---
title: "29 juin 2004 · Preuve, mesure de contrôle · Tribunal de première instance de Bruges"
description: "Preuve, mesure de contrôle, poursuite. Tribunal de première instance de Bruges (Belgique), 29 juin 2004."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/preuve-mesure-controle-poursuite-tribunal-bruges-2004-06-29-2247"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Preuve, mesure de contrôle, poursuite · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruges

**Date**

29 juin 2004

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

108 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 29.06.2004

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE - VIERDE KAMER, HEEFT HET HJERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND :**

**in de zaken : AR.nr. 99/2173/A en nr. 00/10681/A :**

van

**mevrouw V. L. C.**, zonder beroep, wonende te …, … voorheen, en thans te …, …,

**eiseres,**

vertegenwoordigd door meesters **F. M.**, **H. D. L.** en **L. M.**, advocaten te …

**tegen :**

de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, in de persoon van de Eerstaanwezend Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor Brugge wiens burelen gevestigd zijn te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat nr. 4,

**verweerder,**

vertegenwoordigd door meester **L. D. S.**, advocaat te ….

---

## I. PROCEDURE

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 1 juni 2004, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.

De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :

In de zaak **99/2173/A**

1\. de gedinginleidende dagvaarding met verzet tegen dwangbevel van 21 juni 1999;

2\. de conclusie voor verweerder van 18 september 1999;

3\. de conclusie voor eiseres van 7 februari 2000;

4\. de conclusie voor verweerder van 13 maart 2000;

5\. de conclusie voor eiseres van 13 juni 2000 en

6\. de conclusie voor verweerder van 6 december 2002.

In de zaak **00/1068/A**

1\. de gedinginleidende dagvaarding met verzet tegen dwangbevel van 21 februari 2000;

2\. het vonnis van verwijzing op basis van territoriale bevoegdheid door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent van 27 maart 2000;

3\. de conclusie voor verweerder van 29 november 2002 en

4\. de conclusie voor verweerder van 30 december2003.

Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van verweerder ingezien.

## II. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

*1. De feiten die relevant zijn voor het geschil*

Eiseres was in de periode van 14 mei 1986 tot 31 oktober 1994 in eigen naam geregistreerd als belastingplichtige voor de BTW voor de activiteit van zelfstandige café-uitbating en personenvervoer met chauffeur.

Met een brief van 20 augustus 1993 kreeg de Bijzonder Belastinginspectie machtiging van de Procureur-Generaal te Gent om inzage en afschrift te nemen van een strafrechtelijk onderzoek ten laste van een zekere **M. S.**, persoon met wie eiseres destijds samenleefde.

Als gevolg daarin voerde verweerder controles uit bij eiseres. Dat resulteerde in het opmaken van twee processen-verbaal :

\- een eerste proces-verbaal voor het vierde kwartaal van 1989, opgesteld op 2 december 1994,en

\- een tweede proces-verbaal van 30 januari 1995.

De processen-verbaal zijn gebaseerd op het strafrechtelijk onderzoek ten laste van de genoemde **M. S.** (en zijn veroordeling), in het bijzonder op het feit dat er sommen die afkomstig waren van betalingen met kredietkaarten in de handelszaken waarvan de exploitatie op naam van eiseres stonden, gestort werden op twee bankrekeningen van eiseres.

Op basis van het proces-verbaal van 2 december 1994 werd aanvankelijk een uitnodiging tot betaling gestuurd op 5 december 1994. Vervolgens werd op 16 december 1994 een dwangbevel opgesteld onder RCIV-nummer 294/1202/51641 waarin verwezen werd naar het proces-verbaal van 2 december 1994 maar waaraan een cijfermatige correctie werd aangebracht : het bedrag … frank werd vervangen door het bedrag … frank wegens een materiële misslag. In dat dwangbevel werd door verweerder vanwege eiseres om betaling gevraagd van … frank (… euro) BTW en … frank (… euro) proportionele boete meer de wettelijke interest vanaf 21 januari 1994 en meer de vervolgingskosten. Dat dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 20 december 1994.

Met een exploot van 4 januari 1995 liet verweerder het dwangbevel van 16 december 1994 aan eiseres betekenen en dit overeenkomstig artikel 40 Ger. W. vermits eiseres op dat moment in Nederland woonde.

