---
title: "Prolongation du délai de prescription, droit à déduction · Cour d&#x27;appel de Gand, 19 septembre 2023"
description: "Prolongation du délai de prescription, droit à déduction, chiffre d’affaires non déclaré, amende légale. Cour d'appel de Gand (Belgique), 19 septembre 2023."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/prolongation-delai-prescription-droit-deduction-cour-appel-gand-2023-09-19-8471"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Prolongation du délai de prescription, droit à déduction

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Gand

**Date**

19 septembre 2023

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

**Sens lu par le SPF**

mixte

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

403 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'appel de Gand du 19.09.2023

WF 709-15-13/050256

\[Arrêt partiellement favorable\]

*Taxe sur la valeur ajoutée – prolongation du délai de prescription – droit à déduction – chiffre d’affaires non déclaré – amende légale*

## Dispositions légales

Article 81bis, § 1, deuxième alinéa, 4° et [article 84ter du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84ter)

[Article 45 du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45)

Article 53, § 1, premier alinéa, 2° et 3°, article 53octies, § 1, 5e alinéa du Code de la TVA et [article 18 de l’AR n° 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-18-ae74)

[Article 70, § 1 du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70)

## Résumé

## 1. Faits et antécédents de procédure

L’assujetti est immatriculé à la TVA pour l’exploitation d’un café.

Suite à un contrôle chez l’assujetti, une notification d’indices de fraude fiscale a été envoyée par recommandé le 25 septembre 2012 concernant le chiffre d’affaires pour les années 2005, 2006, 2007 et 2008. Le 18 janvier 2013, le délai de prescription a été prolongé en raison des indices de fraude fiscale relatifs au chiffre d’affaires de l’année 2009.

Lors du contrôle, des infractions relatives au régime du droit à déduction et au chiffre d’affaires déclaré ont été constatées. Les infractions ont été consignées dans un procès-verbal.

La partie adverse a déposé une requête fiscale au greffe du tribunal de première instance de Flandre orientale, division Gand.

Le premier juge a jugé que la demande de la partie adverse était recevable et partiellement fondée. Étant donné qu’il n’y a pas de preuve de l’envoi d’une notification préalable concernant la TVA pour l’année 2009, la régularisation pour l’année 2009 est prescrite. L’amende sur la dette restante est réduite à 50 %.

L’administration a déposé une requête en appel concernant l’amende, contre laquelle la partie adverse a formé un appel incident.

## 2. L’arrêt de la cour d’appel

La cour a jugé qu’en ce qui concerne l’amende légale, il n’y a pas de violation de l’obligation de motivation, pas de dépassement du délai raisonnable et pas de violation du principe non bis in idem. Dans le cadre de l’examen de proportionnalité en vertu de l’article 6.1 de la CEDH, le juge, tenant compte des sanctions définitives en matière d’impôt sur les revenus des personnes physiques pour l’absence de déclaration du même chiffre d’affaires, a réduit l’amende à 100 %.

L’État belge, compte tenu de la jurisprudence récente de la Cour de cassation, n’a pas introduit de pourvoi en cassation contre cet arrêt.

**Texte de l’arrêt**

***L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale***

### Corps de la décision

**Hof van beroep Gent, vijfde kamer**

Arrest van 19/09/2023

Rol: 2022/AR/745

In de zaak van:

**BELGISCHE STAAT,** ON 0308.357.159,

Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal - Directeur KMO Aalst 772, met burelen te 9300 AALST, Dr. André Sierensstraat,

*appellant,*

*hebbende als raadsman mr. L. G., advocaat te ...*

tegen

**S. M.,** ON ••••.•••.•••, zelfstandige,

met zetel te ...,

*geïntimeerde,*

*hebbende als raadsman mr. S. T., advocaat te ... en mr. V. D. B. J., advocaat te ...*

wijst het hof het volgend arrest:

## 1. De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift van 29 april 2022 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zesde kamer, op 25 oktober 2021 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 13/3292/A, waarvan uit het stuk 13 van de geïntimeerde blijkt dat het op zijn verzoek op 21 april 2022 aan de appellant werd betekend.

De zaak werd behandeld in de openbare terechtzitting van 20 juni 2023, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

## 2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

De geïntimeerde is btw-belastingplichtige wegens zijn economische activiteit als caféhouder.

Hij was minstens tot 2010 klant van drankengroothandel C. D.. Tegen C. D. werd in 2010 een (strafrechtelijk) onderzoek naar fraude via onderfacturatie gevoerd.

Op 10 oktober 2012 werd bij de geïntimeerde door de appellant een fiscale controle uitgevoerd voor de periode van 1 januari 2006 tot 31 december 2010.

De controleagent heeft van zijn bevindingen en zijn conclusies op 29 augustus 2013 een proces- verbaal opgesteld, waarin hij de volgende overtredingen meende te hebben vastgesteld.

1\. Inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van de verplichting in het bezit te zijn van een regelmatige factuur (art. 45 W.BTW) met betrekking tot de jaren 2006 en 2007. In de periodieke btw -aangiften zou de geïntimeerde de volgende bedragen hebben opgenomen in

het rooster 59 "aftrekbare btw":

\- 2006: 14.065,80 EUR

\- 2007: 15.168,66 EUR

Totaal: 29.234,46 EUR, waarvoor geen stavingstukken voorlagen.

Met toepassing van artikel 70 §1 W.BTW en [artikel 1 laatste alinea KB nr. 41](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958#ar41-art1) van 30 januari 1987, tabel H van de bijlagen werd een proportionele geldboete opgelegd van 10 procent van de belasting of 2.923,45 euro.

2.Inbreuken in verband met niet-aangegeven omzet (art. 53, §1, lid 1, 2° en 3° en 53 octies, §1,

lid 5 WBTW).

De controleagent verwees naar de inzage van het strafdossier tegen C. D., waaruit zou zijn gebleken dat bij vergelijking tussen het bedrag van de leveringsbonnen en het bedrag van de klantenlisting van C. D. wat de geïntimeerde betreft de volgende verschillen bestonden tussen wat geleverd was en wat was gefactureerd (omzet):

\- 2006: 33.390,05 euro;

\- 2007: 29.331,47 euro;

\- 2008: 21.026,31 euro;

\- 2009: 19.573,65 euro;

\- 2010: 3.953,74 euro.

Volgens de controleagent bestaat een vermoeden dat in de jaren 2006 tot 2010 leveringen

zonder factuur (in het zwart') gebeurden door C. D. aan de geïntimeerde.

Voor elk van de jaren ging de controleagent over tot wedersamenstelling van niet aangegeven ontvangsten van niet geboekte aankopen bij C. D.. Vervolgens werd de toepasselijke winstmarge toegepast zoals door de geïntimeerde zelf aangegeven (aangegeven omzet gedeeld door de kostprijs van de verkochte aankopen).

Op die manier kwam de controleagent tot een bedrag van 54.120,02 euro dat aan btw door de geïntimeerde verschuldigd zou zijn op niet aangegeven ontvangsten, meer bepaald:

\- 2006: 17.855,91 euro;

\- 2007: 14.261,13 euro;

\- 2008: 10.452,81 euro;

\- 2009: 9.577,39 euro;

\- 2010: 1.972,78 euro.

Totaal btw: 54.120,02 euro.

Met toepassing van [artikel 70 § 1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) werd een proportionele geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting, of 108.240,04 euro.

3\. Inbreuken op de toepassing van [artikel 61 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-61).

Volgens het proces-verbaal werd door de controleagent op 10 oktober 2012 op basis van [artikel 61 § 1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-61) aan de geïntimeerde gevraagd om stukken voor te leggen voor de jaren 2006 en 2007 en werd hieraan geen gevolg gegeven.

Onder de volgende motivering werd voor die inbreuk een boete opgelegd van 1.000 euro.

*Voor wat betreft de overtreding opgenomen in rubriek III van dit ontwerp van proces-verbaal wordt de geldboete wordt in uitvoering van artikel 109 van de Wet van 4 augustus 1986, houdende fiscale bepalingen en in uitvoering van* [*artikel 1 van het Koninklijk besluit nr. 44*](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-44-juillet-fixant-montant-amendes-fiscales-8456#ar44-art1) *van 9 juli 2012 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW afdeling 4 rubriek IV van de bijlage bij dit besluit vastgesteld op 1.000 EUR per overtreding.*

Het proces-verbaal verklaarde ook de interest verschuldigd op grond van [artikel 91 § 1, 1° WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) (aan 0,8 procent 'per maand vertraging te rekenen vanaf 21 januari 2011) op de onterecht afgetrokken en nog verschuldigde belasting, afgerond naar het lager gelegen 10-tal euro.

Op 13 september 2013 heeft de appellant ten nadele van de geïntimeerde op basis van het voornoemde proces-verbaal een dwangbevel uitgevaardigd onder ROIV-nummer 50...69. Het dwangbevel werd op 17 september 2013 geviseerd en uitvoerbaar verklaard voor de volgende bedragen:

\- een btw-schuld: 83.354,48 euro;

\- een proportionele geldboete: 112.160,00 euro;

\- Interesten conform [artikel 91, § 1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91), berekend vanaf 21 januari 2011: 21.337,60 euro.

Dat dwangbevel werd bij gerechtsdeurwaardersexploot aan de geïntimeerde betekend op 27 september 2013. Met een verzoekschrift van 1 oktober 2013 heeft de geïntimeerde zijn vordering ingesteld voor de rechtbank van eerste aanleg van Gent (sinds 1 april 2014 de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent) waarmee hij opkwam tegen het vermelde dwangbevel en de daar voormelde sommen integraal betwistte.

