---
title: "Redevable, Responsabilité solidaire · Cour d&#x27;appel d&#x27;Anvers, 15 février 2022"
description: "Redevable, Responsabilité solidaire, Report de paiement, Cocontractant. Cour d'appel d'Anvers (Belgique), 15 février 2022."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/redevable-responsabilite-solidaire-report-paiement-cour-appel-anvers-2022-02-15-073c"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Redevable, Responsabilité solidaire, Report de paiement, Cocontractant

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Anvers

**Date**

15 février 2022

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

**Sens lu par le SPF**

favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

180 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers du 15.02.2022

WF 713-15-18/052254

\[Favorable à l’Etat belge\]

*Taxe sur la valeur ajoutée – Redevable – Responsabilité solidaire – Report de paiement – Cocontractant*

## Dispositions légales

Article51bis, § 1er, du Code de la TVA

[Article 20 de l’arrêté royal n° 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-20-0588), du 29 décembre 1992, relatif aux mesures tendant à assurer le paiement de la taxe sur la valeur ajoutée

## Résumé

1) Les faits et les antécédents de procédure

L’assujettie est une commune qui est assujettie à la TVA. Elle a reçu plusieurs factures d'un entrepreneur concernant des travaux immobiliers. Ces factures ont été mal établies car elles mentionnaient le report de paiement sur base de l'[article 20 de l'arrêté royal n° 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-20-0588). Suite à ces infractions, l’assujettie a signé pour approbation un relevé de régularisation. Elle a alors déposé une demande de remise d'amende. Cette demande a été rejetée par l'administration.

L’assujettie a déposé une requête fiscale contre ce refus au greffe du tribunal de première instance d'Anvers. Le juge siégeant en première instance a jugé la demande recevable mais non fondée. L’assujettie a fait appel de ce jugement.

2) L’arrêt de la cour d’appel

En l'espèce, le report de paiement a été appliqué à tort par l'entrepreneur. La partie adverse n'est pas une assujettie établie en Belgique tenue de déposer une déclaration périodique visée à l'article 53, §1er, 1er alinéa, 2°, du Code TVA. L‘entrepreneur aurait donc dû facturer la TVA et la reverser à l'administration. Cependant, la partie adverse est conjointement et solidairement responsable de ces montants sur la base de l'[article 51bis, §1er, du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-51bis). Le relevé de régularisation a donc été signé pour approbation sur la base de ce texte légal. Une amende proportionnelle réduite de 20 % a également été infligée au contribuable.

Toutefois, l'assujettie considère qu'aucune amende ne peut lui être infligée car elle n'est pas la redevable de la TVA, elle a fait les démarches nécessaires pour acquitter la taxe sur base de sa responsabilité solidaire et c'est l'entrepreneur qui a été négligent.

La cour d’appel énonce clairement que l'administration pouvait réclamer à la partie adverse le paiement de la TVA sans avoir à prouver qu’elle n'a pas été en mesure de recouvrer la créance auprès du fournisseur de l’assujettie ou qu'elle a entrepris des démarches en ce sens. Par ailleurs, la cour d'appel juge que l’assujettie, en tant que cocontractant solidairement responsable, n'a pas fait spontanément les démarches nécessaires pour acquitter la TVA. L'entrepreneur a été le principal fournisseur de la partie adverse pendant deux ans. Étant donné qu'aucune TVA ne lui était facturée, elle pouvait raisonnablement présumer que la TVA resterait impayée. Les factures n'ont pas été contestées mais ont été simplement reprises dans la comptabilité. L'assujettie aurait donc pu exercer une influence sur son fournisseur. Elle ne peut donc pas être considérée comme une acheteuse ou une cliente ignorante. À tout le moins, selon la cour d'appel, elle a commis une erreur due à une négligence grave, à la suite de quoi la TVA due n'a pas été payée.

De plus, la Cour d'appel juge que le régime de la responsabilité solidaire ne va pas plus loin que nécessaire. La Cour d'appel a également constaté que la responsabilité solidaire n’avait pas violé le principe de proportionnalité ou le principe de prudence.

