---
title: "25 février 2008 · Preuve, mesure de contrôle · Tribunal de première instance de Bruges"
description: "Preuve, mesure de contrôle, disposition pénale, amende administrative. Tribunal de première instance de Bruges (Belgique), 25 février 2008."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/preuve-mesure-controle-disposition-penale-tribunal-bruges-2008-02-25-ef5a"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Preuve, mesure de contrôle, disposition pénale, amende administrative · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruges

**Date**

25 février 2008

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

69 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruges du 25.02.2008

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :**

In de zaak **06/3147/A** Rep. nr. 2008/2996

**de heer S. M.**, zelfstandig handelaar, (Ondernemingsnr. …), met woonplaats te …, …,

**eiser,**

voor wie is opgetreden Meester **L. D. M.** (balie Gent) loco Meester **A. V.**, advocaat met kantoor te …, …,

**tegen :**

**De FOD FINANCIËN**, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, in de persoon van de rekenplichtige van het 1 e BTW-Ontvangkantoor te KORTRIJK, met burelen gevestigd te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31,

**verweerder,**

voor wie optreedt Meester **F. W.**, advocaat met kantoor te …, …,

## I. RECHTSPLEGING

Gelet op het inleidend verzoekschrift d.d. 20 oktober 2006.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overlegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 28 januari 2008.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

## II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

**1.** Eiser is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE …, voor de activiteit van 'bouwen van individuele huizen'. Hij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 21 april 2006 werd door **M.-C. D.**, eerstaanwezend inspecteur bij de Administratie van de BTW en in die hoedanigheid ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit te Kortrijk, een controle gestart over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode van 1 januari 2003 tot 31 december 2004.

Op 28 juni 2006 werden de overtredingen en vaststellingen voor de jaren 2003 en 2004 opgenomen in een proces-verbaal door voormelde ambtenaar. Door de administratie wordt de omzet voor de jaren 2003 en 2004 verhoogd door een nevenberekening te maken, namelijk door de winstmarge van het jaar 2002 te extrapoleren naar de jaren 2003 en 2004. In het proces-verbaal is opgenomen dat eiser verschuldigd is als BTW 3.968,93 EUR, als geldboete bij toepassing van artikel 70, § 1 W.BTW 790,00 EUR, als niet-proportionele geldboete overeenkomstig artikel 70, § 4 W.BTW 2.500 EUR en intresten vanaf 21 januari 2005.

Op 1 augustus 2006 werd een tegoed van de rekening-courant overgeboekt naar de openstaande schuld voor een bedrag van 7.134,33 EUR.

Door eiser werd fiscaal verhaal aangetekend d.d. 20 oktober 2006.

**2.** Eiser vraagt dat :

\- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;

\- in hoofdorde de eis tot betalen van de BTW in hoofdsom, intresten en boeten zoals opgenomen in het proces-verbaal d.d. 28 juni 2006 ongegrond wordt verklaard, minstens de administratieve boete opgelegd overeenkomstig artikel 70, § 4 W.BTW wordt verminderd tot het minimum van 500 EUR;

\- in subsidiaire orde de boete opgelegd overeenkomstig artikel 70, § 1 W.BTW integraal wordt kwijtgescholden, minstens wordt verminderd;

\- verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde bedragen te verhogen met de moratoriumintresten;

\- verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

**3.** Verweerder vraagt dat de vordering van eiser ongegrond wordt verklaard en dat eiser wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

## III. BEOORDELING

### A. Betreffende de toelaatbaarheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.

### B. Betreffende de grond

#### 1. omzetverhoging door nevenberekening

**1.1.** In het dossier inzake personenbelasting van eiser heeft verweerder een stuk gevonden afkomstig van eiser en gericht aan de familie **L.** te … met daarop ‘officiële factuur van plaatsing vloeren en herplaatsen van trapstukken van voordeur'. Dit stuk werd niet aangetroffen in de boekhouding van eiser. Wel komt in de boekhouding van eiser een stuk voor met datum 2/12/2002 gericht aan de familie **L.** te … met dezelfde prestaties maar met andere prijzen die resulteerden in een lager te betalen BTW. Dit bewijst volgens verweerder dat eiser stukken opmaakt met de bedoeling fraude te plegen of om fraude mogelijk te maken.

