Wb. bepaalt dat ieder die op onrechtmatige of ongeoorloofde wijze de belasting in aftrek heeft gebracht, een geldboete gelijk aan het dubbel (200 %) van die belasting verbeurt.

Hiervoor werd beslist, voor wat de 15te, 3de en 4de inbreuk betreft, zoals opgenomen in de vordering van verweerder (zie P.V. van 10 juli 2023, stuk 11 verweerder), het bedrieglijk opzet niet bewezen is en derhalve verjaard is. Dit houdt derhalve in dat het recht op invordering m.b.t. deze inbreuken, grotendeels verjaard is. Daardoor is de vordering van verweerder enkel voor een bedrag van 1.535,68 EUR van de facturen m.b.t. het kalenderjaar 2020 zoals opgenomen in tabel 2b gerechtvaardigd. Omdat er evenwel geen bedrieglijk opzet aangetoond is door verweerder (zie hiervoor), kan hiervoor ook geen proportionele boete van 200 % opgelegd worden.

Voor wat de aftrek van de BTW met betrekking tot de facturen van de onderaannemers en de facturen van cie10 betreft, werd door de rechtbank beslist dat in dat verband het bedrieglijk opzet in hoofde van eiseres aangetoond is. Derhalve is op de aldus ten onrechte in aftrek gebrachte BTW in beginsel een proportionele boete van 200 % van toepassing. Daarbij stelt verweerder dat het, zoals bevestigd door het Hof van Cassatie in haar arrest van 25 april 2025 ([F.22.0166.N](https://juriel.be/fr/jurisprudence/amende-entreposage-biens-cachette-cassation-bruxelles-2025-04-25-9748), www.juportal.be), niet toegelaten is deze boete te verminderen in de mate dat verweerder ook zelf gebonden was deze op te leggen en door eiseres geen beroep werd gedaan op het Regentsbesluit van 18 maart 1831 om deze boete te verminderen.

Het is niet betwist dat proportionele geldboeten inzake BTW een strafrechtelijk karakter hebben omdat ze tot doel hebben een bepaald gedrag te bestraffen teneinde herhaling te voorkomen, eerder dan als schadevergoeding te gelden (E.H.R.M. 21 februari 1984, F.J.F. No. 94/104 (Oztürk), zie ook E.H.R.M. 29 augustus 1997, R. W. 1998-99, 511; E.H.R.M. 27 maart 1998, Fiscoloog 1998, nr. 656, 7). Het Hof van Cassatie heeft reeds in haar arrest van 25 mei 1999 deze rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens bijgetreden (zie o.m. [Cass. 25 mei 1999](https://juriel.be/fr/jurisprudence/tva-amendes-fiscales-caractere-penal-cassation-bruxelles-1999-05-25-9203), F.J.F. No. 99/126; zie ook Brussel 12 oktober 2000, T.F.R. 2001, 194, noot S.H.; Cass. 26 juni 2000, T.F.R. 2000, 971, noot M.M.; Antwerpen 13 juni 2000, niet gepubl.; Antwerpen 29 juni 1999, F.J.F. No. 99/286) en later herhaald. Gelet op het feit dat het gaat om een administratieve sanctie met een strafrechtelijk karakter, moet de wettigheid van de sanctie worden nagegaan en in het bijzonder of deze verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Onder meer het Grondwettelijke Hof oordeelde dat de rechter aldus over een volle rechtsmacht beschikt om over deze administratieve sancties te oordelen en deze desgevallend te verminderen in de mate dat deze boetes ook onder de beoordelingsbevoegdheid van de administratie vallen.

