---
title: "6 décembre 1999 · Preuve, mesure de contrôle · Tribunal de première instance"
description: "Preuve, mesure de contrôle. Tribunal de première instance (Belgique), 6 décembre 1999."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/preuve-mesure-controle-tribunal-kortrijk-1999-12-06-8d84"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Preuve, mesure de contrôle · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Date**

6 décembre 1999

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

197 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Courtrai du 06.12.1999

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG VAN HET ARRONDISSEMENT KORTRIJK, PROVINCIE WEST-VLAANDEREN, TWEEDE KAMER METEEN RECHTER, RECHTSPREKENDE IN BURGERLIJKE ZAKEN :**

In de zaak : **AR/56536**

**D. S.**, herbergierster, geboren te … op …, wonende te …, …;

**eiseres,**

vertegenwoordigd door en pleitend Meester **L. D. M.**, advocaat te Gent, loco Meester **L. K.**, advocaat te …, …;

**tegen :**

DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van dhr. Hoofdcontroleur van de BTW te Kortrijk 2, wiens kantoren gevestigd zijn te 8500 Kortrijk, Beverlaai, 14;

**verweerder,**

vertegenwoordigd door en pleitend Meester **F. W.**, advocaat te …, …;

Gezien de dagvaarding aan verweerder betekend op 6 juli 1994 bij exploot van gerechtsdeurwaarder **J. V.** met standplaats te …, waarbij gevorderd wordt te horen zeggen voor recht dat de sommen ten bedrage van … fr., gestort onder voorbehoud van alle rechten aan de BTW-Administracie op 26 juni 1994, door eiseres onverschuldigd werden betaald.

Terugbetaling van voornoemd bedrag wordt gevorderd, meer de wettelijke en gerechtelijke intresten vanaf datum van betaling, zijnde 27 mei 1994 tot op datum van algehele betaling.

Tevens wordt veroordeling gevraagd van verweerder tot rechtskosten.

De uitvoerbaarverklaring bij voorraad wordt gevorderd.

De raadslieden van partijen hebben de zaak uiteengezet in openbare terechtzitting.

## I. Antecedenten

Eiseres is sedert 1 juni 1988 gekend als belastingplichtige voor de werkzaamheid van herbergierster-frituuruitbaatster, namelijk uitbaatster van café … te …, en is op grond van de BTW-wetgeving (onder meer art. 56, § 1 in de hoedanigheid onderworpen aan de gewone forfaitaire regeling voor caféhouders (namelij belastbare omzet is aankoopcijfer maal coëfficiënt).

Op 16 november 1993 werd door dhr. **G. C.**, verificateur bij het 2° BTW-controlekantoor te Roeselare, een controle uitgevoerd over de periode 1 januari 1989 tot en met 31 december 1992 (een eerste controle d.d. 8 april 1992 voor de periode 1 januari 1983 tot 31 december 1990 eindigde reeds met een gedeeltelijke akkoordverklaring op 29 september 1992 met een correctie-opgave inzake niet opgenomen aankopen).

Deze tweede controle, doch over dezelfde periode, was het rechtstreeks gevolg van zwaarwichtige vermoedens van betrokkenheid van fraude die aan het licht gekomen was bij een hoofdleverancier van eiseres.

Eiseres was een geregeld afneemster van dranken, in eerste instantie van dhr. **J. N.**, tot diens handelszaak op 1 januari 1992 werd overgenomen deer de BVBA **T.**, waarna eiseres regelmatig afneemster bleef van laatstgenoemde.

Naar aanleiding van een huiszoeking uitgevoerd op 21 februari 1992 bij dhr. **N. J.** en op 24 april 1992 bij de BVBA **T.** en op basis van de aldaar in beslag genomen stukken werd aldus zoals gesteld, op 16 november 1993 een controle uitgevoerd door dhr. **C.**.

Op basis van gegevens verkregen tijdens voornoemde huiszoekingen werd een globaal omzettekort vastgesteld van … fr.

Aan de hand van de ter gelegenheid van deze controle gedane vaststellingen en op zicht van een op 10 december 1993 door dhr. **J. V.**, hoofdcontroleur BTW, opgesteld proces-verbaal, werd onder meer vastgesteld dat eiseres een deel van de door haar verwezenlijkte belastbare omzet niet had opgenomen in haar periodieke BTW-aangiften en de hiervoor verschuldigde BTW niet aan de schatkist had voldaan.

