---
title: "19 mars 2001 · Preuve, mesure de contrôle · Tribunal de première instance de Bruges"
description: "Preuve, mesure de contrôle, poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor. Tribunal de première instance de Bruges (Belgique), 19 mars 2001."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/preuve-mesure-controle-poursuite-instance-tribunal-bruges-2001-03-19-8886"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Preuve, mesure de contrôle, poursuite, instance · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruges

**Date**

19 mars 2001

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

125 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 19.03.2001

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :**

In de zaak **92/3542/A**

**de heer M. L.**, uitbater van de tearoom "**P.**", wonende te …, …,

**eiser,**

voor wie optreedt Meester **P. D.**, advocaat te … en Meester **F. V.**, advocaat te …

**tegen :**

**de BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, met burelen te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, Administratie van de BTW te Brugge, met kantoren te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,

**verweerder,**

voor wie optreedt Meester **J. V. d. P.**, advocaat te …

## I. RECHTSPLEGING

Gelet op de inleidende dagvaarding houdende verzet de dato 20 oktober 1992.

Gelet op de verwijzing van deze zaak de dato 28 maart 2000, in toepassing van artikel 90 van het gerechtelijk wetboek, naar de vierde kamer van deze rechtbank.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 19 februari 2001.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

## II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

**2.1.** Eiser is gekend en ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW­registratienummer …, ingevolge de door hem aangevatte activiteit van uitbating van een tearoom en snackbar.

Op 18 oktober 1990 werd door **W. G.**, hoofdcontroleur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde en dit over de periode van 1 januari 1987 tot 31 december 1988.

Door de controlerende ambtenaar werd op 30 maart 1992 een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiser begane overtredingen werden geacteerd. Dit proces­verbaal werd aan eiser ter kennis gebracht bij gewone brief van 2 april 1992.

Op 7 april 1992 werd door de ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Brugge, overeenkomstig artikel 85, § 1 W.BTW, een dwangbevel uitgevaardigd.

Voormeld dwangbevel werd op 10 april 1992 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer **D. R.**, inspecteur van de BTW te Brugge, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge en op 15 april 1992 door de heer ontvanger bij aangetekende brief aan eiser opgestuurd.

**2.2.** Eiser vraagt dat het verzet ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat dienvolgens voor recht wordt gezegd dat het dwangbevel, uitgevaardigd op 7 april 1992 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 10 april 1992, nietig, minstens onwettelijk en/of ongegrond is en dat hij bijgevolg geen BTW, noch boetes verschuldigd is. Verder vordert eiser de terugbetaling van alle sommen, die op onrechtmatige wijze zouden zijn betaald en/of achtergehouden, verhoogd met de wettelijke intresten vanaf het ogenblik van de inhouding of betaling. In ondergeschikte orde vraagt eiser dat de zaak zou worden opgeschort ingevolge het adagium "Ie criminel tient Ie civil en état. In meer ondergeschikte orde vraagt eiser dat de voorlegging wordt bevolen van de stukken m.b.t. de zaak **P.** en m.b.t. de door verweerder ingeroepen 68 akkoorden en dat de rechtbank de boete die betrekking heeft op het dwangbevel, kwijtscheldt.

Tevens vordert hij dat verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, zijnde de dagvaardingskosten ten bedrage van 2.044 Bf. en de rechtplegingsvergoeding ten bedrage van 12.600 Bf. en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.

**2.3.** Verweerder vraagt dat het verzet ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiser wordt veroordeeld tot de kasten van het geding, in hoofde van verweerder begroot op 12.900 Bf. rechtsplegingsvergoeding.

## III. BEOORDELING

### 3.1. le criminel tient le fiscal en état

**3.1.1.** De rechtbank stelt vast dat eiser op 1 juli 1996 bij de heer onderzoeksrechter **P. G.** een klacht met burgerlijke partijstelling heeft neergelegd tegen de heer **J.-C. V. K.**, handelsvertegenwoordiger van de NV **P.**, en tegen de gewezen verantwoordelijken van voormelde NV, wegens valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken (nr. 104/96).

Eiser stelt dat uit het strafonderzoek zonder de minste twijfel zal blijken dat de kwestieuze facturen waarop verweerder zich beroept, valse stukken zijn.