Enfin, la cour d'appel juge que l'amende proportionnelle est légalement et suffisamment motivée. L'amende est également raisonnablement proportionnée aux infractions commises ainsi qu'à la nature et à la gravité des faits. Ce n'est pas non plus également une pure question de principe.

Selon la Cour d'appel, il n'y a donc aucune raison de remettre ou de réduire l'amende, ni d'accorder le sursis si la loi l'avait prévu.

**Texte de l’arrêt**

***L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale***

### Corps de la décision

**Hof van beroep Antwerpen, kamer B6M burgerlijke zaken**

Arrest van 15 februari 2022

Rol: 2020/AR/1080

**GEMEENTE AAA**, ON 020..., vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, met diensten te ..., Eiseres in hoger beroep, vertegenwoordigd door mr. ..., advocaat te ... tegen het vonnis van de AFi4 kamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 12 februari 2020, gekend onder rolnummer 18/5059/A

**tegen**

**DE BELGISCHE STAAT - FOD FINANCIËN**, ON 0308.357.159, in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de ADVISEUR-GENERAAL- DIRECTEUR VAN HET KMO-CENTRUM MECHELEN, met diensten te 2800 MECHELEN, Zwartzustersvest 24 bus 20, Verweerder in hoger beroep, voor wie verschenen is mevrouw X, fiscaal ambtenaar

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 12 februari 2020, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 26 juni 2020, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

## 1. Voorafgaande feiten en procedure

***1.1.*** ***Voorwerp van de betwisting.***

Het geschil heeft betrekking op de proportionele geldboete van 43.720 euro opgelegd middels de correctieopgave d.d. 09/08/2018 (ingeschreven onder nummer 500-2008- 34735}, voor akkoord ondertekend door eiseres in hoger beroep.

***1.2.*** ***Feiten en administratieve fase.***

Eiseres in hoger beroep is BTW-belastingplichtige onder BE020....

De belastingadministratie stelde na controle een correctieopgave op met betrekking tot door eiseres in hoger beroep van NV DCA ontvangen facturen (aanneming werken in onroerende staat).

De 9 facturen vermelden het bedrag van de op de handelingen verschuldigde belasting niet (verlegging van heffing). De GEMEENTE AAA is echter voor de in deze 9 facturen vermelde handelingen geen in België gevestigde belastingplichtige die gehouden is tot het indienen van een in [art. 53 §1, eerste lid, 2° WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-53) bedoelde aangifte zodat [artikel 20 §1 KB nr.1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-20-0588) niet van toepassing was. Eiseres in hoger beroep is als medecontractant van de schuldenaar van de belasting wel hoofdelijk aansprakelijk onder [art. 51 bis §1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-51bis).

In de correctieopgave werd tevens een verminderde boete van 20% opgelegd ([art. 70 §1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) en tabel G, eerste afdeling, rubriek IV lid 2 van de bijlage bij het KB nr.41).

Eiseres in hoger beroep ondertekende de correctieopgave voor akkoord.

Eiseres in hoger beroep maakte bezwaar tegen de administratieve geldboete (20%).

Bij administratieve beslissing van 12/09/2018 werd het verzoek tot kwijtschelding van de boete afgewezen.

***1.3.*** ***Procedure voor de eerste rechter.***

Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen op 19/10/2019 stelde eiseres in hoger beroep een vordering in rechte in.

Eiseres in hoger beroep vorderde:

de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;

in hoofdorde de proportionele geldboete van 43.720 euro te vernietigen;

in ondergeschikte orde de bestreden directionale beslissing van 12/08/2018 te doen hervormen en opnieuw rechtdoende het door eiseres in hoger beroep ingediende bezwaarschrift ontvankelijk en gegrond te verklaren en de proportionele geldboete van 43.720 euro kwijt te schelden c.q. te verminderen;

de Belgische Staat in elk geval te horen veroordelen tot de kosten van het geding m.i.v. de rechtsplegingsvergoeding in de zin van art. 1022 Ger.W. ten belope van het bedrag van 3.000 euro en 20 euro bijdrage fonds.

De eerste rechter verklaarde de rechtsvordering ontvankelijk maar ongegrond en veroordeelde eiseres in hoger beroep tot de kosten, vereffend in hoofde van verweerder in hoger beroep op 3.000 euro bij wijze van wettelijk geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.

