---
title: "Prorata définitif, établissements financiers · Tribunal de première instance de Bruxelles, 12 octobre 2001"
description: "Prorata définitif, établissements financiers, principe de confiance. Tribunal de première instance de Bruxelles (Belgique), 12 octobre 2001."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/prorata-definitif-etablissements-financiers-principe-tribunal-bruxelles-2001-10-12-13c7"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Prorata définitif, établissements financiers, principe de confiance, établissement financier · prorata définitif - établissements financiers - principe de confiance

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruxelles

**Date**

12 octobre 2001

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

Le texte de ce document est en néerlandais.

## Texte

186 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

**Jugement du Tribunal de Première Instance de Bruxelles dd. 12.10.2001**

**FJF 2002/61**

*prorata définitif*

*etablissements financiers*

*principe de confiance*

## Résumé

Un assujetti, en l'occurrence une institution financière, exerce, en matière de TVA, deux sortes d'activités, à savoir des opérations exemptées de TVA et des opérations qui ne le sont pas. Il en résulte que cet assujetti a la qualité d'assujetti mixte. Pour un assujetti mixte, le droit à déduction est limité à concurrence des opérations imposables. Cette limitation s'opère par l'application d'une règle de prorata. Dans le cas d'espèce, le système d'affectation réelle a été appliqué ([art. 46, § 2, du C.TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-46)) et la déduction dans le cadre de ce système a été agencée à partir des principes régissant le prorata général.

Etant donné que n'était pas clair le point de savoir comment les banques doivent calculer et appliquer cette règle de prorata, l'association belge des banques (A.B.B.) a, en 1970, établi une circulaire qui a été acceptée par le fisc jusqu'en 1995 comme modus vivendi.

Le tribunal estime que, dans sa circulaire de 1970, l'A.B.B. a conseillé une règle de détermination de la marge bénéficiaire par laquelle, dans le numérateur était reprise la différence entre, d'une part, les intérêts reçus pour les opérations de crédit et d'autre part les intérêts payés pour les opérations d'emprunt qui ont servi aux opérations de crédit, à l'exclusion de ceux qui avaient trait aux valeurs du portefeuille de la banque.

Même lorsque, comme in casu, le contribuable n'a pas appliqué correctement la circulaire de l'A.B.B., il existe néanmoins entre l'administration et l'assujetti, une ligne de conduite à laquelle il peut se lier et qui doit être respectée. Le fisc ne peut pas revenir, avec effet rétroactif, sur une prise de position qu'il a adoptée ou un comportement qui a été le sien, dès lors que ce comportement constitue une ligne de conduite à laquelle l'assujetti s'est conformé. Dans le cas d'espèce, le tribunal estime qu'il est satisfait aux deux conditions précitées et que le calcul de la règle de prorata dans le passé a bien été contrôlée par l'administration, étant donné que cette méthode de calcul du prorata définitif d'une année a été notifiée par annexe à la déclaration des opérations du mois de mars de chaque année. Il n'est pas nécessaire que l'assujetti se justifie d'une manière explicite sur ses valeurs de portefeuille dès lors que le mode de calcul du prorata de l'assujetti a été accepté.

Il ne peut être invoqué, comme alibi pour écarter le principe de bonne administration, le sous-équipement des services de contrôle.

**Texte intégral**

### Corps de la décision

Alleenrechtsprekend rechter : M. Verstappen

Advocaten : Mr. Vandebergh in eigen naam en *loco* Mr. Smeets, Mr. Van Helshoecht

1\. De N.V. Holding C. - G. Holding

2\. De N.V. G.

tegen

*de Belgische Staat*, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën

## I. Procedure

Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid :

### a) In de zaak gekend onder AR nr. 99/5645/A

\- het exploot van dagvaarding van P. De Smet, plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder van gerechtsdeurwaarder C. te Sint-Lambrechts-Woluwe, houdende akte van verzet, betekenf op 7 mei 1999;

\- de beschikking «art. 747, § 2 Ger.W.» van deze rechtbank van 26 oktober 2000;

\- de besluiten en aanvullende besluiten van verweerder, neergelegd ter griffie respectievelijk op 8 maart 2001 en op 8 juni 2001;

\- de besluiten, nieuwe besluiten en allernieuwste besluiten van eiseressen, neergelegd ter griffie respectievelijk op 30 juni 2000, op 9 mei 2001 en op 9 juli 2001 (deze nieuwe besluiten en allernieuwste besluiten betreffen eveneens de zaak gekend onder AR nr. 00/4555/A).

