---
title: "18 mars 2013 · Preuve, mesure de contrôle · Tribunal de première instance de Bruges"
description: "Preuve, mesure de contrôle. Tribunal de première instance de Bruges (Belgique), 18 mars 2013."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/preuve-mesure-controle-tribunal-bruges-2013-03-18-6362"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Preuve, mesure de contrôle · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruges

**Date**

18 mars 2013

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

102 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement de Tribunal de première instance de Bruges du 18.03.2013

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hiernavolgend vonnis verleend**

**In de zaak 11/3792/A**

**D. D.,**

**G. A.,**

beiden met woonplaats te …, …

**eisers**,

voor wie optreedt Meester **M. M.**, advocaat te …, …

**TEGEN**

**DE BELGISCHE STAAT-F.O.D. FINANCIËN,**

algemene administratie van de fiscaliteit sector BTW

met kantoren te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat 4

in de persoon van de ea inspecteur BTW-Ontvangkantoor te Oostende,

Vrijhavenstraat 1

**verweerder,**

voor wie optreedt Mevrouw **M.-C. S.**, inspecteur bij een fiscaal bestuur - ( ref 3630/G )

## I. RECHTSPLEGING

Gelet op het verzoekschrift d.d. 16 december 2011.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overlegde bundels

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 4 maart 2013.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen

## ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1\. Eisers zijn niet-belastingplichtige particulieren en zijn eigenaar van een woning gelegen te …, …. Eisers hebben in de periode 2008 - 2009 onroerende werken laten uitvoeren aan de betreffende woning. Op 14 april 2011 hebben zij een aangifte ingediend overeenkomstig artikel 64, § 4 W.BTW

Teneinde het BTW-tarief op de uitgevoerde werken vast te stellen wordt een controle uitgevoerd door ambtenaren van het BTW-controlekantoor te Nieuwpoort. Volgens de administratie is het tarief van 21 % van toepassing op de uitgevoerde werken i.p.v. het tarief van 6 % . Een correctieopgave wordt opgemaakt. Na rekening te hebben gehouden met opmerkingen van eisers wordt een nieuwe correctieopgave opgemaakt op 26 mei 2011.

Eisers gaan niet akkoord met de correctieopgave en op 7 september 2011 wordt door **D. D.**, financieel deskundige, een proces-verbaal opgemaakt. In het proces-verbaal is opgenomen dat eisers verschuldigd zijn als BTW … EUR, als boete … EUR en moratoire intresten vanaf de betekening van het dwangbevel.

Op 24 oktober 2011 werd op basis van dit proces-verbaal door de bevoegde ambtenaar van het BTW-ontvangkantoor te Oostende een dwangbevel uitgevaardigd.

Voormeld dwangbevel werd op 26 oktober 2011 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door **E. D.**, ea. Inspecteur ai., aangewezen door de gewestelijk directeur van de belasting over de toegevoegde waarde te Brugge. Dit dwangbevel werd op 7 november 2011 aangetekend ter kennis gebracht aan eisers .

Tegen dit dwangbevel tekenden eisers verzet aan op 16 december 2011.

2\. Eisers vragen dat :

A. het dwangbevel d.d. 24 oktober 2011 wordt vernietigd, minstens ongegrond wordt verklaard;

B. minstens een prejudiciële vraag wordt gesteld aan het Grondwettelijk Hof;

C. de administratieve geldboete wordt kwijtgescholden of uitstel wordt verleend;

D. verweerder wordt veroordeeld tot alle kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. … EUR

3\. Verweerder vraagt dat de eis toelaatbaar doch ongegrond wordt verklaard en dat eisers worden veroordeeld tot de kosten van het geding.

## III. BEOORDELING

\- **Betreffende de ontvankelijkheid**

Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden . Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid , die zij ambtshalve zou moeten opwerpen , vaststelt , is de eis toelaatbaar .

\- **Betreffende de grond**

artikel 63 W.BTW

**1.1.** Conform artikel 63 W.BTW hebben de fiscale ambtenaren slechts toegang tot particuliere woningen of bewoonde lokalen tussen vijf uur 's morgens en negen uur 's avonds en uitsluitend met machtiging van de politierechter.

Volgens eisers heeft verweerder artikel 63 W.BTW geschonden door het nemen van foto's van de woning vanuit de tuin. Nog volgens eisers liggen deze foto's aan de grondslag van het betwiste dwangbevel.