De eerste rechter oordeelde dat de correctieopgave van 09/08/2018 gedetailleerd opgave deed van:

\- de inkomende facturen waarvoor de aannemer de verlegging van de heffing niet toepaste en waartoe eiseres in hoger beroep krachtens [art. 51bis §1 Wetboek BTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-51bis) dan als medecontractant hoofdelijk gehouden was;

\- de wetsbepaling die leidde tot oplegging van boete ([art. 70 §1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70))

\- de uitvoeringsbepaling die leidt tot modulering van deze boete (KB nr.41 en Tabel G ervan).

De eerste rechter oordeelde verder dat eiseres in hoger beroep als voltijds met de materie bezige belastingplichtige, toezicht diende te houden op de juiste inkomende facturatie, zeker nu het ging om aanzienlijke bedragen bij in de tijd aandurende facturatie. De eerste rechter besliste dat de van 200 naar 20% (via KB nr.41) gemoduleerde boete volop rekening hield met de feiten en de boete herleidde tot nog enkel een tiende van het wettelijke.

Verder wees de eerste rechter erop dat de ambtenaar in zijn beoordeling in het kader van reeds het willig bezwaar erop wees dat de facturen duidelijk een totaalbedrag exclusief BTW en ook de verlegging ervan opgaven. Naar het oordeel van de eerste rechter lag er geen reden voor om op basis van loutere clementie, de alreeds tevoren substantieel herleide administratieve boete nog verder te herleiden.

Tegen dit vonnis werd bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 26/06/2020 hoger beroep ingesteld door eiseres in hoger beroep.

***1.4.*** ***Procedure voor het hof van beroep.***

Eiseres in hoger beroep vordert:

het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; het vonnis a quo teniet te doen;

\- en opnieuw rechtdoende;

\- de vordering van eiseres in hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

\- in ondergeschikte orde de bestreden directionale beslissing van 12/08/2018 te doen hervormen en opnieuw rechtdoende het door eiseres in hoger beroep ingediende bezwaarschrift ontvankelijk en gegrond te verklaren en de proportionele geldboete van 43.720 euro kwijt te schelden c.q. te verminderen;

\- de Belgische Staat in elk geval te horen veroordelen tot de kosten van het geding m.i.v. de rechtsplegingsvergoeding in de zin van art. 1022 Ger.W. ten belope van het bedrag van 3.000 euro RPV eerste aanleg, 3.250 euro RPV hoger beroep en 40 euro bijdrage fonds.

Verweerder in hoger beroep besluit tot de ontvankelijkheid doch ongegrondheid van het hoger beroep en vordert het bestreden vonnis te bevestigen, met uitzondering van de in eerste aanleg toegekende rechtsplegingsvergoeding (verweerder in hoger beroep werd niet bijgestaan door een advocaat zodat de BS geen recht had op een rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg).

## 2. Bespreking

### *2.1* *De BTW-boete van 20 %*

De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van [artikel 70 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) te toetsen mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken. Hij mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet de rechter in het bijzonder toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk. Bijgevolg moet de rechter onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Hij mag hierbij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar hij moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen.

Dat in casu de verlegging van de heffing ten onrechte werd toegepast door de aannemer wordt op zich niet betwist. Eiseres in hoger beroep is immers voor de gestelde handelingen in 2017 en 2018 geen in België gevestigde belastingplichtige die gehouden is tot het indienen van een in [art. 53 §1, eerste lid, 2° WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-53) vermelde periodieke BTW-aangifte.

Bijgevolg moest de aannemer de BTW aanrekenen aan eiseres in hoger beroep en vervolgens doorstorten aan de Belgische Staat.

De verschuldigdheid van de BTW in hoofdsom (door eiseres in hoger beroep als hoofdelijk aansprakelijke in toepassing van [art. 51 bis § 1, WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-51bis)), zoals vermeld in de correctieopgave van 09/08/2018 (ingeschreven onder nummer 500-2008-34735 en voor akkoord ondertekend door eiseres in hoger beroep) wordt op zich niet betwist. De verschuldigde BTW werd ook reeds betaald door eiseres in hoger beroep.