Aan de hand van het hoger genoemde proces-verbaal van 30 januari 1995 ging verweerder op 22 maart 1995 over tot het opstellen van een dwang- bevel ten laste van eiseres onder RCIV-nummer 295/0313/50886. In dat dwangbevel werd eiseres aan verweerder de volgende sommen schuldig verklaard :

\- … frank (… euro) BTW,

\- … frank (… euro),

\- de wettelijke interest en

\- de vervolgingskosten.

Het dwangbevel werd op 27 maart 1995 geviseerd en uitvoerbaar verklaard en aan eiseres ter kennis gebracht met een aangetekende brief van 31 maart 1995.

Gelet op de nakende verjaring verstuurde verweerder op 20 mei 1999 een aangetekende brief aan eiseres waarmee zij de betekening van het dwangbevel van 16 december 1994 herhaalde.

Op 21 juni 1999 liet eiseres de dagvaarding betekenen met verzet tegen het·dwangbevel van 16 december 1994 en stelde zij daarmee haar vordering in gekend in de zaak 99/2173/A.

Ook met het oog op de stuiting van de verjaring verstuurde verweerder aan eiseres op 22 december 1999 een aangetekende brief als herhaalde betekening van het dwangbevel van 22 maart 1995.

Tegen dat dwangbevel tekende eiseres verzet aan met de dagvaarding van 21 februari 2000, zijnde het gedinginleidend exploot in de zaak 00/1068/A.

*2.De vorderingen van de partijen*

**Eiseres** vordert vooreerst de voeging van de twee zaken.

Ten gronde vordert eiseres dat de rechtbank zou zeggen dat de vordering tot betaling van de door verweerder bepaalde belastingschulden verjaard is, minstens dat de rechtbank zou zeggen voor recht dat eiseres niets meer verschuldigd is aan verweerder omdat de aanspraken van verweerder ontoelaatbaar, nietig of minstens ongegrond zijn.

Eiseres vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten en dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar zou verklaren bij voorraad, zelfs wanneer een rechtsmiddel zou worden aangewend, zonder dat de uitvoering afhankelijk kan gesteld worden van een borgstelling en met uitsluiting van het kantonnement.

Verweerder vraagt eveneens de voeging van de twee zaken en vordert dat de vorderingen van eiseres door de rechtbank zouden worden afgewezen als onontvankelijk, minstens als ongegrond en dat eiseres zou verwezen worden in de gerechtskosten.

## lII. BEOORDELING

*1. De voeging van de zaken*

De twee betreffende zaken doen zich voor tussen dezelfde partijen, hebben hetzelfde voorwerp, dezelfde oorzaak en nagenoeg hetzelfde onderwerp: alleen de belastbare periode is verschillend;

De zaken zijn samenhangend in de zin van artikel 30 Ger. W.

De zaken met rolnummers 99/2173/A en 00/1068/A worden gevoegd.

*2. De ontvankelijkheid van de vordering*

Verweerder voert aan dat de vorderingen in de beide zaken onontvankelijk zijn omdat deze laattijdig zouden zijn. Vermits eiseres, die voordien al regelmatig van domicilie veranderde met wijziging van de fiscale kantoren tot gevolg, al eind 1994 haar activiteit stopzette, zou het voor verweerder moeilijk zijn om over bepaalde bewijsstukken te kunnen beschikken. Verweerder meent dat zijn rechten van de verdediging geschonden zijn.

Verweerder verwijst naar artikel 371 WIB92 en naar artikel 861 Ger.W.

Er is geen enkel artikel dat bepaalt binnen welke termijn het verzet tegen een dwangbevel moet betekend worden. Artikel 371 WIB92 heeft niets met BTW te maken en is dus niet toepasselijk in deze zaken. Artikel 861 Ger.W. is al evenmin aan de orde. Dat artikel handelt over de vereiste van belangenschade om een proceshandeling nietig te verklaren. Verweerder stelt geen exceptie van nietigheid en zou daartoe ook geen reden hebben. Het betreft een exceptie van onontvankelijkheid, gesteund op het verstrijken van een termijn die niet wettelijk bepaald is.

