---
title: "Prolongation du délai de prescription · Cour d&#x27;appel d&#x27;Anvers, 17 mai 2022"
description: "Prolongation du délai de prescription, Notification préalable des indices de fraude, Motivation. Cour d'appel d'Anvers (Belgique), 17 mai 2022."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/prolongation-delai-prescription-notification-prealable-cour-appel-anvers-2022-05-17-b5f1"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Prolongation du délai de prescription

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Anvers

**Date**

17 mai 2022

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

**Sens lu par le SPF**

défavorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

193 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers du 17.05.2022

WF 7071520/000988

\[Défavorable à l’administration\]

*Taxe sur la valeur ajoutée – Prolongation du délai de prescription – Notification préalable des indices de fraude – Motivation*

## Dispositions légales

Article 81bis, § 1 er, 2 ème alinéa, 4°du Code de la TVA

[Article 84ter du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84ter)

## Résumé

## 1) Les faits et les antécédents de procédure

L’assujettie exploite en tant qu’ASBL une salle de fitness dans laquelle sont également vendus des boissons et des compléments alimentaires. Elle ne s’était pas identifiée à la TVA car elle estimait que son activité était exemptée sur base de l’[article 44, § 2, 3°, du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-44).

Le 25 juin2019, l’administration a effectué un contrôle sur place. A la suite de ce contrôle, un procès-verbal a été dressé le 2 juillet 2019 et le 31 juillet 2019. La période contrôlée courrait de l’année 2012 à l’année 2018 incluse.

Une notification de la prolongation du délai de prescription a été adressée à l’ASBL le 30 juillet 2019. Dans ce litige, la discussion concerne le fait de déterminer si la notification préalable de la prolongation du délai de prescription avait été correctement motivée.

Le 18 novembre 2019, une taxation d’office a été établie pour l’année 2012. L’assujettie a déposé au greffe du tribunal de première instance une requête contre cette taxation d’office.

Le tribunal de première instance d’Anvers a jugé que la notification de la prolongation du délai de prescription ne satisfaisait pas aux conditions visées à l’[article 84ter du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84ter). La demande de la partie adverse a été déclarée recevable et fondée. L’administration a interjeté appel.

## 2) L’arrêt de la cour d’appel

La Cour juge que les faits ou les constatations repris dans la notification préalable ne sont pas décrits avec précision et qu'ils reposent sur des suppositions vagues ou incorrectes.

Selon la Cour, la simple réalisation d'un chiffre d'affaires par une ASBL n'implique pas l’existence d’un but lucratif. En outre, la Cour estime que l'absence de demande d’un numéro de TVA, la réalisation d'un chiffre d'affaires et la non-déclaration de ce chiffre d'affaires ne constituent pas en soi une présomption d'une intention frauduleuse. En outre, la Cour relève que l’assujettie a agi en tant qu'assujettie exemptée à la TVA depuis sa création en 2005 et que le compte d'exploitation présenté pour l'année 2012 montre que les recettes ont été utilisées exclusivement pour couvrir les coûts.

Selon la Cour, les opérations énumérées dans la notification préalable peuvent donc être considérées comme des inexactitudes ou des omissions commises de bonne foi et ne prouvent pas nécessairement l’existence d’une intention de se soustraire à la taxe compte tenu de la conviction, justifiée ou non, de l’assujettie qu’elle était exemptée de la TVA.

Selon la cour, le délai de prescription n'a pas été légalement prolongé et, par conséquent, la créance de l'administration est prescrite.

## Remarque :

Il n'y avait pas de moyen permettant à l’administration de se pourvoir en cassation.

**Texte de l’arrêt**

***L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale***

### Corps de la décision

**Hof van beroep Antwerpen kamer B6M burgerlijke zaken**

Arrest van 17/05/2022

Rol: 2021/AR/208

**BELGISCHE STAAT - FOD FINANCIEN**, ON 0308.357.159, in de persoon van de minister van Financiën), met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, haridelend ten verzoeke van de ADIVSEUR-GENERAAL-DIRECTEUR VAN HET KMO CENTRUM ANTWERPEN - EXPERTISE 1, ON 0308.357.159, met diensten te 2000 ANTWERPEN, Italielei 4 bus 2 en van de ADVISEUR-ONTVANGER VAN HET TEAM INVORDERING RECHTSPERSONEN ANTWERPEN 1, met diensten te 2000 ANTWERPEN, Italielei 4 bus 1

**Eiser in hoger beroep**, voor wie verschenen zijn de heer X en mevrouw X, fiscale ambtenaren (kenmerk: ...)

tegen het vonnis van de AFil kamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 30 oktober 2020, gekend onder rolnummer 19/5561/A

tegen

**L. G. VZW**, ON 087...91, met maatschappelijke zetel te ...,

**Verweerster in hoger beroep**,

vertegenwoordigd door mr. H. W., advocaat te ... (ref.: …)

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 30 oktober 2020, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 4 februari 2021, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

## 1. Voorafgaande feiten en procedure

1.1. Voorwerp van de betwisting.

Het geschil heeft betrekking op schuldnummer 500...81 opgenomen op 27 november 2019 in het innings- en invorderingsregister onder het nummer 201...20 en uitvoerbaar verklaard op 28/11/2019, waarin van verweerster in hoger beroep de betaling gevorderd wordt van 2.996,04 euro aan BTW, van 5.992,08 euro aan BTW-boete, meer interesten.