Deze overtredingen werden opgenomen in een op 8 februari 1994 door dhr. **C.** opgemaakt proces-verbaal waaruit blijkt dat eiseres verschuldigd was :

\- BTW : … fr.

\- wettelijke geldboete : … fr.

\- de intresten bedoeld in [art. 91 BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) over … fr. vanaf 21 januari 1993.

Een afschrift van dit proces-verbaal werd op 9 februari 1994 ter kennis gebracht van eiseres die tevens op 14 februari 1994 uitgenodigd werd het verschuldigde te voldoen voor 22 februari 1994.

Bij aangetekende brief d.d. 4 maart 1994 verklaarde de raadsman van eiseres dat de tenlasteleggingen opgenomen in het proces­verbaal betwist werden en kondigde, ten einde een verhoging van de boete en de intresten te vermijden, betaling aan van de gevorderde BTW en de boete, wat gebeurde op 13 juni 1994 middels een bedrag van … fr. dat door de administratie als volgt werd toegerekend :

\- … fr. op de BTW;

\- … fr. op de boete;

\- … fr. op de intresten.

Op 21 maart 1994 werd door eiseres een akte van verzaking aan de gelopen termijn van verjaring ondertekend.

Gezien de expliciete betwisting werd op 18 mei 1994, ter invordering van voornoemde bedragen, door de ontvanger een dwangbevel uitgevaardigd, op 31 mei 1994 geviseerd en uitvoerbaar verklaard.

Dit dwangbevel werd op 6 juni 1994 bij gerechtsdeurwaarders­ exploot van **Ph. V. B.**, gerechtsdeurwaarder te …, aan eiseres betekend, waarna zoals gezegd betaling oneer alle voorbehoud gebeurde op 13 juni 1994.

Op 6 juli 1994 volgde dan de dagvaarding ten laste van de Belgische Staat waarbij eiseres verzet aantekende tegen dit dwangbevel.

---

Eiseres ontkent deelgenomen te hebben aan de zwarte leveringen door de leveranciers **T.** en **N.** en zij verwerpt de door verweerder geleverde bewijsvoering omdat die louter op informatie vanwege derden zou gebaseerd zijn.

Gesteld wordt door eiseres dat de loutere vermelding van de naam van de belastingplichtige op eigenhandig opgestelde nota's van de drankleverancier niet ten genoege van rechte het bewijs levert van het bestaan van overeenkomsten of leveringen in het zwart.

De BTW-administratie zou zich enkel steunen op leveringsbons waarvan eiseres het bestaan niet kent en interne nota's van een leverancier.

Eiseres sommeert verweerder inzage te verlenen van het strafdossier lastens voornoemde leveranciers en de stukken waaruit de vaststellingen van de verbalisant zijn geput.

Eiseres ontkent tevens BTW verschuldigd te zijn op de aankoop van een kleine hoeveelheid snacks en frieten welke volgens haar enkel voor privaat gebruik dienden (aangekocht van de BVBA **B.** ten bedrage van … fr. - verkoopprijs … fr.).

---

Verweerder daarentegen stelt dat de ingestelde vordering niet gebaseerd op een alleenstaand vermoeden, maar steunt op een geheel van afzonderlijke maar met elkaar overeenstemmende en zwaarwichtige feiten die alle in dezelfde richting wijzen, in casu de werkelijkheid van de niet gefactureerde leveringen.

Aldus somt verweerder een 13-tal concrete feiten op waaruit vermoedens zouden moeten voortspruiten.

---

## II. Nopens de ingeroepen schending van de rechten van verdediging

Eiseres stelt ten onrechte dat het slechts frequentaire mededelen van de inhoud van het strafdossier schending van de rechten van verdediging zou inhouden.

Er weze aan herinnerd dat verweerder op wettige wijze inzage heeft gekregen van het strafdossier en zich op die elementen mag baseren die haar gelijk staven.

Eiseres laat na aan te tonen waar en in welke mate haar rechten van verdediging in concreto zouden kunnen geschaad zijn nu alle passages uit de documenten van het strafdossier die tegen haar werden gebruikt in het proces-verbaal letterlijk worden geciteerd.

Eiseres toont op geen enkele manier aan op welke wijze zij belemmerd werd haar verweer op bedoelde passages kenbaar te maken en te ontwikkelen.

Anderzijds is het niet mededelen van de namen van de verschillende andere afnemers die zonder facturatie afnamen gerechtvaardigd in het kader van de geheimhoudingsplicht van [art. 93bis BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-93bis).