Aangezien voormeld gerechtelijk onderzoek een beslissende invloed kan hebben op de afhandeling van huidig geding, dient, volgens eiser, de rechtbank toepassing te maken van het principe " Le criminel tient Ie fiscal en état" en dient de behandeling van de zaak derhalve te worden uitgesteld totdat het strafonderzoek zal zijn afgehandeld,

**3.1.2.** De rechtbank acht dit argument achterhaald nu de raadsman van eiser ter zitting heeft verklaard dat de raadkamer in voormeld gerechtelijk onderzoek tot een buitenvervolgingstelling heeft beslist.

### 3.2. nopens de regelmatigheid van het dwangbevel

**3.2.1.** Eiser stelt dat in het bestreden dwangbevel het bewijs van de machtiging, waarbij de gewestelijke directeur delegatie verleend aan een bepaalde ambtenaar om dwangbevelen te viseren en uitvoerbaar te verklaren, niet vervat is. Tevens werd het bewijs van machtiging niet als bijlage aan het bestreden dwangbevel gehecht.

Eiser stelt verder dat het bewijs van die machtiging een conditio sine qua non uitmaakt teneinde authenticiteit te verlenen aan het dwangbevel Voormelde tekortkoming brengt dan ook de absolute nietigheid mee van de betekening van het dwangbevel, alsmede van de uitvoerbaarverklaring.

Het dwangbevel, hetwelk ontegensprekelijk een authentieke akte uitmaakt, dient in de op hem toepasselijke wettelijk voorgeschreven vorm te zijn opgemaakt, te weten overeenkomstig de bepalingen van artikel 85, § 1 W.BTW, luidende als volgt : “Bij gebreke van voldoening van de belasting, intresten, administratieve geldboeten en toebehoren wordt door de met invordering belaste ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd; dit wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen of door de door hem aangewezen ambtenaar en, in de gevallen bepaald door de Koning, door de gewestelijke directeur van de administratie der douane en accijnzen, of door de door hem aangewezen ambtenaar.

Het visum en de uitvoerbaarverklaring van het dwangbevel maken dus de voorzegde wettelijk voorgeschreven vorm uit en zijn dus de wettelijke vereisten zonder dewelke het dwangbevel niet uitvoerbaar is. Zij voegen uiteraard niets toe aan het dwangbevel, doch zij zijn een wettelijke voorwaarde opdat het dwangbevel tot een uitvoerbare titel zou geworden. Derhalve is de rechtsgeldige naleving van voorzegde bepaling een, strikte noodzaak.

Evenwel mogen geen andere of meerdere vereisten, dan bij wet bepaald, worden gesteld. Aldus wordt door geen enkele wettelijke bepaling vereist dat de delegatie zelf bij dit dwangbevel wordt gevoegd, mede ter kennis wordt gebracht of wordt betekend noch dat deze delegatie een, conform artikel 1328 B.W. vast datum zou hebben. Teneinde aldus aan de wettelijke bepalingen te voldoen, is het vereist, doch volstaat het, dat het visum en de uitvoerbaarverklaring, benevens de datum, de naam van de ambtenaar die het heeft geviseerd en uitvoerbaar verklaard, vermeldt, gevolgd door diens handtekening, desgevallend met de vermelding van de aanwijzing door de gewestelijke directeur van de administratie, ingeval het niet deze laatste is die het visum en de uitvoerbaarverklaring heeft verleend.

Het litigieuze dwangbevel voldoet aan al deze vereisten. Aangezien verweerder in de procedure onder haar stuk 27 een document voorlegt waaruit ontegensprekelijk blijkt dat de gewestelijke directeur op 2 maart 1992 aan de heer **R. D.**, inspecteur van de BTW te Brugge zijn wettelijke bevoegdheid heeft gedelegeerd om alle dwangbevelen te viseren en uitvoerbaar te verklaren met ingang van deze datum en tot nader order, dient te worden vastgesteld dat het visum en de uitvoerbaarverklaring de dato 10 april 1992 conform de bepalingen van artikel 85 § 1, eerste lid W.BTW, zijn geschied, nu, het weze herhaald, geen meerdere of andere vereisten worden gesteld, terwijl de verklaring de dato 2 maart 1992 evenmin van valsheid wordt beticht.

