---
title: "Prescription, Délai de révision · Cour d&#x27;appel d&#x27;Anvers, 17 mai 2022"
description: "Prescription, Délai de révision, Inventaire, TVA historique, transformation, taux de TVA réduit pour rénovation. Cour d'appel d'Anvers (Belgique), 17 mai 2022."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/prescription-delai-revision-inventaire-tva-cour-appel-anvers-2022-05-17-93b5"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Prescription, Délai de révision, Inventaire, TVA historique, transformation

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Anvers

**Date**

17 mai 2022

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

**Sens lu par le SPF**

favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

185 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers du 17.05.2022

WF 707-15-19/026012

\[Favorable à l’Etat belge\]

*Taxe sur la valeur ajoutée - Prescription – Délai de révision - Inventaire - TVA historique*

## Dispositions légales

[Art. 48, § 2, 49, 3°](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-48), [81](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-81), [81bis, § 1er, 82 et 82bis](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-81bis) du Code de la TVA

[Art. 21bis, § 2 de l'arrêté royal n° 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c#ar3-art21bis), du 10 décembre 1969, relatif aux déductions pour l'application de la taxe sur la valeur ajoutée

## Résumé

## 1) Les faits et les antécédents de procédure

La partie adverse est un avocat et est identifiée en tant qu’assujetti à la TVA depuis le 1er janvier 2014. Suite à son assujettissement, le 27 juin 2013, l’assujetti a déposé son inventaire concernant la TVA historique. La TVA historique a été déduite dans la déclaration du troisième trimestre 2015 du 20 octobre 2015. Lors d'un contrôle, l'administration a constaté que la TVA concernant certains articles de l'inventaire avait été incorrectement révisés.

En outre, l'administration a estimé que le délai de révision de 15 ans avait été appliqué à tort dans le cadre de la transformation d’un bien immobilier alors que c’était le délai de révision de cinq ans qui aurait dû être retenu. L'administration a décerné une contrainte concernant ce point.

En première instance, le tribunal a déclaré la demande de la partie adverse recevable mais non fondée. L’assujetti a fait appel de ce jugement.

## 2) L'arrêt de la cour d'appel

\* Le délai de prescription

L’assujetti soutenait que l’action de l'administration était prescrite. Selon la partie adverse, le délai de prescription de trois ans a commencé à courir à partir du dépôt de l'inventaire de la TVA historique. Toutefois, la cour confirme la position de l'administration en indiquant que le dépôt de l'inventaire par le contribuable était seulement requis afin de déduire la TVA historique. La cour confirme également que, en tout état de cause, le moment du dépôt de cet inventaire ne détermine pas le point de départ du délai de prescription. Le dépôt d'un inventaire n’autorise pas le droit à déduction et donc n’autorise pas la demande de restitution de la TVA au sens de l'[article 82 du code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-82). Pour cela le dépôt de la déclaration est exigé.

Enfin, la cour juge qu'il était impossible que le délai de prescription puisse commencer à courir le 27 juin 2013 puisque à cette date la partie adverse n'était pas encore un assujetti à la TVA disposant d'un droit à déduction. Il n'existe aucune disposition légale sur la base de laquelle on peut considérer que le délai de prescription commence à courir le 1er janvier 2014, c'est-à-dire au moment où elle est devenue un assujetti à la TVA disposant d’un droit à déduction.

\* Le délai de révision

La cour constate que l’immeuble d’origine a été conservé, en ce compris la majeure partie du rez-de-chaussée. En outre, la superficie du bâtiment est également restée inchangée. Enfin, la partie rénovée ne peut pas fonctionner séparément et a été entièrement intégrée au bâtiment existant.

La cour juge qu'aucun nouveau bâtiment n'avait été érigé vu que la structure du bâtiment n'a pas été modifiée d’une manière radicale. Par conséquent, il s’agit d’une transformation d’immeuble pour laquelle le délai de révision ordinaire de cinq ans est d’application.

**Texte de l’arrêt**

***L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale***

### Corps de la décision

**Hof van beroep Antwerpen, kamer B6M burgerlijke zaken, Kamer AFi4**

Arrest van 17 mei 2022

Rol: 2021/AR/34

**D. F.**, ON 084…60, RRN 60…71, wonende te …,

**Eiser in hoger beroep**,

vertegenwoordigd door mr. G. S., advocaat te 2000 … (ref.:…)

tegen het vonnis van de AFi4 kamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 18 november 2021, gekend onder rolnummer 19/1554/A

**tegen**

**DE BELGISCHE STAAT**, ON 0308.357.159, in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de

ADVISEUR-GENERAAL-DIRECTEUR VAN HET KMO CENTRUM ANTWERPEN,

ON 0308.357.159, met diensten te 2930 BRASSCHAAT, Ruiterijschool 3 bus 92,

**Verweerder in hoger beroep**,

vertegenwoordigd door mr. B. B. loco mr. D. A., advocaat te … (ref.: …}

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 18 november 2020, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 7 januari 2021, waarbij een tijdig hoger beroep wordt ingesteld.

## 1. Voorafgaande feiten en procedure

*1.1. Voorwerp van de betwisting.*

De betwisting betreft de toepassing van de BTW voor de periode van 7 juli 2014 tot en met 31 december 2015 in hoofde van eiser in hoger beroep die advocaat is en die sinds 1 januari 2014 geïdentificeerd is als BTW-belastingplichtige. De betwisting betreft meer bepaald de vraag of de aftrek van de historische BTW terecht werd toegepast.