Uiteindelijk heeft eiseres zich kunnen verdedigen en heeft zij zich verdedigd op de naakte vaststelling dat tal van andere afnemers met de administratie ingevolge het onderzoek een akkoord hebben afgesloten.

Welke hun namen zijn is hierbij uiteraard van ondergeschikt belang en de rechten van verdediging werden hier geenszins geschonden.

Voor de behandeling van huidige zaak is het niet vereist dat het ganse strafdossier wordt neergelegd.

Het volstaat dat de rechtbank kennis krijgt van deze elementen waarop verweerder zich beroept om zijn vordering te staven en waaromtrent eiseres naar behoren haar verdediging heeft kunnen voeren.

De rechtbank stelt eveneens vast dat hangende het geding verweerder de leveringsnota's van maart en april 1992 heeft voorgelegd welke op eiseres betrekking hebben (stuk nr. 39), alsmede de afrekeningsstaten betreffende de zwarte en officiële leveringen over de maanden januari en februari 1992 (stuk 41), waarop ook de uitbating van eiseres vermeld staat.

De rechten van verdediging werden geenszins geschonden.

## III. Beoordeling

### Algemeen bewijsprincipe

Verweerder mag krachtens [art. 59 BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-59), de eventuele BTW-schuld die hij heeft op eiseres, uit hoofde van haar eventuele BTW-ontduiking bewijzen, volgens de regels en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën wat de door hen gedane vaststellingen propriis sensibus betreft.

Verweerder kan daartoe uiteraard beroep doen op de processen­verbaal en informatie uit het strafdossier.

De processen-verbaal leveren bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen.

In dit verband is de wettelijke bewijswaarde verbonden aan alle feitelijke materiële vaststellingen door de verbalisant persoonlijk gedaan in het kader van zijn opdracht, waaronder onder meer vallen :

\- hetgeen de verbalisant ontdekt heeft in de hem vertoonde en in beslag genomen stukken;

\- de verklaringen die de verbalisant ingewonnen en geakteerd heeft.

In principe kon dhr. **C.** zich op regelmatige wijze steunen op het proces verbaal van dhr. **V.**.

In dit laatste proces verbaal werden gegevens en documenten alsmede verklaringen opgenomen die de verbalisant letterlijk heeft overgenomen uit het strafdossier.

Vooraleer na te gaan of er aldus voldoende vaste gegevens zijn die buiten kijf staan, waaruit vermoedens kunnen werden afgeleid conform art. 1353 B.W., komt het noodzakelijk voor een naakte opsomming te geven van de diverse teruggevonden stukken en de verklaringen die de derden leveranciers in het strafonderzoek hebben afgelegd.

### l. Stukken gevonden en in beslag genomen naar aanleiding van een huiszoeking bij dhr. J. N. op 21 februari 1992

Geschriftenbundel met betrekking tot het samenwerkingsakkoord met de BVBA **T.** waar onder meer volgende stukken in beslag genomen werden die volgens verweerder er op wijzen dat bepaalde bestellingen van afnemers (café-uitbaters) niet werden gefactureerd :

\- 2 afzonderlijke lijsten waarbij per café een uitsplitsing gemaakt wordt naar de "witte" en de "zwarte" leveringen;

\- een document betreffende de overlating van de handelszaak van **J. N.** met vermelding "**M.** en **B.** (**T.**) - Ik vraag tussen 1/3 en de ½ 40 % zwart;

\- een document met datumvermelding 5 november 1991 en 19 november 1991 wijzende op een contact tussen de BVBA **T.** en de heer **J. N.** bevattende de vraagstelling "hoeveel % zwart";

\- tientallen bons uitgaande van een andere drankcentrale **N.** te … (vermoedelijke leverancier van **J. N.**), die een geheel uitmaken van afrekening-commissienota's betreffende commissies verschuldigd door **J. N.** aan diens eigen overlater waaruit blijkt dat de door deze eerste overlater ontvangen commissies ook berekend worden op de door **J. N.** niet gefactureerde leveringen.

2\. Stukken gevonden en in beslag genomen naar aanleiding van een huiszoeking verricht in de kantoren van de BVBA **T.** (overnemer), op 24 april 1992 en tevens in de private woning van de echtgenoten **M. T.-E.**

\* Zwartkleurige plastieken kaft met klanten en prijslijst waaronder een geschrift met het NIET BETWIST HANDSCHRIFT van dhr. **J.** **N.** met indicaties over de hoegrootheid van de te verrichten facturatie aangaande zijn gewezen klanten met expliciete vermelding met betrekking tot de uitbating van eiseres : "Transvaal +/- 66 % facturatie of 2/3".