1.2. Voorqaande feiten.

Verweerster in hoger beroep is een vereniging zonder winstoogmerk. Op 25/06/2019 voerde de administratie een controle uit bij verweerster in hoger beroep. Van de vaststellingen werd op 02/07/2019 en op 31/07/2019 proces-verbaal opgesteld.

Op 30/07/2019 verzond de administratie aan verweerster in hoger beroep een kennisgeving van aanwijzingen van kennelijke belastingontduiking in toepassing van [artikel 84 ter WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84ter) voor de periode 2012 tot en met 2018 (toepassing verjaringstermijn van zeven jaar bepaald in [art. 81bis §1, tweede lid, 4° WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-81bis)).

Op 10/10/2019 verzond de administratie aan verweerster in hoger beroep een kennisgeving die het vestigen van een ambtelijke aanslag op grond van de artikelen [66](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-66) en [67](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-67) WBTW en van het KB nr.9 voorafgaat, met in bijlage het berekeningsblad van de belastbare grondslagen en van de verschuldigde bedragen inzake de voorgenomen ambtelijke aanslag (totaal van de verschuldigde BTW voor 2012: 2.996,04 euro, verschuldigde boete: 5.992,08 euro ([art. 70§1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70)) en de verschuldigde interesten). Op 18/11/2019 verzond de administratie aan verweerster in hoger beroep de kennisgeving van een ambtelijke aanslag.

Op 27/11/2019 werd deze schuld opgenomen in het innings- en invorderingsregister en op 28/11/2019 uitvoerbaar verklaard.

Op 03/12/2019 werd aan verweerster in hoger beroep het innings- en invorderingbericht, schuldnummer 500...81, gestuurd.

Op 10 december 2019 werd het innings- en invorderingsregister (schuldnummer 500...81), opgemaakt op 27/11/2019, en uitvoerbaar verklaard op 28/11/2019 betekend aan verweerster in hoger beroep middels gerechtsdeurwaardesexploot met bevel tot betaling.

1.3. Procedure voor de eerste rechter.

Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, op 12/12/2019 stelde verweerster in hoger beroep een vordering in recht in.

Verweerster in hoger beroep vorderde:

\- de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;

\- alvorens recht te doen, bij tussenvonnis eiser in hoger beroep te verplichten:

• alles voor te leggen wat hij op 25/06/2019 bij verweerster in hoger beroep heeft gekopieerd;

• toe te lichten welke diensten bij de gecoördineerde controle van 25 juni 2019 aanwezig waren;

• alle correspondentie en stukken voor te leggen die in het kader van het onderzoek ten aanzien van verweerster in hoger beroep werden bekomen;

\- te zeggen voor recht dat verweerster in hoger beroep de gevorderde bedragen van 2.996,04 euro aan BTW, 5.992,08 euro geldboete, meer interesten en kosten niet verschuldigd is;

\- eiser in hoger beroep te veroordelen tot terugbetaling van alle ten onrechte lastens verweerster in hoger beroep ingehouden bedragen en van alle ten onrechte door verweerster in hoger beroep betaalde bedragen, meer de interesten op de door de wet bepaalde wijze;

\- eiser in hoger beroep te verplichten alle uitvoerende en bewarende maatregelen ten aanzien van verweerster in hoger beroep op zijn kosten ongedaan te maker en alvast het op 12/12/2019 gelegde uitvoerend beslag op roerende goederen op te heffen; eiser in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerster in hoger beroep begroot op de rechtsplegingsvergoeding van 1.320 euro en de vergoeding van de bijdrage begrotingsfonds tweedelijnsbijstand van 20 euro, samen 1.340 euro.

De eerste rechter verklaarde de rechtsvordering ontvankelijk en gegrond. De vordering van eiser in hoger beroep tot betaling door verweerster in hoger beroep van 2.996,04 euro aan BTW, van 5.992,08 euro aan BTW-boete en beide vermeerderd met interesten zoals vervat in het innings- en invorderingsbericht van 03/12/2019 met schuldnummer 500...81 werd ongegrond verklaard. Eiser in hoger beroep werd veroordeeld tot terugbetaling van de ten onrechte ingehouden of betaalde bedragen te vermeerderen met de moratoire interesten. Eiser in hoger beroep werd veroordeeld tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerster in hoger beroep vereffend op 1.320 euro rechtsplegingsvergoeding en op 20 euro bijdrage voor het Fonds voor juridische tweedelijnsbijstand.