**1.2.** De rechtbank stelt vast dat in het proces-verbaal d.d. 7 september 2011 geen sprake is van foto's . Het proces-verbaal is duidelijk gebaseerd op het door eisers meegedeelde plan , op de door eisers meegedeelde facturen en op het onderhoud met eerste eiser op 26 april 2011.

Wie de foto's heeft genomen die door eisers worden neergelegd is niet duidelijk

(volgens verweerder zijn de foto's genomen door ambtenaren van het kadaster) en hoe eisers aan de foto's komen is evenmin duidelijk (volgens eisers werden de foto's overgemaakt door de administratie, maar wanneer en door welke administratie wordt niet vermeld ).

Bewezen is alleszins niet dat ambtenaren van de BTW-administratie de foto's hebben genomen. Bovendien staat vast dat het proces-verbaal (en dus het dwangbevel) niet is gebaseerd op de foto's.

**1.3.** Een schending van artikel 63 W.BTW is dan ook niet bewezen.

verbouwing of nieuwbouw

**2.1.** Eisers stellen dat de uitgevoerde werken handelingen betreffen die de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of onderhoud betreffen van een woning, zodat de werken onderworpen zijn aan het verlaagde BTW-tarief van 6 %. Uitbreidingswerken kunnen genieten van het verlaagd BTW-tarief van 6 %. Er is geen sprake van nieuwbouw. Volgens eisers is de beslissing van september 1994, zijnde de zogenaamde 50 %-regel (BTW-revue nr. 110, p. 1103), strijdig met het legaliteitsbeginsel.

**2.2.** Volgens verweerder betreft het geen verbouwing maar een nieuwbouw. Na uitvoering van de werken bedraagt het oude gedeelte slechts 111,46 m2 van de totale bebouwde oppervlakte van 339,66 m2 , zijnde minder dan de helft. De voorwaarden om het tarief van 6 % te genieten zijn dus niet vervuld.

**2.3.** Sinds 1 augustus 1986 zijn sommige werken in onroerende staat, onder bepaalde voorwaarden, bij toepassing van rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven onderworpen aan het verlaagde BTW-tarief van 6 %. De toepassing van dit verlaagde tarief is beperkt tot de handelingen die de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van de woning tot voorwerp hebben.

Krachtens § 1,1° van rubriek XXXI van tabel A zijn het werk in onroerende staat en de daarmee gelijkgestelde handelingen die het bouwen van een nieuw gebouw tot voorwerp hebben impliciet uitgesloten van het voordeel van het tarief A.

In de administratieve aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986 wordt de toepassing van het verlaagd tarief in de onroerende sector toegelicht. In voormelde aanschrijving staat te lezen dat onder 'omvorming' wordt verstaan de verbouwing zowel aan de buitenkant als aan de binnenkant van het gebouw of de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken of uitbreiding van bestaande vertrekken. Volgens voormelde aanschrijving wordt het bestaan van een verbouwing niet bekritiseerd wanneer de renovatiewerken op een relevante wijze steunen op oude dragende muren en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het gebouw.

In BTW-revue nr.110 van september 1994 wordt verder verduidelijkt in welk geval een vergroting al dan niet kan worden aangemerkt als een omvorming in de zin van rubriek XXXI van de bijlage A van het KB nr. 20. De uitbreiding van een bestaand gebouw kan namelijk worden aangemerkt als een omvorming (of verbouwing) van dat gebouw voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte. Er kan worden van uitgegaan dat dit het geval is wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning of het woningcomplex na de uitvoering van de werken. Bovendien is vereist dat het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk van het oude gedeelte kan functioneren maar het oude gedeelte aanvult en er dus inzake aanwending van het gebouw een geheel mee vormt. Daarentegen is niet vereist dat het nieuwe gedeelte zich onder hetzelfde dak bevindt als het oude gedeelte.

**2.4.** Het is duidelijk dat voormelde aanschrijving en mededeling geen andere bedoeling en draagwijdte hebben dan de bestaande wetgeving en reglementering in herinnering te brengen en/of toe te lichten , en daaraan eventueel aanbevelingen vast te knopen. Zij hebben met andere woorden niet de bedoeling de erin vervatte interpretaties of richtlijnen verplichtend te stellen, aan wie dan ook. Volgens een vaste rechtspraak van de Raad van State en van het Hof van Cassatie hebben dergelijke interpretatieve aanschrijvingen geen bindend karakter.