\* Bruinkleurige plastieken kaft bevattende leveringsnota’s over april 1992 van gewezen klanten van **J. N.**, waarop de officieel te factureren en de niet te factureren bedragen waren vermeld, waaronder leveringsnota’s aan eiseres.

\* 57 leveringsnota’s gericht aan de clientèle van de BVBA **T.** over de maand maart 1992, waarop (cfr. leveringsnota’s april een met de hand geschreven bedrag staat vermeld en welke werden afgetekend "voor voldaan" door de zaakvoerder of personeel. Onder deze nota's bevinden zich leveringsnota's aan eiseres gericht.

\* Zwarte kaft inhoudende :

\- handgeschreven nota's bevattende cijfergegevens nopens de berekening van het commissieloon van **J. N.** en diens overlater voor de maand maart 1992;

uit deze cijfergegevens blijkt dat de toegekende commissies berekend werden op basis zowel van de "zwarte" als van de officiële leveringen;

vastgesteld werd dat ook de commissielonen ten belope van 40 % in het zwart werden uitbetaald;

\- geglobaliseerde afrekeningsstaten voor de maanden januari en februari 1992 van zowel de zwarte als de officiële leveringen;

\- stukken met betrekking tot de vaststelling dat het commissieloon aan **N.** door **E.** (echtgenote **T.**) ten belope van 40 % in het zwart werd uitbetaald.

#### 3. Verklaringen

a) **N. J.** verklaarde op 21 februari 1992 aan de Gerechtelijke Politie dat :

\- in beperkte mate op verzoek van klanten bestellingen niet gefactureerd te hebben;

\- hijzelf nimmer "zwart" bier aankocht.

b) **B. T.** verklaarde op 24 april 1992 aan de Gerechtelijke Politie als volgt :

\- de BVBA zelf nimmer dranken in het zwart aankocht;

\- begin 1992 de BVBA de vroegere handel van **J. N.** overnam waarbij voorzien werd dat deze gedurende 5 jaar commissie zou ontvangen op de leveringen aan zijn vroegere klanten-café-uitbaters.

Geconfronteerd met de bij hem teruggevonden handgeschreven nota opgesteld door **J. N.**, waarbij de hoegrootheid van de te verrichten facturatie aan de klant wordt opgegeven, verklaarde **B. T.** naar aanleiding van de overname voor een voldongen feit te zijn geplaatst.

Bedoeld document was niet meer dan een aanwijzing van de destijds door **J. N.** aan zijn klanten (overgelaten aan de BVBA **T.**) gevolgde facturatie.

Ter gelegenheid van de overname werd door **J. N.** gevraagd om op zijn aanwijzingen de klanten op dezelfde wijze te voldoen, op welk verzoek **B. T.** blijkbaar is ingegaan gezien hij geen keus had.

**B. T.** verklaarde verder nog :

\- dat de nota's maandelijks na betaling van zijn tegoed werden vernietigd (zodat geen andere nota's buiten de in beslag genomen werden teruggevonden);

\- dat de werkwijze als volgt aan de hand van de leveringsnota's verduidelijkt kan worden in die zin dat de bewuste leveringsnota's de niet geregistreerde verkopen zijn met telkenmale de vermelding van het officiële factuurbedrag en de melding "voor voldaan";

\- dat het teruggevonden handgeschreven document van **J. N.**, inhoudende de wensen van de klanten met betrekking tot de hoegrootheid van de niet geregistreerde verkopen in de praktijk grosso modo door de BVBA **T.** gevolgd wordt;

\- dat **J. N.** ook commissies ontving op de niet geregistreerde verkopen aan zijn gewezen café-uitbaters.

---

##### De vermoedens

De vraag stelt zich: wat zijn feiten die voldoende vaststaand zijn om er een besluit uit te kunnen trekken ?

Het blijkt moeilijk te zijn hier algemene regels op te stellen.

Feitelijke vermoedens zijn immers, zoals het woord zelf aanduidt, feitenkwesties.

Wat in het ene geval een correct vermoeden zal zijn, is dat niet in het andere geval.

De specifieke omstandigheden eigen aan de zaak zelf zullen een belangrijke rol spelen.