Aangezien in casu geen verzoek werd gedaan voor een vermindering of kwijtschelding van de boetes volgens artikel 9 van het Regentsbesluit, heeft de administratie hierover niet kunnen oordelen met als gevolg dat in principe ook de rechter in casu deze bevoegdheid zou hebben. Vastgesteld wordt dat in het bezwaarschrift van eiseres van 4 oktober 2023 (stuk 13 verweerder) betwist wordt dat bedrieglijk opzet aanwezig is zodat geen boete van 20O % kan worden opgelegd, doch dat niet ondergeschikt om een vermindering of kwijtschelding in toepassing van het evenredigheidsbeginsel wordt gevraagd, zoals zij dit wel, voor het eerst, doet voor de rechtbank. In de beslissing over het bezwaar van 21 maart 2O24 (stuk 14) wordt hier dan ook niet op ingegaan of erover beslist door verweerder.

De rechtbank is van oordeel dat nu vaststaat dat de opgelegde proportionele boete van 20O % onbetwistbaar moet worden beschouwd als een sanctie met een strafrechtelijk karakter, dat aan de belastingplichtige alle waarborgen en rechten moeten worden verleend die hij ook zou hebben indien het ging om een opgelegde strafsanctie. Dit houdt in dat de rechtbank van oordeel is dat zij met voile rechtsmacht kan oordelen over de opgelegde sanctie. Het feit dat in casu niet effectief door eiseres een beroep werd gedaan op het Regentsbesluit om een kwijtschelding of vermindering te bekomen, belet niet dat deze mogelijkheid wel degelijk bestaat en de administratie wel degelijk de bevoegdheid heeft om de opgelegde proportionele boetes te verminderen. Op basis van artikel 6 van het EVRM volgt immers rechtstreeks dat een sanctie in overeenstemming moet zijn met de algemene beginselen waaronder het evenredigheidsbeginsel zodat, eenmaal vaststaat dat het gaat om een sanctie met een strafrechtelijk karakter, de evenredigheidstoetsing aan de orde is en indien gevraagd door de belastingplichtige, door de rechter moet worden beoordeeld. En dit afgezien van de vraag of een beroep werd gedaan op het Regentsbesluit of niet. Daarbij was verweerder, die ook op basis van het Regentsbesluit zou moeten beslissen over een gevraagde kwijtschelding of vermindering, in de gelegenheid, nu de evenredigheidstoetsing door eiseres werd gevraagd voor de rechtbank, om zich hierover uit te spreken en haar rechten dienaangaande te doen gelden. Het weze ten andere opgemerkt dat indien deze toetsing nu niet wordt toegelaten, het de belastingplichtige steeds nog vrijstaat om dan later nog een beroep te doen op het Regentsbesluit, waarvan het dan zonder meer vaststaat dat daartegen voor de rechtbank kan worden opgekomen en waarbij de rechtbank dan wel, zonder enige discussie, voile rechtsmacht heeft. Het druist in tegen het beginsel van het recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn, zoals eveneens vervat in artikel 6 van het EVRM, om deze toetsing aan het evenredigheidsbeginsel te ontzeggen indien dit aan het oordeel van de rechtbank wordt voorgelegd waarbij verweerder wel degelijk de mogelijkheid had zich hierover uit te spreken.

In casu is de rechtbank van oordeel dat een proportionele boete van 200 % onevenredig is met de begane inbreuken. Daarvoor wordt vooreerst verwezen naar het feit dat voor gelijkaardige inbreuken voor het jaar 2017, een proportionele boete werd opgelegd van 10 1. Het is dan niet evenredig voor gedeeltelijk dezelfde periode en voor enkele jaren erna ineens een proportionele boete van 200 % op te leggen. Alhoewel beslist werd dat er in hoofde van eiseres bedrieglijk opzet aanwezig is omdat een werkwijze werd gehanteerd waardoor de controle onmogelijk werd en de werkelijkheid van de prestaties niet vaststaat met cashbetalingen en de inzet van onderaannemers, op basis waarvan beslist werd dat de aftrek van de BTW terecht verworpen wordt, blijkt evenwel op basis van de excel-overzichten die door eiseres werden opgesteld (stukken 7, 9, 10 en 12 eiseres) dat het wel aannemelijk is dat voor de werkzaamheden een beroep werd gedaan op derden. Met de zaakvoerders en het personeel van eiseres alleen konden de werkzaamheden, waarvoor er wel uitgaande facturen zijn, immers niet worden verricht. Bovendien zal de werkelijke draagwijdte en gevolgen van haar handelen pas bij eiseres volkomen duidelijk zijn geworden na het vonnis van 2022 en het arrest van het hof van beroep van 2024 met betrekking tot het kalenderjaar 2017. Vandaar dat de rechtbank beslist dat een proportionele boete van 200 % onevenredig is met de begane inbreuken en dat deze verminderd moet worden naar 50 %.