Bij tussenvonnis van 3 januari 2019 heeft de eerste rechter geoordeeld dat de stukkenbundel van de appellant ontoereikend was en beslist tot ambtshalve heropening van het debat om de appellant toe te laten de nog ontbrekende stukken over te maken en daarover ter zitting een aantal preciseringen te geven. De zaak werd in voortzetting gesteld op de openbare terechtzitting van 27 april 2020. De appellant heeft op 1 april 2020 een reeks extra stukken neergelegd, waarop de zaak op de zitting van 27 april 2020 werd verdaagd omdat de geïntimeerde nog wenste te antwoorden, waarop een nieuwe rechtsdag werd bepaald op 27 september 2021, waarop de zaak werd behandeld.

In het vonnis van 25 oktober 2021 heeft de zesde kamer van de rechtbank van eerste aanleg

Oost-Vlaanderen, afdeling Gent beslist om:

*- de vordering van eiser ontvankelijk en gedeeltelijk (beperkt) gegrond te verklaren in volgende*

*mate;*

*- het dwangbevel gedeeltelijk te vernietigen,* *in zoverre* *de BTW-navordering van:*

** *32.157,91 EUR, meer interesten, voor de weerhouden "inbreuk I" niet is verschuldigd wegens verjaring (zie randnummer 2.8);*

** *9.577,39 EUR en de proportionele geldboete van 200% ofwel een bedrag van 19.114,78 EUR,*

*niet is verschuldigd (zie randnummer 2.12);*

*En in zoverre* *de administratieve geldboete:*

** *te herleiden tot 50% rekening houdend met randnummer 2.19, zodat deze 22.271,31 EUR bedraagt (50% op 44.452,63 EUR i.p.v. 108.240,04).*

*-* *de herberekening te bevelen van de navordering van de BTW rekening houdend met de hierboven vermelde elementen (rekening houdend met randnummer 2.19);*

*-* *de terugbetaling te bevelen van alle op grond van voormelde navordering ten onrechte geïnde sommen, vermeerderd met de moratoriumintrest;*

*-* *de vordering van eiser voor het overige ongegrond te verklaren;*

*-* *te zeggen voor recht dat iedere partij zijn eigen kosten draagt, in hoofde van eiser te begroten op de kosten voor het bijdragefonds voor een bedrag van 20,00 EUR en in hoofde van verweerster te begroten op 00,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.*

Het is tegen dat vonnis dat de appellant hoger beroep heeft ingesteld.

De geïntimeerde stelde incidenteel hoger beroep in.

## 3. De vorderingen van de partijen

### 3.1. De vordering van de appellant

De appellant vraagt in hoger beroep aan het hof om:

*-* *haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Oost-Vlaanderen, afdeling Gent d.d. 25 oktober 2021 deels te vernietigen in de mate dat de oorspronkelijke boete van 200% dient behouden te blijven;*

*-* *het incidenteel beroep van geïntimeerde ontvankelijk doch ongegrond te verklaren.*

*-* *geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen te veroordelen, inclusief de rechtsplegingvergoeding in hoger beroep van 7.500,00 EUR.*

### 3.2. De vordering van de geïntimeerde

De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:

*-* *Het hoger beroep van de administratie ontvankelijk, maar ongegrond te verklaren en dienvolgens het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Oost-Vlaanderen, afdeling Gent d.d. 25 oktober 2021 deels te bevestigen in de mate dat het dwangbevel inzake BTW met RCIV-nummer 50...69 van 13 september 2003 wordt vernietigd en terugbetaling wordt bevolen van alle onterecht geïnde sommen, vermeerderd met moratoriuminterest;*

*-* *Het incidenteel beroep van concluante ingesteld bij conclusie van 24 augustus 2022 ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Oost-Vlaanderen, afdeling Gent d.d. 25 oktober 2021 deels te vernietigen in de mate dat de oorspronkelijke vordering van concluante ongegrond werd verklaard en, opnieuw recht doende:*

** *het dwangbevel inzake BTW met RCIV-nummer 50...69 van 13 september 2003 bijkomend te vernietigen en vast te stellen voor recht dat de erin opgenomen bedragen niet verschuldigd zijn in de mate dat:*

•*een proportionele administratieve boete (initieel begroot op 200 % of 108.240,04 EUR), meer nalatigheidsinteresten, wordt nagevorderd voor een in het proces-verbaal van 29 augustus 2013 weerhouden inbreuk II met betrekking tot de jaren 2006 tot en met 2010;*

•*een niet-proportionele administratieve boete (begroot op 1.000 EUR), meer nalatigheidsinteresten, wordt nagevorderd voor een in het proces-verbaal van 29 augustus 2013 weerhouden inbreuk III;*

** *De Belgische Staat te veroordelen tot betaling van minstens 8/10 van de kosten voor de procedure in eerste aanleg, die in hoofde van concluant kunnen worden begroot op de rechtsplegingsvergoeding ten belope van 6.500 EUR;*

** *Terugbetaling dan wel vrijgave te bevelen van alle ten onrechte geïnde of betaalde sommen verhoogd met de moratoriuminteresten;*

•*De Belgische Staat te veroordelen tot betaling van de kosten voor de procedure in hoger beroep, met inbegrip van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding, die in hoofde van concluant kunnen worden begroot op de rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in hoger beroep van 7.500,00 EUR.*

## 4. De betwistingen en hun beoordeling

Het hoger beroep (ook het principaal hoger beroep en het incidenteel hoger beroep samen) is een beperkt hoger beroep in de zin dat niet langer betwisting wordt gevoerd over de belasting op zich, ook niet voor het gedeelte dat door de eerste rechter als verjaard werd beschouwd. De betwistingen hebben uitsluitend nog betrekking op de opgelegde boetes.

4.1. Over de boete opgelegd wegens en in verhouding tot de niet-aangegeven omzet (,z warte verkoop afgeleid uit zwarte aankoop)

Waar het principaal hoger beroep er toe strekt de oorspronkelijk opgelegde boete van 200% (nu nog te berekenen op het deel van de omzet waarvoor geen verjaring werd vastgesteld) integraal te bevestigen, vraagt de geïntimeerde om die boete te vernietigen, integraal te ontheffen of minstens te beperken.

### 4.1.1. De door de geïntimeerde aangevoerde redenen tot vernietiging van het dwangbevel wat die boete betreft wegens gebrek aan motivering

Op pagina 13 van het proces-verbaal van 29 augustus 2013 staat wat betreft de betreffende boete de volgende motivering:

*Bij de vergelijking tussen de bedragen van de aangekochte dranken vermeld op de leveringsbonnen en de bedragen van de geboekte aankopen voor de jaren 2006 tot 2010 werden grote verschillen vastgesteld. Hieruit blijkt dat er in de bedoelde jaren leveringen gebeurden door de NV C. D. aan dhr. S. M. die niet gefactureerd werden en dat er bijgevolg bij dhr. S. M. eveneens zwarte verkopen werden gerealiseerd.*

Anders dan wat de geïntimeerde voorhoudt, bevat die motivering wel degelijk het feit dat er volgens de appellant door de geïntimeerde fraude was gepleegd. Dat is immers wat de controleagent bedoelde waar hij vermeldde dat er 'zwarte verkopen werden gerealiseerd'.

Die motivering verwijst verder naar de feiten die in de andere gedeelten van het proces-verbaal uitgebreid vermeld zijn en die als zodanig op niets anders neerkomen dan fraudepraktijken en redelijkerwijze door de lezer ook als zodanig moeten worden opgevat. Bovendien werden die feiten in het betreffende proces-verbaal ook in verband gebracht met de uitbreiding van de termijn waarvan uitdrukkelijk door de controleagent is vermeld dat ze inbreuken uitmaken die begaan werden met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden.

In het proces-verbaal is verduidelijkt dat de boete wordt opgelegd op grond van [artikel 70 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70). Dat artikel voorziet dat de boete 200% bedraagt. Om de boete van 200% op te leggen, is die verwijzing pertinent. Het is als zodanig niet vereist dat expliciet wordt vermeld dat wegens de vaststelling van fraude (waarvoor de feiten en de motivering afdoende steun bieden) er geen reden is om een lagere boete op te leggen.

Er is geen schending van de bijzondere motiveringsplicht. Deze grief van het incidenteel hoger beroep is ongegrond.

4.1.2. De door de geïntimeerde aangevoerde redenen tot vernietiging, van het dwangbevel wat die boete betreft wegens overschrijding van de redelijke termijn

De geïntimeerde roept in dat de procedure heel lang heeft aangesleept, te beginnen met zijn verzoekschrift voor de eerste rechter dat onmiddellijk na de kennisgeving van het dwangbevel werd neergelegd en waarin de meeste redenen van uitstel bij de appellant zelf gelegen waren.