**3.2.2.** Eiser stelt dat de ontvanger niet de bevoegdheid heeft om het afschrift van het dwangbevel voer eensluidend te verklaren. Aangezien dit in casu gebeurd is, is de kennisgeving onbestaande.

Verweerder maakte gebruik van een bij ter post aangetekende brief om het dwangbevel ter kennis te brengen. Deze aangetekende zending is een stuk dat het dwangbevel aanvult en begeleidt. De betekening geschiedt derhalve door afgifte aan eiser van een afschrift. Een afschrift of een fotokopie van het origineel dwangbevel is de gehele overschrijving of weergave, waaraan al dan niet onder handtekening een getuigschrift voor eensluidendheid met het origineel is toegevoegd.

Waar de betekening geschiedt bij aangetekend schrijven, is het volledig normaal dat dit aangehecht afschrift eensluidend wordt verklaard door het bevoegd orgaan van de administratie.

In casu wordt het niet betwist dat het bij ter post aangetekende brief ter kennis gebracht afschrift van het dwangbevel en het proces-verbaal voor eensluidend werden verklaard door de ontvanger van de BTW, de heer **J. D.**, als zijnde dezelfde persoon die instond voor de uitvaardiging van het dwangbevel en de kennisgeving ervan. Dit is conform artikel 85, § 1, 1 ste lid W.BTW, nu de hierin vervatte bewoordingen impliceren dat de met de invordering belaste ambtenaar tevens belast is met de kennisgeving ervan. Waar de kennisgeving noch meer noch min een uitvoeringsmodaliteit van het dwangbevel zelf is, is een logische consequentie hiervan dat ook dezelfde ambtenaar de bevoegdheid heeft een voor eensluidend verklaard afschrift af te leveren van het dwangbevel, waartoe hij de uitvaardigingsbevoegdheid heeft uit kracht van de wet.

**3.2.3.** Op grond van deze middelen kan noch tot de nietigheid der betekening noch tot de nietigheid van het dwangbevel worden besloten.

**3.3.** nopens de nietigheid van de aanslag omwille van de schending van artikel 84 W.BTW en van het algemeen rechtsbeginsel van de rechten van verdediging (hoor- en motiveringsplicht)

**3.3.1.** De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal d.d. 30 maart 1992 blijkt dat eiser op 18 oktober 1990 lezing heeft gekregen van het proces-verbaal van de heren **M. H.** en **D. S. G.** en dat hem hierbij de fotokopieën van de bewuste nulfacturen ter inzage werden voorgelegd. Tevens blijkt dat eiser op 2 april 1992 in kennis werd gesteld van het proces-verbaal van **G. W.** d.d. 30 maart 1992 en dat hij aldus kennis had van het voornemen van verweerder om de bewuste nul leveringen om te slaan in belastbare omzet.

Van onbehoorlijk bestuur kan derhalve geenszins sprake zijn.

Verder is het duidelijk dat verweerder niet verplicht is om een voorafgaande administratieve procedure toe te passen en dat het dwangbevel gesteund is op het bijgevoegde proces-verbaal van 30 maart 1992, zodat de uitvoerbare titel ongetwijfeld voldoende gemotiveerd was.

**3.3.2.** Bovendien stelt de rechtbank vast dat de rechten van verdediging van eiser tevens gevrijwaard zijn door de mogelijkheid waarover hij wettelijk beschikt om zich te verzetten tegen de uitvoering van het dwangbevel bij wege van gerechtelijke vordering.

Aangezien eiser zijn vordering in verzet in onderhavig geding effectief uitoefent zijn rechten van verdediging niet geschonden.

### 3.4. nopens de onwettige organisatie van de opsporing- en documentatiediensten van de administratie van de BTW

In tegenstelling met wat eiser voorhoudt zijn alle invorderingsbenaarstigingen voorzien door het W.BTW, of de ter uitvoering ervan gegeven regelen door de bevoegde personen verricht.

### 3.5. nopens de bevoegdheid van de BBI

De ambtenaren verbonden aan de bijzondere belastinginspectie zijn beëdigde ambtenaren van het Ministerie van Financiën, zoals bedoeld in de artikelen 59, § 1, 61, § 1 en 63 W.BTW.