Voor wat de vordering van verweerder met betrekking tot de factuur van cie11 betreft, oordeelde de rechtbank reeds dat daarvoor het bedrieglijk opzet niet aangetoond is zodat de vordering hiervoor verjaard is.

4.2.8. Schending non bis in idem-beginsel

4.2.8.1. Naast de proportionele boete van 200 % worden ook nog eens forfaitaire of niet-proportionele boetes opgelegd. Dit maakt volgens eiseres een schending uit van het non bis in idem-beginsel zoals opgenomen in artikel 14.7 van het BUPO en artikel 4 van het 7de protocol bij het EVRM.

Het staat daarbij vast aldus eiseres dat de betrokken boetes een strafrechtelijk karakter hebben. Dit werd zo uitdrukkelijk bij herhaling door het Grondwettelijk Hof beslist in verband met boetes opgelegd in toepassing van artikel 70 BTW-Wb.

In casu worden de boetes opgelegd voor dezelfde feiten. Daarbij verwijst eiseres naar de motivering van de boetes zoals opgenomen in het P.V. van 10 juli 2023. Eiseres is dan ook van oordeel dat beide boetes, proportionele en niet-proportionele, niet samen opgelegd kunnen worden.

4.2.8.2. Volgens verweerder is het non bis in idem-beginsel in casu niet van toepassing. De proportionele boete van 200 % is een evenredige geldboete die wordt opgelegd wegens het niet-betalen van de verschuldigde BTW (art. 70 § 1 BTW-Wb.) of wegens het onrechtmatig uitoefenen van het recht op aftrek van voorbelasting (art. (70 §ibis BTW-Wb.). Doordat gehandeld werd met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken, werd er geen verminderde boete opgelegd. De niet-proportionele boetes zijn vaste geldboetes die warden opgelegd ingevolge overtredingen op het vlak van formaliteiten tot voldoening van de BTW. De niet-proportionele boetes worden overeenkomstig artikel 70 § 4 BTW-Wb. bepaald door het K.B. nr. 44 van 9 juli 2012. Verweerder verwijst naar een arrest van 18 juli 2024 van het Grondwettelijk Hof (nr. 86/2024, www.grondwettelijkhof.be), waarin de doelstelling van de niet-proportionele boetes wordt omschreven. Verweerder is van oordeel dat de proportionele en niet-proportionele boetes niet voor dezelfde feiten en overtredingen worden opgelegd. Verder wijst verweerder erop dat de boetes werden opgelegd bij éénzelfde beslissing in het P.V. van 10 juli 2023 (stuk 11 verweerder). Bijgevolg zou er geen sprake zijn van een definitieve strafrechtelijke sanctie die wordt gevolgd door een tweede strafrechtelijke sanctie. Doordat ze in dezelfde procedure werden opgelegd, vindt het non bis in idem-beginsel volgens verweerder geen toepassing.

4.2.8.3. De rechtbank is van oordeel dat de proportionele en de niet-proportionele boetes niet worden opgelegd voor dezelfde feiten zodat er geen schending is van het non bis in idem-beginsel. Het Grondwettelijk Hof heeft dienaangaande ook beslist dat de beide boetes samen kunnen gaan. Beide boetes hebben een strafrechtelijk karakter en worden samen opgelegd zodat er een samenhang is in tijd en inhoud en het non bis in idem-beginsel niet geschonden is.

