---
title: "16 janvier 2013 · Preuve, mesure de contrôle · Tribunal de première instance"
description: "Preuve, mesure de contrôle, disposition commune. Tribunal de première instance (Belgique), 16 janvier 2013."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/preuve-mesure-controle-disposition-commune-tribunal-2013-01-16-1b28"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Preuve, mesure de contrôle, disposition commune · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Date**

16 janvier 2013

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

122 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruges du 16.01.2013

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :**

In de zaak **11/3692/A** Rep. nr. 2013/723

**de NV P.**, (Ondernemingsnr. …), met maatschappelijke zetel te …, …,

**eiseres,**

voor wie optreedt Meester **G. P.**, advocaat met kantoor te …, …,

**tegen :**

**de FOD FINANCIËN**, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, in de persoon van de e.a. inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te ROESELARE, met kantoren gevestigd te 8800 ROESELARE, Rondekomstraat 30,

vertegenwoordigd door de heer **C. M.**, e.a. inspecteur, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in die hoedanigheid ter beschikking gesteld van de Algemene administratie van de Fiscaliteit, Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, verbonden aan het Controlecentrum te Brugge, met kantoren gevestigd te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,

**verweerder,**

voor wie optreedt de heer **M. C.**, hierboven vermeld,

## I. RECHTSPLEGING

Gelet op het gedinginleidend verzoekschrift de dato 8 december 2011.

De rechtbank nam kennis van het dossier der rechtspleging en van het door verweerder neergelegde bundel.

Partijen werden gehoord in hun middelen ter openbare terechtzitting de dato 19 december 2012.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden in acht genomen.

## ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS DER ZAAK

**2.1.** Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW­registratienummer BE … voor de activiteit van uitbating van een apotheek.

Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 24 november 2009 werd door **M. C.** eerstaanwezend inspecteur bij de Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Belasting over de toegevoegde waarde, Registratie en domeinen, in die hoedanigheid ter beschikking gesteld van de administratie van de Ondernemings- en inkomensfiscaliteit verbonden aan het Controlecentrum Brugge, en toezicht uitgevoerd over de toepassing van de BTW-wetgeving en -reglementering over de periode van 1 januari 2003 tot 31 december 2007.

Op 6 april 2011 werd door de controlerende ambtenaar een proces-verbaal opgesteld waarin de ·vastgestelde overtredingen werden opgenomen met betrekking·tot de jaren 2004 en 2005.

Er werd melding gemaakt van het feit dat de boekhouding niet bewijskrachtig was daar de achterliggende kastickets niet werden voorgelegd.

Op 24 augustus 2011 werd door **F. V. L.**, waarnemen eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Roeselare een dwangbevel uitgevaardigd dat op 29 augustus 2011 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door **P. L.**, waarnemend directeur van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Brugge.

Voormeld dwangbevel werd op 5 september 2011 betekend aan eiseres bij gerechtsdeurwaarderexploot.

Op 8 december 2011 legde eiseres een fiscaal verzoekschrift ter griffie dezer rechtbank neer.

**2.2.** Eiseres vraagt dat: de vordering ontvankelijk en gegrond verklaard wordt, het verzet tegen het betwiste dwangbevel ontvankelijk en gegrond wordt verklaard, dienvolgens de bestreden heffing wordt vernietigd, bijgevolg de vordering ten bedrage van 2.410,93 euro en de administratie boete ad. 9.120,00 euro alsmede de nalatigheidsintresten worden geannuleerd, minstens de passende ontlasting wordt toegestaan en verweerder veroordeeld wordt tot terugbetaling van alle ten onrechte betaalde en/of ingehouden sommen meer de moratoire intresten en verweerder veroordeeld wordt tot de kosten subsidiair het bestreden dwangbevel te vernietigen in de mate dat er een administratieve geldboete wordt nagevorderd.

Zowel wat betreft de proportionele boete als de niet proportionele boete.

**2.3.** Verweerder vraagt dat de vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard wordt en eiseres veroordeeld wordt tot de gedingkosten.

## III. BEOORDELING

### 3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden.

Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou dienen op te werpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

### 3.2. nopens de grond

#### 3.2.1. nopens de bewijskracht van het proces-verbaal

**a.** Artikel 59, § 2, laatste alinea W.BTW bepaalt dat het proces-verbaal opgesteld door de bevoegde ambtenaar bewijskrachtig is tot het bewijs van het tegendeel. Deze bewijskracht is beperkt tot de materiële vaststellingen door deze ambtenaar gedaan in vervulling van zijn opdracht en strekt zich niet uit tot de deducties die de ambtenaar uit zijn vaststellingen doet.