### b) In de zaak gekend onder AR nr. 00/455/A

\- het exploot van dagvaarding van gerechtsdeurwaarder L.A. te E., houdende akte van verzet, betekend op 19 april 2000;

\- de beschikking «art. 747, § 2 Ger.W.» van deze rechtbank van 26 oktober 2000;

\- de besluiten en aanvullende besluiten van verweerder, neergelegd ter griffie respectievelijk op 8 maart 2001 en op 8 juni 2001;

\- de besluiten, nieuwe besluiten en allernieuwste besluiten van eiseressen, neergelegd ter griffie respectievelijk op 30 juni 2000, op 10 mei 2001 en op 9 juli 2001 (deze nieuwe besluiten en allernieuwste besluiten betreffen eveneens de zaak gekend onder AR nr. 99/5645/A).

Met betrekking tot de allernieuwste besluiten van eiseressen in beide dossiers, neergelegd ter griffie op 9 juli 2001 werpt verweerder op dat de mogelijkheid om dergelijke allernieuwste besluiten neer te leggen niet werd bepaald in de beide beschikkingen «art. 747, § 2 Ger.W.» van deze rechtbank van 26 oktober 2000, en vraagt hij de wering daarvan. De rechtbank treedt verweerder op dit punt bij, en besluit derhalve tot de wering van de allernieuwste besluiten van eiseressen in beide dossiers.

Eiseressen verklaren zich te beperken tot hun nieuwe besluiten.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare zitting van 21 september 2001, waarna 7 bundels met de stavingsstukken van eiseressen en 1 bundel met de stavingsstukken van verweerder neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

## II. Feiten en retroacten

De NV Gemeentekrediet van België, thans Dexia Bank België genaamd, huidige tweede eiseres, is een zg. gemengde B.T.W.-belastingplichtige.

Ten gevolge van het onderzoek van haar fiscaal dossier, van de voorgelegde boeken, stukken en bescheiden en de aangiften die werden gedaan door deze belastingplichtige met betrekking tot de periode van 1 januari 1992 tot en met 21 april 1995, en in het bijzonder ingevolge het nazicht van de correcte toepassing van de bijzondere pro rata op basis waarvan de aftrek werd verricht, werden de volgende drie processen-verbaal opgesteld door de heer V. en mevrouw R. respectievelijk eerstaanwezend inspecteur-diensthoofd en verificateur bij de Administratie van de B.T.W., registratie en domeinen, ter beschikking gesteld van de 11de Bijzondere Belastinginspectie van Brussel :

\- op 16 april 1998 voor het jaar 1992;

\- op 8 april 1999 voor het jaar 1993, en

\- op 30 augustus 1999 voor het jaar 1994.

Deze processen-verbaal stelden B.T.W.-overtredingen vast, in het bijzonder betreffende de interesten die als bedrag werden opgenomen in de noemer voor de berekening van het verhoudingsgetal.

Ingevolge deze drie processen-verbaal werden drie dwangbevelen opgesteld voor de jaren 1992, 1993 en 1994, respectievelijk gekend onder de RCIV-nummers 298 0416 23353, 299 0413 34453 en 299 0831 43574, uitgevaardigd op 17 april 1998, op 14 april 1999 en op 14 maart 2000, en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 17 april 1998, op 15 april 1999 en op 27 maart 2000.

Deze dwangbevelen werden respectievelijk betekend voor de jaren 1992 en 1993 op 17 april 1998 en 19 april 1999, en ter kennis gebracht voor het jaar 1994 met een aangetekend schrijven van 3 april 2000.

Tegen deze dwangbevelen stelden eiseressen akte van verzet van 7 mei 1999 en van 19 april 2000 op.

Op 20 mei 1999 betaalde de Dexia Bank België de volgende bedragen :

\- *voor het jaar 1992 :*

338 785 480 F. aan B.T.W.

33 878 000 F. aan boete

130 096 440 F. aan interest op B.T.W.

7 741 F. aan procedurekosten;

\- *voor het jaar 1993 :*

358 548 682 F. aan B.T.W.

35 854 000 F. aan boete

137 824 344 F. aan interest op B.T.W.

10 812 F aan procedurekosten;

Op 20 april 2000 betaalde de Dexia Bank België de volgende bedragen *voor het jaar 1994* :

361 419 196 F. aan B.T.W.

36 141 000 F. aan boete

170 589 768 F. aan interest op B.T.W.