In voormelde correctieopgave werd tevens een verminderde boete opgelegd van 20%.

Het hof oordeelt dat de door eiseres in hoger beroep ondertekende correctieopgave met schulderkentenis een fiscaal compromis is omtrent feitenkwesties, waarbij partijen, ter beëindiging van een geschil, de vaststelling daarvan dienen te aanvaarden. Dergelijk akkoord bindt partijen en partijen kunnen er slechts op terugkomen indien er sprake is van een vergissing in feite of in rechte of van een wilsgebrek.

De kwestieuze correctieopgave is rechtsgeldig en eiseres in hoger beroep is er door gebonden en kan er slechts op terugkomen indien zij het bewijs levert dat deze correctieopgave aangetast is door een wilsgebrek en/ of een vergissing in feite of in rechte, welk bewijs zij niet levert.

In de correctieopgave is weliswaar sprake van een proportionele boete van 20%, doch op de eerste bladzijde erkent eiseres in hoger beroep enkel dat zij een bedrag van 218.644,53 euro aan BTW verschuldigd is.

Het hof oordeelt dan ook dat de schulderkentenis op zich enkel betrekking heeft op het bedrag van de BTW, niet op de boete.

Krachtens artikel 70, §1 W.BTW wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting.

Krachtens artikel 84 W.BTW wordt, binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

In de correctieopgave werd aan eiseres in hoger beroep een proportionele boete opgelegd van 20% (toepassing [art. 70§1, eerste lid WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70), boete verminderd krachtens [art. 1, eerste lid KB nr.41](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958#ar41-art1) van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW, overeenkomstig de schaal bepaald in de tabellen van de bijlage bij dit KB nr.41, tabel G eerste afdeling, rubriek IV).

Eiseres in hoger beroep meent evenwel dat haar geen boete kan worden opgelegd omdat zij niet de schuldenaar is van de BTW en zij stelt als hoofdelijk gehouden medecontractant conform [art. 51 bis WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-51bis) het nodige gedaan te hebben ter betaling van de belasting. Zij stelt dat DCA NV nalatig geweest is en dat de belastingadministratie haar pijlen volledig op haar richt en de aannemer buiten schot blijft.

De algemene regel is dat de belastingplichtige zelf gehouden is de BTW aan de Staat af te dragen over de handelingen die hij heeft verricht ([art. 51, § 1, 1° WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-51)).

Op de algemene regel dat de belastingplichtige die de leveringen van goederen of diensten verricht zelf de BTW moet voldoen bestaan evenwel een reeks uitzonderingen.

[Artikel 51bis § 1, 3° WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-51bis), zoals van toepassing op onderhavig geschil bepaalt alzo:

> *"§ 1 De medecontractant van de schuldenaar van de belasting:*
>
> *1.*
>
> *2.*
>
> *3.* *krachtens artikel 51, § 1, 1, is eveneens met deze tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting wanneer de factuur of het als zodanig geldend stuk het bedrag van de op de handeling verschuldigde belasting niet of onjuist vermeldt;*
>
> *4.*
>
> *§ 2 De medecontractant van degene die krachtens artikel 51, § 1, 1, schuldenaar is van de belasting, die de identiteit van zijn leverancier of dienstverrichter aantoont en bewijst hem de prijs en de bijbehorende belasting of een deel daarvan te hebben betaald, is evenwel in die mate van de hoofdelijke aansprakelijkheid ontslagen."*

Om geheel of gedeeltelijk te ontkomen aan de hoofdelijkheid moet de medecontractant van een leverancier die aan de Belgische Staat belasting op een levering in België verschuldigd is, kunnen aantonen dat hij aan die leverancier de gehele prijs of een deel ervan en de bijhorende Belgische belasting heeft betaald.

[Artikel 51bis WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-51bis) kadert binnen de maatregelen van de overheid tegen fraude of misbruik inzake invordering van de BTW.

Dit solidariteitsmechanisme berust op een fout begaan door de medecontractant bij het aanvaarden van een onregelmatige factuur.