De eerste rechter oordeelde wat betreft het verzoek tot voorlegging dat in het proces-verbaal van 31/07/2019 vermeld werd welke personen aanwezig waren bij de controle op 25/06/2019 en dat op basis van het voorgelegde administratief dossier aan de rechtbank alle informatie ter beschikking was van verweerster in hoger beroep zodat dit verzoek werd afgewezen.

Wat betreft de verjaring oordeelde de eerste rechter dat de brief van 30/07/2019 niet voldeed aan de vereisten van [art. 84 ter WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84ter) zodoende dat de navordering voor 2012 verjaard was en de vordering van verweerster in hoger beroep gegrond was. De rechtbank oordeelde dat in de voorafgaande kennisgeving wel werd vermeld wat de feiten waren, doch niet vermeld werd op grond waarvan de belastingontduiking vermoed werd; er werd zonder meer gesteld dat het om kennelijke belastingontduiking zou gaan.

Tegen dit vonnis heeft eiser in hoger beroep bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 04/02/2021, hoger beroep ingesteld.

1.4. Procedure voor het hof van beroep.

**Eiser in hoger beroep** vordert:

\- het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren.

\- het bestreden vonnis te vernietigen in de mate dat de vordering van de Belgische Staat zoals vervat in het invorderingsbericht van 03/12/2019 van nu; en generlei waarde werd verklaard;

\- de vordering gesteld middels het dwangbevel van 10/12/2019 aldus te bevestigen en te zeggen voor recht dat verweerster in hoger beroep schuldenaar is van de in dit dwangbevel opgenomen bedragen;

\- de vordering van verweerster in hoger beroep op incidenteel beroep af te wijzen; verweerster in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding.

Ter zitting van 25/04/2022 vordert de Belgische Staat de betaalde bijdrage voor het begrotingsfonds (20 euro) ten laste van verweerster in hoger beroep te leggen.

**Verweerster in hoger beroep** vordert:

\- het hoger beroep ongegrond te verklaren en af te wijzen;

\- het vonnis van de eerste rechter te bevestigen, zoals gevorderd;

\- te zeggen voor recht dat verweerster in hoger beroep de gevorderde bedragen van 2.996,04 euro BTW, 5.992,08 euro geldboete, meer interesten en kosten niet verschuldigd is;

\- eiser in hoger beroep te veroordelen tot terugbetaling van alle ten onrechte lastens verweerster in hoger beroep ingehouden bedragen en van alle ten onrechte door verweerster in hoger beroep betaalde bedragen, meer interesten op de door de wet bepaalde wijze;

\- eiser in hoger beroep te verplichten alle uitvoerende en bewarende maatregelen ten aanzien van verweerster in hoger beroep op zijn kosten ongedaan te maken en alvast het op 12/12/2019 gelegde uitvoerend beslag op roerende goederen op te heffen;

\- ondergeschikt het incidenteel beroep van verweerster in hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en alvorens recht te doen, bij tussenarrest verweerster in hoger beroep te verplichten:

• alles voor te leggen wat hij op 25/06/2019 bij verweerster in hoger beroep heeft gekopieerd;

• toe te Iichten welke diensten bij de gecoördineerde controle van 25 juni 2019 aanwezig waren;

• alle correspondentie en stukken voor te leggen die in het kader van het onderzoek ten aanzien van verweerster in hoger beroep werden bekomen;

\- eiser in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding, inclusief de rechtsplegingsvergoeding in hoofde van verweerster in hoger beroep begroot op 1.430 euro in graad van beroep.

Ter zitting van 25/04/2022 vordert de raadsman van verweerster in hoger beroep de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding toe te passen in hoger beroep, zijnde 1.540 euro. De Belgische Staat gaat defensief akkoord met die begroting.

## 2. Bespreking

### 2.1 [Artikel 84 ter WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84ter)

Verweerster in hoger beroep roept de verjaring in van de verschuldigdheid van de BTW. Zij stelt dat er geen sprake is van een bedrieglijk opzet of een oogmerk om te schaden.

Krachtens het te dezen toepasselijke artikel 81*bis*, 51, 1ste lid BTW-Wetboek is er verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.

Het te dezen toepasselijk [artikel 81bis, § 1, tweede lid](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-81bis), [4de](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-4) BTW-Wetboek, bepaalt dat, in afwijking van het 1ste lid, er evenwel verjaring is na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan, zodra de overtreding bedoeld in de artikelen [70](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) of [71](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-71) BTW-Wetboek begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden.

Krachtens het te dezen toepasselijk [artikel 84ter BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84ter) moet de administratie bevoegd voor de belasting over de toegevoegde waarde, indien zij voornemens is de verjaringstermijn bepaald in [artikel 81bis, § 1, tweede lid](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-81bis), [4de](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-4) BTW-Wetboek toe te passen, op straffe van nietigheid van de rechtzetting, voorafgaandelijk aan de betrokkene schriftelijk en nauwkeurig kennis geven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestaan in de betreffende periode.