## III. In rechte

### a) Standpunten van partijen

Eiseressen vragen :

\- hun akte te verlenen van hun bij besluiten geformuleerde eisuitbreiding;

\- hun verzet ontvankelijk en gegrond te verklaren;

\- de genoemde dwangbevelen te vernietigen en de vordering van de Belgische Staat ongegrond te verklaren;

\- het door hen geformuleerde getuigenaanbod toe te staan;

\- de terugbetaling te bevelen in voordeel van tweede eiseres van alle bedragen die wederrechtelijk op grond daarvan werden geïnd, zijnde :

\- *voor het jaar 1992 :*

338 785 480 F. aan B.T.W.

33 878 000 F. aan boete

130 096 440 F. aan interest op B.T.W.

7 741 F. aan procedurekosten;

\- *voor het jaar 1993 :*

358 548 682 F. aan B.T.W.

35 854 000 F. aan boete

137 824 344 F. aan interest op B.T.W.

10 812 F aan procedurekosten;

\- *voor het jaar 1994 :*

361 419 196 F. aan B.T.W.

36 141 000 F. aan boete

170 589 768 F. aan interest op B.T.W.,

dit alles verhoogd met de interesten sedert de datum van betaling.

\- verweerder te veroordelen tot betaling aan hen van een schadevergoeding ten belope van 438 510 552 F. als vergoeding voor de opgelopen interesten voor de jaren 1992-1994, meer 105 873 000 F. als vergoeding voor de opgelopen boetes, meer 18 553 F. als vergoeding voor de opgelopen procedurekosten, meer 10.00 000 F. als vergoeding voor de morele schade, minstens de morele schade van 10 000 000 F. toe te kennen, dit alles meer de gerechtelijke interesten vanaf de neerlegging ter griffie van hun eerste besluiten;

\- hen voorbehoud te verlenen voor de schade die zij zouden lijden voor zover de administratie alsnog betaling vordert van het saldo van de B.T.W.-boete voor 1993.

Verweerder vraagt :

\- het verzet tegen de drie dwangbevelen ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren;

\- voor zover eiseressen blijven beweren dat zijn visie alleenstaand zou zijn, alvorens recht te doen, hem te bevelen de relevante documenten uit de beschikbare controledossiers van andere banken voor te leggen.

### b) Beoordeling

### *1) Wat de samenvoeging van de zaken wegens samenhang betreft*

Krachtens art. 30 Ger. W. past het de onderscheiden zaken, gekend onder AR nr. 99/5645/A en AR nr. 00/4555/A, als samenhangende zaken te behandelen, aangezien zij onderling zo nauw verbonden zijn dat het de rechtbank als wenselijk voorkomt ze samen te behandelen en te berechten, teneinde oplossingen te vermijden die onverenigbaar zouden kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk zouden worden berecht.

### *2) Wat de gegrondheid van de vordering van eiseressen betreft*

### 2.1. Algemeen

Eiseressen roepen in dat tweede eiseres op het vlak van de B.T.W. *twee soorten activiteiten heeft, nl. handelingen die vrijgesteld zijn van B.T.W. en handelingen die niet vrijgesteld zijn.* Uit dien hoofde is zij een gemengde belastingplichtige. Voor een gemengde belastingplichtige, die ook handelingen heeft die niet onder B.T.W. ressorteren, wordt zijn recht op aftrek beperkt tot de belastbare handelingen. Dit gebeurt door het berekenen van een pro rata of verhoudingsgetal. Eiseressen stellen, en verweerder gaat daarmee akkoord, dat tweede eiseres steeds het systeem van werkelijk gebruik heeft toegepast (art. 46, § 2 W.B.T.W.) en de aftrek binnen dit stelsel beperkt volgens het algemeen verhoudingsgetal.

Hoe de banken *dit verhoudingsgetal* dienden te berekenen en toe te passen, was niet duidelijk in 1970 toen de B.T.W. werd ingevoerd.

In dat verband heeft de Belgische Vereniging van Banken (hierna afgekort B.V.B.) in 1970 een circulaire opgesteld. Deze circulaire werd door de fiscus tot in 1995 aanvaard als een soort modus vivendi.

Eiseressen roepen in eerste orde in dat tweede eiseres de circulaire (modus vivendi) correct heeft toegepast. In tweede orde roepen zij in dat, zelfs indien tweede eiseres deze circulaire (modus vivendi) niet correct zou hebben toegepast, er een vaste gedragslijn is ontstaan in het verleden, waarop tweede eiseres mocht vertrouwen, en die moet worden gehonoreerd. In dat geval heeft verweerder met zijn vordering het vertrouwensbeginsel geschonden.