Hoewel de boete een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, zijn de principes van het strafrecht hier niet zonder meer toepasselijk. Belangrijk is dat de geïntimeerde al vanaf de kennisgeving van het bestreden dwangbevel weet welke sanctie hem boven het hoofd hangt in de zin dat de appellant die boete al heeft opgelegd en de vordering er hoogstens toe kan strekken om die ofwel te annuleren, kwijt te schelden of te verminderen. Dat is in strafzaken niet het geval aangezien daar de straf pas door de strafrechter wordt vastgelegd (en het aantekenen van ontvankelijk hoger beroep geacht wordt de in eerste aanleg opgelegde straf integraal als onbestaande te beschouwen). De ratio legis van de redelijke termijn in strafzaken is te vermijden dat de verdachte lange tijd in het ongewisse zou blijven over de uitkomst van een strafvervolging waarvan hij weet dat ze tegen hem loopt. De redelijke termijn gaat in die context in op 'de dag waarop de betrokkene in beschuldiging wordt gesteld wegens het plegen van een strafbaar feit of wanneer hij wegens enige andere daad van opsporings- of vooronderzoek onder de dreiging van een strafvervolging leeft, en dit een ernstige weerslag heeft op zijn persoonlijke toestand, met name dat hij verplicht is geweest bepaalde maatregelen te nemen om zich te verdedigen tegen de beschuldigingen die in de zin van het EVRM tegen hem werden ingebracht (Cass. 20 maart 2000, *Arr. Cass.* 2000., nr. 191, rolnr. 5.99.0163.N, via www.juportal.be). De redelijke termijn begint dus niet te lopen vanaf het ogenblik dat de strafbare feiten gepleegd zijn (Cass. 27 mei 2008, *Pas.* 2008, afl. 5, p. 1319, rolnr. P.08.0402.N, via www.juportal.be).

Daarnaast werd het huidige geschil niet enkel gevoerd met betrekking tot de boete, maar in eerste instantie om te betwisten dat er belasting verschuldigd was. Dat is relevant omdat bij de evaluatie van de redelijke termijn onder andere rekening moet worden gehouden met de complexiteit van de zaak.

Verder is het nog de vraag naar de gevolgen van een eventuele schending van de redelijke termijn. Wat dat betreft, geldt (zoals in strafzaken) dat noch het EVRM noch het IVBPR bepalen welke sancties of rechtsgevolgen aan een overschrijding van de redelijke termijn moet worden gekoppeld. Artikel 13 EVRM bepaalt enkel dat eenieder wiens bij dit verdrag gewaarborgde rechten geschonden zijn, recht heeft op een daadwerkelijke rechtshulp voor een nationale instantie. Aangezien het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zelf niet bevoegd is om een strafprocedure nietig te verklaren of wetgevende maatregelen voor te stellen, komt het aan de lidstaten toe om te bepalen welke algemene of individuele maatregelen zich opdringen om een einde te stellen aan een inbreuk op de door het EVRM beschermde rechten. Het herstel moet een passende en voldoende compensatie uitmaken voor de overdreven lange duur van de procedure, waardoor er een evenredigheid moet zijn tussen het herstel en de mate van overschrijding. Het EHRM stelt wel dat een gepaste compensatie, rekening houdend met de feitelijke toedracht van de zaak, eventueel de ontvankelijkheid van de strafvordering of strafvermindering kan zijn, terwijl een loutere schadevergoeding geen voldoende en passende herstel kan zijn voor de benadeelde.

In strafzaken — dus anders dan hier — heeft de wetgever de toen al bestaande cassatierechtspraak bekrachtigd via de wet van 30 juni 2000 met de invoeging van het nieuw artikel 21ter in de voorafgaande titel van het wetboek van strafvordering. Dat artikel 21ter VTSv luidt als volgt:

*Indien de duur van de strafvervolging de redelijke termijn overschrijdt, kan de rechter de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring uitspreken of een straf uitspreken die lager kan zijn dan de wettelijke minimumstraf.*

*Wanneer de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring wordt uitgesproken, wordt de verdachte veroordeeld in de kosten en, zo daartoe aanleiding bestaat, tot teruggave. De bijzondere verbeurdverklaring wordt uitgesproken.*

Daar waar, zoals hoger vermeld, de boete al van bij aanvang bekend is, is er sowieso geen reden, noch grondslag om — indien de redelijke termijn zou overschreden zijn — de 'vordering tot heffing van de boete' als onontvankelijk te beschouwen. De administratief opgelegde boete kan slechts aan het oordeel van de rechter onderworpen worden.

Het staat vast dat een belangrijk deel van de vertraging in de afhandeling van de zaak voor de eerste rechter verband hield met het feit dat de appellant zich op een stukkenbundel beriep waarvan duidelijk was dat er essentiële onderdelen die tot zijn bewijsaanname hadden gediend voor de taxatie, niet werden voorgelegd. In die zin heeft de appellant eerst zijn dossier op aandringen van de geïntimeerde aangevuld; omdat ook dat niet volstond heeft de eerste rechter ook het debat moeten heropenen om bijkomende bewijsstukken die blijkbaar bestonden aan het debat toe te voegen; hoewel de zaak in voortzetting stond op meer dan een jaar, heeft de appellant vervolgens de gevraagde stukken pas kort voor de rechtsdag voorgelegd, waardoor de zaak nogmaals moest worden verdaagd. De vertraging die aan de geïntimeerde kan worden toegewezen, is minimaal. De appellant weerlegt in dat verband de pertinente uiteenzetting van de geïntimeerde in zijn conclusie niet.

Die bewijsvoering had evenwel in eerste instantie en in belangrijke mate te maken met de vraag of de naheffing van belasting terecht was. De vraag naar de proportionele boete zou in eerste instantie het lot volgen van het antwoord op de vraag of de betwiste belasting al dan niet verschuldigd was. De betwisting over de voor te leggen bewijsstukken hield op zich geen verband met de betwisting over de evenredigheid en/of omvang van een gepaste boete. Verder laat de appellant met reden opmerken dat een deel van de stukken waarvan de geïntimeerde inriep dat ze moesten worden voorgelegd, bestelbonnen waren waarvan is gebleken dat geïntimeerde ze zelf als de beste heeft gekend en als belastingplichtige had moeten bijhouden en dus zelf had moeten voorleggen. De moeilijkheid voor het bewijs is wat dat betreft dan ook veroorzaakt door de eigen houding van de geïntimeerde.

Tegen die achtergrond is er alvast geen reden om de hier bestreden boetes geheel onverschuldigd te verklaren wegens de lange tijd die de afhandeling van de procedure ingenomen heeft.

Hoogstens kan dat gegeven in rekening gebracht worden bij de beoordeling met volle rechtsmacht die het hof hierna zal maken (zie verder hoofdstuk 4.1.4.).

4.1.3. De door de geïntimeerde aangevoerde redenen tot vernietiging. van het dwangbevel wat die boete betreft wegens schending van het non-bis-in-idem-beginsel

De geïntimeerde wijst op het feit dat op zijn naam voor dezelfde periodes als waarvoor hier btw op 'zwarte verkopen' werd aangerekend, de volgende aanslagen in de personenbelasting werden gevestigd:

\- aanslagjaar 2007: 52.638,98 euro, inclusief 16.871,47 euro belastingverhoging;

\- aanslagjaar 2008: 41.510,09 euro, inclusief 13.304,52 euro belastingverhoging;

\- aanslagjaar 2009: 31.069,43 euro, inclusief 9.931,07 euro belastingverhoging;

\- aanslagjaar 2010: 27.942,66 euro, inclusief 8.960,81 euro belastingverhoging en

\- aanslagjaar 2011: 3.350,43 euro, zonder belastingverhoging.

De belastingverhogingen vertegenwoordigen samen 49.067,87 euro.

De geïntimeerde heeft deze aanslagen en de belastingverhoging in rechte aangevochten. De arresten die door het hof van beroep Gent daarin gewezen werden, zijn alle definitief.

De geïntimeerde roept in dat hij al voor in wezen dezelfde feiten al een sanctie onderging door de definitief opgelegde belastingverhogingen inzake personenbelasting.

Artikel 4 van het 7 de protocol bij het EVRM houdt een verbod in om een persoon voor een tweede inbreuk te vervolgen of te berechten voor zover deze inbreuk voortvloeit uit identieke feiten of feiten die in wezen dezelfde zijn als die welke tot de eerste inbreuk hebben geleid (zie EHRM 10 februari 2009, *Z. / Rusland,* nr. 14939/03, *www.echrcoe.int).* Het verbod slaat niet alleen op een cumul van twee strafrechtelijke sancties, maar ook op een cumul van een straf- en een administratieve sanctie (zie EHRM 16 juni 2009, *R. / Finland,* nr. 13079/03, *www.echr.coe.int;* *TFR* jaargang 2010, nr. 382, p. 501, met noot B. Coopman en K. Hens, *Samenloop van straf en boete in fiscalibus niet meer mogelijk ingevolge recente rechtspraak Europees Hof).*

Er moet worden aangenomen dat dit ook geldt voor twee administratieve sancties die een strafrechtelijk karakter hebben in de zin van artikel 6 EVRM, zoals hier het geval is.

Het moet wel gaan om twee sancties voor dezelfde of in wezen dezelfde feiten.

Artikel 14, lid 7 BUPO-verdrag houdt van zijn kant een verbod in om voor een tweede keer berecht of gestraft te worden voor een strafbaar feit waarvoor de betrokkene al overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken.