Op deze wijze wordt hem een betere uitoefening van zijn rechten van verdediging gewaarborgd, terwijl met het verweer van de belastingplichtige in verband met de voorafgaande kwestie van de belastingontduiking de vordering van de administratie al dan niet kan komen te vervallen.

De administratie die de uitgebreide verjaringstermijn wil toepassen moet niet voorafgaand het bewijs leveren van de belastingontduiking.

Bij brief van 30 juli 2019 werd verweerster in hoger beroep in kennis gesteld van het feit dat de administratie het voornemen had om de verjaringstermijn van [art. 81bis, tweede lid](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-81bis), [4de](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-4) WBTW toe te passen aangezien de administratie beschikte "over aanwijzingen van kennelijke belastingontduiking" voor het tijdperk vanaf 2012 tot en met 2018.

**Meer bepaald**:

*1.* *Jaarlijks werd volgend (sic) uw computerbestanden een omzet van meer dan 30.000 (dertigduizend) Euro gerealiseerd door abonnementen, beurtenkaarten en toegang tot de fitness. Er waren (sic) geen aanwijzingen dat er geen winstoogmerk is en de opbrengsten uitsluitend gebruikt werden tot dekking van de kosten*

*2.* *Er werden (sic) aankopen gevonden in uw computer in deze periode voor een bedrag van meer dan 100.000 (honderdduizend) eur) aan voedingssuplementen, zonder dat er omzet aangegeven werd*

*3.* *Er werd nooit een BTW-nummer aangevraagd spijts hogervermelde duidelijke activiteiten die an (sic) BTW onderworpen zijn*

*4.* *Uit het e-mailverkeer blijkt dat aan buitenlmandse (sic) leveranciers gevragd (sic) werd om zonder BTW te leveren omdat er een ondernemingsnummer is. Uit het mailverkeer blijkt ook dat Local Fitness duidelijk wist dat dit geen BTW-nummer was en dus had moeten weten dat in zulk geval de leverancier uit een andere EU-lidstaat BTW moet rekenen*

…/

In de voorafgaande kennisgeving wordt weliswaar vermeld wat volgens de belastingadministratie de feiten zijn, doch er wordt echter niet .vermeld op grond waarvan de belastingontduiking vermoed wordt. Er wordt zonder meer gesteld dat het om belastingontduiking zou gaan. Uit voormelde kennisgeving blijkt niet waarom de taxatieambtenaar belastingontduiking vermoedde.

Er is bedrieglijk opzet wanneer de overtreding wordt begaan met de bedoeling zichzelf of een derde een onrechtmatig voordeel te verschaffen, meestal ten nadele van een persoon of van de gemeenschap. Er is oogmerk om te schaden wanneer de overtreding wordt begaan met de wil om nadeel te berokkenen, zelfs zonder dat de betrokkene enig voordeel uit zijn handeling haalt. Op belastinggebied gaat het vooral om handelingen die met bedrieglijk opzet zijn verricht, aangezien het nagestreefde onrechtmatige voordeel meestal de ontdoken belasting is.

Het feit dat het om een bedrieglijk voornemen moet gaan, heeft tot gevolg dat overtredingen die hun oorsprong slechts vinden in gewone nalatigheid, materiele vergissingen, te goeder trouw begane onjuistheden enz. niet in aanmerking komen.

Uit de conclusies van eiser in hoger beroep leidt het hot of dat eiser in hoger beroep van oordeel is dat verweerster in hoger beroep onomstotelijk de intentie had om zich te onttrekken aan de heffing van de BTW en zich bewust een onrechtmatig fiscaal (en concurrentieel) voordeel heeft verschaft en voegt eiser in hoger beroep bijkomende feiten toe die zouden wijzen op het bedrieglijk opzet, met name o.a. dat verweerster in hoger beroep geen bewijsstukken van kosten of omzet heeft voorgelegd of enige boekhouding.

Dit werd echter niet op een precieze en nauwkeurige wijze meegedeeld in de voorafgaande kennisgeving. Van enige concurrentievervalsing wordt in de voorafgaande kennisgeving geen melding gemaakt.

In de voorafgaande kennisgeving is er geen concrete aanduiding of aanwijzing met betrekking tot enige overtreding van het WBTW, begaan met bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden.

Het louter realiseren door een VZW van omzet betekent nog niet dat er sprake zou zijn van winstoogmerk in hoofde van verweerster in hoger beroep.

Het niet aanvragen van een BTW-nummer, de realisatie van omzet en de niet-aangifte ervan zijn op zich dan ook onvoldoende als vermoeden van bedrieglijk opzet in hoofde van verweerster in hoger beroep.