In verband met de bewijswaarde van de processen-verbaal, welke aldus de wet gelden tot bewijs van het tegendeel, weze herhaald dat het begrip "vaststellingen" ( waartoe de bewijswaarde van het proces-verbaal beperkt is) strikt te interpreteren blijft.

Indien bijvoorbeeld in een proces-verbaal vastgesteld wordt dat verklaringen of getuigenissen werden afgelegd, moet men tot bewijs van het tegendeel aanvaarden dat dit inderdaad gebeurd is, doch men moet de inhoud van die getuigenissen of verklaringen nog niet als waarachtig beschouwen tot het bewijs van het tegendeel.

De vaststelling is bijvoorbeeld het feit van de getuigenis of verklaring, er wordt evenwel niets "vastgesteld" omtrent wat werd verklaard.

De inhoud van de verklaring blijft dus nog te wijzen door de administratie.

De rechter kan er nog zijn eigen mening over vormen, hij kan een verklaring nog als niet-waarachtig beschouwen naargelang de omstandigheden van de zaak.

De omkering van de bewijslast geldt immers niet voor de deducties uit de gedane vaststellingen.

Hiervoor blijft de bewijslast op de administratie rusten.

In deze rangorde van gedachten kan eiseres het feit zelf van de verklaring van de leveranciers omtrent een zwart circuit niet aanvechten, noch het bestaan van teruggevonden stukken zelf met indicaties voor een zwart circuit.

Zij kan weliswaar wel de inhoud en werkelijkheidswaarde van de in het proces-verbaal opgenomen stukken en verklaringen betwisten indien daartoe grond is.

De bewijsvoering door middel van feitelijke vermoedens moet immers steunen op een bewijsgrond die door zekere en vaststaande feiten wordt gevormd, dit wil zeggen feiten die volledig buiten kijf staan en waaromtrent de materiële werkelijkheid geen betwisting bestaat of kan bestaan.

##### Standpunt eiseres

Eiseres stelt zonder meer dat verklaringen van derden en stukken van derden die in een strafonderzoek teruggevonden worden, haar niet tegenstelbaar zijn en elke bewijskracht ontberen als ondersteuning van vermoedens.

De verklaringen van overlater **J. N.** en van de zaakvoerder BVBA **T.** omtrent een zwart circuit worden als leugenachtig van de hand gedaan, evenals wat de teruggevonden stukken betreft.

Ter verantwoording van haar stelling wordt in hoofdorde verwezen naar een thesis welke hier woordelijk aangehaald wordt (cfr. conclusies eiseres d.d. 10 juli 1997 - stuk 17 gerechtsbundel, pagina 5) en waarbij gesuggereerd wordt dat de belangen van leveranciers en handelaar tegenstrijdig kunnen zijn :

> “Tenandere komt in een georganiseerd systeem van zwartverkoop regelmatig het volgende voor : teneinde in de boekhouding een noodzakelijk evenwicht tussen aan- en verkoop in de zwarte handel te bewaren, wordt per klant een limietpercentage zwarte verkoop opgelegd, bv. 30.
>
> Wanneer klant A 50 % zwart wenst te kopen, kan de leverancier slechts 30 % op die klant noteren.
>
> De overige 20 % wordt dan door de leverancier genoteerd op klant B, die echter nooit of te nimmer zwarte aankopen verricht.
>
> Dit is zeer goed realiseerbaar omdat de zwarte verkopen steeds cash dienen te worden betaald”.

Eiseres voegt er aan toe, in fine, dat het voornoemde systeem soms zelfs uitgewerkt wordt met gebruikmaking van fictieve klanten (waarvan de rechtbank vaststelt dat er door eiseres geen nominatum-verwijzing wordt gedaan naar beweerde fictieve klanten).

Eiseres is van oordeel dat de heren **N.** en **T.** er alle belang bij hadden om bezwarende verklaringen af te leggen om hun grotere afnemers te beschermen.

Eisers verwijst voorts naar de evolutie van haar omzetcijfers. Gesteld wordt dat, indien men de redenering van de administratie zou volgen (zwarte aankopen gedurende de jaren 1989 tot en met april 1992), de omzet dan vanaf mei 1992 op een substantiële wijze zou moeten zijn toegenomen, quod non.

##### Door de rechtbank weerhouden principes met betrekking tot gegevens afkomstig van derden

De rechtbank sluit zich niet aan bij de soms verdedigde stelling dat gegevens afkomstig van derden zonder meer geen enkele bewijswaarde zouden hebben.