Artikel 87 van de wet van 8.08.1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979 - 1980 (BS 15.08.1980) heeft aan de administratie van de BBI haar bijzondere opdracht en controlebevoegdheid verleend en dit met terugwerkende kracht tot 1.01.1979.

In casu werd door de optredende ambtenaar niet opgetreden buiten deze hem verleende bevoegdheden.

Het behoort voorts niet aan deze rechtbank zich uit te spreken over ongrondwettigheid van wetten.

### 3.6. nopens de bewijsvoering van de leveringen

**3.6.1.** Naar aanleiding van een BTW-toezicht bij de NV **K. P.** te … werd vastgesteld dat deze laatste, goederen bestemd voor eiser, op 2 manieren heeft gefactureerd. Enerzijds werden de facturen uitgereikt waarop de naam van de cliënt en het BTW-nummer voorkwamen en anderzijds werden er facturen opgesteld waarop (meestal) dezelfde naam en woonplaats van eiser en het cijfer "0" werden vermeld (zie proces-verbaal d.d. 20 april 1990 als bijlage aan stuk 1 verweerder).

De heer **D.**, in zijn hoedanigheid van directeur van de NV **P.**, heeft omtrent voormelde vaststellingen aan de verbaliserende ambtenaren van de controledienst van de BTW, verklaard dat de "0"-facturen niet aan de klanten werden gegeven of opgestuurd vermits ze contant werden betaald, dat de goederen werkelijk bestemd waren voor de geadresseerden van de "0"-facturen en dat kwestieuze bestellingen, leveringen en betalingen gebeurden langs de heer **V. D. K. J.-C.**

Uit nazicht van ''0"-facturen op naam van eiser blijkt dat het gaat om volgende bedragen : 165,099 Bf. in 1987 en 185.104 Bf. in 1988 (of 355,75 kg koffie en 6.325 builtjes thee in 1987 en 392,75kg koffie, 10.725 builtjes thee en 4 liter oxo in 1988).

Van deze vaststellingen werd op 20 april 1990, door de heren **D. S.** en **M.**, resp. hoofdcontroleur ad interim en adjunct-verificateur bij de administratie van de BTW, verbonden aan de eerste controle van de opsporing- en documentatiediensten te Brussel, proces-verbaal opgesteld. Dit proces-verbaal werd samen met het proces-verbaal van 30 maart 1992 en het dwangbevel aan eiser ter kennis gebracht.

Mevrouw **R.** die werkzaam was als bediende in de boekhouding van de NV **P.** heeft bevestigd dat de facturatie op naam van eiser voortvloeit uit het door **V. D. K.** opgegeven klantennummer.

Tevens blijkt uit de voorliggende stukken dat **V. D. K.** niet tussenkwam in de facturatie. Zij werd verzorgd door de boekhoudingdienst van de firma **P.** en dit op basis van de door hem verstrekte kladnota's met opgave van de 2 klantennummers, één voor de officiële leveringen en één voor de "0"-facturen.

Verschillende verantwoordelijken van de NV **P.** hebben verklaard dat de 0­facturen opgemaakt werden op basis van de gegevens verstrekt door de vertegenwoordigers.

**3.6.2.** De stelling van eiser dat de kwestieuze nul-facturen werden opgemaakt voor leveringen aan andere klanten, is hoogst ongeloofwaardig. Door zo'n handelswijze zou de NV **P.** zich niet alleen schuldig maken aan een hele resem strafbare feiten maar bovendien zou een andere trouwe klant hiervan het slachtoffer worden. Dit zou ongetwijfeld het verlies van die klant voor gevolg hebben waardoor de leverancier een zwaarder economisch zou lijden.

**3.6.3.** Daarenboven dient de rechtbank vast te stellen dat het adres van levering en facturatie op de ''0"-facturen tevens het uitbatingadres is van eiser, dat eiser sedert 1981 een zeer geregeld afnemer is van de NV **K. P.**, dat de naam van de klant vermeld op de "0"-facturen gelijk is aan de naam van eiser, dat de aard van de goederen bijna identiek is aan deze die gewoonlijk worden geleverd aan eiser, dat de regelmaat van leveringen bevestigd wordt door de opeenvolging van facturatiedata en dat de hoeveelheid goederen niet kunnen bestemd zijn voor het uitsluitend privé-gebruik van eiser.