Dit geldt des te meer aangezien verweerster in hoger beroep een vereniging zonder winstoogmerk is die rneent (al dan niet terecht) onder de vrijstelling van [artikel 44 §2, 3° WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-44) te ressorteren. Verweerster in hoger beroep werd reeds opgericht op 10 februari 2005 en art. 4 van de oprichtingsakte bepaalt dat het doel van de vereniging uitsluitend het organiseren van activiteiten met culturele grondslag is ten voordele van de gezondheid en het leefmilieu en het ter beschikking stellen van het nodige materieel en toestellen, het organiseren van sportmanifestaties en het uitbaten van een kantine ten voordele van de leden. Verweerster in hoger beroep wordt voor wat betreft de inkomstenbelasting ook belast in de rechtspersonenbelasting. Verweerster in hoger beroep heeft zich vanaf haar oprichting gedragen als vrijgestelde BTW-plichtige, zonder winstoogmerk. De voorgelegde exploitatierekening per 31/12/2012 (totaal ontvangsten 19.496,50 euro, totaal exploitatielasten 19.090,56 euro, winst van het boekjaar 405,94 euro, terugstorting effectieve leden 0 euro) bevestigt eerder dat de opbrengsten uitsluitend gebruikt werden tot dekking van de kosten.

Voormelde handelingen opgesomd in de voorafgaande kennisgeving in toepassing van [art. 84ter WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84ter) kunnen dan ook louter ingegeven zijn door voormelde (al of niet terechte) overtuiging in hoofde van verweerster in hoger beroep (te goeder trouw begane onjuistheden, nalatigheden) en wijzen dan ook niet noodzakelijk op de aanwezigheid van het oogmerk om belastingen te ontduiken.

Tevens blijkt uit de voorgelegde aankoopfacturen uitgaande van de buitenlandse leverancier(s) van de voedingssupplementen dat er telkens BTW werd aangerekend aan verweerster in hoger beroep. Uit het bijgebrachte e-mailverkeer blijkt ook niet dat verweerster in hoger beroep niet bereid zou geweest zijn BTW te betalen op de inkomende facturen. Het blijkt dat er vaak verwarring ontstond betreffende de juiste wijze van facturatie omdat verweerster in hoger beroep wel een ondernemingsnummer heeft maar geen BTW-nummer.

De vermoedens van belastingontduiking worden dan ook niet nauwkeurig beschreven en zijn gebaseerd op vage of onjuiste veronderstellingen en laten de administratie niet toe de termijn voor de vaststelling van de belasting te verlengen. De vordering tot voldoening van de btw-administratie is dus verjaard voor het jaar 2012.

Aangezien de voorafgaande kennisgeving in de zin van [artikel 84ter WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84ter) niet nauwkeurig de vermoedens van belastingontduiking bevat, is de invordering van de BTW nietig. Nu er geen geldige kennisgeving in de zin van [artikel 84ter WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84ter) gegeven werd, was de betwiste belasting die betrekking heeft op de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012, verjaard op het ogenblik dat deze werd opgenomen in het innings- en invorderingsregister, schuldnummer 500...81, opgemaakt op 27/11/2019 en uitvoerbaar verklaard op 28/11/2019 onder registernummer 201...20. Bijgevolg is de opname in voormeld innings- en invorderingsregister onwettig/nietig. Derhalve zijn de middels voormeld innings- en invorderingsregister van verweerster in hoger beroep gevorderde bedragen niet verschuldigd.

Het hof stelt vast dat verweerster in hoger beroep vordert dat eiser in hoger beroep alle uitvoerende en bewarende maatregelen ten aanzien van haar op zijn kosten ongedaan zou maken en alvast het op 12/12/2019 gelegde uitvoerend beslag op roerende goederen op te heffen. Het hof stelt vast dat dit gevorderd wordt zonder verdere onderbouwing in de conclusies en er worden door verweerster in hoger beroep ook geen stukken desbetreffend voorgelegd. Bovendien merkt het hof op dat als de btw-plichtige niet akkoord gaat met de btw-schuld zoals opgenomen in het register, hij een verzoekschrift kan neerleggen bij de rechtbank van eerste aanleg, zoals te dezen is gebeurd. Het verzet in rechte stuit de gedwongen tenuitvoerlegging ([art. 89 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-89)). Indien de belastingplichtige in het gelijk wordt gesteld, zoals te dezen, dan zal de nietig-/onwettigverklaring van het innings- en invorderingsregister, ipso facto de onwettigheid/annulatie van de erin opgenomen bedragen inhouden.

Derhalve bevestigt het hof het bestreden vonnis.

De overige argumenten wijst het hof of als niet ter zake dienend en/of overbodig.

### 2.2 De rechtsplegingsvergoeding

Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S. 31.05.2007).

Overeenkomstig art. 1017 Ger.W. dient eiser in hoger beroep, de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld te worden tot de kosten van het geding in hoger beroep.