Nochtans, wanneer een nationaal systeem toelaat om voor feiten die fiscale fraude inhouden tegelijk een penale vervolging te voeren en fiscale taxatie met inbegrip van een belastingverhoging met een strafrechtelijk karakter, is er geen schending van het non bis in idem-beginsel neergelegd in artikel 4 van het 7 de protocol bij het EVRM wanneer tussen de beslissing over de belastingverhoging en de daaropvolgende penale veroordeling zowel een materiële als een temporele band bestaat die voldoende nauw is om aan te nemen dat die beide maatregelen zich inschrijven in een geïntegreerd mechanisme van sancties die door de nationale wet zijn voorzien in het geval de belastingplichtige nalaat bepaalde gegevens aan te geven die relevant zijn om de belastbare grondslag te bepalen. Belangrijk daarbij is dat de cumul van de beide sancties voor de belastingplichtige in de concrete omstandigheden voorzienbaar was. Ook is essentieel dat bij het bepalen van de tweede sanctie rekening gehouden wordt met het bestaan en de omvang van de eerst opgelegde sanctie (vgl. EHRM, 15 november 2016, zaak A&B tegen Noorwegen, volgnrs. 24130/11 en 29758/11, via http://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-168973 of http://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001- 168972). Er moet worden aangenomen dat dit ook geldt voor twee administratieve sancties die een strafrechtelijk karakter hebben in de zin van artikel 6 EVRM, zoals hier het geval is.

Zelfs wanneer de opgelegde straf inzake btw enerzijds en de belastingverhoging inzake de inkomstenbelastingen anderzijds, opgelegd werden voor de feiten die in wezen dezelfde zijn, dan nog blijkt dat het Belgische recht precies voor de onderscheiden schending van de rechtsregels in afzonderlijke sancties voorziet die de vorm kunnen aannemen van een sanctie met strafrechtelijk karakter in de zin van artikel 6 EVRM. De cumul van die sancties is voor de appellante een voorzienbaar gegeven geweest. Zoals uit stukken van de geïntimeerde blijkt en weergegeven staat in het feitenrelaas van de voorgelegde arresten, werd het fiscaal onderzoek inzake de inkomstenbelasting tegelijk met het onderzoek inzake de btw en op basis van dezelfde vaststellingen gevoerd. De procedures werden in dezelfde tijdsperiode opgestart, en de finalisering van de belastingaanslagen deed zich in dezelfde periode voor als de invordering van de btw. De beide procedures gaven aanleiding tot het opleggen van een sanctie met strafrechtelijk karakter. Er is dus een nauwe temporele band tussen de beide procedures. Doordat de beide vervolgingen voortvloeien uit dezelfde praktijk bestaande uit het doen van aankopen zonder facturen om vervolgens die aangekochte goederen te verkopen zonder die omzet voor de belasting in aanmerking te nemen (wat zowel voor de btw als de personenbelasting het materieel element uitmaakt van de bestrafte inbreuken), is er ook een nauw materiële band tussen de beide administratieve procedures.

Aangezien het hof hierna, gebruik makend van de volle rechtsmacht waarmee het de opgelegde boete kan beoordelen, rekening zal houden met het bestaan van de sanctie opgelegd inzake personenbelasting, is er geen sprake van een schending van het non bis in idem-beginsel.

4.1.4. De beoordeling door het hof van de opgelegde boete 'met volle rechtsmacht'

4.1.4.1. Ten onrechte roept de appellant in dat het hof niet over de nodige rechtsmacht zou beschikken om een beoordeling te maken van de omvang van de boete om reden dat dit een voorrecht is van de Minister van Financiën op grond van het Regentsbesluit nr. 78 van 18 maart 1831, of minstens omdat de geïntimeerde nagelaten heeft om op grond van dat Regentsbesluit een verzoek tot de Minister te richten.

Artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 verleent een genaderecht aan de uitvoerende macht (de Minister van Financiën). De uitoefening van de toetsingsbevoegdheid die de rechter heeft om op grond van artikel 6.1 EVRM met volle rechtsmacht over een administratieve sanctie met strafrechtelijk karakter in de zin van dat artikel te oordelen, is geen dergelijk genaderecht. De uitoefening van die toetsingsbevoegdheid door de rechter, houdt dus niet in dat hij zich in de plaats stelt van de uitvoerende macht en een genaderecht uitoefent.

Die vereiste van toetsing met volle rechtsmacht, vervat in artikel 6.1 EVRM, is — anders dan wat de appellant voorhoudt - niet afhankelijk van de voorwaarde dat de overtreder voorafgaandelijk op grond van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 bij de minister van Financiën of zijn gedelegeerde een verzoek tot kwijtschelding of vermindering van de opgelegde administratieve geldboete heeft ingediend (vgl. Cass. 24 maart 2023, rolnr. [F.21. 0056.N](https://juriel.be/fr/jurisprudence/amende-fiscale-proportionnalite-droit-grace-cassation-bruxelles-2023-03-24-d9b4), via www.juportal.be).

4.1.4.2. Beoordeling met volle rechtsmacht

De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve geldboete opgelegd op grond van [artikel 70, § 1, WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) te toetsen, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.

Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.

De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie, in welk geval de rechter een

grotere terughoudendheid moet in acht nemen (o.a. het hoger geciteerde Cass. 24 maart 2023, rolnr. [F.21. 0056.N](https://juriel.be/fr/jurisprudence/amende-fiscale-proportionnalite-droit-grace-cassation-bruxelles-2023-03-24-d9b4), via www.juportal.be).

Er is in deze zaak reden om de boete te verlagen, maar niet om ze te annuleren of kwijt te schelden

Het doel van de boete is om zowel (mede maatschappelijk) te vergoeden, het laakbare gedrag te bestraffen, als voldoende af te schrikken zodat herhaling in de toekomst vermeden wordt.

Het is onmiskenbaar dat het door C. D. opgezet systeem ertoe strekte haar afnemers, zoals de geïntimeerde, toe te laten belastingen te ontduiken. De fraude in hoofde van de geïntimeerde is manifest.

Hoger is vastgesteld dat er sinds de betekening van het dwangbevel op 27 september 2013 aan de geïntimeerde is ter kennis gebracht dat de opgelegde administratieve sanctie wegens het niet aangeven van de btw op de verdoken omzet gelijk was aan 200%, dat de procedure heel lang heeft aangesleept waarin de oorzaken van uitstel slechts in beperkte mate bij de geïntimeerde gesitueerd zijn, maar in eerste orde verband hielden met de beoordeling van de vraag of de belasting verschuldigd was. Deze vaststelling kan nochtans niet uitsluiten dat de betwisting over de werkelijk door de geïntimeerde verschuldigde boete nog steeds niet is afgelopen en dat voor de geïntimeerde een lange tijd van onzekerheid daarover met zich brengt. In die zin kan bij de toemeting van de zwaarte van de sanctie in zekere mate rekening gehouden worden met dat gegeven.

Hoger is ook al vastgesteld dat de geïntimeerde wegens het frauduleus niet-aangeven in de personenbelasting (als winst) van dezelfde omzet die hier aan de btw is onderworpen belangrijke administratieve sancties heeft opgelopen die definitief geworden zijn. De feiten die aan de grondslag liggen van de betreffende btw-boete zijn in wezen dezelfde als deze voor de personenbelasting. Waar de sanctie in verhouding moet staan tot de aard en de ernst van de inbreuken, moet ook met de reeds inzake de personenbelasting ondergane sanctie rekening worden gehouden.

De gegevens uit het dossier geven indicatie van het feit dat de geïntimeerde een besteedbaar inkomen uit zijn beroepsactiviteit haalde die tot deze van de middenklasse mag worden gerekend met ruimte voor sparen. De geïntimeerde verstrekt zelf geen nadere gegevens die toelaten zijn (betaal)vermogen in te schatten.

Tegen die achtergrond moet de (bijkomende) sanctie nog steeds bereiken — zoals hoger vermeld — dat ze de geïntimeerde straft, voldoende afschrikt (om herhaling te vermijden) en (mede maatschappelijk, want in acht genomen de belangen van de gemeenschap van belastingbetalers) vergoedt.

Er moet verder blijvend in acht genomen worden dat inbreuken op btw-verplichtingen met voldoende strengheid moet worden toegepast omdat de belastingplichtige voor de btw in

wezen van zijn klanten de btw ontvangt namens en voor rekening van de Schatkist en dat de verstoring van deze relatie aan de kern van de werking van het btw-stelsel raakt.

Om de doelstellingen van de betreffende boete afdoende te respecteren, vermindert het hof de boete tot 100%, zijnde **44.542,63 euro.**

Deze grief van het principaal hoger beroep is gedeeltelijk gegrond; de grief van het incidenteel hoger beroep is ongegrond.

#### 4.2. Over de forfaitaire boete van 1.000,00 euro wegens het niet voorleggen van stukken

### 4.2.1. De door de geïntimeerde aangevoerde redenen tot vernietiging van het dwangbevel wat die boete betreft wegens gebrek aan motivering

De geïntimeerde stelt incidenteel hoger beroep in omdat de eerste rechter niet inging op zijn middel dat gesteund is op de vaststelling dat in het proces-verbaal van 29 augustus 2013 alleen in de eerste paragraaf van [artikel 70 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) wordt verwezen om een boete te motiveren wegens het niet-voorleggen van stukken, terwijl die eerste paragraaf alleen slaat op overtredingen van de verplichting om de belasting te voldoen.

Deze grief is nochtans ongegrond.

Het proces-verbaal verwijst naar [artikel 70 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70).

Het is juist dat alleen de eerste paragraaf van dat artikel geciteerd wordt. Dat gebeurt in het algemeen deel van het hoofdstuk waarin de controleagent de motivering voor de boetes formuleerde.

