---
title: "25 novembre 1999 · Preuve, mesure de contrôle · Tribunal de première instance de Gand"
description: "Preuve, mesure de contrôle, disposition pénale, amende administrative. Tribunal de première instance de Gand (Belgique), 25 novembre 1999."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/preuve-mesure-controle-disposition-penale-tribunal-gand-1999-11-25-fa3c"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Preuve, mesure de contrôle, disposition pénale, amende administrative · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Gand

**Date**

25 novembre 1999

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

88 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 25.11.1999

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

## DERDE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 25 NOVEMBER 1999

**AR 90/1410/A**

In de zaak van :

**C. S.**, bakker, wonende te …, …, ingeschreven in het H.R. van Gent onder het nr. …,

**eiser,**

voor wie optreedt mr. **M. D. S.**, advocaat te …, …,

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Ontvanger van Gent 1, met kantoren te 9000 GENT, Ramen nr. 1. En thans Martelaarslaan 17

**verweerder,**

voor wie optreedt mr. **P. V.**, advocaat te …, …,

werd de zaak door de partijen in haar geheel hernomen voor deze samenstelling van de rechtbank, en werden de partijen gehoord in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van donderdag 28 oktober 1999, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. De stukken werden ingezien, in het bijzonder de dagvaarding d.d. 20 april 1990, de conclusies namens de eiser neergelegd ter griffie op 02 december 1996 en 29 januari 1997, de conclusies namens de verweerder neergelegd ter griffie op 20 februari 1996, 13 januari 1997 en 17 november 1997, het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie d.d. 15 juni 1999 van substituut-procureur des konings **P. S.** en de conclusie namens de eiser d.d. 16 september 1999 en de conclusie namens de verweerder d.d. 04 oktober 1999.

## De vordering en het standpunt van de partijen

De eiser doet verzet tegen het dwangbevel d.d. 27 maart 1990 van de BTW-Ontvanger van Gent 1, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 3 april 1990 door de Gewestelijke directeur van de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen Gent en aan eiser betekend op 9 april 1990. Dit dwangbevel steunt op een ambtshalve aanslag d.d. 30 januari 1990 van de Gewestelijke Directeur van de Bijzondere Belastingsinspectie, Directie A te Brussel en een beslissing d.d. 6 november 1989 van de Inspecteur van de 8ste Bijzondere Belastinginspectie van Brussel waarin van eiser de som van … frank wegens BTW, de som van … frank wegens geldboete omwille van niet tijdige betaling van de BTW, de som van … frank wegens geldboete op grond van formalistische overtredingen en ook de wettelijke intresten en vervolgingskosten wordt gevorderd. Eiser vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, te horen zeggen voor recht dat de voornoemde ambtshalve aanslag en de voornoemde beslissing door nietigheid zijn aangetast en dat het dwangbevel d.d. 27 maart 1990 zonder voorwerp, noch grond is en de eiser de voornoemde bedragen niet verschuldigd is met veroordeling van de verweerder in de kosten van het geding.

Subsidiair vraagt hij dat de opgelegde boete zou worden beperkt tot 20 % van de ontdoken belasting.

De eiser motiveert zijn verzet als volgt :

a.

De verweerder steunt zijn aanspraken door te verwijzen naar een strafonderzoek ten laste van de NV **D. N. M. G. EN B.** waaruit zou blijken dat de eiser bepaalde hoeveelheden niet officiële leveringen van bloem heeft ontvangen waarop hij een meeromzet heeft gerealiseerd zonder dat de BTW zou afgedragen zijn. De rechten van de verdediging vereisen dat de eiser inzage kan nemen van het strafonderzoek, maar aangezien dit onderzoek nog hangend is, kan eiser geen inzage nemen zodat het ongeoorloofd is dat de verweerder ondertussen reeds vorderingen stelt en vervolgingen instelt met zware financiële impact en randgevolgen. De bijzondere bewijskracht die de wet toekent aan de processen-verbaal van ambtenaren heeft alleen betrekking op wat zijzelf persoonlijk vaststellen en strekt zich niet uit tot de door hen gemaakte gevolgtrekkingen uit deze vaststellingen wat het geval is voor de inzage van een strafdossier.

b.