### 2.2. Wat de beweerde correcte toepassing van de circulaire (modus vivendi) door twee eiseres betreft

Eiseressen stellen dat tweede eiseres het verhoudingsgetal in het verleden steeds op dezelfde wijze heeft berekend, behalve in de periode 1984-1989, toen in overleg met de fiscus een forfait van 10 % werd toegepast, maar deze jaren zijn hier niet relevant.

Toch gaat de B.B.I. niet akkoord met de berekening van het verhoudingsgetal door tweede eiseres.

De discussie tussen partijen spitst zich toe op de samenstellende delen van de noemer van het verhoudingsgetal.

Daaromtrent heeft de B.V.B. in haar circulaire van 1970 het volgende gesteld :

> *«Samenstellende bestanddelen van de noemer van het verhoudingsgetal :*
>
> *(...)*
>
> *Het verschil tussen de ontvangen intresten en provisies (uitsluitend die welke zijn geïnd wegens een krediettransactie) en de vergoede intresten en provisies (wegens een leenverrichting, bij voorbeeld, de provisie voor herdiscontering bij een andere financiële instelling, hetzij i.*
>
> *Dat verschil vertegenwoordigt immers, zoals de administratie het heeft aangenomen, de bruto beloning van de tussenpersoon»*.

Zoals eiseressen terecht opmerken, wordt een verschil gemaakt tussen ontvangen en betaalde (vergoede) interesten.

In dat verband rijst de vraag of onder de vergoede interesten alle vergoede interesten met betrekking tot leenverrichtingen (aangegane leningen) moeten worden begrepen, ofwel dat men deze vergoede interesten, zoals verweerder voorhoudt, moet beperken tot de zelf toegestane leningen, zodat de vergoede interesten met betrekking tot aangegane leningen om een eigen effectenportefeuille op te bouwen niet in aanmerking mogen worden genomen.

Volgens eiseressen is de circulaire van de B.V.B. klaar en duidelijk en behoeft deze geen interpretatie. Nergens wordt, volgens hen, met betrekking tot de vergoede interesten op leenverrichtingen enige beperking gesteld; nergens wordt gesteld dat vergoede interesten met betrekking tot leningen voor het verwerven van een eigen effectenportefeuille moeten worden uitgesloten. Zij stellen dat de redenering van verweerder verkeerd is, nu geen leningen worden aangegaan om een portefeuille te verwerven.

Derhalve bestaat er naar het oordeel van eiseressen geen enkele reden om te stellen dat tweede eiseres zich niet conform de circulaire van de B.V.B. (modus vivendi) zou hebben gedragen, en dient de vordering van verweerder op grond van het vertrouwensbeginsel te worden afgewezen.

De rechtbank kan evenwel niet akkoord gaan met de stelling van eiseressen dat de circulaire van de B.V.B. klaar en duidelijk is en dat deze geen interpretatie behoeft. Dit blijkt overigens reeds voldoende uit de door partijen neergelegde twee brieven uitgaande van de B.V.B., respectievelijk van 14 april 1998 en van 25 april 2001, waarin volkomen tegenstrijdige toelichtingen worden gegeven omtrent de circulaire van de B.V.B. van 1970.

In het eerste schrijven (van 14 april 1998) staat letterlijk te lezen :

> *«Wij bevestigen derhalve dat er in de richtlijnen van de B.V.B. nooit sprake van geweest is om bij de berekening van het aftrekverhoudingsgetal rekening te houden met de inkomsten uit de eigen portefeuille. Dat geldt inzonderheid m.b.t. de wijze waarop daarbij moet rekening houden* (sic !) *worden met de interesten, zowel de ontvangen als de gebonifieerde interesten»*.

In het tweede schrijven (van 25 april 2001) werd daarentegen in verband met de noemer van het verhoudingsgetal, zoals geformuleerd in de circulaire van de B.V.B. van 1970, het volgende gezegd :

> *«In de optiek van de B.V.B. ging het daar om alle vergoede interesten zonder onderscheid en zonder enige vermindering. Er diende geen enkele beperking te gebeuren terzake de vergoede interesten. Dus ook niet terzake de interesten betaald op leningen dienstig voor het verwerven van een eigen effectenportefeuille, noch via de toepassing van een regel van drie, noch via enig ander regel»*.

Opvallend is dat beide brieven (mede-)ondertekend werden door de heer Daniel Mareels, directeur van het fiscaal departement van de B.V.B.