*1.2. Aanslag en bezwaar.*

Bij brief van 27 juni 2013 maakte eiser in hoger beroep aan de administratie een inventaris over in de zin van [artikel 21bis, §2 van KB nr.3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c#ar3-art21bis). De betrokken inventaris betrof de rubriek 'gebouwen en inrichtingen' en had betrekking op de aankoop en inrichting van het gebouw aan de … (stuk 3 Belgische Staat). De inventaris werd volgens eiser in beroep ingediend met het oog op de regularisatie van de recupereerbare historische BTW op het als bedrijfsmiddel voor zijn economische activiteit aangewend gebouw.

De op de inventaris vermelde historische BTW die volgens eiser in hoger beroep deels moest worden herzien werd in aftrek gebracht in de BTW-aangiftes voor het derde en vierde kwartaal van 2015 en de eerste twee kwartalen van 2016 (stukken 4 tot en met 7 Belgische Staat).

Op 17 juli 2018 verstuurde de Belgische Staat een vraag om inlichtingen naar eiser in hoger beroep met betrekking tot de uitgaande handelingen van 2015 tot op heden en met betrekking tot de herziening van de historische BTW. Na een bekomen uitstel werden de gevraagde gegevens bezorgd. Er volgde een verdere discussie, onder meer over de verjaring van de vordering van de fiscale administratie. Er werd een proces-verbaal opgesteld op 27 november 2018 (stuk 1 Belgische Staat).

In voormeld proces-verbaal werden de volgende inbreuken vermeld:

Inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van historische investeringen van advocaten. Voor wat het pand aan de … en de werken die eraan werden uitgevoerd werd volgens de administratie ten onrechte de herzieningstermijn van 15 jaar toegepast en was de vijfjarige herzieningstermijn van toepassing. Bovendien had de boekhouder van eiser in hoger beroep zelf toegegeven dat voor de eerste drie lijnen in de inventaris ten onrechte BTW werd herzien (aankoop van het pand, aanrekening van registratierechten op de aankoop en registratierechten op de leningen). Er werden bovendien herzieningen uitgevoerd op delen van het pand die niet gebruikt werden voor de beroepsactiviteit (appartementen boven het gelijkvloerse praktijkgedeelte).

Inbreuken inzake de toepassing van het algemeen verhoudingsgetal. De BTW van aan hem geleverde goederen en verleende diensten werd volledig in aftrek gebracht hoewel de betrokkene zowel belastbare handelingen verrichtte (advocaat) als vrijgestelde handelingen (collectieve schuldenregeling).

Aldus was de belastingplichtige volgens de administratie verschuldigd: Als BTW: 15.295,58 EUR

Als proportionele geldboete, verminderd en afgerond: 1.520,00 EUR

Als interesten: 0,8% per maand over 15.290,00 EUR vanaf 21 januari 2017.

Op … werd een dwangbevel uitgevaardigd, op 30 november 2018 geviseerd en uitvoerbaar verklaard voor een totaal bedrag van 19.628,94 EUR, te vermeerderen met de nalatigheidsinteresten vanaf 21 december 2018, desgevallend de moratoire interesten en de vervolgingskosten, gerechtskosten en de kosten verbonden aan hypothecaire inschrijvingen (stuk 2 Belgische Staat).

*1.3. Procedure voor de eerste rechter.*

F. D. legde op 5 april 2019 een verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen. Hij vorderde om zijn vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en om het bestreden dwangbevel RCIV-nr. … te vernietigen, c.q. van nul en generlei waarde te verklaren. Hij vorderde de teruggave van de ten onrechte betaalde en/of ingehouden bedragen, vermeerderd met de wettelijke, gerechtelijke en moratoire interesten vanaf de datum van betaling of inhouding en om de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding van 1.320,00 EUR en de bijdrage voor het begrotingsfonds juridische tweedelijnsbijstand van 20,00 EUR.

De eerste rechter stelde vast dat de betwisting enkel nog betrekking had op de aftrek van de historische BTW en de desbetreffende boete en interesten.

Voor wat de door de belastingplichtige ingeroepen verjaring betrof oordeelde de eerste rechter dat de driejarige verjaringstermijn niet begon te lopen vanaf de datum van de indiening van de inventaris van de historische BTW op 27 juni 2013, doch wel vanaf 20 oktober 2015, hetzij de datum van indiening van de BTW-aangifte voor het derde kwartaal van 2015, waarin de historische BTW in aftrek werd gebracht. Er was derhalve nog geen verjaring bereikt.

Verder oordeelde de eerste rechter dat de bewijslast van de aftrekbare historische BTW bij de belastingplichtige lag. De eerste rechter stelde vast dat de belastingplichtige niet langer betwistte dat geen aftrek kon gebeuren met betrekking tot de eigenlijke aankoop van het pand en met betrekking tot de registratierechten. Voor het overige oordeelde de eerste rechter dat de belastingplichtige niet aantoonde dat de voorgelegde facturen betrekking hadden op werken, uitgevoerd aan de beroepslokalen. Er werd vastgesteld dat bepaalde facturen gebreken vertoonden (bijvoorbeeld geen adresgegevens, geen details, geen omschrijving), dat bepaalde facturen betrekking hadden op inrichting en dat er geen overeenstemming was tussen de facturen en de inventaris. Er lag volgens de eerste rechter zelfs geen enkel bewijs voor dat de facturen betrekking hadden op bedrijfsmiddelen. Vermits niet werd aangetoond dat er recht was op aftrek van enige historische BTW, diende de discussie aangaande de herzieningstermijn volgens de eerste rechter niet te worden gevoerd.

