---
title: "Preuve, mesure de contrôle · Cour d&#x27;appel d&#x27;Anvers, 27 juin 2002"
description: "Preuve, mesure de contrôle. Cour d'appel d'Anvers (Belgique), 27 juin 2002."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/preuve-mesure-controle-cour-appel-anvers-2002-06-27-e9ef"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Preuve, mesure de contrôle · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Anvers

**Date**

27 juin 2002

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

64 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 27.06.2002

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Het HOF VAN BEROEP zitting houdend te ANTWERPEN VIJFDE KAMER rechtdoend in burgerlijke zaken heeft het volgend arrest gewezen :**

Zitting van **27 JUNI 2002**

**EINDARREST**

Inzake : **1999/AR/2590 + 1999/AR/2702**

**I.** **1999/AR/2590**

**De BELGISCHE STAAT**, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijk Directeur der BTW, registratie en domeinen te Antwerpen, in de persoon van de Rekenplichtige-ontvanger van het eerste BTW-Ontvangkantoor te 2000 Antwerpen, ltaliëlei 4, bus 4;

**appellant,**

tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 8 juni 1999,

vertegenwoordigd door Mr. **A v. L. d. J.**, advocaat te …, …;

**tegen :**

**Mr. G. V. G.**, advocaat te …, …, in zijn hoedanigheid van curator van de NV **S.**, … te …;

**geïntimeerde,**

in persoon verschijnende;

**II.** **1999/AR/2702**

**Mr. G. V. G.**, advocaat te …, …, in zijn hoedanigheid van curator van de NV **S.**, … te …;

**appellant,**

tegen voornoemd vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 8 juni 1999,

in persoon verschijnende

**tegen :**

1\. **R. G.**, en zijn echtgenote,

2\. **P. K.**, wonende voorheen te …, …, en thans te …, …

**geïntimeerden,**

vertegenwoordigd door Mr. **W. H.** loco Mr. **M. V. B.**, advocaat te …, …;

3\. **L. R.**, wonende te …, …;

4\. **J. V. P.**, wonende te …, …;

**geïntimeerden,**

vertegenwoordigd door Mr. **L. D. V.** loco Mrs. **V. D.** en **W. H.**, advocaten te …, …;

## 1. De antecedenten en de vorderingen

De Belgische Staat heeft op 29.08.1994 een dwangbevel ten laste van NV **S.** uitgevaardigd. Dit dwangbevel, dat op 19.09.1994 uitvoerbaar werd verklaard en op 06.10.1994 aan NV **S.** werd betekend, was gesteund op een op 19.07.1994 opgesteld proces-verbaal.

In dit proces-verbaal zette de adjunct-controleur uiteen dat de administratie *“voor de hierna vermelde jaren, de met de BTW belastbare output (omzet), exclusief BTW (heeft) vastgesteld aan de hand van de gegevens voorhanden in het dossier op naam van de NV* ***S.*** *bij de Administratie der Directe Belastingen ... De aldus vastgestelde omzet (exclusief BTW) werd vergeleken met de omzet aangegeven in de periodieke BTW-aangiften. De boekhouding werd verworpen op grond van onregelmatigheden vastgesteld in het kasboek van de vennootschap. Onderstaande gegevens blijken uit een taxatie welke werd gevestigd bij een kennisgeving van ambtswege van 18 februari 1993 (Er werd door de betrokken vennootschap niet geantwoord op een bericht van wijziging van 14 januari 1993)”*. Op grond van dit proces-verbaal vorderde de Belgische Staat van NV **S.** een bedrag aan 12.279,75 EUR (495.364 BEF) aan BTW wegens meeromzet, een bedrag van 3.683,92 EUR (148.609 BEF) (200 % boete verhoogd met 50 % wegens het uitvaardigen van een dwangbevel) en interesten.