**3.6.4.** Ingevolge de vastgestelde overtredingen bij de NV **P.** werden door de meeste afnemers fiscale compromissen afgesloten. Van de verrichte controles door de regionale controlekantoren waren op 18 februari 1992 reeds 68 dossiers met akkoord afgesloten. Voor de overige afnemers die niet bereid waren tot een minnelijke regeling werd een proces-verbaal opgesteld en betekend. In slechts 2 gevallen in de provincie West-Vlaanderen, onderhavig geding inbegrepen, zou de vordering betwist worden.

Ten bewijze hiervan legt verweerder een afschrift voor van een brief van 18 februari 1992, ondertekend door de gewestelijke directeur van de eerste directie van de opsporings- en documentatiediensten van de BTW, te Brussel en gericht aan de directeur-generaal van de BTW (stuk 80 van verweerder).

Aangezien er geen enkele reden is om te twijfelen aan de waarachtigheid van voormelde brief en aangezien dit feit samen met een aantal andere feitelijke gegevens (cf. supra) een belangrijk vermoeden vormt dat de leveringen in het wart effectief gebeurden aan de personen wiens naam op de nul-facturen vermeld was, is het voorleggen van meerdere gegevens betreffende die akkoorden niet terzake dienend.

**3.6.5.** De rechtbank kan inderdaad met eiser akkoord gaan dat indien documenten bij derden (NV **P.**) worden gevonden, zij in principe niet tegen de belastingplichtige (eiser) kunnen ingeroepen worden, indien deze er de juistheid van betwist. Zij zullen echter wel tegen hem kunnen gebruikt worden indien het om stukken gaat die dergelijke aanwijzingen bevatten omtrent veelvuldige en herhaalde handelsverrichtingen, in casu ongeveer 91 facturen, zodat er geen reden meer bestaat om aan de ernst en de waarachtigheid te twijfelen (zie stuk 18 van verweerder – Arrest Hof van Beroep te Brussel d.d. 1 maart 1988).

**3.6.6.** Eiser heeft in door hemzelf ondertekende en goedgekeurde regularisatieopgaven erkend dat zijn zakencijfer in de jaren 1980, 1981, 1982, 1983, 1984 merkelijk hoger was dan hetgeen in zijn boekhouding vermeld stond en dat hij voor het jaar 1984 privé-onttrekkingen niet in de boekhouding heeft opgenomen (stuk 6, 7 en 8 verweerder). Verder heeft hij zelf toe dat hij gedurende de jaren 1985, 1986 en 1987 in het totaal voor een bedrag van 487.958 Bf. aan goederen voor de handelsactiviteit heeft aangekocht zonder dat deze werden opgenomen in zijn inkomende facturatie (stuk 13 verweerder).

Derhalve bestaat er een krachtig vermoeden dat eiser niet terugdeinst om ongefactureerde goederen aan te kopen.

**3.6.7.** Dit·alles heeft voor gevolg dat de boekhouding van eiser niet meer bewijskrachtig is, zodat zij niet als tegenbewijs kan worden ingeroepen tegen de in artikel 59 en 64 W.BTW bedoelde vermoedens die leiden tot omzetverhoging.

In dezelfde zin oordeelde het Hof van Beroep te Gent op 21 september 1998 waar zij stelt dat indien de voorgebrachte boekhouding niet het karakter vertoont van een getrouwe weergave van alle gedane verrichtingen zij niet als tegenbewijs kan dienen voor een eventuele meeromzet.

Ingevolge artikel 64, § 1 W.BTW, wordt hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen, behoudens tegenbewijs, geacht de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt. Artikel 64, § 2 W.BTW, bepaalt dat hij die diensten verricht, behoudens tegenbewijs, geacht wordt dit te hebben gedaan onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt.