Er was volgens de eerste rechter geen reden om de boete, die reeds was herleid tot 10% nog verder te herleiden.

De vordering van F. D. werd derhalve ontvankelijk doch ongegrond verklaard en hij werd veroordeeld tot de kosten van het geding, in hoofde van de Belgische Staat niet begroot en door de rechtbank vereffend op 0,00 EUR.

*1.4. Procedure voor het hof van beroep.*

F. D., thans eiser in hoger beroep vordert om zijn hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en om het bestreden vonnis aldus te hervormen. Hij vordert om, opnieuw rechtdoende, het bestreden dwangbevel RCIV-nr. … te vernietigen, c.q. van nul en generlei waarde te verklaren en om bijgevolg teruggave te bevelen van alle ten onrechte betaalde en/of ingehouden bedragen, vermeerderd met de wettelijke, gerechtelijke en moratoire interesten vanaf de datum van betaling of inhouding. Hij vordert om de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op een rechtsplegingsvergoeding van 1.320,00 EUR in eerste aanleg en 1.430,00 EUR in hoger beroep en de bijdrage aan het fonds voor juridische tweedelijnsbijstand van 20,00 EUR per aanleg.

Ter zitting van 19 april 2022 verzoekt eiser in hoger beroep om de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep toe te passen, hetzij 1.540,00 EUR.

De Belgische Staat, verweerder in hoger beroep, vordert om het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, om het bestreden vonnis te bevestigen in als zijn beschikkingen en om de bestreden vordering, zoals opgenomen in het dwangbevel van … te bevestigen. De Belgische Staat vordert om eiser in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen.

Ter zitting van 19 april 2022 verzoekt de Belgische Staat, die intussen vertegenwoordigd wordt door een advocaat om de toekenning van een minimumrechtsplegingsvergoeding hoger beroep van 875,00 EUR.

## 2. Bespreking

*2.1. Verjarinq.*

Volgens eiser in hoger beroep is de vordering van de Belgische Staat verjaard, vermits de verjaringstermijn van drie jaar begon te lopen vanaf het indienen van de inventaris tot uitoefening van het recht op aftrek van de historische BTW, hetzij 27 juni 2013. Volgens eiser in hoger beroep is dit het moment waarop de BTW opeisbaar is geworden, zodat de vordering dan is ontstaan en de verjaringstermijn van artikel 81 W.BTW vanaf dat moment begint te lopen. De vordering van de administratie in november 2018 was aldus laattijdig.

Volgens de Belgische Staat betreft het in deze een vordering tot voldoening van de belasting door de administratie en zijn de verjaringstermijnen van de artikelen 81 en 81bis W.BTW aldus van toepassing. Het tijdstip van opeisbaarheid van de terugvordering door de administratie van de ten onrechte afgetrokken BTW is dan ook de datum van de indiening van de aangifte waarin de aftrek ten onrechte werd uitgeoefend, hetzij het derde kwartaal van 2015. Eiser in hoger beroep werd trouwens pas vanaf 1 januari 2014 een BTW­ belastingplichtige, zodat de verjaring onmogelijk voordien al kon beginnen lopen. De administratie verwijst naar het arrest van het Hof van Justitie van 9 juli 2009, [C-483/08](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-483-08-ordonnance).

In deze betreft de discussie de verjaringstermijn van de vordering van de Belgische Staat tot het navorderen van BTW die volgens de administratie ten onrechte in aftrek werd gebracht. De verjaringstermijnen met betrekking tot de vordering tot het bekomen van de teruggave van de historische BTW (artikelen 82 en 82bis W.BTW) zijn hier dus in wezen niet relevant. Er wordt trouwens niet betwist dat eiser in hoger beroep de inventaris, bedoeld in [artikel 21bis, §2 KB nr.3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c#ar3-art21bis) en de aangifte, bedoeld in 49, 3° W.BTW tijdig heeft ingediend. Het is in deze de belastingplichtige die betwist dat de Belgische Staat tijdig overging tot navordering van de BTW die door eiser in hoger beroep in aftrek werd gebracht.

Overeenkomstig artikel 81 W.BTW begint de vordering tot voldoening van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten te verjaren vanaf de dag dat deze vordering ontstaat.

Overeenkomstig artikel 81bis, §1, eerste lid W.BTW is er verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van de opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.

Het hof oordeelt dat eiser in hoger beroep in deze ten onrechte voorhoudt dat de vordering tot navordering van de ten onrechte afgetrokken BTW ontstaat op het moment van de indiening van de inventaris, zoals bedoeld in [artikel 21bis, §2 KB nr.3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c#ar3-art21bis):

Ten eerste is de indiening van de inventaris door de belastingplichtige enkel vereist om de historische BTW in aftrek te kunnen brengen; deze vereiste geldt niet in hoofde van de administratie om de ten onrechte afgetrokken BTW te kunnen navorderen.

Ten tweede moet erop gewezen worden dat het moment van de indiening van deze inventaris hoe dan ook niet bepalend is voor de aanvang van de verjaringstermijn.