De verweerder zou zich inhoudelijk steunen op een onhoudbaar algemeen vermoeden vertrekkend van eenzijdige, niet - tegenstelbare en minstens tijdsgebonden documenten of verklaringen zodat de toepassingsvoorwaarden van [artikel 66 BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-66) inzake het vestigen van een ambtshalve aanslag niet aanwezig zijn. Meer bepaald zou de Administratie zich steunen op een klantenlijst die zij eind 1987 vond en waarop naast bepaalde klanten een code stond waaruit zou blijken dat er zwarte leveringen zijn gebeurd en ook op lijsten die per klant tijdens het onderzoek werden opgemaakt door de verantwoordelijken van de **NV D. N. M.**. De eiser poneert in dat verband verder dat het opmerkelijk is dat de verweerder artikel 246 WIB inroept, hetgeen aangeeft dat het strafdossier geen afdoende en op zichzelf staande gegevens bevat want zoniet zou zij zich gesteund hebben op artikel 263, § 1, 3° WIB.

c.

Verder zijn de beweerde hoeveelheden zwarte aankopen zowel wat betreft bestaan als wat betreft kwantum niet bewezen en wordt een arbitraire en onhoudbare omzetberekening toegepast door het ontkennen van kortingen en teruggenomen producten.

d.

De eiser heeft echter een loyale houding aangenomen zoals blijkt uit het proces-verbaal van 29 januari 1990 en ook uit zijn omstandig en gemotiveerd schrijven van 5 februari 1990 aan de 1 ste BBI Brussel.

De verweerder beantwoordt deze argumenten als volgt :

a.

De rechtspraak oordeelt dat de rechten van de verdediging niet worden geschonden wanneer de Procureur-generaal toelating tot inzage verleent aan de Administratie en niet aan een derde - belastingplichtige.

Ondertussen werd het strafonderzoek afgesloten zodat de verweerder zich de vraag stelt of de eiser ondertussen inzage heeft gevraagd.

Zelfs indien de eiser deze vraag tot inzage heeft geformuleerd en hem dit werd geweigerd, dan nog kan dit niet aan de verweerder verweten worden aangezien het uitsluitend de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep is die oordeelt over het recht tot inzage.

Zo de eiser de schending van de artikelen 6 en 14 E.V.R.M. zou inroepen, merkt de verweerder op dat deze niet van toepassing zijn in fiscale zaken, de procedures voor de onderzoeksgerechten en het gerechtelijk vooronderzoek.

Tenslotte deelt de verweerder twee documenten uit het gerechtelijk onderzoek mede namelijk de lijst van bakkers met codes inzake zwartlevering met vermelding van de eiser en het proces-verbaal van de verklaring van een bediende van de **NV D. N. M.** die uitleg geeft over de voormelde codes.

b.

Overeenkomstig [artikel 59 van het BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-59) beschikt de Administratie over alle bewijsmiddelen van het gemeen recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, enkel eed uitgezonderd.

Op grond van genoemd artikel gelden de processen-verbaal zolang het tegendeel niet bewezen is. Deze processen-verbaal gelden voor de materiële vaststellingen zonder dat de dezelfde bewijswaarde wordt gehecht aan de erin vervatte gevolgtrekkingen voor juridische appreciaties. Concrete vaststellingen zijn onder meer de vaststellingen op de klantenlijsten.

Minstens gelden die voornoemde vaststellingen als inlichtingen.

c.

De taxatie gebeurde correct want (a) er werd een compromis afgesloten met de **NV D. N. M.** zodat er zekerheid bestaat over de zwarte leveringen en (b) er zijn een reeks aanwijzingen in het dossier van eiser en die vormen gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens waaruit kan worden besloten dat de eiser bloem in het zwart afnam.

## De voor de beoordeling relevante feiten

De eiser is brood- en banketbakker te Gent, meer bepaald beschikt hij over één winkel voor detailverkoop en levert hij aan een vijftig tot zestig winkels, scholen, rijkswachtkazernes en dergelijke. Hij is in die hoedanigheid BTW-belastingplichtige.