Specifiek voor de boete wegens het niet voorleggen van stukken, vermeldde de controleagent in het proces-verbaal de volgende motivering:

*Voor wat betreft de overtreding opgenomen in rubriek III van dit ontwerp van proces-verbaal wordt de geldboete in uitvoering van artikel 109 van de Wet van 4 augustus 1986, houdende fiscale bepalingen en in uitvoering van* [*artikel 1 van het Koninklijk besluit nr. 44*](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-44-juillet-fixant-montant-amendes-fiscales-8456#ar44-art1) *van 9 juli 2012 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW afdeling 4 rubriek IV van de bijlage bij dit besluit vastgesteld op 1.000,00 EUR per overtreding.*

Het is onbetwist(baar) dat het proces-verbaal de nodige motivering bevat wat betreft de feiten die aan de grondslag liggen van de opgelegde boete. Er wordt immers duidelijk uiteengezet dat de geïntimeerde niet is ingegaan op het uitdrukkelijke verzoek om de welbepaalde aankoopfacturen voor te leggen, zoals op grond van [artikel 61 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-61) verplicht is.

Ook de motivering in rechte volstaat. De verwijzing naar rubriek IV van afdeling 4 van de bijlage bij KB nr. 44 is pertinent: daar staat dat voor de eerste overtreding van de verplichtingen bedoeld in (o.a.) [artikel 61 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-61) een boete van 1.000,00 euro verschuldigd is.

Dat is een duidelijke verwijzing naar een duidelijke tekst die de geïntimeerde niet verkeerd kon begrijpen.

Op die manier heeft de geïntimeerde zeer goed kunnen begrijpen op grond van welke feiten en van welke bepalingen hem de concrete boete werd opgelegd zodat hij kon inschatten of er redenen waren om die boete te aanvaarden of te bestrijden. De motivering was dan ook in feite en in rechte afdoende. Daartoe was niet vereist dat ook de vierde paragraaf van [artikel 70 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) (dat de wettelijke grondslag voor het KB nr. 44 vormt) in het proces-verbaal werd geciteerd. Op basis van het citaat van de eerste paragraaf kon de geïntimeerde in elk geval weten dat het niet op basis van die paragraaf was dat de betreffende boete werd opgelegd; dat citaat sloeg duidelijk op de andere opgelegde boetes.

Deze grief is ongegrond.

4.2.2. De door de geïntimeerde aangevoerde redenen tot vernietiging van het dwangbevel wat die boete betreft wegens schending van de redelijke termijn

Het hof verwijst naar zijn overwegingen, hoger in hoofdstuk 4.1.2.

Dat de procedure sedert de betekening van het bestreden dwangbevel behoorlijk lang duurde, kan niet doen besluiten tot nietigheid en onverschuldigdheid van de boete.

## 5. De gerechtskosten

### 5.1. De gerechtskosten voor de eerste aanleg

Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van de partijen, moeten de kosten in eerste aanleg door elke partij voor de helft gedragen worden.

5.1.1. Wat het rolrecht betreft

Het rolrecht is vrijgesteld (belastingen (art. 162, 4° + 279/1 Wb.Reg.)).

#### 5.1.2. Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft

De vordering in eerste aanleg is in geld waardeerbaar. De rechtsplegingsvergoeding wordt geïndexeerd op datum van de uitspraak (25/10/2021). De waarde van de vordering bevindt zich in de schijf van 100.000,01 tot 250.000,00 euro. Aangezien alleen de geïntimeerde door een advocaat vertegenwoordigd is, heeft alleen hij recht op een rechtsplegingsvergoeding. De appellant is aan de geïntimeerde de helft van het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding verschuldigd.

Na indexatie is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 6.500,00 euro. Er is geen reden om af te wijken van het basisbedrag.

De appellant is aan de geïntimeerde als rechtsplegingsvergoeding een bedrag verschuldigd van 3.250,00 euro.

### 5.2. De gerechtskosten voor het hoger beroep

Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van de partijen, moeten de kosten in hoger beroep door elke partij voor de helft gedragen worden.

5.2.1. Wat het rolrecht betreft

Het rolrecht is vrijgesteld (belastingen (art. 162, 4° + 279/1 Wb.Reg.)).

#### 5.2.2. Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft

Aangezien elke partij door een advocaat werd vertegenwoordigd/bijgestaan en de helft van de gerechtskosten moet dragen, is er geen reden om een rechtsplegingsvergoeding vast te stellen, nu de rechtsplegingsvergoedingen elkaar compenseren.

## BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak;

Het hof beslist als volgt:

 het principaal hoger beroep en het incidenteel hoger beroep hoger beroep zijn beide ontvankelijk;

 het principaal hoger beroep is deels gegrond en het incidenteel hoger beroep is ongegrond;

 het bestreden vonnis wordt bevestigd met dien verstande

\- dat de proportionele geldboete voor niet aangifte van ontvangsten wegens niet geboekte aankoop van dranken van 108.204,04 euro slechts verminderd wordt tot **44.542,63 euro** (100% op het niet-verjaarde gedeelte) en

\- dat de kosten van de eerste aanleg geregeld worden zoals hieronder bepaald;

### Dispositif

het hof

• veroordeelt de beide partijen tot het betalen van de helft van de gerechtskosten van de beide instanties, vastgesteld als volgt:

\- aan de kant van de appellant (voor de helft te zijnen laste):

 bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 22,00 EUR - aan de kant van de geïntimeerde (voor de helft te zijnen laste):

 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 6.500,00 EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, **VIJFDE KAMER,** recht doende in fiscale zaken, op **19 september 2023.**

Aanwezig:

D. V., kamervoorzitter, alleen rechtsprekend

J. D., griffier

### Décision jointe par le SPF

## Jugement du Tribunal de première instance

***Le jugement est publié uniquement dans la langue originale***

### Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, Fiscaal - zesde burgerlijke kamer

Vonnis van 25/10/2021

Rol: 13/3292/A

IN DE ZAAK VAN:

**S. M.,** zelfstandige met KBO nummer: 087...72, wonende te ...;

eisende partij, vertegenwoordigd door Meester S. T. en Meester V. B. J., beiden advocaat met kantoor te ...;

TEGEN :

**DE BELGISCHE STAAT,** FOD Financiën — FOD Financiën — Stafdienst Logistiek — Koning Albert II Iaan 33 bus 971 te 1030 Brussel, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Adviseur Generaal — Centrumdirecteur, KMO Centrum Aalst, met kantoor te 9300 Aalst, Dr. A. Sierensstraat 16 bus 1;

verwerende partil, bijgestaan door de heer X, attaché bij een fiscaal bestuur;

BESLIST DE RECHTBANK ALS VOLGT :

**I.** **DE RECHTSPLEGING.**

De rechtbank nam kennis van de argumenten van de partijen op de openbare terechtzitting van 27 september 2021. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam de zaak in beraad. De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in en in het bijzonder het gedinginleidend verzoekschrift van 27 september 2013, het BTW-dwangbevel met nummer 500...69 (op 17 september 2013 geviseerd), de conclusies en stavingsstukken van partijen.

**Eiser** vordert in 'syntheseconclusie na het tussenvonnis d.d. 3 januari 2019' de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren:

> *"De vordering van \[eiser\] toe te wijzen, en bijgevolg het verzet tegen het dwangbevel met artikelnummer 500...69 ten bedrage van 216.852,08 EUR - uitgevaardigd door de BTW-Ontvanger te Aalst op 13 september 2013 en op 17 september 2013 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door Adviseur - Gewestelijk Directeur a.i. X en vervolgens bij gerechtsdeurwaardersexploot d.d. 27 september 2013 ter kennis gebracht van eiser\] - gegrond te verklaren en het dwangbevel te vernietigen en vast te stellen voor recht dat de erin opgenomen bedragen niet verschuldigd zijn, in de mate dat:*
>
> *-* *een bedrag van 32.157,91 EUR (BTW- hoofdsom en boete), meer nalatigheidsinteresten, wordt nagevorderd voor een in het proces-verbaal van 29 augustus 2013 weerhouden inbreuk I;*
>
> *-* *een bedrag van 28.692,17 EUR (BTW- hoofdsom en boete), meer nalatigheidsinteresten, wordt nagevorderd voor een in het proces-verbaal van 29 augustus 2013 weerhouden inbreuk II met betrekking tot het jaar 2009;*
>
> *-* *een bedrag van 108.240,04 EUR (boete), meer nalatigheidsinteresten, wordt nagevorderd voor een in het proces-verbaal van 29 augustus 2013 weerhouden inbreuk II met betrekking tot de jaren 2006 tot en met 2010;*
>
> *-* *een bedrag van 1.000 EUR (boete), meer nalatigheidsinteresten, wordt nagevorderd voor een in het proces-verbaal van 29 augustus 2013 weerhouden inbreuk III;*
>
> *In uiterst ondergeschikt orde, in ieder geval de boete van 200 % voor de in het proces-verbaal van 29 augustus 2013 weerhouden inbreuk II m.b.t. de jaren 2006 t.e.m. 2010, geheel dan wel gedeeltelijk kwijt te schelden, minstens te verminderen tot maximaal 25 %.*
>
> *Terugbetaling dan wel vrijgave te bevelen van alle ten onrechte geinde of betaalde sommen verhoogd met de moratoriuminteresten;*
>
> *De kosten ten laste te leggen van de Belgische Staat, met inbegrip van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding zoals voorzien in artikel 1021 e.v. Ger. W., aan de zijde van (eiser) begroot op het basisbedrag van 6.500,00 EUR."*

**Verweerster** vordert in ‘synthesebesluiten na tussenvonnis d.d. 3 januari 2019' de vordering van eiser ontvankelijk en ongegrond te verklaren en eiser te veroordelen tot de gedingkosten.