De rechtbank stelt vast dat verweerder aan tweede eiseres verwijt in de tweede term van het verschil, waaruit de noemer van het verhoudingsgetal is samengesteld, de vergoede interesten in verband met inkomsten van effectenportefeuille te hebben opgenomen, terwijl zij in de eerste term van dit verschil de ontvangen interesten die voortkomen uit titels met vast inkomen gehouden in effectendepot niet opnam. Volgens hem dienden ook in de tweede term van het verschil de interesten met betrekking tot de leenverrichtingen die dienen voor de eigen effectenportefeuille achterwege te blijven.

De rechtbank stelt vast dat deze zienswijze van verweerder overeenstemt met de toelichting bij de circulaire van 1970, die de B.V.B. in haar eerste schrijven van 14 april 1998 gaf.

Verder merkt de rechtbank op dat in het tweede schrijven van de B.V.B. van 25 april 2001 enkel gehandeld werd over de tweede term van het verschil (m.b.t. de vergoede interesten), en dat de B.V.B. bijgevolg niet werd ondervraagd en derhalve ook geen toelichting heeft gegeven over de eerste term van het verschil (de ontvangen interesten) en evenmin over de kwestie of in beide termen van het verschil al dan niet de interesten van dezelfde leenverrichtingen dienden te worden opgenomen. Daarentegen is het eerste schrijven van de B.V.B. van 14 april 1998 op dit laatste punt wel expliciet, nu het stelt :

> *«Wij bevestigen derhalve dat er in de richtlijnen van de B.V.B. nooit sprake van geweest is om bij de berekening van het aftrekverhoudingsgetal rekening te houden met de inkomsten uit de eigen portefeuille. Dat geldt inzonderheid m.b.t. de wijze waarop daarbij moet rekening houden* (sic !) *worden met de interesten, zowel de ontvangen als de gebonifeerde interesten»*.

In dit schrijven worden de interesten in verband met de inkomsten van de eigen effectenportefeuille uitdrukkelijk geweerd uit de beide termen van het verschil, waaruit de noemer van het verhoudingsgetal is samengesteld.

Naar het oordeel van de rechtbank komt deze zienswijze overeen met de termen van de circulaire van 1970 van de B.V.B., waar werd bepaald :

> *«Samenstellende bestanddelen van de noemer van het verhoudingsgetal :*
>
> *(...)*
>
> *Het verschil tussen de ontvangen intresten en provisies (uitsluitend die welke zijn geïnd wegens een krediettransactie) en de vergoede intresten en provisies (wegens een leenverrichting, bij voorbeeld, de provisie voor herdiscontering bij een andere financiële instelling, hetzij i.*
>
> *Dat verschil vertegenwoordigt immers, zoals de administratie het heeft aangenomen, de bruto beloning van de tussenpersoon»*.

De rechtbank treedt dan ook verweerder bij, wanneer hij stelt dat de B.V.B. in haar circulaire van 1970 een winstmargeregeling heeft aanbevolen, waarbij in de noemer het verschil tussen enerzijds de ontvangen interesten voor de krediethandelingen en anderzijds de betaalde interesten voor de leenverrichtingen die gediend hebben voor de krediethandelingen, met uitsluiting van deze die dienen voor de eigen effectenportefeuille, moet worden opgenomen.

Wat het verwijt van eiseressen betreft dat de beperking van de vergoede interesten met een regel van drie arbitrair is, merkt verweerder terecht op dat tweede eiseres nooit in staat is geweest om het gedeelte van de leningen verbonden aan de effectenportefeuille, en derhalve het aandeel van de daarmee samenhangende vergoede interesten, te bepalen.

Om die reden heeft de taxateur, naar het oordeel van de rechtbank terecht, gebruik gemaakt van de regel van drie, door het totale bedrag van de vergoede interesten te vermenigvuldigen met een verhouding van ontvangen interesten die in rekening werd gebracht in de teller en het totale bedrag van de ontvangen interesten.

Naar het oordeel van de rechtbank is deze berekeningswijze in geen geval arbitrair, maar geeft zij als resultaat het bedrag van de vergoede interesten dat werkelijk in rekening moet worden genomen.

Derhalve komt de rechtbank tot het besluit dat tweede eiseres de circulaire van de B.V.B., en derhalve de met verweerder overeengekomen modus videndi, niet correct heeft nageleefd.