Sinds 1982 kocht hij uitsluitend zijn bloem bij de **NV D. N. M.** van Gent en Brugge. Ten laste van de verantwoordelijken van laatstgenoemde vennootschap wees een strafonderzoek uit dat er een zwart circuit bestond want uit een klantenlisting die bij genoemde firma werd aangetroffen, bleek dat er in de jaren 1982 tot 1987 zwartleveringen gebeurden. Op de klantenlisting werd, naast de naam en het adres van de afnemer, ook een code vermeld van de te leveren zwarte bloem bij elke officiële levering.

Door de verantwoordelijken en de werknemers van genoemde vennootschap werden, wat betreft de codes en het daarop gebaseerde systeem van leveringen zonder factuur, volledige bekentenissen afgelegd en er werd door hen een lijst opgemaakt waarop per jaar het totaal aantal leveringen en het totaal aantal van de jaarlijks in het zwart geleverde kwantiteit werd vermeld wat betreft de bulkleveringen. Dit gebeurde ook voor de eiser.

Voor de eiser zou dit betekenen : voor 1982 : 52.000 kg, voor 1983 : 55.000 kg, voor 1984 : 61.000 kg, voor 1985 : 57.000 kg, voor 1986 : 63.000 kg en voor 1987 : 58.000 kg.

Op 09 februari en 08 maart 1989 werd door de ambtenaren van de Administratie van de Bijzondere Belastingsinspectie een controle­toezicht op de juiste toepassing van de BTW-wetgeving uitgevoerd bij de eiser. De eiser bekende aan de controleambtenaren bloem in het zwart te hebben afgenomen van de **NV D. N. M.** van Gent en Brugge, maar hij betwist het tijdstip waarop deze zwarte leveringen begonnen en ook de omvang ervan.

Op 30 januari 1990 werd door de Gewestelijke Directeur van de Bijzondere belastingsinspectie Directie A te Brussel aan de eiser een ambtelijke aanslag opgelegd die hem op 31 januari 1990 werd betekend.

Nadat de eiser nier inging op een aanmaning tot betaling, werd hem op 09 april 1990 door de Ontvanger van het BTW-kantoor Gent 1 een dwangbevel betekend.

## Bespreking

## Betreffende de aangevoerde schending van de rechten van de verdediging

In eerste instantie kan er geen sprake zijn van schending van de rechten van de verdediging. Er blijkt dat op 21 december 1987, 25 februari 1988 en 29 april 1988 door de Procureur-Generaal toelating werd verleend aan de Gewestelijke Directeur van de Administratie van de Bijzondere Belastingsinspectie om inzage te nemen van het dossier lastens de **NV D. N. M.** te Gent en Brugge. Aangezien de Administratie op rechtsgeldige wijze toelating had bekomen inzage te nemen van dit dossier, kan en mag zij deze gegevens ook gebruiken tegenover derden. De toelating van de Procureur-generaal is algemeen en beperkt het gebruik van de aangetroffen gegevens niet tot de personen welke vermeld werden in de aanvraag tot kennisname van het dossier.

Het is evenmin noodzakelijk dat het volledig strafdossier zou worden voorgelegd : het volstaat dat de stukken worden voorgelegd welke betrekking hebben op de betrokken belastingplichtige.

Tenslotte geeft de eiser zelf niet de minste informatie of hij ondertussen inzage heeft gevraagd en of deze inzage hem niet al dan niet werd geweigerd.

## Betreffende de grond van de zaak

De overeenstemmende verklaringen van de verantwoordelijken van de **NV D. N. M.** van Gent en Brugge en deze van de werknemers wijzen ongetwijfeld op het bestaan van een zwarte omzet. De preciesheid van deze bekentenissen met betrekking tot de gebruikte codes in overeenstemming met de gegevens aangetroffen op de klantenlisting onderlijnen de waarachtigheid van deze verklaringen.

De eiser heeft nooit betwist dat hij zijn bloem exclusief bij de **NV D. N. M.** van Gent en Brugge afnam en in zijn verklaring aan de controlerende ambtenaren ontkende hij evenmin te hebben deelgenomen aan de Zwarte leveringen, enkel het tijdstip en de omvang wordt door hem aangevochten.

De vaststellingen opgenomen in het proces-verbaal van 29 januari 1990 gelden tot het bewijs van het tegendeel ([artikel 59 BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-59)). De gevolgtrekkingen die de verbalisanten uit deze vaststellingen trekken, zijn onderworpen aan de beoordeling van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat de Administratie een aantal gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens heeft aangebracht waardoor de aanslag op gedetailleerde en doorslaggevende wijze werd verantwoord.