Opdat de historische BTW op bedrijfsmiddelen nog in aftrek kan gebracht worden is weliswaar vereist dat de betrokken belastingplichtige de historische aftrekbare BTW vermeldt in een tijdig ingediende inventaris, doch het recht op aftrek zelf wordt pas uitgeoefend in de aangifte die vervolgens tijdig wordt ingediend. Het indienen van een inventaris op zich doet het recht op aftrek en dus de vordering tot teruggaaf van de BTW in de zin van artikel 82 W.BTW niet ontstaan. Daarvoor is het indienen van de aangifte vereist.

Ten overvloede kan er trouwens op gewezen worden dat de verjaringstermijn onmogelijk kon beginnen lopen op 27 juni 2013, vermits eiser in hoger beroep op dat moment nog geen BTW-belastingplichtige was. Er is geen enkele wettelijke bepaling op basis waarvan kan aangenomen worden dat de verjaringstermijn begint te lopen op 1 januari 2014, hetzij op het moment waarop hij BTW-belastingplichtige werd. Dit moment op zich heeft de vordering tot voldoening of tot teruggave van de belasting niet doen ontstaan.

In een beschikking van 9 juli 2009 ([C-483/08](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-483-08-ordonnance), Régie communale autonome du stade L. V./Belgische Staat, curia.europa.be) bevestigde het Hof van Justitie dat de Zesde BTW­ Richtlijn geen enkele bepaling bevat die het beginpunt van de verjaringstermijn voor de invordering van de BTW vastlegt. Bij gebrek aan gemeenschapswetgeving heeft elke lidstaat de vrijheid om de procedurele modaliteiten te regelen (voor zover die geen inbreuk maken op de Europese algemene rechtsbeginselen). Het Hof van Justitie oordeelde dan ook dat [artikel 10 van de Zesde BTW-Richtlijn](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-10) zich niet verzet tegen een interpretatie van de nationale wetgeving en een administratieve praktijk volgens dewelke als beginpunt van de verjaring voor de navordering van ten onrechte in aftrek genomen BTW het moment moet genomen worden van de indiening van de aangifte waarin de belastingplichtige zijn recht op aftrek heeft uitgeoefend.

Vermits nog geen drie jaar verstreken waren sinds het verstrijken van het jaar, volgend op datgene waarin de aangifte voor het derde kwartaal van 2015 werd ingediend (20 oktober 2015), is de navordering in 2018 tijdig en is er dus geen sprake van verjaring.

*2.2. Ondergeschikt: herzieninqstermijn van vijf of van vijftien jaar/ bewijs.*

2.2.1. Standpunt van partijen.

Volgens eiser in hoger beroep werd terecht de herzieningstermijn van vijftien jaar toegepast, vermits de verbouwingswerken aan het gebouw te … van die aard waren dat de structuur van het gebouw aanzienlijk werd gewijzigd. Uit de voorgelegde foto's blijkt dat het niet gaat om eenvoudige omvormings- of verbeteringswerken. Uit de opzoeking van het gebouw in Street View, waar de administratie zich op baseerde kan niets worden afgeleid, vooral nu daarin enkel de voorgevel wordt getoond en het merendeel van de werken de achterkant van het gebouw betrof.

Verder blijkt uit het proces-verbaal dat enkel in eerste instantie geen overeenstemming kon worden gemaakt tussen de factuurbedragen en de bedragen, vermeld op de inventaris, doch dat die overeenstemming wel kon worden gemaakt, nadat bijkomende uitleg was gevraagd aan en bekomen van de boekhouder.

Volgens de Belgische Staat geldt in deze de herzieningstermijn van vijf jaar. Er is immers slechts sprake van eenvoudige omvormings- of verbeteringswerken en geenszins van werken die bijdragen tot de oprichting van een nieuw gebouw. Uit de plannen blijkt dat de veranda plaatsmaakte voor een bureelruimte, dat één binnenmuur werd afgebroken en dat twee binnenmuren werden bijgeplaatst, zodat de werken nog steeds steunen op de wezenlijke elementen van de structuur van het bestaande gebouw. De administratie verwijst naar een recent arrest van het Hof van Cassatie van 30 april 2021.

Volgens de Belgische Staat kon ook geen overeenstemming gemaakt worden tussen de bedragen, opgenomen in de roosters 62 van de BTW-aangiftes (9.528,70 EUR) en de bedragen, opgenomen in de inventaris. Ook gaf de boekhouder reeds toe dat de eerste drie lijnen verkeerdelijk in de inventaris werden opgenomen.

2.2.2. Herzieningstermijn.

Volgens eiser in hoger beroep had de aftrek van de historische belasting betrekking op bedrijfsmiddelen die op 1 januari 2014 nog werden aangewend voor zijn economische activiteit als advocaat.

Bedrijfsmiddelen zijn lichamelijke goederen, zakelijke rechten bedoeld in artikel 9, tweede lid, 2° W.BTW en diensten die bestemd zijn om op een duurzame wijze te worden gebruikt als werkinstrumenten of exploitatiemiddelen ([artikel 6, §1 KB nr.3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-article-historique-00d1)).

Bij wijze van regularisatie kan een advocaat zijn recht op aftrek uitoefenen voor de bedrijfsmiddelen die op 1 januari 2014 nog bestaan, voor zover die goederen nog bruikbaar zijn en voor zover de herzieningstermijn, bepaald bij artikel 48, §2 W.BTW nog niet is verstreken ([artikel 21bis, §1 KB nr.3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c#ar3-art21bis)).