NV **S.** heeft op 22.02.1996 tegen dit dwangbevel verzet gedaan en de Belgische Staat doen dagvaarden om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen. Zij vorderde de vernietiging van het dwangbevel en vroeg dat zou worden gezegd voor recht dat zij de in het aangevochten dwangbevel verschuldigde sommen niet verschuldigd was. Zij stelde in ondergeschikte orde een vordering tot vrijwaring tegen de heer **G.** en mevrouw **K.** (die zij met het ingestelde verzet in de zaak had betrokken) en tegen de heer **R.** en de heer **V.** (die op verzoek van de heer **G.** en mevrouw **K.** in de zaak waren betrokken en tegenover wie deze laatsten eveneens een vordering in vrijwaring stelden).

In het bestreden vonnis d.d. 08.06.1999 overwoog de eerste rechter o.m. *“de premisse van het dwangbevel dat "onderstaande omzetgegevens blijken uit een taxatie welke werd gevestigd bij een kennisgeving van ambtswege van 18 februari 1993 (Er werd door de betrokken vennootschap niet geantwoord op een bericht van wijziging van 14 januari 1993”) is een vergissing omtrent de werkelijke feiten”*, nu er geen taxatie van ambtswege had plaatsgehad. De eerste rechter verklaarde het bestreden dwangbevel nietig en zonder gevolg en verklaarde de andere vorderingen zonder voorwerp.

De Belgische Staat heeft op 15.09.1999 hoger beroep ingesteld tegen NV **S.**. NV **S.** stelde op haar beurt op 01.10.1999 hoger beroep in tegen de heer **G.** en mevrouw **K.** en tegen de heer **R.** en de heer **V.** en de heer **G.** en mevrouw **K.** stelden bij conclusie d.d. 06.07.2000 incidenteel beroep in tegen de heer **R.** en de heer **V.**.

De Belgische Staat besluit tot de onontvankelijkheid, minstens ongegrondheid van het verzet. NV **S.** besluit in hoofdorde tot de ongegrondheid van het hoger beroep en besluit in ondergeschikte orde tot de gemeenverklaring van het arrest aan de heer **G.**, mevrouw **K.**, de heer **R.** en de heer **V.** en tot hun veroordeling tot vrijwaring. De heer **G.** en mevrouw **K.** besluiten tot de onontvankelijkheid, minstens ongegrondheid van de tegen hen gestelde vordering en hernemen, in ondergeschikte orde, hun eis tot vrijwaring tegen de heer **R.** en de heer **V.**. Deze laatsten besluiten tot de onontvankelijkheid, minstens ongegrondheid van de tegen hen gestelde vorderingen. Ter zitting verklaarde de Belgische Staat de ingeroepen exceptie van onontvankelijkheid van het verzet niet te handhaven.

## 2. Beoordeling

De zaken 1999/AR/2590 en 1999/AR/2702 betreffen hogere beroepen tegen hetzelfde vonnis. Zij worden wegens samenhang gevoegd.

Het doel en de grondslag van de vorderingen werden, zo in feite als in rechte, in de hieraan voorafgaande procedurestukken uiteengezet. Het hof verwijst ernaar.

Het proces-verbaal, waarop het bestreden dwangbevel is gesteund werd opgesteld op grond van gegevens uit het dossier van NV **S.** bij de administratie van de directe belastingen.

Uit de stukken die worden voorgelegd blijken volgende gegevens.

1) Nadat deze administratie reeds op 19.11.1992 een bericht van wijziging van aangifte, zoals bedoeld in art. 251 WIB (1964) - 345 WIB (1992) - voor de aanslagjaren 1991 en 1992 had verstuurd, en waarop door de boekhouder van NV **S.** op 18.12.1992 was gereageerd, verzond zij op 14.01.1993 een nieuw bericht van wijziging voor het aanslagjaar 1992. In dit bericht werd aangegeven dat de boekhouding omwille van onregelmatigheden werd verworpen en dat de omzet zou worden bepaald op grond van de "verkochte aankopen" en berekend aan de winstmarge van het voorafgaande aanslagjaar 1991.