Eiser weerlegt dit niet op concrete wijze.

ln eerste instantie legden de verantwoordelijken van **D. N. M.** van Gent en Brugge bekentenissen af en zij sloten met de Administratie een dading op basis van de lijst.

Een tweede vermoeden betreft, zoals reeds gezegd, eisers beken­enis dat hij meewerkte aan de zwarte leveringen wat hij bezwaarlijk kon ontkennen gelet op de inschrijving op de listing van de leverancier. In ditzelfde verband valt het op dat eisers bekentenissen evolueren en dat hij, naarmate het onderzoek vordert, grotere hoeveelheden "zwarte bloem" toegaf.

De gemachtigde van de leverancier verklaarde dat de vermelding van de code naast de naam van een klant zou betekenen dat - behoudens tegenbericht - naast elke officiële levering - steeds dezelfde hoeveelheid in het zwart werd geleverd. Deze verklaring op zich bewijst nog niet dat de eiser ook iedere keer een dergelijke levering ontving. Evenwel, zijn er de volgende feitelijke gegevens die in hun samenhang genomen van aard zijn dat mag worden aangenomen dat er wel degelijk bij iedere officiële levering een zwarte levering plaatsvond. (a) De eiser nam zijn bloem exclusief af bij de **NV D. N. M.** van Gent en Brugge. (b) Zijn activiteit beperkte zich niet alleen tot één winkel van detailverkoop, maar hij leverde, naar zijn zeggen, bovendien aan vijftig tot zestig andere winkels en zelfs aan scholen, rijkswachtkazernes en dergelijke. (c) Zijn silocapaciteit, namelijk acht ton, liet hem toe de zwarte leveringen de stockeren. (d) De leveringsbons betreffende de genoemde periode werden door de eiser vernietigd. Dit gebeurde op een zodanig doorgedreven wijze dat zelfs de bons van de maand februari 1989 op het ogenblik van de ondervraging (09 februari 1989) reeds waren vernietigd hoewel alle facturen opgemaakt op basis van deze bons nog niet waren betaald. (e) De telbanden van het kasregister en de tickets van het dagontvangstenboek konden evenmin worden voorgelegd. (f) Ook de weegbons werden door de eiser niet bewaard en het is andermaal opvallend dat bij een huiszoeking een weegbon werd aangetroffen met als geleverde hoeveelheid 6.150 kg terwijl de overeenstemmende factuur 5.150 kg vermeldde. Al deze gegevens wijzen derhalve op ernstige tekortkomingen in de boekhouding, meer bepaald van al die documenten die juist van aard waren de juistheid van de systematische leveringen aan te tonen.

Diezelfde feitelijke gegevens en in het bijzonder de vaststelling dat alle documenten uit de door de verweerder weerhouden periode verdwenen zijn, zijn van aard dat ook het door de verweerder in acht genomen tijdstip waarop de zwarte leveringen een aanvang namen, kan worden aanvaard.

Tegenover het bovenstaande plaatst de eiser geen enkel concreet gegeven.

De overige argumenten zijn bij gebreke aan regelmatige boekhouding niet voor beoordeling vatbaar.

## Betreffende de opgelegde boeten

Zowel op basis van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ((E.H.R.M., 21 februari 1984, Öztürk, Publ. Cour, Serie A, nr. 73, T.F.R., 1984, 89; E.H.R.M., 24 februari 19894, Bedenoun, Publ. Cour, Serie A, nr. 284, F.J.F., 94/104), het Arbitragehof ( Arbitragehof, 24 februari 1999, R.W., 1998-99, 1346) en thans de nieuwe fiscale wetten van 15 en 23 maart 1999 moet worden aanvaard dat de rechter zich met volle rechtsmacht moet kunnen uitspreken over de door de administratie opgelegde BTW-boeten wat ook inhoudt dat hij ze ook moeten kunnen verminderen of kwijtschelden.