Het gebouw aan de … werd aangekocht in 2005 en werd door eiser in hoger beroep op 1 januari 2014 deels gebruikt als advocatenkantoor. Meer bepaald betrof het gelijkvloers het advocatenkantoor en werden de ruimtes op de eerste en de tweede verdieping als appartementen verhuurd aan particulieren.

Volgens eiser in hoger beroep geldt voor de goederen en diensten, vermeld op de inventaris de herzieningstermijn van vijftien jaar, zodat de herzieningstermijn nog niet verstreken was op het moment waarop het recht op aftrek werd uitgeoefend.

De goederen en diensten, vermeld op de inventaris hebben betrekking op de periode van 2005 tot en met 2009. Er bestaat geen betwisting over het feit dat geen aftrek kan genoten worden voor wat betreft de eerste drie rubrieken, vermeld op de inventaris, meer bepaald de aanschaffingsprijs van het gebouw en de registratierechten, betaald op de aankoop en op de lening voor de woning. Deze drie rubrieken werden volgens de boekhouder van eiser in hoger beroep verkeerdelijk op de inventaris opgenomen (mail van 27 september 2018, zoals vermeld op p.4 van het proces-verbaal van 27 november 2018).

Voor wat de overige posten op de inventaris betreft kan enkel aftrek worden toegepast wanneer blijkt dat het gaat om leveringen en diensten aan het beroepsgedeelte van het gebouw die aan de herzieningstermijn van vijftien jaar zijn onderworpen.

Overeenkomstig artikel 48, §2 W.BTW bedraagt de herzieningstermijn in principe vijf jaar. Voor de belasting, geheven van onroerende bedrijfsmiddelen, bepaald door de Koning, beloopt het herzieningstijdperk evenwel vijftien jaar.

Onder belasting, geheven van onroerende bedrijfsmiddelen wordt overeenkomstig artikel 9,

§2 KB nr.3 verstaan, de belasting geheven van:

\- De handelingen die strekken of bijdragen tot de oprichting van goederen bedoeld in artikel 1, § 9, eerste lid, 1° W.BTW, hetzij gebouwen of gedeelten van gebouwen (waaronder wordt verstaan ieder bouwwerk dat vast met de grond is verbonden);

\- De verkrijging van goederen bedoeld in artikel 1, § 9, eerste lid W.BTW of van een zakelijk recht op dergelijk goed.

In antwoord op een mondelinge parlementaire vraag van Luk Van Biesen van 10 mei 2017 (vraag nr. 17.976, Beknopt Verslag, 2016-2017, Com 659, p.11-12) antwoordde minister Van Overtveldt: "*Bij de constructie van een gebouw geldt een herzieningsperiode van vijftien jaar, voor een omvorming en verbetering is dat vijf jaar, tenzij er eerder sprake is van een nieuw gebouw. Door de aard en de omvang van de werken is dit laatste soms het geval, zelfs als de oppervlakte niet wijzigt. Het onderscheid is daardoor gebaseerd op feitelijkheden: kan de aanbouw al dan niet onafhankelijk functioneren? Het feit dat geen afzonderlijk kadastraal inkomen wordt toegekend of dat een doorgang wordt gemaakt, is niet doorslaggevend*".

Het Hof van Cassatie oordeelde in een arrest van 30 april 2021 ([F.19.0123.N](https://juriel.be/fr/jurisprudence/deduction-tva-historique-periodes-revision-cassation-bruxelles-2021-04-30-4e14), stuk 11 Belgische Staat) als volgt:

> "*Uit de samenhang van deze wetsbepalingen* (hetzij artikel 48, §§1 en 2 W.BTW, [artikel 21bis, §1 van KB nr.3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c#ar3-art21bis) en de artikelen [7, eerste lid](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c#ar3-art7) en [9, §1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c#ar3-art9) van KB nr.3) *volgt dat handelingen die strekken of bijdragen tot het omvormen of verbeteren van een gebouw of een gedeelte van een gebouw onderworpen zijn aan de herzieningstermijn van vijf jaar, terwijl handelingen die strekken tot of bijdragen tot de oprichting van een gebouw of een gedeelte van een gebouw onderworpen zijn aan de herzieningstermijn van vijftien jaar. De appelrechter die oordeelt dat het verschil tussen een verbouwing en een nieuwbouw geen steun vindt in de wet wat betreft de toepasselijke herzieningstermijn en op grond daarvan oordeelt dat de opgerichte achterbouw onmiskenbaar te beschouwen is als een onroerend bedrijfsmiddel zoals bedoeld in* [*artikel 48 Btw-wetboek*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-48) *en* [*artikel 9 van het koninklijk besluit nr.3*](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c#ar3-art9)*, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht.*"

In onderhavig geval blijkt uit de inventaris dat de werken, waarvoor aftrek van historische voorbelasting werd gevraagd betrekking hadden op verbouwing kantoor, electra (keuring), verlichting, schrijnwerkerij, wegeniswerken, vloertegels, briefplaat en deurknop, videofoon, rolluikkasten, schilderwerken en een spaarkachel.

Uit de plannen (stuk 9 Belgische Staat} blijkt dat het gelijkvloers werd heringericht als kantoor. Daarbij werd het toilet verplaatst, alsook een paar binnenmuren. De veranda werd afgebroken en vervangen door een andere constructie.

Het hof oordeelt dat het in deze ging om een verbouwing en niet om een nieuwbouw. Het bestaande gebouw werd behouden, inclusief het grootste deel van de benedenverdieping. Enkel in het achterste gedeelte van het gelijkvloers werd het toilet verplaatst en werd de veranda (van ongeveer 12 m2) afgebroken en vervangen door een andere constructie.