De administratie kan aldus eiseres in hoger beroep als medecontractant voor het geheel van de schuld aanspreken zonder dat zij hoeft te bewijzen dat zij de schuld niet bij de belastingplichtige leverancier kon innen of dat zij daartoe stappen heeft ondernomen.

Te dezen staat het vast dat eiseres in hoger beroep in het bezit was van facturen waarop het bedrag van de belasting (ten onrechte) niet was vermeld door de aannemer (de belastingplichtige die op grond van [artikel 51, § 1, 1° WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-51) de belasting verschuldigd was voor het in België verrichten van een belastbare levering van een goed}. Bijgevolg is eiseres in hoger beroep die in het bezit was van die facturen waarop het bedrag van de belasting (ten onrechte) niet was vermeld, krachtens [artikel 51bis, § 1, 3° WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-51bis) samen met de leverancier tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting.

Verder blijkt ook dat eiseres in hoger beroep geen enkel bedrag aan BTW betaald heeft aan haar leverancier (aannemer van de werken in onroerende staat) dat overeenstemt met de verschuldigde Belgische BTW, zodat ook de voorwaarden voor de bevrijding van de hoofdelijkheid niet vervuld zijn. Eiseres in hoger beroep kon dan ook redelijkerwijze vermoeden dat de BTW voor die leveringen onbetaald zou blijven.

Eiseres in hoger beroep heeft als hoofdelijk aansprakelijke medecontractant geenszins spontaan het nodige gedaan.

Uit de voorgelegde leverancierslisting blijkt dat de NV DCA voor de jaren 2017 en 2018 de grootste leverancier was van eiseres in hoger beroep. Op de 9 inkomende facturen van NV DCA, over een tijdspanne van 9 maanden werd ten onrechte geen BTW aangerekend. Eiseres in hoger beroep was niet aangifteplichtig en ontving facturen voor werken in onroerende staat zonder hiervoor de toepasselijke BTW te betalen. Eiseres in hoger beroep heeft geen BTW betaald aan haar leverancier. Zij kon redelijkerwijze vermoeden dat de BTW onbetaald zou blijven.

Eiseres in hoger beroep heeft, goed wetende dat de facturen ten onrechte toepassing maakten van de verlegging van de heffing, de kwestieuze facturen niet geprotesteerd. Deze facturen werden gewoon verwerkt in de boekhouding van eiseres in hoger beroep. Zij heeft nooit het verkeerdelijk toepassen van de verleggingsregeling gemeld aan de leverancier/aannemer van de werken in onroerend staat.

Eiseres in hoger beroep is zelf nalatig geweest. Niets verhinderde immers eiseres in hoger beroep om de aannemer erop te wijzen dat zij niet gehouden was tot het indienen van periodieke BTW-aangiften, zodat de verleggingsregeling niet van toepassing was. Eiseres in hoger beroep kon wel degelijk invloed uitoefenen op de handelingen van de leverancier­ belastingschuldigde.

Door het niet correct toepassen van de ter zake geldende wetgeving verkreeg eiseres in hoger beroep een voordeel (ondanks het gegeven dat zij eindverbruiker is voor de werken in onroerende staat werd aan haar geen BTW aangerekend op de facturen) ten overstaan van andere eindverbruikers (die uiteindelijk de belasting op de levering van goederen en het verstrekken van diensten dragen), en dit ten nadele van de Belgische Schatkist.

Het is pas na controle van de belastingadministratie en na het opstellen van de correctieopgave dat eiseres in hoger beroep is overgegaan tot betaling van de verschuldigde BTW op de aan haar geleverde werken in onroerende staat.

Eiseres in hoger beroep kan niet beschouwd worden als een onwetende koper/afnemer die zich er kon op verlaten dat het niet aanrekenen/niet vermelden van BTW op de facturen correct was.

Eiseres in hoger beroep heeft immers niet alles gedaan wat van een medecontractant redelijkerwijze kan worden verlangd om te zorgen dat de verschuldigde BTW wordt afgedragen aan de Schatkist. Eiseres in hoger beroep moest als medecontractant weten dat zij alsnog BTW verschuldigd was. Eiseres in hoger beroep heeft minstens een fout begaan die te wijten is aan verregaande onvoorzichtigheid waardoor de verschuldigde BTW niet voldaan werd aan de Belgische Staat.

