---
title: "15 octobre 2003 · Preuve, mesure de contrôle · Tribunal de première instance d&#x27;Anvers"
description: "Preuve, mesure de contrôle, poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor. Tribunal de première instance d'Anvers (Belgique), 15 octobre 2003."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/preuve-mesure-controle-poursuite-instance-tribunal-anvers-2003-10-15-d2e5"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Preuve, mesure de contrôle, poursuite, instance · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Anvers

**Date**

15 octobre 2003

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

84 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance d'Anvers du 15.10.2003

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op vijftien oktober tweeduizend en drie in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :**

**P. W.**, enig rechter,

**N. D.**, adjunct-griffier.

**…**, met BTW-nummer BE …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, handelaar, wonende te …, …

**eisende partij,**

verschijnende bij meester **L. D. V.** loco meester **W. H.**, advocaat, kantoorhoudende te …, ….

**tegen :**

**DE BELGISCIJE STAAT**, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Rekenplichtige Ambtenaar van het eerste BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen van wie de burelen zijn gevestigd te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

**verwerende partij,**

verschijnende bij meester **D. V.** loco meester **R. L.**, advocaat, kantoorhoudende te …, ….

**En in zake : AR nr. 99/7525/A**

**…**, met BTW-nummer BE …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, handelaar, wonende te …, …

**eisende partij,**

verschijnende bij meester **L. D. V.** loco meester **W. H.**, advocaat, kantoorhoudende te …, ….

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Rekenplichtige Ambtenaar van het eerste BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen van wie de burelen zijn gevestigd te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

**verwerende partij,**

verschijnende bij meester **D. V.** loco meester **R. L.**, advocaat, kantoorhoudende te …, ….

---

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

**In zake : AR nr. 99/7389/A**

\- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 17 december 1999,

\- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 5 februari 2003,

\- de besluiten van partijen.

**Inzake : AR nr. 99/7525/A**

\- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder **J. B.** in vervanging van gerechtsdeurwaarder **W. M.** te … op 22 december 1999,

\- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 5 februari 2003,

\- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 19.. en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 17 september 2003.

---

**Inzake AR nr. 99/7389/A**

De vordering strekt ertoe het dwangbevel Reg.127/3065, uitgevaardigd op 5 oktober 199. te vernietigen, dienvolgens te zeggen voor recht dat eiser de door verweerder gevorderde bedragen niet verschuldigd is, verweerder te veroordelen om alle ten onrechte ingehouden en/of door eiser betaalde bedragen aan eiser terug te betalen, te vermeerderen met de intresten en de kosten van het geding.

**Inzake AR nr. 99/7525/A**

De vordering strekt ertoe het dwangbevel Reg.127/3065, uitgevaardigd op 5 oktober 199. te vernietigen, dienvolgens te zeggen voor recht dat eiser de door verweerder gevorderde bedragen niet verschuldigd is, verweerder te veroordelen om alle ten onrechte ingehouden en/of door eiser betaalde bedragen aan eiser terug te betalen, te vermeerderen met de intresten en de kosten van het geding.

## Samenvoeging

Deze 2 zaken, gekend onder AR 99/7389/A en AR 99/7525/A, hebben betrekking op identiek dezelfde vordering en zijn dan ook nauw samenhangend en worden omwille van een goede rechtsbedeling samengevoegd zodat de rechtbank uitspraak doet in één·vonnis.

## Relevante feiten

Eiser heeft een groot- en kleinhandel in wijn, geestrijke en andere dranken.

Ingevolge de vaststelling van de opsporingssectie van Douane en Accijnzen op 11 oktober 1994 was eiser op 9 september 1994 in het onregelmatig bezit van 1.542 flessen mousserende wijn ten bedrage van 596.263 BEF en 1.522 flessen wijn ten bedrage van 152.000 BEF totaalwaarde dus 748.263 BEF, exclusief accijnzen, vermits uit de vaststellingen bleek dat eiser voor deze flessen geen factuur kon voorleggen; het bedrag aan accijnzen bedraagt 76.308 BEF.