In fiscaal recht is de bewijsvoering in principe vrij.

Het komt er op aan de waarheid te ontdekken wat in het geval van gegevens van derden steeds een feitenkwestie zal zijn.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat gegevens van derden de bekende feiten kunnen vormen waaruit gevolgtrekkingen met betrekking tot een belastingplichtige kunnen afgeleid worden, doch dat deze met de grootste omzichtigheid dienen beoordeeld te worden, in die zin dat deze gegevens slechts kunnen weerhouden worden indien hierdoor op omstandige wijze aangetoond wordt dat elke twijfel uitgesloten wordt en de gegevens van derden voor geen enkele andere uitleg (dan diegene die de fiscale realiteit staaft) vatbaar zijn.

Het algemeen principe is immers dat de twijfel ten nadele komt van de administratie als eiser en ten voordele van de belastingplichtige.

Dit laatste betekent evenwel niet dat de rechtbank van oordeel is dat de belastingplichtige zich in een loutere passieve rol zou mogen installeren.

Het louter ontkennen en het louter betwisten is onvoldoende.

Ook de belastingplichtige dient zekere en vaststaande gegevens aan te brengen ten einde het tegendeel aannemelijk te maken om het hogervermelde voordeel van de twijfel te genieten.

Het voorbrengen van loutere door niets gestaafde hypotheses of het louter negeren of ontkennen van gegevens van derden onder meer volstaat niet.

##### Appreciatie in concreto

Uit niets blijkt dat de derden bij het afleggen van hun verklaringen belangen nastreefden die totaal vreemd zijn aan de fiscale werkelijkheid in hoofde van de belastingplichtige eiseres.

Evenmin blijkt dat de belangen van de leverancier en eiseres strijdig waren zoals beweerd.

Centrale vaststelling blijft in casu, die ten andere door eiseres geenszins betwist of ontkracht wordt, de vaststelling dat de leverancier zelf geen zwarte aankopen aan de klanten doorleverde.

Wel daarentegen werden de niet-gefactureerde leveringen opgenomen in het dagontvangstenboek en werd de BTW betaald aan de Staat.

Als leverancier riskeerde deze enkel een boete en de enige mogelijkheid om hieraan te ontsnappen was te verklaren aan particulieren te hebben geleverd, wat de leverancier eerlijkheidshalve en wellicht onder druk van de verpletterende bewijslast van de in beslag genomen documenten niet deed.

Indien de leverancier ten onrechte de naam van een klant zou hebben genoemd riskeerde hij niet enkel de boete te moeten betalen, maar ook deze klant te verliezen en eventueel aangeklaagd te worden wegens lasterlijke aantijgingen, wat eiseres en dat is toch bevreemdend, desondanks niet deed.

Het is tekenend dat van de bijna 20 van het fraudedossier verdachte afnemers het nagenoeg alleen eiseres is die ontkent de door haar leverancier toegegeven niet-gefactureerde leveringen te hebben ontvangen.

De leveranciers **N.** en **T.** ondertekenden eveneens regularisatie-opgaven gestoeld op de nadien toegegeven niet­ gefactureerde leveringen.

In het lint van voornoemde vaststellingen komt een systeem van boeken van zwarte aankopen op afnemers die nimmer zwart afnemen, zoals door eiseres gesuggereerd, totaal onwaarschijnlijk en niet bewezen voor.

Er is dan ook geen enkele reden om te twijfelen aan de werkelijkheidswaarde van deze verklaringen die afzonderlijk door overlater en overnemer werden afgelegd en gelijkluidend en overeenstemmend zijn en nergens met elkaar in tegenstrijd komen.

Voorts stoelen beide verklaringen op stukken die ter gelegenheid van afzonderlijke huiszoekingen bij beide declaranten op afzonderlijke plaatsen gevonden werden en elkaar, stukken en verklaringen in hun geheel genomen, op geen enkel punt tegenspreken en volledig concorderend zijn, zodat elke twijfel uitgesloten is omtrent de fiscale realiteit met betrekking tot de werkelijkheid aan eiseres geleverde doch niet gefactureerde goederen.

Verwezen dient vooreerst naar de hoger opgesomde documenten die deel uitmaken van het "samenwerkingsakkoord" tussen dhr. **J. N.** en de BVBA **T.** aangetroffen naar aanleiding van de huiszoeking bij dhr. **N.** (zie stuk nr. 9 verweerde).