4.2.9. Niet-proportionele boetes — geen derde overtreding en gebrek aan motivering

4.2.9.1.. Voor het opleggen van de forfaitaire boetes in toepassing van artikel 70 § 4 BTW-Wb. wordt er, aldus eiseres, van uitgegaan dat het gaat om een derde overtreding. Ter zake wordt evenwel niet gemotiveerd hoe verweerder aan een derde overtreding komt. Het P.V. heeft betrekking op inbreuken van verschillende jaren die samen evenwel slechts een eerste overtreding uitmaken, Verwezen wordt naar [artikel 3 van het K.B. nr. 44](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-44-juillet-fixant-montant-amendes-fiscales-8456#ar44-art3) van 9 juli 2012. Gelet hierop moet de forfaitaire boete herleid worden tot 3.000,00 EUR.

Eiseres roept verder in dat bij het opleggen van de niet-proportionele boetes in toepassing van artikel 109 van de Wet van 4 augustus 1986 een motiveringsverplichting geldt. De niet-proportionele boetes zijn aldus eiseres niet gemotiveerd in de regularisatieopgave van 14 juni 2022. Pas in het P.V. van 3 april 2023 wordt vermeld dat er niet proportionele boetes zullen warden opgelegd. Eiseres is van oordeel dat verweerder aldus eerst meende dat geen niet-proportionele boetes dienden te worden opgelegd, mede gelet op de reeds opgelegde proportionele boete van 200 %. Daaruit blijkt ook dat geen ontduikingsopzet werd weerhouden voor de betrokken overtredingen. Het gebrek aan motivering en schending van artikel 109 van de Wet van 4 augustus 1985 kan volgens eiseres niet achteraf rechtgezet worden.

4.2.9.2. Verweerder verwijst naar de toepassing van artikel 70 § 4 BTW-Wb. zoals uitgevoerd door het K.B. nr. 44 van 9 juli 2012. Verweerder stelt dat, in tegenstelling tot wat eiseres voorhoudt, de boete werd opgelegd rekening houdende met een eerste overtreding zoals aangegeven in het P.V. van 10 juli 2023 (stuk 1 verweerder, p. 48 e.v.). Verder verwijst verweerder naar [artikel 2 van het K.B. nr. 44](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-44-juillet-fixant-montant-amendes-fiscales-8456#ar44-art2) waarin wordt bepaald dat indien de overtreding werd begaan met de bedoeling de belasting te ontduiken, het bedrag van de hoogste geldboete die voorzien is voor deze overtreding, wordt verdubbeld. In casu is er door het gedurende jaren niet bijhouden van de boekhoudstukken, volgens verweerder sprake van een bewuste strategie van eiseres om de controlemogelijkheden van de administratie te belemmeren. Zo brengt de afwezigheid van een kasboek de controleerbaarheid van de cashontvangsten en -uitgaven in het gedrang. Daardoor bestaat er geen sluitende koppeling tussen de facturen en de werkelijke betalingen ervan, wat de mogelijkheid tot het boeken van fictieve facturen vergemakkelijkt. Er is daardoor ook geen zicht op de herkomst van de cashgelden. Doordat er bijgevolg sprake is, aldus nog verweerder, van overtredingen met de bedoeling de belasting te ontduiken, moet de hoogste boete worden opgelegd en dient deze te worden verdubbeld zonder dat het bedrag van 5.000,00 EUR mag worden overschreden. Vervolgens haalt verweerder per overtreding aan welk bedrag kon en werd opgelegd (tabel p. 53 synthesebesluiten verweerder). Verweerder is van oordeel dat de niet-proportionele geldboetes werden opgelegd binnen de grenzen van het K.B. nr. 44 van 17 juli 2012.