**b.** Door de bevoegde ambtenaar werd in het proces-verbaal van 6 april 2011 vastgesteld dat de verantwoordingsstukken, met name de onderliggende tickets ter staving van de globale dagelijkse inschrijving per BTW-tarief in het dagontvangstenboek van eiseres niet konden worden voorgelegd.

Deze materiële vaststelling geldt tot het bewijs van het tegendeel.

**c.** In casu werd door de verbalisant in het kader van de BTW-controle inzage genomen van het dossier van eiseres bij de directe belastingen en bleek daaruit dat een kopie werd genomen van de data van de **F. S.** als van de computergegevens in verband met de geregistreerde ontvangsten die op de bedrijfscomputer van eiseres werden aangetroffen en dat eiseres een pdf-bestand had meegegeven met per dag het totale bedrag van elk genummerd ticket uitgesplitst per BTW-tarief.

Daar er verschillen werden vastgesteld tussen de databasegegevens op de bedrijfscomputer en de inschrijvingen in het dagontvangstenboek werd een analyse gedaan tot op het niveau van de individuele tickets teneinde de verschillen te kunnen bepalen.

Voormelde vaststellingen, die niet door de verbalisanten zelf werden verricht, genieten niet de bijzondere bewijskracht van het proces-verbaal en zijn onderworpen aan de gewone regels der bewijsvoering.

#### 3.2.2. nopens de uitdrukkelijke motivering van overheidsbehandelingen

**a.** Eiseres stelt dat het dwangbevel nietig is aangezien het proces-verbaal van 6 april 2011 geen voldoende draagkrachtige motivering ervan vormt, meer bepaald voor wat betreft de bewijskracht van de boekhouding.

**b.** Een dwangbevel inzake BTW betreft een bestuurshandeling waarop de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen van toepassingen (*Cass. 1 december 2005, T.F.R. 2006, nr. 307, 712;* [*Cass. 20 maart 2008*](https://juriel.be/fr/jurisprudence/contrainte-defaut-paiement-taxe-acte-cassation-bruxelles-2008-03-20-280d)*, R.G. C.F. 2009, 55; Cass. 14 mei 2010, www.cass.be* ).

Om aan de motiveringsplicht te voldoen, is volgens de wet een "uitdrukkelijke" motivering "in de akte" vereist, die "de juridische en feitelijke overwegingen" vermeldt welke aan de beslissing ten gronde liggen.

De motivering moet bovendien "afdoende" zijn (art. 2 en 3 wet 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen).

Opdat een dwangbevel afdoende gemotiveerd zou zijn, dient het belastbaar feit, de omvang en de oorzaak van de schuld vermeld te worden ([*Cass. 22 mei 2008*](https://juriel.be/fr/jurisprudence/contrainte-motivation-adequate-controle-juge-cassation-bruxelles-2008-05-22-6ece)*, www.cass.be* ).

Bewijsmiddelen of gegevens van het onderzoek behoren niet tot de motivering van het dwangbevel maar wel tot de bewijsvoering van de fiscale schuld (*Cass. 14 mei 2010, www.cass.be* ).

**c.** In casu wordt in het kwestieuze dwangbevel door het proces-verbaal de dato 6 april 2011 waarnaar het verwijst en dat mee betekend is geworden, het voorwerp van de eis kenbaar gemaakt alsmede worden de feitelijke gegevens aangehaald volgens dewelke eiseres geen bewijskrachtige boekhouding heeft, de berekeningen worden weergegeven en eveneens worden de juridische overwegingen erin opgenomen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op een afdoende wijze.

Het middel mist grondslag.

#### 3.2.3. nopens de bewijskrachtige boekhouding de bewijslast en de bewijsvoering door feitelijke vermoedens

**a.** Volgens eiseres is haar boekhouding bewijskrachtig daar iedere verkoopverrichting niet noodzakelijkerwijze moet worden geregistreerd.

**b.** [Artikel 14, § 1 van het KB nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-14-28ed) van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de BTW luidt : "De belastingplichtigen moeten een aan de omvang van hun activiteiten aangepaste boekhouding voeren om de belasting over de toegevoegde waarde te kunnen toepassen en controleren".

Artikel 14, § 2, 3° van voormeld KB nr. 1 de dato 29 december 1992 luidt : "De belastingplichtigen die over meerdere bedrijfszetels beschikking moeten bovendien een centralisatiedagboek bijhouden waarin zij op het einde van elke aangifteperiode, per tarief, het totaalbedrag van de ontvangsten inschrijven van dat tijdvak, ingeschreven in verschillende dagboeken van ontvangsten".