In die gedachtegang is het volkomen logisch dat verweerder de verhoging van het omzetcijfer wegens de niet ingeschreven aankopen van koffie berekend heeft volgens de vigerende norm van 150 consumpties per kilogram, vermenigvuldigd met de eenheidsprijs (zie stuk 1 pagina 7 van verweerder).

**3.6.8.** De verrichte vaststellingen in het proces-verbaal van 30 maart 1992 naar aanleiding van een BTW-controle bij eiser, dat samen met het op 7 april 1992 uitgevaardigde dwangbevel bij aangetekend schrijven aan eiser werd betekend, maken derhalve een bewijskrachtig geheel uit van gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens. zoals bedoeld in artikel 59 W.BTW, die de effectieve leveringen van de goederen, vermeld op de “0”-facturen van de NV **P.** bewijzen en waardoor tot de verschuldigdheid van de belasting kan worden besloten.

Van een opeenstapeling van vermoedens is geenszins sprake.

### 3.7. nopens de rekenfouten in het proces-verbaal de dato 30 maart 1992

Samen met partijen stelt de rechtbank vast dat de verbalisant in het proces-verbaal d.d. 30.03.1992, meer bepaald op het 8 e blad voor het jaar 1987 in de berekening dessert koffie, een rekenfout heeft begaan (355,75 kg i.p.v. 312 kg) , zodat de uiteindelijk verschuldigde BTW niet 872.531 Bf. maar 829.622 Bf. bedraagt. De verschuldigde geldboete bedraagt hierdoor. na betekening van het dwangbevel, 165.000 Bf x 150 % of 247.500 Bf. i.p.v. 261.000 Bf.

### 3.8. nopens de verhoging van de boete naar aanleiding van het dwangbevel

**3.8.1.** In het opgestelde proces-verbaal de data 30.03.1992 werd een boete opgelegd van 174.000 Bf. Naar aanleiding van de betekening van het dwangbevel werd de boete verhoogd met 50 %. Zij bedroeg derhalve 261.000 Bf.

Volgens eiser kan het verhogen van de boete met 50 % naar aanleiding van het betekenen van het dwangbevel niet worden aanvaard. Dit is strijdig met artikel 6 van het E.V.R.M.

**3.8.2.** De normale verschuldigde boete volgens het artikel 70, § 1, eerste lid W.BTW, is vastgesteld op het dubbel van de ontdoken rechten.

[Artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 41](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958#ar41-art1) van 30 januari 1987 tot vaststelling van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting op de toegevoegde waarde, genomen ter uitvoering van artikel 70 W.BTW, bepaalt de schaal voor de vermindering van die proportionele fiscale geldboeten. In casu werd de verminderde boete vastgesteld volgens tabel A van het KB nr. 41 op 20 % van de verschuldigde rechten, zijnde 174.000 Bf.

Volgens [artikel 2](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958#ar41-art2) van voormeld koninklijk besluit wordt in geval van kennisgeving of betekening van het dwangbevel overeenkomstig artikel 85 W.BTW, de in de tabellen opgenomen geldboeten verhoogd met 50 %. In casu werd aldus de boete bepaald op 261.000 Bf.

**3.8.3.** Eenieder heeft het recht een betwisting, zoals bepaald bij artikel 6 EVRM te laten beoordelen door de rechtbank, zodat eender welke wederrechtelijke aantasting van dat recht strijdig is met deze verdragsbepaling.

Er kan ten deze dus niet worden aanvaard dat de boete met 50 % wordt verhoogd, bij het uitvaardigen van een dwangbevel. Het is immers duidelijk dat onderhavige vordering een vordering als bedoeld bij voorzegt artikel 6 uitmaakt, terwijl een verhoging van de boete met 50 % beoogt de belastingplichtige te doen afzien van een procedure voor de rechtbank. Een belastingplichtige kan niet worden gesanctioneerd omdat hij niet instemt met het standpunt van de fiscus. Eenieder heeft immers het recht zich tot de rechtbank te wenden zonder enige dwang of dreiging met een sanctie. Een verhoging tot 50 % van de boete, bij het uitvaardigen van een dwangbevel, is dan ook strijdig met artikel 6 EVRM.