## III. RELEVANTE FEITEN EN GESCHIL

1.Hieronder worden de relevante feiten weergegeven zoals verwoord in het

tussenvonnis van 3 januari 2019.

2.Eiser, dhr. M. S., is sinds 1 januari 2006 geregistreerd onder het BTW-nummer BE 087...72 voor de activiteit van het uitbaten van één café te…. Eiser was klant bij de nv C. D. in de betrokken periode.

3.Uit het door de gerechtelijke diensten gevoerde onderzoek ten laste van de nv C. D. zou vastgesteld zijn dat er binnen de onderneming een omvangrijk circuit van zwarte verkopen van dranken was opgezet. Uit de uitgevoerde huiszoekingen is gebleken dat er door de nv C. D. individuele klantenfiches van onder andere S. M. werden bijgehouden waarop vermeld werd op welke wijze de zwarte leveringen aan de betreffende klant diende te gebeuren.

4.Uit de analyse van de computerdata van de door de nv C. D. gehouden boekhouding en administratie zou gebleken zijn dat het bedrag van de leveringsbonnen niet overeenstemt met het bedrag van de gefactureerde verkopen.

5.Op 10 oktober 2012 werd een vooraf aangekondigde controle bij eiser uitgevoerd voor de periode van 1 januari 2006 tot 31 december 2010.

Volgens de fiscale administratie heeft eiser voor de jaren 2006 en 2007 periodieke btw-aangiften ingediend zonder in het bezit te zijn van regelmatige facturen.

6\. Bij toepassing van art. *84ter* W.BTW werd eiser op 25 september 2012 bij aangetekend schrijven in kennis gesteld van de aanwijzingen inzake belastingontduiking betreffende de jaren 2005, 2006, 2007 en 2008 en op 18 januari 2013 werd eiser bij aangetekend schrijven in kennis gesteld van de aanwijzingen inzake belastingontduiking voor het jaar 2009.

Naar aanleiding van de controle, de vaststellingen en het nazicht van de boekhouding is op 29 augustus 2013 een proces-verbaal opgemaakt waarin de overtredingen inzake de BTW werden opgenomen.

Uit dit proces-verbaal blijken volgende sommen verschuldigd:

 Verschuldigde rechten BTW: 83.354,48 EUR;

 Overeenkomstig artikel 70, §1, W.BTW bedraagt de wettelijke geldboete tweemaal de verschuldigde BTW, zijnde 166.708,96 EUR;

 De wettelijke geldboete wordt in uitvoering van artikel 109 van de Wet van 4 augustus 1986, houdende fiscale bepalingen en in uitvoering van [artikel 1 van het Koninklijk besluit nr. 41](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958#ar41-art1) van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW, tabel H van de bijlage bij dit besluit vastgesteld op 2.923,45 EUR voor wat betreft de overtredingen opgenomen in de rubriek I.) van dit proces-verbaal en op 108.240,04 EUR inzake de overtredingen opgenomen in de rubriek II.) van dit proces-verbaal;

 Voor wat betreft de overtreding opgenomen in rubriek III.) van dit proces-verbaal wordt de geldboete in uitvoering van [artikel 1 van het Koninklijk besluit nr. 44](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-44-juillet-fixant-montant-amendes-fiscales-8456#ar44-art1) van 9 juli 2012 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW vastgesteld op 1.000,00 EUR;

 De totale boete bedraagt aldus na afronding 112.160,00 EUR;

 Als wettelijke interest in uitvoering van [artikel 91, §1, 1° van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91), 0,8% per maand te rekenen vanaf 21 januari 2011 over 83.350 EUR

 Als moratoriuminteresten voorzien bij artikel 91 §4 W.BTW: pro memorie.

Op 13 september 2013 werd door de BTW-Ontvanger te Aalst op basis van het hoger genoemde proces-verbaal van 29 augustus 2013 een BTW-dwangbevel uitgevaardigd gekend onder het nummer 500...69. Het dwangbevel werd te Gent op 17 september 2013 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de door dhr. X, Adviseur - Gewestelijke Directeur a.i..

In het dwangbevel wordt de betaling gevorderd van de som van 216.852,08

EUR samengesteld ais volgt:

\- een BTW-schuid voor een bedrag van 83.354,48 EUR;

\- een proportionele geldboete voor een bedrag van 112.160,00 EUR;

\- Interesten conform artikel 91, § 1 W.BTW, berekend vanaf 21 januari 2011

voor een bedrag 21.337,60 EUR.

Vervolgens werd het dwangbevel bij deurwaardersexploot aan eiser betekend op 27 september 2013.

7.Bij verzoekschrift neergelegd op 27 september 2013 heeft eiser de zaak bij deze rechtbank aanhangig gemaakt om zich te verzetten tegen dit dwangbevel.

## IV. BEOORDELING

### 1. Ontvankelijkheid

In het tussenvonnis van 3 januari 2019 werd de vordering van eiser ontvankelijk verklaard.

### 2. Ten gronde

*Algemeen*

2.1.

Het voorliggende geschil heeft betrekking op een BTW-navordering zoals die is verwoord in het proces-verbaal van 29 augustus 2013 en het BTW-dwangbevel gekend onder het nummer 500...69.

*Inzake de heropening van het debat*

2.2.

Op de terechtzitting van 6 december 2018 rezen onder meer vragen met betrekking tot de analyse gemaakt door l-force in het kader van het strafdossier lastens de NV C. D., het afgesloten akkoord met de bestuurders van NV C. D. en verklaringen die de bestuurders van C. D. afgelegd zouden hebben met betrekking tot de leveringsbonnen (in voorliggend dossier).

De rechtbank was van oordeel dat er onvoldoende gegevens voorliggen om zich een duidelijk beeld te kunnen vormen betreffende de wijze waarop de BTW-navordering inhoudelijk en vormelijk tot stand is gekomen en om de argumenten van beide partijen naar waarde te kunnen schatten. De rechtbank heropende dan ook in toepassing van artikel 871 Ger. W., alvorens recht te doen, ambtshalve de debatten teneinde verweerster toe te laten volgende stukken (in een afzonderlijke stukkenbundel met verwijzing naar de nummers opgegeven in het tussenvonnis) voor te leggen en daarover ter zitting een aantal preciseringen te geven:

1.De leveringsbonnen in hoofde van eiser voor de jaren 2006, 2007, 2008, 2009 en 2010 zoals deze werden aangetroffen bij de nv C. D.;

2.De BTW-klantenlisting in hoofde van eiser voor de jaren 2006, 2007, 2008, 2009 en 2010 zoals deze werd aangetroffen bij de NV C. D.;

3.De facturen door de NV C. D. gericht aan eiser voor de jaren 2006, 2007, 2008, 2009 en 2010;

4.De analyse van I-Force, waarvan onder meer sprake in het proces-verbaal van 29 augustus 2013 alsook het bewijs van aanstelling van deze firma als gerechtsdeskundige in het strafdossier lastens NV C. D.;

5.Het verzoek tot betaling gericht aan eiser d.d. 2 september 2013;

6.De kennisgevingen overeenkomstig artikel *84ter* W.BTW. van 25 september 2012 (jaren 2005-2008) en deze van 18 januari 2013 (jaar 2009)

7.Toelating tot inzage van het strafdossier gericht aan het openbaar ministerie (brief van de fiscale administratie);

8.Toelating tot inzage in het strafdossier (brief van het openbaar ministerie);

9.Stukken uit het strafdossier die betrekking hebben op eiser én die de fiscale administratie heeft aangewend om BTW na te vorderen o.m. de door de fiscale gedetacheerde ambtenaren bij de parketten;

10.Het akkoord afgesloten tussen de bestuurders van NV C. D. betreffende een niet-aangegeven omzet, gebaseerd op het verschil tussen de geanalyseerde Ieveringsbonnen en de werkelijk gefactureerde dranken.

2.3.

De rechtbank stelt vast dat verweerster uiteindelijk de hierboven gevraagde

stukken heeft voorgelegd.

*Inzake de aftrekregeling ten aanzien van de verplichting in het bezit te zijn van een regelmatige factuur — verjaring van de navordering (art. 81 bis §1, lid 1 W.BTW)*

2.4.

Overeenkomstig artikel 81bis, §1, tweede lid, 4 0 W.BTW werd op 25 september 2012 (artikel 84ter W.BTW) eiser in kennis gesteld van de vermoedens van belastingontduiking voor de jaren 2005, 2006, 2007 en 2008. Op 18 januari 2013 werd eiser per aangetekend schrijven in kennis gesteld van aanwijzingen van belastingontduiking voor het jaar 2009 (stuk 6 na tussenvonnis, van verwerende partij).

2.5.

De fiscale administratie heeft een BTW -hoofdsom van 29.234,46 EUR en een proportionele geldboete van 10 % (ofwel een bedrag van 2.923,45 EUR) nagevorderd voor de jaren 2006 en 2007, omdat er geen stukken voorliggen waaruit zou blijken dat eiser terecht het recht op aftrek heeft uitgeoefend.

2.6.

De rechtbank merkt op dat overeenkomstig artikel 81bis, §1, eerste lid W.BTW de verjaring intreedt voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van administratieve geldboeten na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op het jaar waarin de oorzaak van de opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.