Artikel 15, § 2 van hetzelfde KB nr. 1 stelt dat inschrijvingen met betrekking tot de boekhouding moeten gesteund zijn op verantwoordingsstukken die gedateerd zijn en waarvan, naargelang het geval, een origineel of een dubbel dient te worden bewaard.

Artikel 60, § 1, al. 1 W.BTW luidt : "De boeken, facturen en andere stukken, waarvan dit wetboek of de ter uitvoering ervan gegeven regelen het houden, het opmaken of het uitreiken voorschrijven, dienen te worden bewaard door hen die ze hebben gehouden, opgemaakt, uitgereikt of ontvangen gedurende zeven jaar, te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar volgend op hun sluiting wat de boeken betreft, op hun datum van facturen of andere stukken betreft of op het jaar waarin het recht op aftrek is ontstaan in de gevallen bedoeld in artikel 58, § 4, 7°, tweede lid, indien het gaat om de stukken bedoeld in artikel 58, § 4, 7°, vierde lid".

Voor iedere boekhouding in de boekhouding moet dus een verantwoordingsstuk bestaan, dat ook moet worden bewaard. De wetgever laat de belastingplichtige echter vrij in het bepalen in de vorm en. soort van de verantwoordingsstukken en laat haar zelf bepalen hoe zij de stukken aan haar beroepsactiviteit zal aanpassen.

De boekhouding moet een geheel vormen van samenhangende, nauwkeurige en controleerbare gegevens. De boekhouding die niet de nodige verantwoordingsstukken bevat om een precieze, objectieve en controleerbare boekhouding te zijn, heeft zodoende ook geen enkele bewijskracht.

**c.** Met betrekking tot de boekhouding van eiseres is met betrekking tot de gecontroleerde periode vastgesteld dat de dagelijkse inschrijvingen voor het totaalbedrag in het dagontvangstenboek niet zijn gestaafd door verantwoordingsstukken. Het betreft een groot aantal tickets van producten die vrij verkrijgbaar zijn, verkrijgbaar zijn op voorschrift en producten onderworpen aan 6 %, 12 % en 21 % BTW.

De computerboekhouding maakt evenmin een controle van de juistheid van de globale dagelijkse inschrijvingen mogelijk.

Een dergelijke boekhouding mist elke bewijskracht.

**d.** Gezien het gebrek aan bewijskracht van de boekhouding van eiseres, mag de omzet worden bewezen door alle middelen van het gemene recht, met inbegrip van vermoedens. De administratie draagt de bewijslast dat de belastingplichtige meer inkomsten heeft ontvangen dan aangegeven.

Uit het proces-verbaal van 6 april 2011 blijkt dat verweerder zicht steunt op o.a. de artikelen 59 en 64, § 1 W.BTW.

Artikel 64, § 1 W.BTW vestigt een wettelijk vermoeden in de zin van de artikelen 1349 tot 1352 B.W. In het algemeen en dus ook voor wettelijke vermoedens, stelt artikel 1349 B.W. *"Vermoedens zijn gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit"*. Dat brengt mee dat een opeenstapeling van vermoedens geen deugdelijk bewijs oplevert.

Het is de rechter die soeverein oordeelt of het feit waarop gesteund wordt al dan niet bekend is en een feitelijk vermoeden kan afgeleid worden uit een geheel van gegevens.

**e.** In het proces-verbaal de dato 6 april 2011 is opgenomen dat er verschillen werden vastgesteld tussen de databasegegevens op de computer van eiseres en de inschrijvingen in het dagontvangstenboek. Om die redenen werd een analyse doorgedreven tot op het niveau van de individuele tickets, teneinde het verschil te kunnen lokaliseren.

Door verweerden werden de verkooptickets gecontroleerd alsmede het dagontvangstenboek van de jaren 2004 en 2005 en het per dag gedetailleerd financieel kassarapport voor de jaren 2004 en 2005.

De databasegegevens werden geanalyseerd en inzonderheid werd het dagtotaal van de contante ontvangsten per BTW-tarief samengesteld, waarbij rekening werd gehouden met de verleende kortingen.

Hieruit bleek dat er verschillen waren tussen de datebase gegevens op de bedrijfscomputer en de inschrijvingen in het dagontvangstenboek.

Voor 2004 werd door verweerder aldus een omzetverschil vastgesteld tussen de samengestelde dagtotalen volgens de meegenomen verkooptabellen en de ingeschreven dagtotalen van de contante ontvangsten in het dagontvangstenboek van 34.040,88 euro inclusief BTW.