De wettekst is evenwel veel beperkter dan de administratieve invulling in de [circulaire nr. 6/1986](https://juriel.be/fr/circulaires/6-1986-f342) waarop de controleambtenaar zich gebaseerd heeft. Ook indien men een brede uitlegging geeft aan de wettekst, is de mate waarin de [circulaire nr. 6/1986](https://juriel.be/fr/circulaires/6-1986-f342) toelaat om onder omvorming ook de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken en de uitbreiding van bestaande vertrekken te verstaan (randnummer 30) een administratieve toegeving op de wettekst . In de BTW-revue nr. 11O van september 1994 wordt nog verder gegaan door de verdubbeling van de oppervlakte toe te staan .

Evenwel kan de rechtbank een dergelijke administratieve toegeving op de wettekst niet negeren, wil zij voor alle rechtsonderhorigen die in dezelfde omstandigheden zijn, een gelijke behandeling garanderen .

Het onderscheid tussen werken, die als een omvorming kunnen worden aangemerkt en dus het tarief A kunnen genieten, en de werken, die bijdragen tot de oprichting van een nieuwbouw en dus uitgesloten blijven van de toepassing van het tarief A, is een feitenkwestie die geval per geval moet beoordeeld worden (*Vr. en Antw. , Kamer, 1992-93 , nr. 70 , 6703 - Vr. nr. 585 GEHLEN, BTW -rev., nr. 107, 106 nr. 3*) .

Gezien de beoordeling een feitenkwestie betreft en gezien de 50 %-regel een toegeving betreft op de wetgeving , is het stellen van een prejudiciële vraag dan ook niet aan de orde .

**2.5.** Door eisers wordt een plan neergelegd.

Uit het plan (en de besluiten van eisers) blijkt dat wat betreft het gelijkvloers de gang, inkom, eetplaats, bureau en aangebouwde berging werden behouden. Op de verdieping werden 3 slaapkamers aangepast tot 2 slaapkamers en werd de gang behouden. Het gelijkvloers werd uitgebreid met een zithoek, een keuken, een koele berging, een toilet, een gang, een wasplaats en een grote garage. De aangebouwde berging werd vervangen door een kelder. In de wasplaats werd een douche gemaakt. De verdieping werd uitgebreid met 2 slaapkamers en een badkamer. Bovenop het plat dak werd een zadeldak geplaatst (waardoor een zolder ontstaat)

Niet betwist wordt het feit dat de oppervlakte van het oude gedeelte 111,46 m2 bedraagt van de totale bebouwde oppervlakte van 339,66 m2.

Het behouden oude gedeelte (zijnde inkom, eetplaats, bureau en omgebouwde berging en 2 slaapkamers) is niet betekenisvol ten aanzien van het nieuwe gedeelte dat de zithoek, de keuken, een berging, een toilet, een grote garage, 2 slaapkamers en een badkamer en een zolder bevat en dus functioneel belangrijker is.

Op basis van de voorliggende stukken blijkt dat er een volledig nieuw gedeelte werd gebouwd dat in omvang groter is dan wat behouden werd. De oppervlakte van het behouden gedeelte bedraagt immers slechts 111,46 m2 en is kleiner dan 1/3 van de totale oppervlakte van de woning na de uitvoering van de werken, zijnde 339,66 m2 (gelijkvloers, eerste verdieping en zolder).

Dergelijke aanzienlijke uitbreidingswerken zijn van die aard dat het behouden gedeelte nog slechts bijzaak is.

**2.6.** Door het bijbouwen van meerdere vertrekken die functioneel belangrijk zijn en door dat de oppervlakte van het behouden gedeelte nog klein is t.o.v. de totale oppervlakte, staat ontegensprekelijk vast dat dit nieuwbouwwerken betreffende waarvoor het BTW-tarief van 21 % van toepassing is.

rechtszekerheidsbeginsel

**3.1.** Volgens eisers is het rechtzekerheidsbeginsel geschonden doordat de 50 %-regel niet is opgenomen in een folder uitgegeven door het Ministerie van Financiën en doordat de 50 %-regel niet werd bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad.

**3.2.** Zoals reeds gesteld is het duidelijk dat voormelde aanschrijving (nr. 6 van 22 augustus 1986) en mededeling (BTW-revue nr. 110 september 1994, met de 50 %­ regel) geen andere bedoeling en draagwijdte hebben dan de bestaande wetgeving en reglementering in herinnering te brengen en/of toe te lichten, en daaraan eventueel aanbevelingen vast te knopen. Zij hebben met andere woorden niet de bedoeling de erin vervatte interpretaties of richtlijnen verplichtend te stellen, aan wie dan ook. Volgens een vaste rechtspraak van de Raad van State en van het Hof van Cassatie hebben dergelijke interpretatieve aanschrijvingen geen bindend karakter.