Verweerder stelt dat indien er in de regularisatieopgave geen niet-proportionele geldboetes werden vermeld, dit niet betekent dat deze niet alsnog later kunnen worden opgelegd zoals in casu gebeurde in het P.V. van 10 juli 2023 (stuk 11 verweerder). Er is daardoor geen sprake van een motivering achteraf. De verwijzing naar het arrest van het hof van beroep te Brussel van 2 april 2025 gebeurt ten onrechte omdat het daar, aldus nog verweerder, ging om een totaal verschillende situatie. In casu warden de boetes aldus verweerder uitdrukkelijk gemotiveerd in het P.V. van 10 juli 2023. Daarin wordt gemotiveerd waarom de boetes warden opgelegd en wordt aangegeven dat dit gebeurt met de bedoeling de belasting te ontduiken zodat overeenkomstig [artikel 2 van het K.B. nr. 44](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-44-juillet-fixant-montant-amendes-fiscales-8456#ar44-art2) het bedrag van de hoogst voorziene geldboete wordt verdubbeld, zonder dat het 5.000,00 EUR mag overschrijden.

Verweerder is van oordeel dat aldus een schending van de motiveringsverplichting niet aangetoond is.

4.2.9.3. Het feit vooreerst dat de niet-proportionele boete niet in de regularisatie-opgave werd opgenomen, houdt niet in dat deze later niet alsnog kan worden opgelegd, zoals gebeurd is en gemotiveerd is in het P.V. van 10 juli 2023.

De rechtbank stelt vast dat voor al de overtredingen waarvoor niet- proportionele boetes worden opgelegd, geacht wordt dat deze zijn begaan met bedrieglijk opzet met als gevolg dat telkens het dubbel van de maximale sanctie wordt opgelegd. Waar de betrokken overtredingen als dusdanig werden vastgesteld en vermeld werden in het P.V. van 10 juli 2023, wordt evenwel nergens bij het opleggen van de betrokken boetes gemotiveerd waarin het bedrieglijk opzet bestaat dat gepaard gaat met de betrokken overtredingen. Zo geeft verweerder ten andere zelf aan dat het houden van een inventarisboek niet voorgeschreven is door de BTW-wetgeving (stuk 11 verweerder, p. 4, C, iii), zodat niet ingezien wordt dat voor het ontbreken ervan dan een niet-proportionele BTW-boete kan worden opgelegd. Verder wordt er ook een niet proportionele boete opgelegd voor het feit dat de verkoopfacturen niet-gedetailleerd zijn. Voor het opleggen van deze boete is slechts een zeer summiere vermelding opgenomen op p. 49/54 van het P.V., doch wordt ook dan niet gemotiveerd dat deze overtreding met bedrieglijk opzet zou zijn gebeurd. Van geen van de opgelegde niet-proportionele boetes wordt het verband gelegd of aangegeven met de verrichtingen zoals elders aangehaald in het P.V. en die met bedrieglijk opzet zouden zijn begaan.

Gelet op het gebrek aan motivering van de niet-proportionele boetes, kunnen deze niet behouden worden.

## 5. Gerechtskosten

Aangezien beide partijen gedeeltelijk in het gelijk worden gesteld, is de rechtbank van oordeel dat iedere partij zijn eigen gerechtskosten moet dragen.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**BESLIST DE RECHTBANK, recht doende op tegenspraak,**

met inachtneming van de artikelen 2 en 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken:

\- verwerpt alle meeromvattende en strijdige conclusies als niet ter zake dienend;

\- verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en in de volgende mate gegrond :

\- de BTW-vordering zoals opgenomen in artikel 500275659828, in de mate dat deze betrekking heeft op inbreuk 1, zoals meer bepaald opgenomen in de tabellen 1 en 2a, voor een bedrag van 58.979,12, te verhogen met de proportionele boeten en interesten, is ongegrond wegens verjaring;