Hieruit blijkt overduidelijk dat dhr. **N.** aan de heren **T.** instructies geeft van hoeveel normaal "in het zwart'' werd geleverd.

De eisen van de cliënten werden hierin medegedeeld.

Er bestond duidelijk een systeem dat reeds werd toegepast door dhr. **N.** en dat de BVBA **T.** zou verderzetten, beter gezegd, door de overlater opgelegd werd verder te zetten ten einde de klant niet te verliezen zodat de overlater ook zijn commissies niet verloor.

Er is dus geen sprake van enige rechtzetting van de boekhouding achteraf.

De rechtbank merkt terzake daarenboven tevens op dat eiseres niet betwist een regelmatige afneemster te zijn van de BVBA **T.**.

Tweedens zijn er de documenten aangetroffen bij de BVBA **T.** waaronder zich een lijst bevindt geschreven door dhr. **N.** waarop expliciet staat (zie stuk 11 verweerder) :

"Transvaal = 66 % faktureren of 2/3"

Het feit dat een document opgesteld door dhr. **N.** zich bevindt bij de BVBA **T.**, toont met uitsluiting van elke twijfel aan dat het de bedoeling van de overlater was om de eisen van de clientèle weer te geven zodat de overdracht op een vlotte manier zou kunnen verlopen.

Er is geen enkele reden om aan te nemen waarom dit document zich anders bij de BVBA **T.** zou bevinden.

Komt daarbij de verklaring van **B. T.** dat hij ook wat eiseres betreft deze werkwijze heeft gevolgd, ten andere omdat hij voor een voldongen feit werd geplaatst.

Waarom zou **N.** zich bemoeien met de boekhouding van zijn overnemer ?

Derdens werden ter gelegenheid van de huiszoeking bij de echtgenoten **T. M.-E. G.** leveringsnota's op naam van eiseres in beslag genomen.

Voor de erop vermelde leveringen werd geen factuur uitgereikt en eiseres bewijst terzake het tegendeel niet.

Op deze stukken staan met de hand geschreven bedragen waarvan het grootste overeenstemt met de aan eiseres effectief gefactureerde leveringen (zie facturen maart 1992 - stuk nr. 42 verweer­ der).

Het kleinste bedrag is het totaal van de leveringsnota zelf.

De som van deze bedragen werd "voor voldaan" afgetekend door de zaakvoerder of het personeel van de BVBA **T.**.

Het grootste bedrag (namelijk de gefactureerde leveringen) vertegenwoordigt inderdaad ongeveer 66 % van het totaal zoals hierboven in het stuk nr. 11 werd gestipuleerd.

Verweerder merkt tevens terecht op dat de data van deze leveringsnota's overeenstemmen met de data van de corresponderende facturen.

Alles wijst er dus op dat bij elke levering aan eiseres systematisch een deel ter waarde van ongeveer een derde niet werd gefactureerd.

Anderzijds is tevens de verklaring van **B. T.** frappant waar hij stelt dat buiten de in beslag genomen leveringsnota's, hij er geen andere meer bezit daar die maandelijks vernietigd werden na betaling van het tegoed wat de fiscale realiteit betreft.

Het is inderdaad ondenkbaar dat zo'n duidelijk uitgewerkt systeem, dat volledig gedetailleerd blijkt uit de naar voor gebrachte documenten en waarbij de niet-facturaties een onlosmakelijk geheel vormen met de facturaties aan eiseres, zou gebeuren buiten haar wil om.

Eiseres brengt geen enkel gegeven naar voor om deze verklaringen en deze stukken of om de draagwijdte ervan ook maar enigszins te ontkrachten.

Zij beperkt er zich toe te stellen dat met gegevens afkomstig van derden omzichtig moet worden tewerk gegaan.

Dit is zoals gesteld onvoldoende.

De evolutie van de omzetcijfers bewijst ter zake niets en de rechtbank sluit zich ter zake aan bij de motiveringen van verweerder.

Vierdens zijn er de stukken die aantonen dat de commissies die dhr. **J. N.** ontvangt van de BVBA **T.** berekend worden zowel op basis van witte en zwarte leveringen, welke laatste vaststelling het vermoeden bevestigt dat laatstgenoemde een facturatiesysteem verderzette dat reeds in hoofde van **J. N.** bestond.

Tenslotte zijn er de afrekeningsstaten betreffende zowel zwarte als officiële leveringen voor de maanden januari-februari en maart 1992 (stuk 41 verweerder)) waarop de administratie zich terecht baseerde.