**3.8.4.** De boete wordt dan ook, na correctie ten gevolge van de gemaakte rekenfout, herleidt tot 165.000 Bf.

### 3.9. nopens de motivering en de verdere vermindering of kwijtschelding van de boete

**3.9.1.** Krachtens artikel 70, § 1 W.BTW werd aan eiser een boete opgelegd.

De toepasselijke wettekst werd vermeld op pagina 9 van het proces-verbaal de dato 30.03.1992 en in het dwangbevel de dato 7.04.1992. Er is m.a.w. voldaan de motiveringsverplichting.

3.9.2. De normale verschuldigde boete volgens het artikel 70, § 1, eerste lid W.BTW is vastgesteld op het dubbel van de ontdoken rechten.

[Artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 41](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958#ar41-art1) van 30 januari 1987 tot vaststelling van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting op de toegevoegde waarde, genomen ter uitvoering van artikel 70 W.BTW, bepaalt de schaal voor de vermindering van die proportionele fiscale geldboeten. In casu werd de verminderde boete vastgesteld volgens tabel A, eerste afdeling, rubriek IV van het KB nr. 41 op 20 % van de verschuldigde rechten.

**3.9.3.** Het Arbitragehof oordeelde in zijn arrest van 24 februari 1999 dat artikel 70 W.BTW, de artikelen 10en 11 van de grondwet niet schendt wanneer het de rechter, bij wie een verzet tegen een dwangbevel aanhangig is, toestaat op de beslissing een fiscale geldboete op te leggen een controle met volle rechtsmacht uit te oefenen.

De rechtbank dient deze grondwetsconforme interpretatie toe te passen waardoor het mogelijk wordt niet alleen te toetsen of de boete in rechte dan wel in feite verantwoord is en of de wettelijke bepalingen werden nageleefd, doch bovendien gerechtigd is de opportuniteit van de fiscale geldboeten te beoordelen.

Daarenboven verleent de wet betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken de dato 23 maart 1999 uitdrukkelijk aan de bevoegde rechtsmachten de bevoegdheid om de opportuniteit van de fiscale geldboeten en verhogingen te beoordelen.

**3.9.4.** De rechtbank stelt vast dat de begane overtredingen ernstig zijn en het algemeen belang schade toebrengen. Eiseres brengt bovendien geen enkel argument naar voor die als verzachtende omstandigheid kan worden aangemerkt om over te gaan tot kwijtschelding of vermindering van de boete.

De hierboven geschetste concrete omstandigheden verantwoorden het opleggen van de fiscale geldboete nu eiser ongetwijfeld ter kwader trouw is. Bovendien is de verminderde fiscale geldboete evenredig met de gepleegde inbreuken.

### 3.10. nopens de kosten

Daar eiser slechts ten dele slaagt in zijn vordering, worden de gedingkosten tussen partijen omgeslagen zoals hierna bepaald.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**De Rechtbank,**

Wijzende in eerste aanleg en op **tegenspraak**.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart het verzet ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.

Zegt voor recht dat de overeenkomstig het proces-verbaal de dato 30.03.1992 en het dwangbevel de dato 7.04.1992 verschuldigde BTW dient te worden herleid tot 829.622 Bf. en dat de geldboete wordt bepaald op 165.000 Bf.

Beveelt de terugbetaling van het eventueel teveel ontvangen bedrag, verhoogd met de moratoire intresten overeenkomstig artikel 91, § 4 W.BTW.

Wijst eiser van het overige af.

Veroordeelt eiser en verweerder elk tot betaling van ½ der gedingkosten, voor het geheel begroot als volgt :

• aan de zijde van eiser :

\- dagvaardingsexploot : 2.044 Bf.

\- rechtsplegingsvergoeding : 12.600 Bf. (zoals gevorderd)

\- totaal : 14.644 Bf.

• aan de zijde van verweerder :

\- rechtsplegingsvergoeding : 12.900 Bf.

Verklaart onderhavig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, spijts alle verhaal en zonder borgstelling.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op **negentien maart tweeduizend en één**.

Aanwezig zijn :

**H. N.**, alleenrechtsprekend rechter;

**L. N.**, e.a. adjunct-griffier.

**N. L.** **H. N.**

## Textes cités

2

[AR no 41 art. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958) 2 occurrences

[AR no 41 art. 2](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958) 1 occurrence