\- de BTW-vordering zoals opgenomen in artikel 500275659828, in de mate dat deze betrekking heeft op inbreuk 1, zoals opgenomen in de tabel 2b, voor een bedrag van 1.402,37 EUR, te verhogen met de proportionele boeten en interesten, is ongegrond; voor het resterende bedrag van inbreuk 1, tabel 2b, voor een bedrag van 1.535,68 EUR, is de BTW-vordering gegrond, zij het zonder dat hierop een proportionele boete mag worden toegepast;

\- de BTW-vordering zoals opgenomen in artikel 500275659828, in de mate dat deze betrekking heeft op inbreuk 2, is gegrond voor een bedrag van 384.066,04 EUR, waarbij de proportionele boete op dit bedrag moet verminderd worden tot 50 %;

\- de BTW-vordering zoals opgenomen in artikel 500275659828, in de mate dat deze betrekking heeft op de inbreuken 3 en 4, is ongegrond wegens ingetreden verjaring;

de BTW-vordering zoals opgenomen in artikel 500275659828, in de mate dat deze betrekking heeft op de niet-proportionele geldboetes voor een totaal bedrag van 15.000,00 EUR, is niet gegrond;

\- beveelt dat de BTW-vordering moet worden herberekend en verminderd zoals hiervoor aangegeven;

\- beveelt de terugbetaling van de aldus teveel betaalde of ingehouden bedragen, vermeerderd met de moratoriuminteresten overeenkomstig artikel 91 § 4 en 5 BTW-Wb.

\- zegt voor recht dat elke partij zijn eigen gerechtskosten moet dragen.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op maandag 2 februari 2026, waar aanwezig waren :

\- Patrick Lauwers, rechter, voorzitter van deze kamer,

\- Twiggy De Zutter, griffier.

## Textes cités

10

[AR no 1 art. 5](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-c6ca) 3 occurrences

[AR no 41 art. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958) 3 occurrences

[AR no 44 art. 2](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-44-juillet-fixant-montant-amendes-fiscales-8456) 2 occurrences

[CTVA art. 45](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) 2 occurrences

[AR no 3 art. 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-article-historique-e9dd) 1 occurrence

[AR no 44 art. 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-44-juillet-fixant-montant-amendes-fiscales-8456) 1 occurrence

[CTVA art. 19](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-19) 1 occurrence

[CTVA art. 84ter](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84ter) 1 occurrence

[CTVA art. 91](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) 1 occurrence

[C-590/13, arrêt du 11 décembre 2014](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-590-13-arret) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Indices de fraude, Relevé de régularisation, Procès-verbal](https://juriel.be/fr/jurisprudence/indices-fraude-releve-regularisation-proces-tribunal-nivelles-2024-01-08-9601) 5 dispositions communes

[Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor](https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-tribunal-bruxelles-2011-06-10-cf98) 5 dispositions communes

[Champ d'application, service, opération imposable](https://juriel.be/fr/jurisprudence/champ-application-service-operation-imposable-tribunal-louvain-2007-06-15-d3d2) 5 dispositions communes

[Carrousel TVA, Participation, Refus de déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/carrousel-tva-participation-refus-deduction-cour-appel-bruxelles-2020-09-10-0c67) 4 dispositions communes

[Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-conditions-formelles-materielles-tribunal-2023-05-19-3638) 4 dispositions communes

[Obligations de l’assujetti, Dépôt de déclarations périodiques](https://juriel.be/fr/jurisprudence/obligations-assujetti-depot-declarations-periodiques-tribunal-2024-06-10-7a5c) 4 dispositions communes

[Droit à déduction, Solde créditeur du compte courant](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-solde-crediteur-compte-tribunal-bruxelles-2023-01-18-7f9c) 4 dispositions communes

[Facture régulière, Régime de la marge bénéficiaire, Preuve](https://juriel.be/fr/jurisprudence/facture-reguliere-regime-marge-beneficiaire-cour-appel-gand-2023-11-28-b627) 4 dispositions communes