Op dit bedrag van 748.263 BEF + 76.308 BEF, zijnde 824.571 BEF, heeft de BTW-administratie een brutowinstmarge van 12,18 % toegepast, zijnde de verhouding tussen aankopen en verkopen voor 1994.

Bijgevolg heeft de BTW-administratie de meeromzet als volgt berekend, namelijk 824.571 BEF x 112,18 %, zijnde 925.004 BEF.

De verschuldigde BTW bedraagt aldus 925.004 BEF x 20,5 %, zijnde 189.616 BEF.

Eiser betwist het onregelmatig bezit niet, doch volgens hem toont dit geenszins aan dat hij een meeromzet heeft gerealiseerd; na betaling van de verschuldigde accijnzen op de aankoop van de flessen mousserende wijn en de flessen wijn, werden - volgens hem - de betreffende flessen verkocht met toepassing van BTW en zou hij de gerealiseerde omzet in zijn BTW-aangifte hebben opgenomen; bijgevolg zou eiser de verschuldigde BTW op de verkopen reeds hebben afgedragen aan de Belgische Staat.

## Beoordeling

## Betreffende de toelaatbaarheid van de vordering ingeleid bij verzoekschrift (AR 99/7389/A)

Krachtens artikel 700 Ger.W. worden hoofdvorderingen bij dagvaarding voor de rechter gebracht, onverminderd de bijzondere regels inzake vrijwillige verschijning en rechtspleging op verzoekschrift. De artikelen 860 en 861 Ger.W. kunnen niet worden toegepast op de schending van deze regel die onder de rechterlijke organisatie ressorteert (Cass. 27 mei 1994, **R.W.** 1994-95, 1017).

Bijgevolg moet een vordering in de regel door middel van een dagvaarding bij gerechtsdeurwaarderexploot worden ingesteld en mag het verzoekschrift slechts gebruikt worden wanneer de wet het toelaat of voorschrijft.

Wanneer geen wettelijke afwijking is voorzien, is een gedinginleiding anders dan via dagvaarding of vrijwillige verschijning ongeldig en is de vordering aldus ontoelaatbaar.

Het oude artikel 89, lid 2 en 3 W.BTW, dat in voege was vóór de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen en de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, bepaalde dat de tenuitvoerlegging van het dwangbevel slechts kan worden gestuit bij door de belastingschuldige gedaan en met redenen omkleed verzet met dagvaarding en dat de vordering aanhangig wordt gemaakt bij de rechtbank waaronder het kantoor van de ambtenaar, die het dwangbevel heeft uitgevaardigd, ressorteert.

Artikel 59 van voornoemde wet van 15 maart 1999 (in werking getreden op 6 april 1999 bepaalt dat voornoemd artikel 89, lid 2 en 3 wordt vervangen door de volgende bepaling. "De tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan slechts worden gestuit door een vordering in rechte."

Verder werd ingevolge artikel 9 van voornoemde wet van 23 maart 1999 (eveneens in werking getreden op 6 april 1999) in het Gerechtelijk Wetboek ondermeer artikel 1385decies ingevoegd; luidend als volgt :·'Tegen de belastingadministratie wordt de vordering inzake de geschillen bedoeld in artikel 569, Iid 1, 32°, ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak..."

Krachtens artikel 3 Ger.W. is een nieuwe wet op de rechtspleging onmiddellijk van toepassing, behoudens de uitzonderingen bij de wet bepaald.

Bijgevolg wordt vanaf 6 april 1999 in de regel de vordering tegen de belastingadministratie bij verzoekschrift op tegenspraak ingesteld.

In artikel 97, lid 1 van voornoemde wet van 15 maart 1999 is echter een uitzondering bepaald op de onmiddellijke toepassing van deze nieuwe wet op de rechtspleging, namelijk : Voor zover zij de procedureregels wijzigen is voornoemd artikel 59, dat artikel 89, lid 2 en 3 W.BTW wijzigt, slechts van toepassing op de belastingen, intresten en fiscale boeten wanneer de oorzaak van eisbaarheid zich heeft voorgedaan ten vroegste op 1 januari 1999.