In casu is eiseres in hoger beroep niet te kwader trouw maar staat het wel vast dat het tekort aan belastinginkomsten mede veroorzaakt werd door verregaande onvoorzichtigheid en nalatigheid van eiseres in hoger beroep.

Te dezen is er dan ook geen sprake van een systeem van onvoorwaardelijke aansprakelijkheid die verder zou gaan dan hetgeen noodzakelijk is voor de bescherming van de rechten van de Schatkist.

Er is geen sprake van een schending van het evenredigheidsbeginsel of zorgvuldigheidsbeginsel door de hoofdelijke aansprakelijkheid van eiseres in hoger beroep.

Voor de aan eiseres in hoger beroep opgelegde boete van 20 % bestaat er dan ook een uitdrukkelijke rechtsgrond in [artikel 70 §1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) (boete verminderd overeenkomstig [art. 84 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84) en KB nr.41, tabel G eerste afdeling, rubriek IV).

Het hof is van oordeel dat de administratieve geldboete van 20% wettelijk is, voldoende gemotiveerd is en in redelijk verhouding staat met de gepleegde inbreuken en met de aard en ernst van de feiten.

Het betreft hier geen principiële discussie.

Gelet op hetgeen hoger reeds werd geoordeeld liggen de inbreuken te dezen geenszins buiten de wil van eiseres in hoger beroep.

Te dezen heeft eiseres in hoger beroep haar wettelijke fiscale verplichtingen niet nageleefd, meer bepaald de regels vastgelegd in verband met de voldoening van de belasting.

De boete is er op gericht het gedrag van eiseres in hoger beroep te veranderen. Die boete heeft tot doel te straffen en daarbij zodanig af te schrikken dat eiseres in hoger beroep zich in de toekomst ervan onthoudt om de inbreuk te herhalen. Daarnaast strekt een boete ook tot vergoeding van maatschappelijke schade.

Het hof is van mening dat zij eiseres in hoger beroep geen uitstel van betaling van de geldboete zou hebben verleend indien de wetgever dit had voorzien om haar bewust te maken van de ernst van haar gedrag en bij gebrek aan specifieke omstandigheden die dit rechtvaardigen.

Eiseres in hoger beroep voert geen gegronde reden aan ter verantwoording.

Het hof ziet dan ook geen enkele reden om de boete van 20 % kwijt te schelden of nog verder te verminderen noch om enig uitstel toe te staan indien de wet in die maatregel zou hebben voorzien.

### *2.2* *De rechtspleqinqsverqoedinq*

Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S. 31.05.2007).

Eiseres in hoger beroep stelt dat verweerder in hoger beroep geen aanspraak kan maken op enige rechtsplegingsvergoeding gezien hij niet wordt bijgestaan door een advocaat.

Verweerder in hoger beroep vordert bevestiging van het bestreden vonnis, met uitzondering van de in eerste aanleg toegekende rechtsplegingsvergoeding en sluit zich wat dit punt betreft dan ook aan bij het standpunt van eiseres in hoger beroep.

Partijen zijn het erover eens dat de rechtsplegingsvergoeding dient begroot te worden op

3.000 euro in eerste aanleg en 3.250 euro in hoger beroep, met dien verstande dat de Belgische Staat in eerste aanleg en in hoger beroep niet vertegenwoordigd was/is door een advocaat.

Overeenkomstig art. 1017 Ger.W. dient eiseres in hoger beroep, de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld te worden tot de kosten van het geding in beide aanleggen.

Het hof stelt inderdaad vast dat verweerder in hoger beroep niet vertegenwoordigd wordt door een advocaat, noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep.

Het vonnis van de eerste rechter dient dan ook hervormd te worden in de mate dat de eerste rechter de kosten in hoofde van verweerder in hoger beroep vereffende op 3.000 euro bij wijze van wettelijk geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.

De rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en in hoger beroep wordt door het hof in hoofde van verweerder in hoger beroep vereffend op O euro rechtsplegingsvergoeding bij gebreke aan vertegenwoordiging door een advocaat. Het hoger beroep van eiseres in hoger beroep is enkel in die mate gegrond.