Het feit dat er bij de inleiding van de vorderingen (1999 en 2000) een lange termijn verstreken was sedert het moment van het ontstaan van de BTW-schuld (in 1989-1990) en zelfs sedert het moment van het uitvaardigen van de bestreden dwangbevelen (1994 en 1995) vindt mede zijn oorzaak in het feit dat verweerder in al die jaren niet tot inning van de door haar schuldig bevonden bedragen is overgegaan en de schuld op het moment van de inleiding dus nog openstond.

De exceptie in die omstandigheden is ongegrond.

Verweerder voert verder geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vorderingen kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, zijn de vorderingen ontvankelijk.

*3. De grond van de vorderingen*

De rechtbank overloopt de verschillende argumenten die eiseres ontwikkelt.

3.1. Met betrekking tot de zaak 99/2173/A : horen van eiseres in verband met correctie van de cijfers uit het proces-verbaal.

Eiseres roept in dat haar rechten geschonden zijn doordat in het dwangbevel van 16 december 1994 aan de cijfers van het proces-verbaal van 2 december 1994 (dat al per brief van 5 december 1994 aan eiseres was overgemaakt) een correctie werd doorgevoerd met betrekking tot de cijfers (zie het feitenrelaas), zonder dat eiseres daarover voorafgaandelijk werd gehoord. Zij zou zich niet hebben kunnen verdedigen op dat punt.

Die stelling kan niet worden gevolgd. Vooreerst betreft het slechts de rechtzetting van een materiële vergissing, namelijk het verwisselen van twee cijfers ineen getal (… i.p.v. …) dat de resultante was van een berekening (nI. … x100/93). Het gaat dus niet over een wijziging van een standpunt waarover het nuttig kon zijn eiseres te horen.

Bovendien heeft de kennisgeving van het dwangbevel de mogelijkheid gegeven aan eiseres om op dat punt te reageren en, mocht daartoe reden hebben bestaan, haar rechten te laten gelden voor de rechtbank. De rechten van eiseres zijn dus op dat punt niet geschonden.

3.2. Belastbare handelingen gesteld door **M. S.**

Eiseres stelt dat uit het strafrechtelijk onderzoek waarop verweerder zijn. dwangbevelen baseert, alleen aanwijzen blijken dat **M. S.** vervalsingen heeft gepleegd. Het geld dat uit die strafbare feiten voortgekomen is, zou ook haar niet ten goede gekomen zijn. De oorsprong van die gelden zouden niet in de exploitatie van de handelszaak van eiseres liggen maar slechts in de gepleegde vervalsingen die geen exploitatiehandeling van eiseres zou zijn en zelfs niet zouden kaderen in haar exploitatie. Er zouden geen belastbare handelingen te haren laste gebleken zijn uit dat strafrechtelijk onderzoek.

Verweerder moet nochtans gevolgd worden in zijn stelling dat de sommen die op naam van eiseres worden gevorderd in de bestreden dwangbevelen, gebaseerd zijn op de vaststelling dat door klanten van twee handelszaken die op naam van eiseres stonden betalingen werden gedaan met betaalkaarten, terwijl de afrekeningen met de betreffende betaalkaartfirma's gestort werden op twee rekeningen van eiseres. In het bijzonder heeft de controle uitgewezen dat de bedragen die op die manier gestort werden, veel hoger waren dan de omzet die eiseres had aangegeven in de betrokken periodes. Verweerder heeft dat feitenrelaas opgenomen in zijn processen-verbaal die, tot bewijs van het tegendeel, overeenkomstig artikel 59 §1 W.BTW geacht worden met de werkelijkheid overeen te stemmen, althans wat betreft de vaststelling die de BTW-administratie zelf kon doen (hier de feitelijke elementen van een strafdossier). Eiseres weerlegt die feiten niet.

Vermits er gelden uit twee handelszaken van eiseres afkomstig waren die op haar rekeningen terecht zijn gekomen, worden die gelden geacht uit haar BTW-plichtige activiteit voort te spruiten.

Terecht laat verweerder gelden dat eiseres het best geplaatst is om te weerleggen dat de gelden met haar zelfstandige beroepsactiviteit te maken hadden. Eiseres levert geen enkel bewijs van het tegendeel.