2.7.

De rechtbank stelt vast dat verweerster voor deze inbreuken geen toepassing heeft gemaakt van een verlengde termijn overeenkomstig artikel 81bis § 1, tweede lid W.BTW. Bovendien stelt de rechtbank vast dat ook in het proces-verbaal van 29 augustus 2013 voor deze inbreuken geen belastingontduiking heeft weerhouden. Zij heeft immers enkel een belastingverhoging van 10 % voorzien voor 'een overtreding zonder kwaad opzet' (zie pagina 13, nr. 2°. 2. van dit proces-verbaal).

2.8.

De rechtbank is van oordeel dat deze inbreuken niet werden voorzien in de kennisgeving van 25 september 2012 inzake de aanwijzingen van belastingontduiking.

Nu de rechtbank dit heeft vastgesteld, is de navordering van 32.157,91 EUR, meer interesten, voor de weerhouden "inbreuk I" niet meer verschuldigd wegens verjaring. Het BTW- dwangbevel is aldus nietig in zoverre deze betrekking heeft op deze BTW-schuld van 32.157,91 EUR.

*Inzake de door de fiscale administratie weerhouden inbreuk Il met name niet-aangegeven omzet*

2.9.

De rechtbank merkt op dat de fiscale administratie, indien zij de verjaringstermijn wenst uit te breiden zoals voorzien in art. 81bis, §1, tweede lid, 4° W.BTW, de belastingplichtige op straffe van nietigheid van de rechtzetting, voorafgaandelijk, schriftelijk en op nauwkeurige wijze in kennis dient te stellen van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem in de betreffende periode bestaan.

2.10.

De rechtbank stelt vast dat partijen niet betwisten dat er geen bewijs voorligt van de verzending van een voorafgaande kennisgeving inzake de BTW voor het jaar 2009. Volgens de fiscale administratie is dit bewijs, het originele boek waarin de verzendingen worden opgenomen, vernietigd tijdens een verhuis.

Nu eiser betwist ooit zo'n kennisgeving te hebben ontvangen, is de rechtbank van oordeel dat de loutere aanwezigheid van een dergelijke kennisgeving in het administratief dossier nog geen afdoende bewijs is dat eiser in werkelijkheid op de hoogte werd gebracht van deze kennisgeving. De loutere mededeling van de fiscale administratie dat *"eiser op de hoogte van de vastgestelde aanwijzingen (is) aangezien hij de kennisgeving inzake directe belastingen wel ontvangen heeft"* is niet ter zake dienend. Het volstaat niet als bewijs indien geen bewijs van verzending voorligt (betreffende de BTW-inbreuken).

2.11.

De rechtbank merkt op dat er geen wettelijk beletsel is dat een gezamenlijke fiscale controle wordt uitgevoerd, op het vlak van btw en op het vlak van de directe belastingen, wanneer deze onderzoeken werden gevoerd volgens de toepasselijke wetgeving eigen aan elke materie. Er van uitgaan dat een kennisgeving inzake directe belastingen ook rechtsgeding zou zijn voor de BTW-inbreuken is een brug te ver. Indien de wetgever dit zou hebben beoogt zou er slechts één gemeenschappelijk wetsartikel zijn voor zowel de directe belastingen ais de BTW. Dit is niet het geval.

2.12.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de BTW-navordering, opgenomen in het BTW-dwangbevel, voor een bedrag van 9.577,39 EUR en de proportionele geldboete van 200 % ofwel een bedrag van 19.114,78 EUR, niet is verschuldigd. Het BTW- dwangbevel is aldus nietig in zoverre deze betrekking heeft op deze BTW-schuld van 19.114,78 EUR.

*Inzake de proportionele geldboete van 200% en de vraag tot kweitschelding*

2.13.

Eiser werpt op dat de fiscale administratie de verplichting tot bijzondere motivering heeft geschonden bij de oplegging van de proportionele geldboete van 200%. Vervolgens is het non bis in idem-beginsel geschonden evenals de redelijke termijn. Eiser vraagt daarom de proportionele geldboete te vernietigen. In ondergeschikte orde vraagt hij het opleggen van een geldboete met volledig uitstel en uiterst ondergeschikt vraagt hij een reducering tot maximaal 25%.

2.14.

Overeenkomstig [artikel 70 §1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) wordt, voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Overeenkomstig artikel 70 §1bis W. BTW verbeurt ieder die op onrechtmatige of ongeoorloofde wijze de belasting in aftrek heeft gebracht, een geldboete gelijk aan het dubbele van die belasting, in zover die overtreding niet wordt bestraft bij toepassing van §1, eerste lid.

Overeenkomstig [artikel 84 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84) wordt het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten binnen de door de wet gestelde grenzen verminderd volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Overeenkomstig [artikel 1, laatste lid van het KB nr. 41](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958#ar41-art1) van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW is de schaal voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboeten niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

2.15.

Artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen voorziet in een bijzondere motiveringsplicht telkens wanneer de belastingadministratie aan de belastingplichtige een bericht zendt waarbij een fiscale geldboete wordt opgelegd:

> *"Telkens wanneer een belastingadministratie aan een belastingplichtige een bericht zendt, waarbij hem een administratieve boete wordt opgelegd, vermeldt dit bericht de feiten die de overtreding opleveren en de verwijzing naar de toepasselijke wet- of verordeningteksten, en geeft de motieven die gediend hebben om het bedrag van de boete vast te stellen".*

2.16.

De rechtbank stelt vast dat de fiscale administratie de proportionele geldboete

van 200% als volgt heeft gemotiveerd:

*"*[*Artikel 70 BTW-Wetboek*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70)*.*

*§ 1. Voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, wordt een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting.*

*De geldboete is verschuldigd individueel door ieder die krachtens de artikelen 51, §§ 1, 2 en 4, 51bis, 52, 53, 53ter, 53 nonies, 54, 55, 58, of krachtens de ter uitvoering ervan genomen besluiten, gehouden is tot voldoening van de belasting.*

### *1. Niet aangegeven ontvangsten wegens niet geboekte aankopen dranken NV C. D.:*

#### *Motivatie:*

*Bij de vergelijking tussen de bedragen van de aangekochte dranken vermeld op de leveringsbonnen en de bedragen van de geboekte aankopen voor de jaren 2006 tot 2010 werden grote verschillen vastgesteld. hieruit blijkt dat er in de bedoelde jaren leveringen gebeurden door de NV C. D. aan dhr. S. M. die niet gefactureerd werden en dat er bijgevolg bij dhr. S. M. eveneens zwarte verkopen werden gerealiseerd.*

*De totale boete bedraagt aldus 54.120,02 EUR x 2 = 108.240,04 EUR*

2.17.

De rechtbank is van oordeel dat de opgelegde proportionele geldboete van 200% op basis van de hierboven weergegeven motivering in feite en in rechte wel degelijk afdoende is gemotiveerd. Van een schending van de bijzondere motiveringsplicht is geen sprake.

2.18.

De rechter die gevraagd wordt een administratieve sanctie te controleren die een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM moet de wettigheid van die sanctie nagaan en kan meer bepaald onderzoeken of die sanctie verenigbaar is met de dwingende vereisten van de internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dat controlerecht biedt de rechter de mogelijkheid om, met in aanmerkingneming van alle omstandigheden van de zaak, te onderzoeken of de straf niet buiten verhouding staat tot de overtreding, zodat hij kan onderzoeken of de administratie redelijkerwijs een administratieve sanctie van die omvang mocht opleggen. In dat opzicht kan de rechter inzonderheid rekening houden met de ernst van het misdrijf, het bedrag van de reeds opgelegde sancties en de wijze waarop uitspraak is gedaan in soortgelijke

zaken. Dit controlerecht houdt niet in dat de rechter, louter om opportuniteitsredenen en in strijd met de wettelijke regels, geldboeten kan kwijtschelden of verminderen (zie ook Cass. 18 april 2013, [F.11.0142.F](https://juriel.be/fr/jurisprudence/amendes-fiscales-reduction-juge-fiscal-cassation-bruxelles-2013-04-18-49c8), www.cass.be).

Gelet op de volle rechtsmacht die deze rechtbank heeft inzake administratieve boetes die een strafrechtelijk karakter hebben in de zin van artikel 6 EVRM, is deze rechtbank van oordeel dat zij bevoegd is om de opgelegde geldboete te verminderen of zelfs kwijt te scheiden.

Artikel 70 W.BTW moet in grondwettelijke zin worden geïnterpreteerd (zie ook GwH 15 mei 2008, nr. 79/2008).

2.19.

Uit de omstandigheden en de gedane vaststellingen blijkt duidelijk dat eiser BTW-overtredingen heeft begaan voor de periode van 1 januari 2005 t.e.m. 31 december 2010. Deze overtredingen werden opgenomen in het proces-verbaal van 29 augustus 2013. Het totaal van de door eiser verschuldigde BTW is, hetgeen wordt aangepast door deze rechtbank (op grond van de hierboven gemaakte overwegingen):

2006: 17.855,91 EUR;

2007: 14.261,13 EUR;

2008: 10.452,81 EUR;

2010: 1.972,78 EUR;

44.542,63 EUR

De proportionele geldboete van 200% zou nu (vermits aangepast door deze rechtbank) 89.085,26 EUR bedragen.

2.20.