### 2.3. Wat de beweerde schending van het vertrouwensbeginsel door verweerder betreft

Zelfs indien tweede eiseres de circulaire van de B.V.B., en derhalve de met verweerder overeengekomen modus vivendi, niet correct zou hebben nageleefd, is er in casu, naar het oordeel van eiseressen, een vaste gedragslijn met verweerder tot stand gekomen, waarop tweede eiseres mocht vertrouwen en die moet worden gehonoreerd. De wijze waarop tweede eiseres het verhoudingsgetal berekende is immers steeds onveranderlijk geweest en werd volgens eiseressen door de taxatiedienst in het verleden steeds goedgekeurd. Aldus ontstond een vaste gedragslijn, waarop tweede eiseres kon vertrouwen en waarop verweerder dus niet mag terugkomen.

In dat verband verwijzen eiseressen naar de rechtspraak van het Hof van Cassatie.

In zijn arrest van 27 maart 1992 (Arr. Cass., 1991-92, 727; B.T.W.-Revue, 1995, 815; Fisc. Koer., 1992, 374; N.F.M., 1993, 70, met noot Leus, K.; *Pas.,* 1992, I, 680; R.C.J.B., 1995, 53, met noot Geelhand, N.), stelde het Hof van Cassatie inderdaad dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, die ook ten aanzien van de administratie der belastingen gelden, het recht op rechtszekerheid insluiten. Dat recht houdt onder meer in dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat door hem niet anders kan worden opgevat dan als een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid (zie ook : Cass., 24 januari 1997, R.W., 1997-98, 257; Cass., 13 februari 1997, Arr. Cass., 1997, 212; *Bull. Bel.*, 1997, 2272; J.L.M.B., 1998, 102; R.W., 1997-98, 400; T.B.P., 1998, 370; Cass., 11 mei 1998, Fisc. Koer., 1998, 369; *F.J.F.*, 1998, 529; J.D.F., 1998, 280; R.W., 1998-99, 1158).

Na het cassatiearrest van 27 maart 1992 werd de daarin opgenomen leer overgenomen in de rechtspraak van de Hoven van Beroep en in de rechtsleer (zie : Antwerpen, 18 januari 1994, *F.J.F.*, 1994, nr. 94/126; Antwerpen, 30 oktober 1995, A.F.T., 1996, 122; Fisc. Koer., 1995, 589; *F.J.F.* , 1996, 57; Luik, 12 januari 1996, Fisc. Koer., 1996, 272; *F.J.F.*, 1996, nr. 96/111; Antwerpen, 4 november 1996, A.F.T., 1997, 185; A.J.T., 1997-98, 24; *F.J.F.* , 1996, 562; R.W., 1997-98, 157; Antwerpen, 24 december 1996, *F.J.F.*, 1997, nr. 97/31; Antwerpen, 1 april 1997, *F.J.F.* , 1997, nr. 97/152; Antwerpen, 29 juni 1999, Fisc. Koer., 1999, 602; *F.J.F.*, 1999, 725; T.F.R., 2000, 17; Peeters, B., «Rechts(on)zekerheid in het belastingrecht», T.F.R., 1994, 179 e.v.; Van Crombrugge, S., «Het vertrouwensbeginsel in het fiscaal recht», T.F.R., 1996, 1 e.v.; Van Steenwinckel, J., Les avancées en matière de protection des droits des contribuables à la lumière de la jurisprudence récente, in Reeks «Les dossiers pratiques de fiscalité», nr. 21, Brussel, Kluwer, 2000).

Voormelde rechtspraak en rechtsleer stellen ondubbelzinnig, zoals eiseressen terecht voorhouden, dat de fiscus niet retroactief kan en mag terugkomen op het door hem ingenomen standpunt of houding, indien deze houding een vaste gedragslijn is.

In deze rechtspraak en rechtsleer worden twee voorwaarden gesteld, nl. :

\- er moet een vaste gedragslijn van de fiscus zijn, en

\- de belastingplichtige moet zich gedragen hebben conform deze gedragslijn.

Naar het oordeel van de rechtbank is in casu aan beide voormelde voorwaarden voldaan.

De rechtbank dient inderdaad vast te stellen dat de plaatselijke controledienst nooit de B.T.W.-aangiften van tweede eiseres heeft verworpen wat de berekening van het verhoudingsgetal betreft. Terecht verwijzen eiseressen naar het schrijven van de hoofdcontroleur van 30 januari 1979, waarin deze aan tweede eiseres vroeg om de prorata te berekenen zoals voorgeschreven door de B.V.B. In een brief van 21 februari 1979 maakt de hoofdcontroleur trouwens zelf de berekening van het prorata van 1977.