Voor 2005 heeft verweerder op die manier een omzetverschil vastgesteld tussen de samengestelde dagtotalen volgens de meegenomen verkooptabellen en de ingeschreven dagtotalen van de contante ontvangsten in het dagontvangstenboek van 31.259,02 euro inclusief BTW.

Verweerder heeft aldus vastgesteld dat de aangegeven omzet lager ligt dan de werkelijke omzet en dat de correcte cijfers terug te vinden zijn in de door de computer geregistreerde verkopen.

**f.** Uit het voorgaande blijkt dat de bewijsvoering werd verricht vertrekkende van de geboekte gegevens in de computer van eiseres, zijnde vastgestelde feiten om te resulteren in de vastgestelde meeromzet. De meeromzet werd bepaald door de vergelijking tussen de werkelijke ontvangsten en de aangegeven ontvangsten en dit per ticket.

De bepaling van de meeromzet gebeurde derhalve niet op arbitraire wijze en er is geen sprake van verboden bewijsvoering van vermoedens op vermoedens nu alle gegevens afkomstig zijn van de computer van eiseres.

**g.** Uit het proces-verbaal blijkt ook duidelijk dat de vermelde bedragen, bedragen betreffen na korting. Het computerprogramma van eiseres maakt melding van de betalingswijze (cash, bancontact, proton, ... ), zodat het verschil in omzet ook niet kan liggen aan het feit dat niet alle betalingen contact zijn gebeurd.

Het middel mist grondslag.

#### 3.2.4. nopens de kopiename van de bestanden

**a.** Eiseres toont niet aan dat de doelgebonden onderzoeksbevoegdheden zouden geschonden zijn, noch dat machtsafwending door verweerder zou gebruikt zijn.

**b.** De verbaliserende BTW-ambtenaar heeft zelf geen gebruik gemaakt van de artikelen uit het Wetboek van Inkomstenbelastingen om bepaalde inlichtingen te verzamelen.

Hij heeft, zoals verweerder terecht stelt, de vaststellingen van zijn collega­ ambtenaar inzake directe belastingen die deze heeft verkregen op grond van zijn toepasselijke wetsartikelen, aangewend om de overeenstemmende BTW­vordering te stellen en dit conform artikel 93quaterdecies, § 2, eerste lid W.BTW.

Bovendien werd in casu bij eiseres een toezicht uitgeoefend inzake directe belastingen en BTW.

Inzake directe belastingen werd voor het aanslagjaar 2005 een bericht van wijziging verstuurd op 28 januari 2011 en een kennisgeving van aanslag van ambtswege op 11 maart 2011 (stukken 26 en 27 administratief dossier).

Betreffende het aanslagjaar 2006 werd inzake directe belastingen eveneens een bericht van wijziging verzonden op 28 januari 2011 en een kennisgeving van aanslag van ambtswege op 11 maart 2011 (stukken 28 en 29 administratief dossier).

Op 6 april 2011 werd het proces-verbaal inzake BTW opgesteld voor de inkomstenjaren 2004 en 2005.

De onderzoeksbevoegdheden werden niet geschonden noch werd machtsafwending gebruikt door verweerder.

Het middel mist grondslag.

#### 3.2.5. medisch beroepsgeheim

**a.** Uit het proces-verbaal de dato 10 februari 2009 (stuk 14 van verweerder) blijkt dat bij het nemen van de kopie van de database de patiëntgegevens fysiek werden verwijderd in het bijzijn van de zaakvoerder van eiseres.

Dit is ook vermeld in bijlage 4 van het betreffende proces-verbaal.

Ook in het proces-verbaal van softwareleverancier **F.** (stuk 1 bijlage 4 van verweerder) is vermeld dat de patiëntdata ontbreken.

**b.** Het medisch beroepsgeheim van eiseres werd dan ook niet geschonden.

Het middel mist grondslag.

#### 3.2.6. nopens de beginselen van behoorlijk bestuur

Nu de BTW-administratie voordien niet overgegaan is tot een analyse van de dagontvangsten bij eiseres door middel van het programma ACL, zijnde een programma voor computeraudit, kon verweerder voordien bij eiseres geen rechtmatig vertrouwen opgewekt hebben met betrekking tot de controle van haar dagontvangsten op het niveau van de individuele verkooptickets teruggevonden op haar bedrijfscomputer.

Het middel mist grondslag.