2) Op 18.02.1993 verzond de administratie een kennisgeving van aanslag van ambtswege waarbij zij er op wees dat zij, krachtens art. 256 WIB (1964) - 351 WIB (1992) - toe gerechtigd was een ambtshalve aanslag te vestigen en dat zij voornemens was dit te doen overeenkomstig het bericht van wijziging d.d. 14.01.1993. Aan NV **S.** werd een termijn van acht dagen gegeven om opmerkingen te maken.

3) In zijn conclusie doet de Belgische Staat beurtelings gelden dat er geen aanslag werd ingekohierd (blz. 3) en dat er wel een aanslag werd ingekohierd (blz. 9). Het hof kan enkel vaststellen dat er geen bewijs van een aanslag wordt voorgebracht en ter zitting was ook de Belgische Staat het ermee eens dat geen aanslag was gevestigd.

De omkering van bewijslast, die tot het gevolg heeft dat het aan de belastingplichtige toekomt het bewijs te leveren van het juiste bedrag van de belastbare inkomsten, realiseert zich slechts op het ogenblik dat een ambtshalve aanslag wordt gevestigd (art. 257 WIB (1964) - 352 WIB (1992)). Daaruit vloeit voort dat, zolang deze aanslag niet wordt gevestigd de Belgische Staat de bewijslast behoudt en een door de administratie opgestelde raming op zich geen bewijswaarde heeft en niet als een vermoeden kan gelden, doch louter de vertolking van het eigen door haar te bewijzen standpunt inhoudt.

De Belgische Staat kan zich, ter ondersteuning van de door de administratie van de directe belastingen gemaakte berekening niet beroepen op het feit dat NV **S.** niet reageerde op het bericht van wijziging van aangifte en de kennisgeving van ambtshalve aanslag nu dergelijk stilzitten, zelfs na de vestiging van een ambtshalve aanslag, het recht van de belastingplichtige tot het leveren van het tegenbewijs onverkort laat. Dit houdt in dat het stilzwijgen van de belastingplichtige niet als een instemming kan worden geïnterpreteerd.

De bewijskracht van de in art. 59, § 1 W.BTW bedoelde processen-verbaal is beperkt tot de eigen waarnemingen van de ambtenaren - opstellers ervan. De in dit proces-verbaal bepaalde omzet is niet het gevolg van eigen waarnemingen van de opstellers, maar is enkel de weergave van een door de administratie der directe belastingen gemaakte niet bewijskrachtige berekening. De Belgische Staat houdt daarom onterecht staande dat de door haar vermelde omzet als bewezen zou gelden tot het tegenbewijs wordt geleverd. Het behoort integendeel aan de Belgische Staat de juistheid van haar berekening te bewijzen, wat zij niet doet.

Uit deze overwegingen vloeit voort dat het hoger beroep van de Belgische Staat ongegrond is en dat het hoger beroep van NV **S.** en het incidenteel beroep van de heer en mevrouw **G. - K.** zonder voorwerp zijn.

### Dispositif

## OM DIE REDENEN

**HET HOF,**

Rechtdoende op **tegenspraak**,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Voegt de zaken 1999/AR/2590 en 1999/AR/2702 samen;

Verklaart het hoger beroep van de Belgische Staat ongegrond en het hoger beroep van NV **S.** alsmede het incidenteel beroep van de heer en mevrouw **G. - K.** zonder voorwerp;

Verwijst de Belgische Staat tot de kosten van het hoger beroep tegenover de curator van het faillissement van NV **S.** en begroot deze aan de zijde van deze laatste op 0 EUR;

Verwijst iedere partij voor het overige in de eigen kosten van het hoger beroep.

Aldus gedaan en uitgesproken in **openbare terechtzitting** van **zevenentwintig juni tweeduizend en twee**,

waar aanwezig waren :

**E. H.**, wnd. Voorzitter;

**E. L.** en **J. E.**, Raadsheren;

**G. V.**, Griffier.

**G.V.** **J. E.** **E. L.** **E. H.**