Te dezen heeft de oorzaak van eisbaarheid zich ontegensprekelijk voorgedaan voor 1 januari 1999 zodat het oude artikel 89, lid 2 en 3 W.BTW van toepassing is en de vordering dan ook diende ingesteld te worden door middel van een dagvaarding.

Aangezien de vordering echter bij verzoekschrift werd ingesteld en aangezien de wet het te dezen niet toeliet of voorschreef het verzoekschrift te gebruiken, is deze vordering dan ook ontoelaatbaar.

## Betreffende de toepassing van artikel 64, § 1 W.BTW

Krachtens artikel 64, § 1 W.BTW wordt hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen behoudens tegenbewijs geacht de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt.

Volgens eiser is het vermoeden van artikel 64, § 1 W.BTW slechts van toepassing wanneer de administratie de aangekochte goederen vergelijkt met de verkochte goederen en wanneer alsdan een verschil blijkt in de zin dat er meer aangekochte goederen zijn dan·verkochte.

Aangezien de administratie echter geen vergelijking heeft gemaakt tussen de aangekochte en verkochte goederen, kan artikel 64, § 1 W.BTW - volgens eiser - niet worden toegepast.

Geen enkele wettelijke bepaling stelt dat artikel 64, § 1 W.BTW slechts van toepassing is wanneer de administratie de aangekochte goederen vergelijkt met de verkochte goederen.

In de Memorie van Toelichting werd enkel vermeld dat het vermoeden inzonderheid zal worden toegepast wanneer de met de controle belaste ambtenaren een vergelijking maken tussen eensdeels, het bedrag van de inkopen die door een belastingplichtige over een bepaalde periode werden verricht, vermeerderd met een vermoedelijke winst en, anderdeels het bedrag van de belaste verkopen; uit de bepaling "inzonderheid" blijkt ontegensprekelijk dat andere toepassingsgevallen geenszins worden uitgesloten.

Aangezien het onregelmatig bezit van de flessen mousserende wijn en van de flessen wijn vaststaat, is het wettelijk vermoeden van artikel 64, § 1 W.BTW ontegensprekelijk van toepassing.

Eiser dient dan ook het tegenbewijs te leveren.

De loutere bewering, dat hij de flessen met toepassing van BTW zou verkocht hebben en dat hij de gerealiseerde omzet in zijn BTW-aangifte zou hebben opgenomen, kan geenszins als tegenbewijs gelden.

Het wettelijk vermoeden van artikel 64, § 1 W.BTW wordt aldus niet weerlegd door eiser.

## Betreffende het brutowinstpercentage van 12,18 %

Dit winstpercentage werd door eiser zelf aangegeven bij de administratie der directe belastingen (overtuigingsstuk 6 van verweerder).

Het winstpercentage is dan ook bewezen en kan geenszins als willekeurig beschouwd worden.

## Betreffende de uitvoerbaar verklaring bij voorraad

Door partijen worden er geen redenen voorgebracht die nopen tot de uitvoerbaar verklaring bij voorraad van huidig vonnis.

### Dispositif

## OM DIE REDENEN

**DE RECHTBANK,**

Rechtdoende op **tegenspraak**.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Voegt de beide zaken, gekend onder AR 99/7389/A en AR 99/7525/A, samen wegens samenhang en in het belang van een goede rechtsbedeling en doet uitspraak in één vonnis.

Verklaart de vordering inzake AR 99/7389/A ontoelaatbaar

Verklaart de vordering inzake AR 99/7525/A toelaatbaar, doch ongegrond en wijst deze af.

Veroordeelt eiser tot de kosten van het geding tot op heden door verweerder begroot op tweemaal 334,67 EUR rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op éénmaal 171,05 EUR rechtsplegingsvergoeding voor beide samengevoegde zaken.

**N. D.** **P. W.**