Gelet op al het voorgaande wijst het hof de overige argumenten van partijen af als niet ter zake dienend en/of overbodig.

### Dispositif

## 3. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van eiseres in hoger beroep ontvankelijk en enkel in volgende beperkte mate gegrond.

Het hof hervormt het bestreden vonnis enkel in de mate de kosten in eerste aanleg in hoofde van verweerder in hoger beroep vereffend werden op 3.000 euro bij wijze van wettelijk geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.

Het hof vereffent de kosten in eerste aanleg in hoofde van verweerder in hoger beroep op 0 euro rechtsplegingsvergoeding bij gebreke aan vertegenwoordiging door een advocaat.

Het hof bevestigt voor het overige het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.

Het hof veroordeelt eiseres in hoger beroep tot de kosten van het geding in hoger beroep.

Het hof vereffent de kosten in hoger beroep in hoofde van verweerder in hoger beroep op 0 euro rechtsplegingsvergoeding bij gebreke aan vertegenwoordiging door een advocaat.

Het hof laat de bijdrage begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand {Wet 19/03/2017) ten laste van eiseres in hoger beroep.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg"

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 15 februari 2022 door:

Ondertekeningen

### Décision jointe par le SPF

## Jugement du tribunal de première instance

***Le jugement est publié uniquement dans la langue originale***

### Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, sectie burgerlijke rechtbank, Kamer AFi4

Vonnis van 12 februari 2020

Rol: 18/5059/A

Inzake:

**DE GEMEENTE AAA** vertegenwoordigd door het College van Burgemeester en Schepenen, met bestuurzetel te ..., KBO: 020... eisende partij - vertegenwoordigd ter zitting door Mr. ... te ...,

**TEGEN:**

**DE BELGISCHE STAAT,** In de persoon van de Minister van Financiën, te 1000 Brussel, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-Generaal, Directeur van het KMO-Centrum Mechelen, te 2800 MECHELEN, Zwartzustersvest 24 bus 20, verwerende partij vertegenwoordigd door mevr. X, rijksambtenaar.

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, zoals ze voorkomen op de inventaris ervan;

Gelet op de Wet van 15/6/1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken. Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 15 januari 2020.

Eiseres is BTW-belastingplichtig onder BE020....

De BTW-belastingdienst stelde na controle te haren name Correctieopgave op ter zake door haar van NV DCA ontvangen facturen (aanneming).

Het gaat meer bepaald om hoofdelijke aansprakelijkheid met medecontractant onder art.Slbis §1 Wetboek BTW.

De medecontractant had met name de verlegging der heffing niet toegepast.

Eiseres onderschreef de correctieopgave (lees : naheffing, dit met inbegrip der 20% herleide boete conform Tabel G Eerste Afdeling Rubriek IV lid 2 KB 41.

Ze opperde daarbij wel bezwaar tegen de administratieve boete.

Ze formuleerde het als onvrijwillige eenmalige overtreding binnen zo'n 25.000 inkomende facturen per jaar.

De dienstleider van KMO Centrum Mechelen besliste voor de administrateur-generaal op 12 september 2018 met uitgebreide motivering tot afwijzing van het verzoek.

Een raadsman legde 19 oktober 2018 verzoekschrift op tegenspraak neer ter griffie. Afschrift der beslissing is aan het gedinginleidend verzoekschrift gehecht.

Ontvankelijkheid der rechtsvordering staat niet in betwisting.

### Ten gronde

1\. Inzake de heffing is de verleggingsregel van art.20 KB 1 BTW van toepassing.

Eiseres die zegt duizenden facturen per jaar binnen te krijgen, beschikt over medewerkers die zijn aangesteld en opgeleid tot verwerking ervan.

Bovendien gaat het, vanwege de aannemer, om liefst negen facturen binnen een tijdsspanne van meer dan een half jaar wat niet zomaar aan de aandacht kon ontsnappen.

2\. Art.109 der Wet van 4 augustus 1986 vereist bij toezending van een bericht tot administratieve boete

\- vermelding der feiten die de overtreding opleveren

\- verwijzing naar de toegepaste wetsbepaling

\- de motieven die hebben gediend tot bepaling van het bedrag.