Dezelfde oppervlakte werd evenwel behouden. Het vernieuwde gedeelte kon geenszins afzonderlijk functioneren en werd daarentegen (zoals voorheen) volledig geïntegreerd in het bestaande gebouw. Dat de volledige ruimte van het gelijkvloers werd verhoogd blijkt niet uit de stukken. Uit de voorgelegde foto's kan het tegendeel niet worden afgeleid.

Vermits de structuur van het gebouw niet op een zodanige manier werd gewijzigd dat een nieuw gebouw is ontstaan, betreft het derhalve een verbouwing, waarvoor de gewone herzieningstermijn van vijf jaar van toepassing is.

Vermits de werken dateren van de periode 2005 tot 2007 (met uitzondering van de spaarkachel van 2009, waarvan uit geen enkel gegeven blijkt dat die in het beroepsgedeelte werd geplaatst), was de herzieningstermijn van vijf jaar reeds verstreken op het moment dat eiser in hoger beroep in 2015 zijn aangiftes indiende, met daarin de aftrek van de historische BTW.

2.2.3. Kantoorgedeelte.

Het voorgaande volstaat om te oordelen dat niet voldaan werd aan de vereisten van [artikel 21bis, §1 KB nr.3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c#ar3-art21bis) tot recuperatie van de historische BTW, zodat verder niet dient onderzocht te worden of de voorgelegde facturen het gedeelte van het onroerend goed betroffen dat dienst deed als advocatenkantoor.

*2.3. Rechtspleqinqsverqoedinq.*

De Belgische Staat is in deze te beschouwen als de in het gelijk gestelde partij, zodat eiser in hoger beroep tot de kosten van het geding moet worden veroordeeld. De Belgische Staat liet zich in eerste aanleg niet bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, zodat ze voor die aanleg geen aanspraak kan maken op een rechtsplegingsvergoeding. Voor wat de procedure in hoger beroep betreft werd pas een advocaat ingeschakeld voor de pleidooien, zodat de Belgische Staat enkel de minimumrechtsplegingsvergoeding in hoger beroep vordert.

Partijen zijn het erover eens dat betwistingen inzake belastingen geen onbepaalde waarde hebben, doch dat ze kunnen gewaardeerd worden naar het bedrag van de betwiste aanslag. De rechtsplegingsvergoeding dient dan ook bepaald te worden volgens het pecuniair bedrag van de vordering (Cfr. [Cass., 12 maart 2010](https://juriel.be/fr/jurisprudence/taux-reduit-immeubles-neufs-travaux-cassation-bruxelles-2010-03-12-601b), F.J.F., nr.2010/183, p.720).

Het bedrag van de betwiste belastingen betreft de schijf tussen 10.000,01 en 20.000,00 EUR, zodat het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding na indexatie 1.540,00 EUR bedraagt.

De minimale rechtsplegingsvergoeding bedraagt voor diezelfde schijf 875,00 EUR, zodat dit bedrag kan worden toegekend aan de Belgische Staat, gelet op de latere tussenkomst van de advocaat en zoals gevorderd door de Belgische Staat.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht in hoger beroep overeenkomstig artikel 279 1, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..

### Dispositif

## 3. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van F. D. toelaatbaar doch ongegrond. Het hof bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.

Het hof verwijst F. D. in de gedingkosten in hoger beroep, vereffend aan de zijde van de Belgische Staat op een rechtsplegingsvergoeding hoger beroep van 875,00 EUR.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 17 mei 2022

### Décision jointe par le SPF

## Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg

### Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, sectie burgerlijke rechtbank, Kamer AFi4

Vonnis van 18.11.2020

Rol: 19/1554/A

Inzake:

**D. F.**

wonende te …, RRN: 60…71

eisende partij

\- vertegenwoordigd ter zitting door Mr. M. D. te …, tevens loco Mr. G. S. te …,

**tegen**:

**DE BELGISCHE STAAT**,

In de persoon van de Minister van Financiën, te 1000 Brussel, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-Generaal, Directeur van het KMO-Centrum Antwerpen, met kantoren te 2930 BRASSCHAAT, Ruiterijschool 3 bus 92, KBO: 0308.357.159

verwerende partij

\- vertegenwoordigd door mevr. X, rijksambtenaar,

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, zoals ze voorkomen op de inventaris ervan;

Gelet op de Wet van 15/6/1935 op het gebruik van talen In gerechtszaken. Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 21 oktober 2020.

### 1. Procedurele voorafgaanden

De betwisting heeft betrekking op het btw- dwangbevel nr … uitgevaardigd … en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 30 november 2018. Ter terechtzitting verduidelijkt eiser dat de betwisting enkel betrekking heeft op de bedragen met betrekking tot de betwisting van de aftrek van de historische btw met name:

\- 9.528,70 euro btw

\- 950,00 euro geldboete

\- te vermeerderen met de Interesten overeenkomstig de artikelen 91,§1 en 91,§4

W.BTW.

Eiser is advocaat en sinds 1 januari 2014 geïdentificeerd als btw-belastingplichtige. Eiser oefent zijn activiteit uit op het adres te …. Eiser diende op 27 juni 2013 een Inventaris in m.b.t. de aftrek van de historische btw.

Ten gevolge van een btw-controle werd een proces-verbaal opgesteld op 27 november 2018 en werd een dwangbevel betekend.