#### 3.2.7. nopens de boete

**a.** Een boete van 200 % op het verschuldigde BTW-bedrag en voor een totaal bedrag van 3210,00 EUR heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (*Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99*).

Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk·met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.

**b.** Opdat een boete kan worden opgelegd, is het evenwel voorafgaandelijk van belang dat het opleggen van een boete afdoende wordt gemotiveerd.

Ingevolge artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986 dient de administratie telkens wanneer ze de belastingplichtige een bericht zendt waarbij hem een administratieve boete wordt opgelegd, in dit bericht de feiten te vermelden die de overtreding opleveren en de verwijzing naar de toegepaste wetten of verordeningteksten en de motieven op te geven die gediend hebben om het bedrag van de boete vast te stellen. (*Antwerpen 24 april 2007, Fiscoloog 2007, nr. 1090*).

**c.** In het proces-verbaal de dato 6 april 2011 dat één geheel uitmaakt met het dwangbevel werd expliciet zowel in feit als in rechte gemotiveerd waarom er op welke gronden de administratieve boete werd vastgesteld op het dubbele van de rechten.

De motiveringsplicht werd niet geschonden.

**d.** Uit het proces-verbaal blijkt dat eiseres bewust beroep heeft gedaan op een fraudesysteem om een deel van haar inkomsten niet aan te geven met het oogmerk om de belasting te ontduiken. De vastgestelde verschillen betreffen een groot aantal tickets en allerlei producten. De rechtbank stelt op basis van de vaststellingen en de inbreuk vast dat de door verweerder bepaalde administratieve boete beantwoordt aan een juiste toepassing van de betreffende wettelijke en reglementaire bepalingen op de vast gestelde feiten, ondanks het relatief hoge bedrag ervan berekent in absolute cijfers. Het opleggen van een boete van 200 % is in deze zaak verantwoord en niet onevenredig met de inbreuk.

De boete heeft niet alleen een vergoedende aard, maar heeft ook een bestraffend en afradend karakter.

##### Subsidiair

Nu uit het door verweerder gevoerde onderzoek, zoals hierboven gebleken is, via de bedrijfscomputer van eiseres gebleken is, en dit tot op het niveau van de individuele verkooptickets, dat de aangegeven dagontvangsten door eiseres gemanipuleerd werden, dringt de aanstelling van een deskundige zich niet op.

### 3.3. betreffende de kosten

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet zij de gerechtskosten dragen.

Gezien verweerder niet wordt bijgestaan door een advocaat, heeft hij geen recht op een rechtsplegingsvergoeding.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Wijzende in eerste aanleg en op **tegenspraak**.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet terzake dienend.

Verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op 0,00 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op **woensdag zestien januari tweeduizend en dertien**.

Aanwezig zijn :

**H. A.**, alleenrechtsprekend rechter;

**L. N.**, griffier.

**N. L.** **A. H.**

## Textes cités

1

[AR no 1 art. 14](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-14-28ed) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Droit à déduction, Charge de la preuve](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-charge-preuve-chiffre-tribunal-bruxelles-2025-04-23-0903) 1 dispositions communes

[Délai de dépôt d’une réclamation, Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/delai-depot-reclamation-droit-deduction-cour-appel-anvers-2023-03-23-2039) 1 dispositions communes

[Droit à déduction, Pourcentage d’affectation professionnelle](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-pourcentage-affectation-professionnelle-cour-appel-mons-2023-05-31-31b4) 1 dispositions communes

[Droit à déduction, Solde créditeur du compte courant](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-solde-crediteur-compte-tribunal-bruxelles-2023-01-18-7f9c) 1 dispositions communes

[Livraison intracommunautaire, Exportation, Chiffre d’affaires, Preuve](https://juriel.be/fr/jurisprudence/livraison-intracommunautaire-exportation-chiffre-affaires-cour-appel-anvers-2020-12-15-ba33) 1 dispositions communes

[Absence de système de caisse enregistreuse](https://juriel.be/fr/jurisprudence/absence-systeme-caisse-enregistreuse-reconstitution-tribunal-liege-2025-03-24-d050) 1 dispositions communes

[Organisation d'événements, Bureau d'affaires, Infractions](https://juriel.be/fr/jurisprudence/organisation-evenements-bureau-affaires-infractions-tribunal-bruxelles-2026-04-08-e111) 1 dispositions communes

[Comptabilité non probante, Reconstitution du chiffre d’affaires](https://juriel.be/fr/jurisprudence/comptabilite-non-probante-reconstitution-chiffre-cour-appel-bruxelles-2015-07-10-331f) 1 dispositions communes