In tegenstelling tot wat verweerder voorhoudt, werd de berekening van het verhoudingsgetal in het verleden wel degelijk gecontroleerd door verweerder, nu de berekeningswijze van het definitief verhoudingsgetal van een jaar elk jaar aan de aangifte betreffende de verrichtingen van maart van het volgende jaar werd bijgevoegd. Sedert maart 1990 is de presentatie van deze bijlage aan de periodieke B.T.W.-aangifte ongewijzigd gebleven, nl. een detail van de berekening van de teller, een detail van de berekening van de noemer en ten slotte een vergelijking tussen het krediet van de resultatenrekening en de noemer.

Ten onrechte houdt verweerder nog voor dat er geen vroegere gedragscode is tot stand gekomen, omdat het probleem van de eigen effectenportefeuille in de vorige jaren niet ter sprake werd gebracht. Hiervoor onderschreef de rechtbank reeds de stelling van eiseressen dat hun berekeningswijze van het verhoudingsgetal gedurende vele jaren door de administratie werd aanvaard. Het was inderdaad niet nodig, zoals eiseressen met reden voorhouden, dat verweerder zich toen expliciet over deze effectenportefeuille uitsprak, nu hij de berekeningswijze van eiseressen aanvaardde.

Eveneens ten onrechte verwees verweerder ter zitting van 21 september 2001 naar de onderbezetting van de controlediensten. Van een normaal zorgvuldige en redelijk handelende overheid, geplaatst in dezelfde concrete omstandigheden, mag immers worden verwacht dat zij zich zo organiseert dat zij de fiscale controles op een correcte wijze kan uitvoeren. Indien dat niet het geval blijkt te zijn, mogen de burgers daarvan niet het slachtoffer worden en mag daaruit zeker geen alibi worden geput om het vertrouwensbeginsel onderuit te halen.

Bijgevolg is naar het oordeel van de rechtbank ten genoegen van recht aangetoond dat er inzake de berekeningswijze van het verhoudingsgetal een vaste gedragslijn van de fiscus bestond, zodat het niet nodig is in te gaan op het aanbod van eiseressen om de heer Vanhecke, die tweede eiseres heeft gecontroleerd in de periode van 1986 tot 1994, op te roepen om te worden gehoord als getuige.

Nu verweerder ten onrechte is teruggekomen op zijn vaste gedragslijn, waarop tweede eiseres kon vertrouwen, heeft hij het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel geschonden, en dient zijn vordering onwettig te worden beschouwd.

Derhalve bestaat er grond om de genoemde dwangbevelen te vernietigen en aan verweerder de terugbetaling in voordeel van tweede eiseres te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van deze dwangbevelen werden geïnd.

#### *3) Wat de door eiseressen gevorderde morele schadevergoeding betreft*

Ten slotte vragen eiseressen een vergoeding wegens morele schade van 10 000 000 F toe te kennen, dit alles meer de gerechtelijke interesten vanaf de neerlegging ter griffie van hun eerste besluiten (op 30 juni 2000).

Er dient onmiskenbaar te worden aangenomen dat een rechtspersoon herstel kan vorderen voor de schade die haar onrechtmatig door een derde is toegebracht (art. 1382 B.W.). Ook morele schade komt voor vergoeding in aanmerking. Voor een rechtspersoon bestaat de morele schade evenwel alleen in de aantasting van de goede naam, de faam of de reputatie (zie : Antwerpen, 13 december 1999, DAOR, 2000, 267; Rb. Brugge, 16 september 1998, A.J.T., 1998-99, 462; T.M.R., 2000, 141).

De rechtbank dient vast te stellen dat eiseressen in gebreke blijven te bewijzen dat zij morele schade hebben geleden.

Derhalve dient dit onderdeel van de vordering van eiseressen te worden afgewezen.

*4) Wat het door eiseressen gevraagde voorbehoud voor de schade die zij zouden lijden voor zover de administratie alsnog betaling vordert van het saldo van de B.T.W.-boete voor 1993 betreft*

Eiseressen verwijzen naar het proces-verbaal van 8 april 1999 met betrekking tot het jaar 1993, dat stelt dat zij een boete overeenkomstig art. 70, § 1 *bis* W.B.T.W. verschuldigd zijn ten belope van 10 %, maar waarin tevens werd voorzien in een verhoging van de boete met 50 % in geval van kennisgeving of beteke ning van het in art. 85 W.B.T.W. beoogde dwangbevel.