3.3. **M. S.** als exploitant

Vergeefs voert eiseres aan dat niet zij maar haar levensgezel, **M. S.**, de eigenlijke exploitant van haar handelszaken zou geweest zijn in de betreffende periode. Verweerder Iegt een reeks documenten voor waarin telkens weer alleen eiseres optreedt als exploitant van de betreffende handelszaken of waarin alleen eiseres opdracht of volmacht verstrekt. Eiseres legt geen enkel stuk voor waaruit zou kunnen afgeleid worden dat de heer **M. S.** de eigenlijke, feitelijke zaakvoerder was.

3.4. Verjaring - toepassing artikel 81bis §1 W.BTW

Eiseres roept in dat artikel 81bis §1 W.BTW voorziet dat er al verjaring is van de vordering tot voldoening van de BTW, de interest en de administratieve boeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van de opeisbaarheid van de BTW, interest en boeten zich heeft voorgedaan.

Anders nog dan eiseres uitlegt, zou dat betekenen dat de verjaring voor de schuld met betrekking tot het vierde kwartaal van 1989 al op 1 januari 1993 was ingetreden, voor de schuld van 1990 op 1 januari 1994 en voor 1991 op 1 januari 1995, terwijl pas later kennis werd gegeven van de bestreden dwangbevelen.

Eiseres stelt zelfs dat de eerste stuitingsdaad pas van 20 mei 1999 dateert.

Eiseres gaat evenwel voorbij aan het feit dat artikel 81bis W.BTW pas werd ingevoegd bij artikel 53 van de Wet van 15 maart 1999. In artikel 97, 7° van die wet is voorzien dat het vroegere artikel 81 W.BTW (een bepaling die nu vervangen is door zowel wel een nieuw artikel 81 en het betreffende artikel 81bis) blijft gelden voor de BTW, interest en administratieve geldboeten waarvoor de vordering tot voldoening ontstaan is vóór 1 januari 1999. Verweerder laat dan ook met reden gelden dat de verjaringstermijn van het oude artikel 81 W.BTW geldt, namelijk vijf jaar te rekenen van de dag waarop de vordering tot voldoening van de BTW, interest en geldboeten zijn ontstaan. In dat geval is de oudste dag deze van de aangifte van de BTW. Eiseres was kwartaalaangeefster. Voor het vierde kwartaal van 1989 is dat 20 januari 1990. De betekening van het dwangbevel van 16 december 1994 op 4 januari 1995 gebeurde dus tijdig. Voor de jaren 1990 tot 1993, is de . verjaring ook tijdig gestuit met de betekening van het dwangbevel van 22 maart 1995 op 31 maart 1995. Voor het oudste kwartaal van die periode, namelijk het eerste kwartaal van 1990, ontstond de vordering tot voldoening van de BTW immers pas op 20 april 1990.

Daarna heeft verweerder het nodige gedaan om de lopende verjaring opnieuw te stuiten binnen de termijn van 5 jaar, met name door de bestreden dwangbevelen opnieuw te betekenen per brief overeenkomstig artikel 85 § 1 W.BTW respectievelijk op 20 mei 1999 en op 22 december 1999 .

Er is dus geen verjaring ingetreden met betrekking .tot de sommen die het voorwerp uitmaken van de bestreden dwangbevelen.

3.5. Conclusie

De conclusie is dat de vorderingen in de beide samengevoegde zaken ongegrond zijn.

*4. De gerechtskosten*

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, moet zijde gerechtskosten dragen.

*5. Uitvoerbaarheid bij voorraad*

Nu de vorderingen van eiseres niet kunnen ingewilligd worden heeft een voorlopige tenuitvoerlegging voor haar geen nut. Ook dat deel van de vordering is dus ongegrond.

### Dispositif

## IV. UITSPRAAK

**De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.**

**De rechtbank voegt de zaken met rolnummers 99/2173/A en 00/1068/A.**

**Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk maar wijst ze af als ongegrond.**

De rechtbank verwijst eiseres in de gerechtskosten van deze procedure en stelt die kosten als volgt vast :

aan de zijde van verweerder :

\- rechtsplegingsvergoeding : … euro

terwijl de kosten aan de zijde van eiseres niet moeten vastgesteld worden vermits ze door haar zelf moeten gedragen worden.

De rechtbank wijst de vordering met betrekking tot de voorlopige tenuitvoerlegging af als ongegrond.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op **negenentwintig juni tweeduizend en vier**.

De rechtbank is als volgt samengesteld :

**D. V.**, alleenrechtsprekend rechter

**A. V.**, griffier.

**A. V.** **D. V.**