Op 5 april 2019 wordt namens eiser een fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank.

### 2. De vorderingen van partijen

De vordering van eiser strekt ertoe het bestreden dwangbevel nr. … aangaande de bedragen met betrekking tot de historische btw te vernietigen, dan wel van nul en generlei waarde te verklaren, teruggave te bevelen van de bedragen die door eiser ten onrechte zouden zijn betaald en/of Ingehouden, te vermeerderen met de wettelijke, gerechtelijke en moratoire Interesten vanaf de datum van betaling of Inhouding, verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, m.i.v. een rechtspleglngvergoeding t.b.v. 1.320,00 euro en de bijdrage voor het begrotingsfonds juridische tweedelijnsbijstand t.b.v. 20,00 euro.

Verweerder verzoekt de rechtbank de vordering van eiser ontvankelijk maar ongegrond te verklaren en eiser te veroordelen tot de kosten van het geding.

### 3. Ontvankelijkheld

De ontvankelijkheid van de vordering van eiser wordt niet betwist. Er zijn evenmin ambtshalve aan te voeren bezwaren betreffende de ontvankelijkheid.

### 4. Beoordeling

*i.* *Historische btw*

Sinds 1 januari 2014 zijn advocaten btw-belastingplichtigen en zijn hun prestaties onderworpen aan btw. Overeenkomstig artikel 49, 3° W. BTW en [artikel 21bis, §1 KB nr. 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c#ar3-art21bis) kon eiser zijn recht op aftrek van voorbelasting uitoefenen:

\- voor de andere goederen en diensten dan bedrijfsmiddelen, die nog niet werden gebruikt of verbruikt op 1 januari 2014;

\- voor de bedrijfsmiddelen die op 1 januari 2014 nog bestaan, voor zover die goederen

nog bruikbaar zijn en de herzieningstermijn bepaald bij artikel 48, §2 W.BTW nog niet was verstreken.

Het betreft in het bijzonder het recht op aftrek van de historische btw.

Eiser diende hiertoe tijdig een Inventaris in op 27 juni 2013 (stuk 3 van verweerder). Op deze Inventaris vermeldde eiser een te herziene (of historische) btw t.b.v. 14.236,51 euro.

In het proces-verbaal d.d. 27 november 2018 van de btw-administratie wordt gesteld dat deze historische btw voor een bedrag van 9.528,70 euro werd opgenomen door eiser In rooster 62 van de volgende btw-aangiftes (zie ook stukken 4 tot en met 7 van verweerder):

\- 3de kwartaal 2015: 3.363,29 euro, aangifte ingediend op 20 oktober 2015

\- 4de kwartaal 2015: 1.216,99 euro, aangifte ingediend op 21 januari 2016

\- 1ste kwartaal 2016: 3.092,08 euro, aangifte ingediend op 15 april 2016

\- 2de kwartaal 2016: 1.856,34 euro, aangifte ingediend op 19 juli 2016.

Rooster 62 van de btw-aangifte is bestemd voor diverse btw-regularisaties in het voordeel van de aangever, o.a. herzieningen van aftrekken.

Eiser betwist niet dat deze bedragen vermeld in code 62 betrekking hebben op deze historische btw zoals vermeld In de Inventaris.

Volgens verweerder werd dit bedrag ten onrechte opgenomen In vak 62 en moet eiser dit bedrag terugbetalen.

*ii.* *Vordering van de administratie - Is er sprake van verjaring?*

Volgens eiser Is de vordering van de btw-administratie verjaard aangezien de verjaringstermijn een aanvang zou hebben genomen op 27 juni 2013, met name op het ogenblik dat eiser de inventaris van de historische btw bij de btw-administratie heeft ingediend. Eiser stelt dat de vervaltermijn voor de uitoefening van het recht op aftrek drie jaar bedraagt, deze aftrek moet worden uitgeoefend in een aangifte die wordt ingediend voor het einde van het derde jaar dat volgt op de opeisbaarheid. Volgens eiser is aldus ten laatste op 27 juni 2013 de btw opeisbaar geworden en zijn de wettelijke onderzoeks- en aanslagtermijnen vanaf de datum beginnen lopen en deze eindigen na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van de opeisbaarheid van de btw zich heeft voorgedaan. Volgens eiser is de vordering van de btw-administratie verjaard en was het niet meer mogelijk om In november 2018 een btw-dwangbevel uit te vaardigen.

Volgens verweerder zijn de artikelen 81 en 81bis W.BTW van toepassing en begon In casu de verjaring ten vroegste te lopen op 20 oktober 2015, met name de datum van indiening van de btw-aangifte voor het derde kwartaal van 2015.

De rechtbank stelt ten eerste vast dat eiser verkeerdelijk verwijst naar onderzoeks- en aanslagtermijnen, inzake btw is er enkel sprake van een verjaringstermijn.

De rechtbank oordeelt dat eiser ten onrechte stelt dat de verjaringstermijn een aanvang zou hebben genomen op 27 juni 2013, op dat ogenblik was eiser zelfs nog geen btw­ belastingplichtige. Slechts op 1 januari 2014 werd eiser een btw-belastingplichtige en dienvolgens onderworpen aan de bepalingen van de btw-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en dienvolgens met een recht op aftrek. Vóór 1 Januari 2014 kon de btw­ administratie nog zelfs geen kennis hebben van enig In aftrek genomen btw-bedrag.