Inderdaad werd in het dwangbevel van 14 april 1999 de in het proces-verbaal vooropgestelde boete van 10 % verhoogd met 50 %, maar in het exploot van betekening van het dwangbevel van 19 april 1999 werd enkel een boete van 10 % gevorderd, zonder verhoging met 50 %.

Eiseressen stellen dat zij de boete van 10 % onder voorbehoud hebben betaald en vragen dat expliciet zou worden geakteerd dat de fiscus de boete van 50 % niet vordert.

Ter zitting van 21 september 2001 preciseerde verweerder dat uitsluitend een boete van 10 % wordt gevorderd.

Derhalve is dit onderdeel van de vordering van eiseressen, waarbij zij vragen hen voorbehoud te verlenen voor de schade die zij zouden lijden voor zover de administratie alsnog betaling vordert van het saldo van de B.T.W.-boete voor 1993, zonder voorwerp geworden.

### Dispositif

*Om deze redenen*,

*De Rechtbank*,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

Rechtsprekend in eerste aanleg, na tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Voegt de zaken gekend onder AR nr. 99/5645/A en AR nr. 00/4555/A samen.

Verleent de NV Holding Communal - Gemeentelijke Holding - Gemeindliche Holding en de Dexia Bank België akte van hun bij besluiten geformuleerde eisuitbreiding.

Verklaart de vordering van de NV Holding Communal - Gemeentelijke Holding - Gemeindliche Holding en van de Dexia Bank België, zoals uitgebreid, ontvankelijk, en in de hierna bepaalde mate gegrond.

Verklaart het verzet van de NV Holding Communal - Gemeentelijke Holding - Gemeindliche Holding en van de Dexia Bank België ontvankelijk en gegrond.

Vernietigt de genoemde dwangbevelen en verklaart de vordering van de Belgische Staat ongegrond.

Beveelt dienvolgens de terugbetaling in voordeel van de Dexia Bank België van alle bedragen die wederrechtelijk op grond daarvan werden geïnd, zijnde :

\- *voor het jaar 1992 (bedragen betaald op 20 mei 1999) :*

338 785 480 F. aan B.T.W.

33 878 000 F. aan boete

130 096 440 F. aan interest op B.T.W.

7 741 F. aan procedurekosten;

\- *voor het jaar 1993 (bedragen betaald op 20 mei 1999) :*

358 548 682 F. aan B.T.W.

35 854 000 F. aan boete

137 824 344 F. aan interest op B.T.W.

10 812 F aan procedurekosten;

\- *voor het jaar 1994 (bedragen betaald op april 2000) :*

361 419 196 F. aan B.T.W.

36 141 000 F. aan boete

170 589 768 F. aan interest op B.T.W.,

voormelde bedragen verhoogd met de interesten sedert de respectieve data van betaling.

Wijst het meergevorderde af.

Veroordeelt de Belgische Staat tot de kosten van het geding.

## Textes cités

1

[CTVA art. 46](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-46) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Immobilier, Syndicat, Taux de TVA, Transfert de charge](https://juriel.be/fr/jurisprudence/immobilier-syndicat-taux-tva-transfert-tribunal-bruges-2025-06-16-0226) 1 dispositions communes

[Registre de perception et recouvrement, Titre exécutoire](https://juriel.be/fr/jurisprudence/registre-perception-recouvrement-titre-executoire-cour-appel-gand-2024-03-12-1183) 1 dispositions communes

[Validité de la contrainte, Motivation adéquate](https://juriel.be/fr/jurisprudence/validite-contrainte-motivation-adequate-reference-cour-appel-liege-2022-09-14-234b) 1 dispositions communes

[Assujetti ¬- Qualification de holding passif ou actif](https://juriel.be/fr/jurisprudence/assujetti-qualification-holding-passif-actif-tribunal-2024-02-05-26ef) 1 dispositions communes

[Droit à déduction, Pourcentage d’affectation professionnelle](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-pourcentage-affectation-professionnelle-cour-appel-mons-2023-05-31-31b4) 1 dispositions communes

[Droit à déduction, Assujetti mixte, Organisation de spectacles](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-assujetti-mixte-organisation-tribunal-bruxelles-2021-10-07-3645) 1 dispositions communes

[Droit à déduction, Affectation professionnelle du bâtiment](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-affectation-professionnelle-batiment-tribunal-mons-2020-10-15-4451) 1 dispositions communes

[Amende proportionnelle, Remise, amende fiscale proportionnelle, effacement](https://juriel.be/fr/jurisprudence/amende-proportionnelle-remise-fiscale-effacement-cour-appel-bruxelles-2025-10-09-4ff6) 1 dispositions communes