Uit de omstandigheden en de gedane vaststellingen blijkt duidelijk dat eiser heeft deelgenomen aan een systeem van zwarte verkopen (door leverancier de nv C. D. aan de kleinhandelaar, in casu eiser). Deze kunnen enkel maar zijn gedaan met het oogmerk om de btw te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. Dergelijke handelswijze van eiser ondergraaft de taak van de overheid om over te gaan tot een juiste inning van de btw. De rechtbank is van oordeel dat eiser dit doelbewust en te kwader trouw heeft gedaan.

Alhoewel de fiscale administratie geen willekeurige berekening heeft gemaakt is de btw-basis verlaagd door deze rechtbank zodat de rechtbank hiermee moet rekening houden bij het opleggen dan de administratieve geldboete, indien zij dit niet doet staat deze administratieve geldboete niet in verhouding tot de overtreding. Voor het overige is deze geldboete, zoals hierboven gezegd, in feite en in rechte afdoende gemotiveerd.

De rechtbank is om die redenen van oordeel dat de opgelegde boete niet meer evenredig is met de inbreuken en met het doel van een administratieve geldboete. Daarom beslist de rechtbank om de geldboete te herleiden, rekening houdend met de redelijke termijn (o.m. te wijten aan de houding van verweerster door de gevraagde stukken pas neergelegd te hebben begin april 2020) tot 50%, met name 22.271,31 EUR.

De rechtbank acht het niet aangewezen om, in de hierboven beschreven handelswijze van eiser, in te gaan op een kwijtschelding of een uitstel van de geldboete. Dit zou een totaal verkeerd signaal zijn naar eiser. Het kan niet zijn dat oneerlijke handelaars, die meewerken aan zwarte circuits, van verstrekkende gunsten kunnen genieten (in de vorm van kwijtschelding of een volledige uitstel). Dit zou ingaan tegen het doel van de geldboete, zoals bijvoorbeeld het afschrikkingseffect om zulke handelswijze in de toekomst te vermijden.

2.21.

Een totaal verbod van dubbele aanslag van eenzelfde inkomen ten laste van eenzelfde belastingplichtige is geen algemeen, door het fiscaal recht aangenomen beginsel. In bepaalde gevallen heeft de wetgever aanvaard dat een dubbele belasting eenzelfde inkomen bezwaart (vgl. Cass. 30 november 1950, Arr. Cass. 1951, 149).

Met het adagium 'non bis in idem' wordt in fiscale zaken het verbod op dubbele belasting bedoeld. Van dubbele belasting is slechts sprake wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

 De belastingen hebben hetzelfde doel;

 De belastingen worden geheven op dezelfde materie/grondslag;

De belastingen treffen dezelfde belastingplichtige;

De belastingen worden geheven met betrekking tot hetzelfde aanslagjaar;

De belastingen worden geheven door één en dezelfde overheid.

2.22.

De rechtbank stelt vast dat aan deze voorwaarden niet is voldaan. De BTW en de directe belastingen hebben een andere finaliteit én bovendien is de belastbare grondslag verschillend. Het non bis in idem-beginsel is volgens deze rechtbank niet geschonden.

2.23.

De rechtbank stelt verder vast dat de niet-proportionele geldboete voor een bedrag van 1.000 EUR wegens een inbreuk overeenkomstig artikel 61 W.BTW (1.000,00 EUR per overtreding wegens het niet voorleggen van de gevraagde boeken, facturen en andere stukken, die overeenkomstig artikel 60 moeten bewaard zijn) in feite en in rechte werd gemotiveerd.

De grief van eiser, geen correcte motivering, is ongegrond.

*Besluit*

2.24.

Op basis van de hierboven gemaakte overwegingen is de vordering van eiser gedeeltelijk gegrond, het dwangbevel wordt gedeeltelijk vernietigd, in zoverre de BTW-navordering van:

 32.157,91 EUR, meer interesten, voor de weerhouden "inbreuk I" niet is verschuldigd wegens verjaring (zie randnummer 2.8.);

 9.577,39 EUR en de proportionele geldboete van 200 % ofwel een bedrag van 19.114,78 EUR, niet is verschuldigd (zie randnummer 2.12);

en in zoverre de administratieve geldboete:

 wordt herleid tot 50% rekening houdend met randnummer 2.19, zodat deze 22.271,31 EUR bedraagt (50% op 44.542,63 EUR).

Alle meeromvattende en strijdige conclusies worden verworpen als niet ter zake dienend.

## V. GERECHTSKOSTEN - RECHTPLEGINGSVERGOEDING

1.De kosten omvatten in de voorliggende zaak onder meer de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek (art. 1018, 6° Gerechtelijk Wetboek).

In toepassing van de artikelen 279 en 162,4° van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten is geen rolrecht verschuldigd.

2.Wanneer de partijen wederzijds jegens elkaar in het ongelijk werden gesteld, kan de rechtbank de kosten omslaan, zo zij dit raadzaam acht (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek).

Gelet op de bovenstaande beoordeling, waarbij eiseres deels in het gelijk wordt gesteld en deels in het ongelijk, komt het passend voor te zeggen voor recht dat elk van de partijen de eventuele kosten, gevallen aan de eigen zijde, definitief voor eigen rekening zal dragen, derwijze dat partijen uit dien hoofde aan elkaar niets meer verschuldigd zullen zijn.

### DEZE RECHTBANK beslist:

recht doende op tegenspraak;

met inachtneming van de artikelen 2 en 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken:

 alle meeromvattende en strijdige conclusies te verwerpen ais niet ter zake dienend;

 de vordering van eiser ontvankelijk en gedeeltelijk (beperkt) gegrond te verklaren in volgende mate;

 het dwangbevel gedeeltelijk te vernietigen, in zoverre de BTW-navordering van:

 32.157,91 EUR, meer interesten, voor de weerhouden "inbreuk I" niet is verschuldigd wegens verjaring (zie randnummer 2.8.);

 9.577,39 EUR en de proportionele geldboete van 200 % ofwel een bedrag van 19.114,78 EUR, niet is verschuidigd (zie randnummer 2.12);

en in zoverre de administratieve geldboete:

 te herleiden tot 50% rekening houdend met randnummer 2.19, zodat deze 22.271,31 EUR bedraagt (50% op 44.542,63 EUR i.p.v. 108.240,04).

 de herberekening te bevelen van de navordering van de BTW rekening houdend met de hierboven vermelde elementen (rekening houdend met randnummer 2.19);

 voor het overige het dwangbevel inzake BTW met RCIV-nummer 500...69 van 13 september 2013 te bevestigen (inclusief de niet-proportionele geldboete voor een bedrag van 1.000 EUR);

 de terugbetaling te bevelen van alle op grond van voormelde navordering ten onrechte geïnde sommen, vermeerderd met de moratoriumintrest;

 de vordering van eiser voor het overige ongegrond te verklaren;

 te zeggen voor recht dat iedere partij zijn eigen kosten draagt, in hoofde van eiser te begroten op de kosten voor het bijdragefonds voor een bedrag van 20,00 EUR en in hoofde van verweerster te begroten op 00,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de **zesde burgerlijke kamer** van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op maandag **25 oktober tweeduizend éénentwintig,** waar aanwezig waren :

 de heer T. L., rechter, voorzitter van deze kamer,

 mevrouw I. W., griffier.

Les identifiants d'une partie que le SPF Finances laissait en clair (numéro d'entreprise) sont remplacés par des points. Le texte n'est modifié nulle part ailleurs.

## Textes cités

9

[CTVA art. 70](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) 10 occurrences

[CTVA art. 61](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-61) 4 occurrences

[AR no 41 art. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958) 3 occurrences

[AR no 44 art. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-44-juillet-fixant-montant-amendes-fiscales-8456) 3 occurrences

[CTVA art. 91](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) 3 occurrences

[AR no 1 art. 18](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-18-ae74) 2 occurrences

[CTVA art. 45](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) 2 occurrences

[CTVA art. 84ter](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84ter) 2 occurrences

[CTVA art. 84](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Indices de fraude, Relevé de régularisation, Procès-verbal](https://juriel.be/fr/jurisprudence/indices-fraude-releve-regularisation-proces-tribunal-nivelles-2024-01-08-9601) 7 dispositions communes

[Carrousel TVA, Participation, Refus de déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/carrousel-tva-participation-refus-deduction-cour-appel-bruxelles-2020-09-10-0c67) 5 dispositions communes

[Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor](https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-tribunal-bruxelles-2011-06-10-cf98) 5 dispositions communes

[Compte spécial, Légalité formelle de la notification](https://juriel.be/fr/jurisprudence/compte-special-legalite-formelle-notification-tribunal-namur-2020-04-30-2252) 4 dispositions communes

[Chiffre d’affaires non déclaré, déclaration, chiffre d'affaires](https://juriel.be/fr/jurisprudence/chiffre-affaires-non-declare-declaration-cour-appel-gand-2024-02-13-38e9) 4 dispositions communes

[Fraude fiscale, Fausses factures, Indices de fraude](https://juriel.be/fr/jurisprudence/fraude-fiscale-fausses-factures-indices-cour-appel-bruxelles-2022-12-01-3bd0) 4 dispositions communes

[Droit à déduction, Conditions, Affectation à l’activité économique](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-conditions-affectation-activite-cour-appel-liege-2022-04-19-4acf) 4 dispositions communes

[Indices de fraude, Droit de se taire](https://juriel.be/fr/jurisprudence/indices-fraude-droit-se-taire-cour-appel-bruxelles-2023-06-28-5ed6) 4 dispositions communes