Voor de maand maart 1992 wordt het desbetreffende cijfer bevestigd door de leveringsnota's.

Wat tenslotte de aankopen bij de BVBA **S.** betreft is het gezien de hoeveelheid evident dat de aankoop niet voor eigen consumptie bestemd was en de rechtbank sluit zich terzake aan bij de overwegingen van verweerder.

Besloten kan worden dat de redenering van de fiscus omstandig is en men zeer voorzichtig tewerk is gegaan.

Een groot aantal reële vaststellingen werden naar voor gebracht, telkens gestaafd deer andere gegevens.

Besloten kan tevens worden dat het standpunt van de fiscus niet gebaseerd is op een alleenstaand vermoeden gevormd door en bij een leverancier gedane vaststelling, maar steunt op een geheel van afzonderlijke, maar met elkaar overeenstemmende feiten die middels een logische redenering, allen en met uitsluiting van elke twijfel in dezelfde richting wijzen, in casu de werkelijkheid van de niet gefactureerde leveringen.

Dit alles, in het kader van een vooraf geconcipieerd systeem dat gecreëerd werd om aan de wensen van de clientèle te voldoen.

Aldus bestond het systeem er in, zoals dat reeds bij de overlater bestond, namelijk dat het de regel was dat bij elke officiële levering, een zwarte levering hoorde waarvan de hoeveelheid voorafgaandelijk bepaald was.

Besloten kan tenslotte tevens worden dat eiseres geen enkel tegenbewijs levert of aannemelijk maakt en zich beperkt tot de eenvoudige negatie van wat vastgesteld werd.

De vordering van eiseres in ongegrond.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Gelet op de art. 2, 34, 36, 37 en 41 van de taalwet van 15 juni 1935.

Wijzende op tegenspraak.

Verklaart de vordering ontvankelijk doch wijst deze af als ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, aan de zijde van verweerder begroot in besluiten neergelegd d.d. 6 maart 1998 op … fr. rechtsplegingsvergoeding.

Verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, ondanks elk verhaal. zonder borgstelling en met uitsluiting van het kantonnement.

Aldus gevonnist en uitgesproken in het Gerechtsgebouw te Kortrijk in openbare terechtzitting op **ZES DECEMBER NEGENTIENHONDERD NEGENENNEGENTIG**.

Aanwezig : **B. D.**, alleenzetelend rechter,

**G. H.**, griffier.

**G. H.** **B. D.**

## Textes cités

3

[CTVA art. 59](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-59) 1 occurrence

[CTVA art. 91](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) 1 occurrence

[CTVA art. 93bis](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-93bis) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Fraude fiscale, Moyens de preuve, Procès-verbaux](https://juriel.be/fr/jurisprudence/fraude-fiscale-moyens-preuve-proces-cour-appel-bruxelles-2014-05-20-c1a1) 3 dispositions communes

[Reconstitution du chiffres d’affaires, Preuve par présomptions](https://juriel.be/fr/jurisprudence/reconstitution-chiffres-affaires-preuve-presomptions-cour-appel-bruxelles-2023-02-0e22) 2 dispositions communes

[Droit à déduction, Conditions, Affectation à l’activité économique](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-conditions-affectation-activite-cour-appel-liege-2022-04-19-4acf) 2 dispositions communes

[Siège d'une activité économique, compétence pénale](https://juriel.be/fr/jurisprudence/siege-activite-economique-competence-penale-cour-appel-gand-2024-01-09-4bee) 2 dispositions communes

[Prescription, intérêt de retard, désistement d'instance](https://juriel.be/fr/jurisprudence/prescription-interet-retard-desistement-instance-tribunal-bruges-2025-04-08-53a3) 2 dispositions communes

[Valeur probante d’un procès-verbal](https://juriel.be/fr/jurisprudence/valeur-probante-proces-verbal-taux-cour-appel-anvers-2014-11-18-574b) 2 dispositions communes

[Nullité de la contrainte](https://juriel.be/fr/jurisprudence/nullite-contrainte-caractere-ordre-public-cour-appel-anvers-2021-10-15-7803) 2 dispositions communes

[Intracommunautair goederenverkeer, fraude, calcul du chiffre d’affaires](https://juriel.be/fr/jurisprudence/intracommunautair-goederenverkeer-fraude-calcul-chiffre-cour-appel-gand-2025-12-02-7f70) 2 dispositions communes