Eiser nam de betwiste historische btw slechts in aftrek in zijn btw-aangiftes van 2015 (laatste twee kwartalen) en 2016 {eerste twee kwartalen). Pas vanaf dat ogenblik kon de verjaring een aanvang nemen overeenkomstig de artikelen artikel 81 en 81bis W.BTW., aangezien op dat ogenblik de vordering tot voldoening van de btw ontstaat, in casu de vordering van de btw­ administratie wegens onterecht uitgeoefende. aftrek van de btw of de vordering van de btw­ administratie wegens te weinig betaalde btw (vgl. HvJ, 9 jul\\ 2009, [C-483/08](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-483-08-ordonnance)).

De vordering van de btw-administratie is aldus niet verjaard.

*iii.* *Bewijs van de historische btw*

De bewijslast van de aftrekbare btw ligt bij eiser.

Eiser kocht in 2005 het pand gelegen te … .

In het proces-verbaal d.d. 28 november 2018 stelt de btw-administratie dat het pand bestaat uit verschillende verdiepingen en dat de beroepslokalen zich bevinden op het gelijkvloers en dat de andere ruimten appartementen betreffen die worden verhuurd door eiser. In het proces-verbaal wordt tevens vastgesteld dat de eerste drie lijnen van de Inventaris betrekking hebben op de aankoop van het pand en de registratierechten, zodoende dat deze ten onrechte werden opgenomen in de Inventaris. De rechtbank stelt vast dat eiser dit niet betwist, bovendien worden er door eiser geen stukken voorgelegd van de aankoop of de leningen.

Voor het overige toont eiser niet aan dat de voorgelegde facturen (stuk 2 van eiser) betrekking hebben op werken uitgevoerd aan de beroepslokalen, vertonen bepaalde facturen gebreken (vb. geen adresgegevens, geen details, geen omschrijving), hebben bepaalde facturen betrekking op inrichting en is elke overeenstemming tussen de facturen en de Inventaris onmogelijk. Er ligt zelfs geen enkel bewijs voor dat de facturen betrekking hebben op bedrijfsmiddelen. Op basis van de voorgelegde stukken toont eiser aldus niet aan dat hij recht heeft op aftrek van enige historische btw. De btw-administratie heeft aldus terecht de aftrek van de historische btw verworpen. De discussie aangaande de herzieningstermijn dient aldus niet verder beoordeeld te worden.

*iv.* *De geldboete*

Door de btw-administratie werd een proportionele geldboete opgelegd die door de btw­administratie reeds werd herleid naar 10% van de verschuldigde belasting. Er ligt dan ook geen reden voor om, de alreeds tevoren substantieel herleide administratieve boete nog verder te herleiden.

## OM DEZE REDENEN

**DE RECHTBANK**

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de rechtsvordering ontvankelijk maar ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de kosten van het geding, In hoofde van de Belgische Staat niet begroot en door de rechtbank vereffend op 0,00 euro.

Bijdrage Fonds wet 19/03/2017 gestort door eiser, is definitief verworven voor het Fonds.

Dit vonnis werd. uitgesproken op achttien november tweeduizend twintig In openbare zitting van de Kamer AFl4,

## Textes cités

10

[AR no 3 art. 21bis](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c) 9 occurrences

[CTVA art. 48](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-48) 3 occurrences

[AR no 3 art. 9](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c) 2 occurrences

[CTVA art. 81](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-81) 2 occurrences

[CTVA art. 81bis](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-81bis) 2 occurrences

[AR no 3 art. 6](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-article-historique-00d1) 1 occurrence

[AR no 3 art. 7](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c) 1 occurrence

[CTVA art. 82](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-82) 1 occurrence

[6e directive 77/388 art. 10](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-10) 1 occurrence

[C-483/08, ordonnance du 9 juillet 2009](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-483-08-ordonnance) 3 occurrences

## Décisions similaires

8

[Exemptions, Limitation du droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/exemptions-limitation-droit-deduction-registre-tribunal-bruges-2023-02-20-c3a6) 4 dispositions communes

[Location immobilière, Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/location-immobiliere-droit-deduction-utilisation-cour-appel-anvers-2018-03-20-34ca) 3 dispositions communes

[Bien d’investissement](https://juriel.be/fr/jurisprudence/bien-investissement-immeuble-utilise-comme-tribunal-bruxelles-2017-04-19-40f2) 3 dispositions communes

[Séquestre, fraude au domicile, visite domiciliaire](https://juriel.be/fr/jurisprudence/sequestre-fraude-domicile-visite-domiciliaire-tribunal-gand-2024-10-02-1508) 2 dispositions communes

[Déclaration de régularisation, Activité d'ostéopathe, Exonération de TVA](https://juriel.be/fr/jurisprudence/declaration-regularisation-activite-osteopathe-exoneration-tribunal-bruxelles-2025-10-06-2068) 2 dispositions communes

[Validité de la contrainte, Motivation adéquate](https://juriel.be/fr/jurisprudence/validite-contrainte-motivation-adequate-reference-cour-appel-liege-2022-09-14-234b) 2 dispositions communes

[Fraude fiscale, Fausses factures, Indices de fraude](https://juriel.be/fr/jurisprudence/fraude-fiscale-fausses-factures-indices-cour-appel-bruxelles-2022-12-01-3bd0) 2 dispositions communes

[Constitution d’un droit d’emphytéose, Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/constitution-droit-emphyteose-deduction-revision-cour-appel-anvers-2019-06-04-4949) 2 dispositions communes