Op grond van de artikelen 59, § 1 en 64, § 1 W.BTW heeft verweerder dan de omzet verhoogd van de jaren 2003 en 2004 door extrapolatie van de winstmarge van het jaar 2002 naar de jaren 2003 en 2004.

**1.2.** De rechtbank is van oordeel dat de werkwijze van eiser om een 'officiële factuur' te maken en een andere factuur in te schrijven in zijn boekhouding op zijn minst zeer merkwaardig is. De uitleg van eiser hieromtrent (de opdrachtgever heeft meegeholpen en zijn uren worden afgetrokken van de prijs) is ook merkwaardig. Eiser legt het aannemingscontract tussen hem en de familie **L.** niet voor, noch een geschreven overeenkomst betreffende de afgetrokken uren. Dat het bedrag van 1.220,25 EUR door de familie **L.** niet moest betaald worden wegens gepresteerde hulp, blijkt ook geenszins uit de stukken ('officiële factuur' en ingeboekte factuur). De rechtbank stelt wel vast dat deze feiten het jaar 2002 betreffen. Uit niets blijkt dat eiser deze werkwijze ook heeft toegepast in 2003 of 2004.

**1.3.** Verweerder maakt geen correcte toepassing van de artikelen 59, § 1 en 64, § 1 W.BTW door een onregelmatigheid vast te stellen in het jaar 2002, geen onregelmatigheid vast te stellen in 2003 of 2004, zelfs geen enkele aanwijzing te hebben dat er ook onregelmatigheden zich hebben voorgedaan in 2003 of 2004, maar toch de winstmarge van het jaar 2002 te extrapoleren naar de jaren 2003 en 2004.

Een winstmarge m.b.t. een bepaald jaar kan niet zomaar als een vaststaand gegeven worden beschouwd voor de volgende jaren. De schommelingen inde winstmarge kunnen het gevolg zijn van verschillende factoren zoals concurrentie en economische en conjuncturele factoren.

De rechtbank stelt ook vast dat verweerder bij het berekenen en het extrapoleren van de winstmarge geen rekening heeft gehouden met een aantal elementen. Zo is er o.a. geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat prijs voor het geleverde werk niet noodzakelijk afhankelijk is van de prijs van het materiaal of met de mogelijkheid dat werk werd geleverd zonder dat eiser het materiaal heeft geleverd.

**1.4.** De op basis van het proces-verbaal van 28 juni 2006 gevorderde BTW t.b.v. 3.968,93 EUR, de hierop betrekking hebbende geldboete (artikel 70, § 1 W.BTW) en intresten is dan ook ongegrond.

De intrest op de eventueel geïnde sommen wordt beheerst door artikel 91, § 4 W.BTW. Het betreft moratoire intresten, namelijk vanaf de aanmaning. De aanmaning tot terugbetaling is kennelijk pas door middel van het inleidend verzoekschrift gedaan. De intrest is dus verschuldigd vanaf 20 oktober 2006 en dit tegen de wettelijke rentevoet.

#### 2. niet proportionele boete overeenkomstig artikel 70 & 4 W.BTW

**2.1.** Artikel 62, § 1 W.BTW bepaalt dat eenieder gehouden is om op ieder verzoek van de ambtenaren van de administratie, die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft, mondeling of schriftelijk alle inlichtingen te verschaffen die hem gevraagd worden, teneinde de juiste heffing van de belasting in zijn hoofde of in hoofde van derden na te gaan.