Partijen zijn het eens dat de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep dient begroot te worden op 1.540 euro, met dien verstande dat de Belgische Staat niet vertegenwoordigd is, noch bijgestaan wordt door een advocaat.

Het hof laat de bijdrage begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (Wet 19/03/2017) betaald in hoger beroep ten laste van eiser in hoger beroep.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..

### Dispositif

## 3. Beslissing

**Het hof** beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van eiser in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Het hof bevestigt het bestreden vonnis.

Het hof veroordeelt eiser in hoger beroep, de Belgische Staat, tot de kosten van het hoger beroep.

Het hof vereffent de kosten in hoger beroep in hoofde van verweerster in hoger beroep op een rechtsplegingsvergoeding van 1.540 euro.

Het hof Iaat de bijdrage begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (Wet 19/03/2017) betaald in hoger beroep ten laste van eiser in hoger beroep.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..

Het hof wijst het meer dan wel anders gevorderde af.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van **17 mei 2022** door …

### Décision jointe par le SPF

## Jugement du tribunal de première instance

***Le jugement est publié uniquement dans la langue originale***

### Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, sectie burgerlijke rechtbank

Vonnis van 30/10/2020

Rol: 19/5561/A

Inzake:

### L. G. VZW

met maatschappelijke zetel te ..., KBO: 087...91

**eiseres**

\- vertegenwoordigd ter zitting door meester W. H. te ...,

**TEGEN:**

**DE BELGISCHE STAAT,**

Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal, Directeur van het KMO Centrum Antwerpen, Expertise 1, met kantoren gevestigd te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 2 en van de Adviseur-ontvanger van het Team Invordering Rechtspersonen Antwerpen 1, met kantoor te 2000 Antwerpen, ltaliëlei 4 bus 1, KBO: 0308.357.159

**verweerder**

\- vertegenwoordigd door de heer X, in hoedanigheid van rijksambtenaar

voor de Federale Overheidsdienst Financiën.

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer:

\- het verzoekschrift toegekomen ter griffie op 12 december 2019, ingeschreven op 12 december 2019,

\- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, §1 van het Gerechtelijk Wetboek op 17

januari 2020,

\- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in de gerechtszaken. Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 2 oktober 2020.

#### 1. Procedurele voorafgaanden

De betwisting heeft betrekking op het innings- en invorderingsbericht d.d. 3 december 2019 inzake de fiscale schuld met het nummer 500...81 op 27 november 2019 opgenomen in het innings-en invorderingsregister onder het nummer 201911NL020 en uitvoerbaar verklaard op 28 november 2019. De volgende bedragen warden van eiseres gevorderd:

\- 2.996,04 euro btw

\- 5.992,08 euro geldboete

-te vermeerderen met nalatigheidsinteresten.

Eiseres is een vereniging zonder winstoogmerk. Op 25 juni 2019 voert de administratie een controle uit bij eiseres en wordt een (niet ondertekend) proces-verbaal op 2 juli 2019 opgesteld (stuk 2 van de administratie). Het administratief dossier bevat tevens een tweede proces-verbaal van 31 juli 2019 (stuk 3 van de administratie).

Op 30 juli 2019 verzendt de administratie aan eiseres een kennisgeving met verwijzing naar artikel 84ter W.BTW. voor de periode vanaf 2012 tot en met 2018. Op 10 oktober 2019 verzendt de administratie aan eiseres een kennisgeving met het voornemen tot het vestigen van een ambtelijke aanslag overeenkomstig de artikelen 66 en 67 W.BTW. Op 18 november 2019 verzendt de administratie aan eiseres de kennisgeving van een ambtelijke aanslag met vermelding van een geldboete van 200%. Op 27 november 2019 wordt deze schuld opgenomen in het innings- en invorderingsregister en op 28 november 2019 uitvoerbaar verklaard. Op 10 december 2019 wordt een dwangbevel aan eiseres betekend.

Op 12 december 2019 wordt namens eiseres een fiscaal verzoekschrift neergelegd ter betwisting van de in het innings- en invorderingsbericht van 3 december 2019 opgenomen bedragen.

#### 2. De vorderingen van partijen

De vordering van **eiseres** strekt ertoe, alvorens recht te doen, verweerder te verplichten alles voor te leggen wat hij op 25 juni 2019 bij eiseres heeft gekopieerd, toe te lichten welke diensten bij de gecoördineerde controle van 25 juni 2019 aanwezig waren en alle correspondentie en stukken voor te leggen die in het kader van het onderzoek ten aanzien van eiseres werden bekomen. Eiseres verzoekt de rechtbank te zeggen voor recht dat eiseres de gevorderde bedragen van 2.996,04 euro btw, 5.992,08 euro geldboete, meer interesten en kosten niet verschuldigd is. Verweerder te veroordelen tot terugbetaling van alle ten onrechte lastens eiseres ingehouden of betaalde bedragen meer interesten. Verweerder te verplichten alle uitvoerende en bewarende maatregelen ten aanzien van eiseres op zijn kosten ongedaan te maken en alvast het op 12 december 2019 gelegde uitvoerend beslag op roerende goederen op te heffen, Verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 1.320,00 euro en de vergoeding van de bijdrage begrotingsfonds tweedelijnsbijstand van 20,00 euro.