Enerzijds stelt de rechtbank vast dat de eiser gedurende vier jaren grote hoeveelheden bloem heeft aangekocht waardoor hij een belangrijke niet aangegeven omzet realiseerde en waarop hij de BTW evenmin betaalde. Dit rechtvaardigt een zware boete opdat de eiser zou inzien dat hij door zijn handelswijze niet alleen aan oneer­lijke concurrentie deed, maar bovendien de belangen van de ge­meenschap in belangrijke mate heeft geschaad en hem ertoe aan te zetten in de toekomst correct te handelen.

Anderzijds moet deze boete in redelijkheid begroot worden.

In acht genomen deze gegevens moet de boete voorzien door [artikel 70, § 1 BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) verminderd worden tot de helft van de verschuldigde belasting.

Gezien het verzet slechts gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, is het passend beide partijen te veroordelen tot de helft van de gedingkosten en de rechtsplegingsvergoedingen te compenseren.

Er is geen reden het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

### Dispositif

**Op die gronden,**

**De rechtbank**, recht doende op tegenspraak,

Met inachtneming van de artikelen 2, 24, 34, 36, 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken en met inachtneming van het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie d.d. 15 juni 1999 van substituut-procureur des konings **P. S.**,

Verklaart het verzet ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond,

Vernietigt de ambtshalve aanslag d.d. 30 januari 1990 van de Gewestelijke Directeur van de Bijzondere Belastingsinspectie, Directie A te Brussel en een beslissing d.d. 6 november 1989 van de Inspecteur van de 8ste Bijzondere Belastinginspectie van Brussel enkel betreffende de op grond van [artikel 70, § 1 BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) opgelegde geldboete ten belope van … frank en vermindert deze boete tot de helft van de verschuldigde belasting of … frank,

Verklaart het verzet voor het overige ongegrond en zegt dat het dwangbével van 27 maart 1990 van de BTW-Ontvanger van Gent 1, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 3 april 1990 door de Gewestelijke directeur van de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen Gent verder uitwerking heeft met dien verstande dat de op grond van [artikel 70, § 1 BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) opgelegde boete wordt verminderd tot de helft van de verschuldigde belasting of … frank,

Veroordeelt de beide partijen tot de helft van de gedingkosten en compenseert de rechtsplegingsvergoedingen,

Begroot deze op heden als volgt :

1) aan de zijde van de eiser op :

\- dagvaardingskosten : … frank;

\- rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : … frank;

2) aan de zijde van de verweerder op :

\- rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : … frank;

Aldus gewezen en uitgesproken op donderdag **VIJFENTWINTIG NOVEMBER NEGENTIENHONDERD NEGENENNEGENTIG** in openbare terechtzitting door de derde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, waar aanwezig waren :

**D. V. D. B.**, rechter, bijgestaan door **E. B.**, griffier.

**E. B.** **D. V. D. B.**

## Textes cités

3

[CTVA art. 70](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) 3 occurrences

[CTVA art. 59](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-59) 2 occurrences

[CTVA art. 66](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-66) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, preuve](https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-cour-appel-gand-2003-10-14-2758) 3 dispositions communes

[Disposition commune, preuve, mesure de contrôle](https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-commune-preuve-mesure-controle-tribunal-kortrijk-1998-01-05-9165) 3 dispositions communes

[Droit de déduction, Bien immobilier, Usage privé](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-bien-immobilier-usage-cour-appel-gand-2026-04-28-0a2d) 2 dispositions communes

[Sous-traitance, amende](https://juriel.be/fr/jurisprudence/sous-traitance-amende-tribunal-bruxelles-2026-07-17-0a85) 2 dispositions communes

[Reconstitution du chiffres d’affaires, Preuve par présomptions](https://juriel.be/fr/jurisprudence/reconstitution-chiffres-affaires-preuve-presomptions-cour-appel-bruxelles-2023-02-0e22) 2 dispositions communes

[Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-lien-direct-immediat-tribunal-luxembourg-2022-10-12-162a) 2 dispositions communes

[Amende, Motivation de la contrainte, Nullité de la contrainte](https://juriel.be/fr/jurisprudence/amende-motivation-contrainte-nullite-caractere-cassation-bruxelles-2021-01-29-2184) 2 dispositions communes

[Secteur Horeca, Système de caisse enregistreuse, Non détention](https://juriel.be/fr/jurisprudence/secteur-horeca-systeme-caisse-enregistreuse-tribunal-namur-2020-12-10-2dfc) 2 dispositions communes