**2.2.** Verweerder legt eiser een boete t.b.v. 2.500 EUR op overeenkomstig artikel 70, § 4 W.BTW en bij toepassing van rubriek XVI van de bijlage bij KB nr. 44 wegens het niet verschaffen van inlichtingen.

**2.3.** Uit het proces-verbaal d.d. 28 juni 2006 blijkt dat de controlerende ambtenaar op 21 april 2006 aan de accountant van eiser inlichtingen gevraagd heeft betreffende de 2 stukken gericht aan de familie **L.** de 'officiële factuur' en de ingeboekte factuur d.d. 2/12/2002). De accountant kon geen uitleg geven en bij navraag bij eiser kon de accountant nog geen uitleg geven. Eiser zelf kon bij de controle geen uitleg geven omdat hij zich niet kon vrijmaken wegens werkzaamheden.

De rechtbank stelt vast dat eiser op het moment van het opmaken van het proces-verbaal, zijnde 28 juni 2006, en dus bijna 2 maanden na de controle, nog geen afdoende uitleg had gegeven.

Eiser heeft zodoende nagelaten binnen een redelijke termijn inlichtingen te verschaffen omtrent een wel zeer merkwaardige werkwijze en dit in strijd met artikel 62, § 1 W.BTW. Een administratieve boete is dan ook gepast.

**2.4.** Verweerder betwist niet dat de rechtbank de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft.

**2.5.** Een niet-proportionele boete van 2.500 EUR acht de rechtbank buiten verhouding tot de feiten en het onderzoekswerk dat erdoor aan verweerder werd berokkend. Aan de hand van de feiten die in dat verband staan, acht de rechtbank een boete van 1.000,00 EUR gepast. De opgelegde administratieve boete overeenkomstig artikel 70, § 4 W.BTW wordt derhalve bepaald op 1.000,00 EUR. De eis van eis is gegrond wat betreft het gedeelte van de boete dat 1.000,00 EUR overtreft.

De intrest op de eventueel ten onrechte geïnde sommen wordt beheerst door artikel 91, § 4 W.BTW. Het betreft moratoire intresten, namelijk vanaf de aanmaning. De aanmaning tot terugbetaling is kennelijk pas door middel van het inleidend verzoekschrift gedaan. De intrest is dus verschuldigd vanaf 20 oktober 2006 en dit tegen de wettelijke ,rentevoet.

### C. Betreffende de kosten

Verweerder wordt voor het grootste gedeelte in het ongelijk gesteld en hij dient dan ook de gerechtskosten te dragen.

Met inbegrip van de nalatigheidsintresten kan de vordering cijfermatig geraamd worden tussen de 5.000 EUR en de 10.000 EUR. Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bedraagt derhalve 900,00 EUR.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Wijzende in eerste aanleg en op **tegenspraak**.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de eis toelaatbaar en gedeeltelijk gegrond.

Zegt voor recht dat het proces-verbaal dat door verweerder ten nadele van eiser op 28 juni 2006 werd opgemaakt alleen gegrond is voor het gedeelte van de boete overeenkomstig artikel 70, § 4 W.BTW dat een bedrag van 1.000,00 EUR niet overtreft. Zegt voor recht dat voor het overige gedeelte het proces-verbaal d.d. 18 juni 2006 ongegrond is.

Beveelt de teruggave aan eiser van elk bedrag dat werd geïnd boven het gedeelte van het genoemde proces-verbaal dat gegrond werd bevonden, te vermeerderen met de verwijlintresten aan de wettelijke rentevoet vanaf de inning of de inhouding maar ten vroegste vanaf 20 oktober 2006, zijnde de datum van het inleidend verzoekschrift.

Veroordeelt verweerder tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten nu ze hem ten laste blijven en aan de zijde van eiser begroot op de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 900,00 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op **maandag vijfentwintig februari tweeduizend en acht**.

Aanwezig zijn :

**D. P. L.**, alleenrechtsprekend rechter;

**L. N.**, griffier.

**N. L.** **L. D. P.**