**Verweerder** verzoekt de rechtbank de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en eiseres te veroordelen tot de kosten van het geding.

#### 3. Ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van de vordering van eiseres wordt niet betwist. Er zijn evenmin ambtshalve aan te voeren bezwaren betreffende de ontvankelijkheid.

#### 4. Beoordeling

##### 4.1. Verzoek voorlegging

Eiseres verzoekt, alvorens recht te doen, om verweerder te verplichten alles voor te leggen wat hij op 25 juni 2019 bij eiseres heeft gekopieerd, toe te lichten welke diensten bij de gecoördineerde controle van 25 juni 2019 aanwezig waren en alle correspondentie en stukken voor te leggen die in het kader van het onderzoek ten aanzien van eiseres werden bekomen.

De rechtbank stelt vast dat in het proces-verbaal van 31 juli 2019 werd vermeld welke personen aanwezig waren bij de controle op 25 juni 2019 en dat op basis van het administratief dossier voorgelegd aan de rechtbank alle informatie ter beschikking is van eiseres, zodoende wordt dit verzoek van eiseres afgewezen.

##### 4.2. Verjaring

Op basis van het dossier stelt de rechtbank vast dat eiseres werd opgericht op 10 februari 2005 met als doel: *'het organiseren van activiteiten met culturele grondslag ten voordele van de gezondheid en het leefmilieu en het ter beschikking stellen van het nodige materieel en toestellen. Het organiseren van sportmanifestaties, het uitbaten van een kantine ten voordele van de leden*.' Eiseres stelt dat zij in de overtuiging was dat zij ressorteert onder de toepassing van artikel 44, §2, 3° W.BTW en dat om die reden geen btw-aangiftes werden ingediend. Verweerder is de mening toegedaan dat vanwege de aard van de uitgeoefende economische activiteiten en het aanzienlijke omzetbedrag onlosmakelijk voortvloeit dat eiseres onderworpen is aan btw.

Eiseres is van oordeel dat de bestreden navordering over het jaar 2012 verjaard is.

Overeenkomstig artikel 81bis, §1, eerste lid W.BTW verstrijkt de normale verjaringstermijn na verloop van het derde kalenderjaar volgend op het jaar waarin de oorzaak van opeisbaarheid van de belasting zich heeft voorgedaan.

In afwijking van het eerste lid is de bedoelde verjaring er bovendien na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van de opeisbaarheid zich heeft voorgedaan wanneer de overtreding bedoeld in de artikelen 70 of 71 begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden (artikel 81bis, §1, tweede lid, 4° W.BTW).

Indien de administratie voornemens is de verjaringstermijn bepaald in artikel 81bis, §1, tweede lid, 4° W.BTW toe te passen, moet de btw-administratie op straffe van nietigheid van de rechtzetting, voorafgaandelijk aan de betrokkene schriftelijk en nauwkeurig kennis geven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestaan in de betreffende periode (artikel 84ter W.BTW).

In casu heeft de btw-administratie op 30 juli 2019, dus voorafgaand aan de rechtzetting, aan eiseres een schrijven gericht met verwijzing naar de toepassing van artikel 84ter W.BTW.

Er wordt aangenomen dat er 'bedrieglijk opzet' bestaat wanneer de overtreding wordt begaan met de bedoeling zichzelf of een derde een onrechtmatig voordeel te verschaffen, meestal ten nadele van een persoon of van de gemeenschap. Er is sprake van 'oogmerk om te schaden' wanneer de overtreding wordt begaan met de wil om nadeel te berokkenen, zelfs zonder dat de betrokkene enig voordeel uit zijn handeling haalt.

Het is niet vereist dat de administratie het absoluut bewijs levert van het bedrieglijk opzet of van het oogmerk om te schaden; het volstaat dat zij beschikt over ernstige vermoedens die toelaten te veronderstellen dat er sprake is van bedrieglijk opzet of van oogmerk om te schaden.

De rechtbank stelt vast dat de btw-administratie in de voorafgaande kennisgeving verwijst naar de volgende elementen in hoofde van eiseres:

\- een bepaalde omzet werd gerealiseerd

\- aankopen van voedingssuplementen werden gedaan zonder dat een omzet werd aangegeven

\- er geen btw-nummer werd aangevraagd

\- er e-mailverkeer aan buitenlandse leveranciers was met verzoek om zonder btw te leveren.