De correctieopgave van 9 augustus 2018

\- doet zeer gedetailleerd opgave van de inkomende facturen waarvoor de aannemer de verlegging van de heffing niet toepaste en waartoe eiseres krachtens art.Slbis §1 Wetboek BTW dan als medecontractant hoofdelijk gehouden is

\- de wetsbepaling die leidt tot oplegging van boete {art.70 §1 Wetb.BTW)

\- de uitvoeringsbepaling die leidt tot modulering van deze boete {KB nr.41 BTW en Tabel G ervan, waarover hogerop reeds sprake).

Eiseres diende als {naar eigen opgave) voltijds met de betrokken materie bezige belastingplichtige, toezicht te houden op juiste inkomende facturatie, zeker nu het ook gaat om aanzienlijke bedragen bij in de tijd aandurende facturatie.

De (van 200%) naar 20% (via KB 41) gemoduleerde boete houdt volop rekening met de feiten, herleidt de boete tot nog enkel een tiende van het wettelijke.

In zijn beoordeling in het kader van reeds het willig bezwaar stelt de ambtenaar ten overvloede dat de facturen duidelijk een totaalbedrag exclusief BTW en ook de verlegging ervan opgeven.

Er ligt dan ook geen reden voor om, op basis van loutere clementie, de alreeds tevoren substantieel herleide administratieve boete nog verder te herleiden.

**OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK,**

recht doende op tegenspraak,

verklaart de rechtsvordering ontvankelijk, maar ongegrond. Veroordeelt eiseres tot de kosten.

Vereffent de kosten in hoofde van verweerder op 3.000,00 (drieduizend) EUR bij wijze van wettelijk geïndexeerde rechtsplegingvergoeding.

Bijdrage Fonds wet 19/03/2017 gestort door eiseres, is definitief verworven voor het Fonds.

Dit vonnis werd uitgesproken op twaalf februari tweeduizend twintig in openbare zitting van de Kamer AFi4, die samengesteld was uit:

Ondertekeningen

## Textes cités

7

[CTVA art. 51bis](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-51bis) 8 occurrences

[CTVA art. 70](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) 5 occurrences

[AR no 1 art. 20](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-20-0588) 4 occurrences

[CTVA art. 51](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-51) 2 occurrences

[CTVA art. 53](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-53) 2 occurrences

[AR no 41 art. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958) 1 occurrence

[CTVA art. 84](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-lien-direct-immediat-tribunal-luxembourg-2022-10-12-162a) 5 dispositions communes

[Paiement de l'impôt, disposition pénale, amende administrative, poursuite, instance](https://juriel.be/fr/jurisprudence/paiement-impot-disposition-penale-amende-cour-appel-anvers-2009-09-06-1872) 5 dispositions communes

[Paiement de l'impôt, disposition pénale, amende administrative, poursuite, instance](https://juriel.be/fr/jurisprudence/paiement-impot-disposition-penale-amende-cour-appel-anvers-2011-09-06-ab0d) 5 dispositions communes

[Taux réduit, Immeubles neufs, Travaux immobiliers, Travaux de construction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/taux-reduit-immeubles-neufs-travaux-tribunal-bruxelles-2023-05-31-0d52) 4 dispositions communes

[Échange intracommunautaire, amende TVA](https://juriel.be/fr/jurisprudence/echange-intracommunautaire-amende-tva-tribunal-bruxelles-2025-11-14-8277) 4 dispositions communes

[Indices de fraude, Relevé de régularisation, Procès-verbal](https://juriel.be/fr/jurisprudence/indices-fraude-releve-regularisation-proces-tribunal-nivelles-2024-01-08-9601) 4 dispositions communes

[Nullité du procès-verbal, Droit à déduction, Fraude](https://juriel.be/fr/jurisprudence/nullite-proces-verbal-droit-deduction-cour-appel-gand-2024-03-05-cbc5) 4 dispositions communes

[Entreprise de vente en gros;facturation;amende](https://juriel.be/fr/jurisprudence/entreprise-vente-gros-facturation-amende-cour-appel-anvers-2005-02-08-1079) 4 dispositions communes