De wettekst is evenwel veel beperkter dan de administratieve invulling in de [circulaire nr. 6/1986](https://juriel.be/fr/circulaires/6-1986-f342). Ook indien men een brede uitlegging geeft aan de wettekst, is de mate waarin de [circulaire nr. 6/1986](https://juriel.be/fr/circulaires/6-1986-f342) toelaat om onder omvorming ook de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken en de uitbreiding van bestaande vertrekken te verstaan (randnummer 30) een administratieve toegeving op de wettekst. In de BTW­revue nr. 110 van september 1994 wordt nog verder gegaan door de verdubbeling van de oppervlakte toe te staan.

Het betreft derhalve administratieve toegevingen op de wettekst. Het onderscheid tussen de werken (nieuwbouw of verbouwing) blijft een feitenkwestie.

**3.3.** De folder waarnaar eisers verwijzen bevat slechts zeer summier de wettelijke regeling om te kunnen genieten van het tarief van 6 % in plaats van 21 % bij renovatie of vernieuwing. Eisers (en hun architect) dienden te weten dat een zeer beperkte folder niet alle informatie kan bevatten. De 50 %-regel is slechts een administratieve toegeving, die niet kan of moet opgenomen worden in een folder en niet moet worden gepubliceerd in een Belgisch Staatblad.

Zoals reeds herhaaldelijk gesteld blijft het onderscheid tussen de werken (nieuwbouw of verbouwing) steeds een feitenkwestie.

**3.4.** Het rechtszekerheidsbeginsel werd dan ook niet geschonden artikel 1 Eerste Protocol EVRM.

**4.1.** Het is niet omdat de wetgeving (in het bijzonder het K.B. nr. 20 van 20 juli 1970) de begrippen 'de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging' niet gedetailleerd omschrijft dat de betreffende wetgeving niet duidelijk, voorzienbaar en consistent zou zijn.

Het onderscheid tussen de werken (nieuwbouw of verbouwing) blijft een feitenkwestie.

**4.2.** Artikel 1 Eerste Protocol EVRM werd dan ook niet geschonden.

boete

**5.1.** Een boete van … EUR, zijnde 10 % op het verschuldigde BTW-bedrag, heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).

Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.

**5.2.** Uit het proces-verbaal blijkt dat eisers onterecht het tarief van 6 % BTW hebben toegepast op een nieuwbouw. De rechtbank stelt op basis van de vaststellingen en de inbreuk vast dat de door verweerder bepaalde administratieve boete van … EUR beantwoordt aan een juiste toepassing van de betreffende wettelijke en reglementaire bepalingen op de vast gestelde feiten, ondanks het relatief hoge bedrag ervan berekend in absolute cijfers. Het opleggen van een boete van … EUR is in deze zaak verantwoord en niet onevenredig met de inbreuk.

De boete heeft niet alleen een vergoedende aard, maar heeft ook een bestraffend en afradend karakter.

**5.3.** Uitstel van de geldboete, indien dit al mogelijk zou zijn , wordt niet toegestaan aan eisers.

Eisers zijn niet-belastingplichtige particulieren en zoals eisers zelf stellen is de inbreuk daardoor (waarschijnlijk) éénmalig. De opgelegde geldboete betreft reeds een verminderde geldboete en is (zoals reeds gesteld ) niet onevenredig met de inbreuk.

In tegenstelling tot de bewering van eisers is de inbreuk niet te wijten aan een foutief optreden van de administratie.

Er is dan ook geen enkele reden om eisers het voordeel van uitstel te verlenen.

**-** **Betreffende de kosten**

Gezien eisers in het ongelijk worden gesteld, moeten zij overeenkomstig artikel 1017, 1° lid Ger.W. de gerechtskosten dragen.

Verweerder werd niet bijgestaan door een advocaat, zodat hij geen recht heeft op een rechtsplegingsvergoeding.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**De rechtbank,**

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

**Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond.**

Veroordeelt eisers tot de gedingkosten , aan hun zijde niet te begroten aangezien ze hen ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op … EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtsgebouw te Brugge op **maandag, achttien maart tweeduizend en dertien**.

Aanwezig zijn :

**D. P. L.**, alleenrechtsprekend rechter;

**S. C.**, griffier.

**C. S.** **L. D. P.**