Uit de conclusies van verweerder leidt de rechtbank af dat verweerder van oordeel is dat eiseres onomstotelijk de intentie had om zich te onttrekken aan de heffing van de btw en zich bewust een onrechtmatig fiscaal (en concurrentieel) voordeel heeft verschaft en voegt verweerder bijkomende feiten toe die zouden wijzen op het bedrieglijk opzet, met name o.a. dat eiseres geen bewijsstukken van kosten of omzet heeft voorgelegd of enige boekhouding.

De rechtbank oordeelt dat in de voorafgaande kennisgeving wel wordt vermeld wat de feiten zijn, doch er wordt niet vermeld op grond waarvan de belastingontduiking vermoed wordt, er wordt zonder meer gesteld dat het om kennelijke belastingontduiking zou gaan.

De rechtbank oordeelt dat door verweerder niet op een precieze en nauwkeurige wijze in de voorafgaande kennisgeving wordt medegedeeld of aangetoond dat er sprake is van ernstige vermoedens van bedrieglijk opzet in hoofde van eiseres. Evenmin wordt door de administratie nauwkeurig vermeld voor welke jaren de vaststellingen zouden gedaan zijn en op welke jaren de vermelde bedragen van toepassing zouden zijn.

De rechtbank is van oordeel dat de brief van 30 juli 2019 aldus niet voldoet aan de vereisten van artikel 84*ter* W.BTW. zodoende is de navordering voor 2012 verjaard en is de vordering van eiseres gegrond.

Gelet op de vaststelling van de verjaring wijst de rechtbank de overige argumenten af als niet ter zake dienend en/of overbodig.

## OM DEZE REDENEN

**DE RECHTBANK**

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de rechtsvordering ontvankelijk en gegrond.

Verklaart de vordering van verweerder tot betaling door eiseres van 2.996,04 euro aan btw, van 5.992,08 euro aan btw-boete, en beiden vermeerderd met interesten zoals vervat in het innings- en invorderingsbericht van 3 december 2019 met schuldnummer 500...81 ongegrond.

Veroordeelt verweerder tot terugbetaling van de ten onrechte ingehouden of betaalde bedragen te vermeerderen met moratoire interesten.

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding.

Vereffent de kosten in hoofde van eiseres op 1.320,00 euro, bij wijze van wettelijk geïndexeerde rechtsplegingvergoeding, en de bijdrage van 20,00 euro voor het fonds voor juridische tweedelijnsbijstand.

Dit vonnis werd uitgesproken op **dertig oktober tweeduizend twintig** in openbare zitting van de Kamer AFi1, die samengesteld was uit: …

## Textes cités

9

[CTVA art. 84ter](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84ter) 10 occurrences

[CTVA art. 81bis](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-81bis) 4 occurrences

[CTVA art. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-4) 3 occurrences

[CTVA art. 44](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-44) 2 occurrences

[CTVA art. 70](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) 2 occurrences

[CTVA art. 66](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-66) 1 occurrence

[CTVA art. 67](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-67) 1 occurrence

[CTVA art. 71](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-71) 1 occurrence

[CTVA art. 89](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-89) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Chiffre d'affaires non déclaré, délai de prescription prolongé, Visite](https://juriel.be/fr/jurisprudence/chiffre-affaires-non-declare-delai-cour-appel-anvers-2025-06-24-3862) 5 dispositions communes

[Indices de fraude, Relevé de régularisation, Procès-verbal](https://juriel.be/fr/jurisprudence/indices-fraude-releve-regularisation-proces-tribunal-nivelles-2024-01-08-9601) 5 dispositions communes

[Poursuites et instances](https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuites-instances-prescription-action-recouvrement-cour-constitutionnelle-all-2017-01-19-1767) 5 dispositions communes

[Assujettissement à l'impôt, Constructeur professionnel, Prescription](https://juriel.be/fr/jurisprudence/assujettissement-impot-constructeur-professionnel-abus-cour-appel-gand-2026-06-09-1a0f) 5 dispositions communes

[Conseil, Intention frauduleuse, Lieu de prestation](https://juriel.be/fr/jurisprudence/conseil-intention-frauduleuse-lieu-prestation-cour-appel-bruxelles-2025-03-19-39e9) 4 dispositions communes

[Fraude fiscale, Fausses factures, Indices de fraude](https://juriel.be/fr/jurisprudence/fraude-fiscale-fausses-factures-indices-cour-appel-bruxelles-2022-12-01-3bd0) 4 dispositions communes

[Chiffre d'affaires non déclaré, Consultation du dossier judiciaire](https://juriel.be/fr/jurisprudence/chiffre-affaires-non-declare-consultation-tribunal-gand-2024-03-13-4c82) 4 dispositions communes

[Indices de fraude, Droit de se taire](https://juriel.be/fr/jurisprudence/indices-fraude-droit-se-taire-cour-appel-bruxelles-2023-06-28-5ed6) 4 dispositions communes
